CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 13 februari 2003 (1)
Zaak C-56/02
IHW Rebmann GmbH
tegen
Hauptzollamt Weiden
(verzoek van het Bundesfinanzhof om een prejudiciële beslissing)
„Vrij verkeer van goederen – Handelsverkeer met derde landen – Regeling voor terugkerende goederen – Artikel 187 van verordening (EEG) nr. 2913/92 – Wederinvoer van veredelingsproducten die waren wederuitgevoerd na onder een regeling actieve veredeling te zijn geplaatst – Vaststelling van rechten bij invoer – Bewijslast inzake deel van communautaire waarde in wederingevoerde producten”
1. De onderhavige prejudiciële vraag betreft de uitlegging van artikel 187, tweede alinea, van het communautair douanewetboek. (2)
2. Het Bundesfinanzhof (hoogste rechterlijke instantie op fiscaal gebied in Duitsland) vraagt het Hof, of degene die in het douanegebied van de Gemeenschap goederen invoert die veredelingsproducten bevatten en die onder de regeling voor terugkerende goederen kunnen vallen, in alle gevallen de feiten moet bewijzen die nodig zijn voor de berekening van de verschuldigde invoerrechten, of dat het douanekantoor de gegevens juist zelf moet verstrekken indien de importeur hiertoe niet in staat is.
I ─ Wettelijk kader
A ─ De uit te leggen bepaling
3. Artikel 187 van het communautair douanewetboek luidt: De artikelen 185 en 186 zijn mutatis mutandis van toepassing op veredelingsproducten die oorspronkelijk werden uitgevoerd of wederuitgevoerd na onder een regeling actieve veredeling te zijn geplaatst.Het bedrag aan wettelijk verschuldigde rechten bij invoer wordt vastgesteld volgens de bepalingen die in het kader van de regeling actieve veredeling gelden. De datum van de wederuitvoer van de veredelingsproducten wordt beschouwd als de datum van het in het vrije verkeer brengen.
4. Voor een beter begrip van de strekking van deze bepaling is een korte beschrijving noodzakelijk van de bepalingen inzake de actieve veredelingshandelingen en de invoer van producten.
B ─ De regeling actieve veredeling en de wederinvoer van terugkerende goederen
5. Goederen die vanuit landen of gebieden buiten de Europese Unie worden ingevoerd, verkrijgen de douanestatus van communautaire goederen doordat zij in het vrije verkeer worden gebracht, bij welke verrichting de wettelijk verschuldigde rechten worden toegepast. (3)
6. Over de in dit grondgebied ingevoerde goederen hoeven echter geen invoerrechten te worden betaald indien zij bestemd zijn om binnen een door de bevoegde autoriteiten vastgestelde termijn te worden wederuitgevoerd en indien zij een of meer veredelingshandelingen ondergaan, die bestaan uit de bewerking, verwerking of herstelling, met inbegrip van revisie. De regeling waaraan deze goederen zijn onderworpen, wordt de regeling actieve veredeling genoemd, en de goederen die uit deze handelingen voortkomen, worden als veredelingsproducten aangeduid. In ieder geval is voor deze handelingen een vergunning noodzakelijk, die moet worden aangevraagd door eenieder die veredelingshandelingen verricht of laat verrichten. (4)
7. Op verzoek van de belanghebbende kan eveneens vrijstelling van rechten bij invoer worden verleend voor communautaire goederen die, na uit het douanegebied van de Gemeenschap te zijn uitgevoerd, opnieuw in dit douanegebied worden binnengebracht en in het vrije verkeer worden gebracht. (5) Dit is de preferentiële regeling van de terugkerende goederen (6) , die uitsluitend van toepassing is indien de goederen binnen een termijn van drie jaar worden binnengebracht in dezelfde staat waaruit zij werden uitgevoerd. (7)
8. Indien blijkt dat de betrokken producten veredelingsproducten zijn die het resultaat zijn van een actieve veredeling, vallen zij onder de voor terugkerende goederen bestemde preferentiële behandeling en zijn zij vrijgesteld van de desbetreffende rechten.
9. Niettemin heeft de vrijstelling voor deze categorie producten slechts betrekking op de waarde van het goed die overeenstemt met de in de Gemeenschap verrichte veredeling, terwijl het gedeelte van de waarde dat met de uit het derde land afkomstige goederen overeenkomt, belastbaar blijft. In dat geval wordt de hoogte van de invoerrechten vastgesteld volgens de bepalingen die in het kader van de regeling actieve veredeling gelden, aan de hand van de heffingsgrondslagen geldend voor de invoergoederen op het tijdstip van de wederuitvoer. (8)
C ─ De verplichtingen van de importeur en van de douaneautoriteiten
10. De importeur moet schriftelijk, op een formulier dat overeenkomt met het daartoe vastgestelde officiële model en naar behoren ondertekend, alle gegevens verstrekken die de bevoegde autoriteiten nodig hebben om de douaneschuld te berekenen. (9)
11. Indien hij echter niet alle gegevens kan verstrekken die voor een beslissing op het verzoek nodig zijn, dienen de douaneautoriteiten de tot hun beschikking staande bescheiden en gegevens te verstrekken. (10)
12. Met name wanneer in het kader van de regeling actieve veredeling veredelingsproducten in het vrije verkeer worden gebracht, moeten de douaneautoriteiten die de aangifte aanvaarden, het controlekantoor om opgave verzoeken van de noodzakelijke gegevens om de douaneschuld vast te stellen. (11) In de regeling voor de terugkerende goederen die, zoals reeds gezegd, ook van toepassing is op veredelingsproducten, is het douanekantoor van uitvoer gehouden om het douanekantoor van wederinvoer desgevraagd alle tot zijn beschikking staande gegevens de verstrekken om te kunnen vaststellen of deze goederen aan de voorgeschreven voorwaarden voldoen om onder deze regeling te vallen. (12)
13. Bovenstaande verplichtingen gelden niet wanneer het gegevens betreft die onder het beroepsgeheim vallen, dat wil zeggen inlichtingen van vertrouwelijke aard of die als vertrouwelijk zijn verstrekt; de douaneautoriteiten mogen deze niet bekendmaken zonder uitdrukkelijke toestemming van de persoon of de autoriteit die deze inlichtingen heeft verstrekt, tenzij de geldende bepalingen, met name inzake gegevensbescherming, of een beschikking in het kader van een gerechtelijke procedures hen hiertoe verplichten. (13)
II ─ De feiten, het geschil in het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
14. In de periode van 13 december 1994 tot en met 17 maart 1995 heeft IHW Rebmann GmbH (hierna: Rebmann) 158 auto's, van oorsprong uit Duitsland, vanuit de Tsjechische Republiek in de Gemeenschap ingevoerd, die bestemd waren om in het vrije verkeer te worden gebracht. (14) Zij heeft deze invoer in 20 partijen verricht; telkens legde zij een aangifte voor terugkerende goederen en de desbetreffende factuur met een uitvoerstempel van de Duitse douaneautoriteiten over.
15. Deze douaneautoriteiten stelden echter vast dat deze voertuigen actief waren veredeld voordat zij naar Praag waren verzonden. Bij gebrek aan gegevens waaruit het communautaire aandeel in de producten kon worden opgemaakt, vorderde het Hauptzollamt Weiden (Duitsland) van de onderneming invoerrechten over de totale waarde van de producten.
16. Rebmann stelde bij het Finanzgericht München beroep in tegen deze vordering en stelde dat de douaneschuld moest worden berekend met uitsluiting van de waarde van het communautaire aandeel in de auto's, en dat zij zelf niet over de noodzakelijke gegevens beschikte om deze te bepalen, aangezien de actieve veredeling door een derde onderneming was verricht. De douaneautoriteiten antwoordden dat het de taak van de importeur was om alle noodzakelijke gegevens voor de vaststelling van de douaneschuld te verstrekken en dat de door de exporteur van de veredelingsproducten als vertrouwelijk verstrekte gegevens op grond van het beroepsgeheim niet mochten worden gebruikt.
17. Het Finanzgericht heeft het beroep verworpen met als motivering dat de invoerrechten niet konden worden vastgesteld op basis van artikel 187, tweede alinea, van het communautaire douanewetboek, aangezien de gegevens over het aandeel van de goederen uit derde landen, die voor een dergelijke berekening noodzakelijk zijn, niet beschikbaar waren.
18. Rebmann heeft bij het Bundesfinanzhof beroep in Revision ingesteld. Zij betoogt dat zij enkel hoefde te bewijzen dat de auto's destijds waren uitgevoerd in het kader van een regeling actieve veredeling, en dat zij voornemens was deze opnieuw in de Gemeenschap in te voeren als terugkerende goederen, zodat het dan aan de douaneautoriteiten was om het bedrag van de verschuldigde rechten vast te stellen aan de hand van de door de exporteur van de veredelingsproducten verstrekte gegevens.
19. Volgens het Bundesfinanzhof hangt de rechtmatigheid van de bestreden heffing af van de vraag of de verzoekende onderneming, zoals het Finanzgericht heeft geoordeeld, niet alleen moet bewijzen dat de auto's die in het kader van een regeling actieve veredeling zijn uitgevoerd en vervolgens wederingevoerd, terugkerende goederen zijn, maar ook de gegevens die de berekeningsgrondslag voor de verschuldigde rechten vormen, moet verstrekken en bewijzen. Zij stelt het Hof dan ook de volgende vraag:Moet artikel 187, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus worden uitgelegd, dat bij het in het douanerechtelijk vrije verkeer brengen van veredelingsproducten die als terugkerende goederen worden aangegeven, ook de voor de berekening van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer noodzakelijke feiten moeten worden vermeld en bewezen, of moeten deze, voorzover mogelijk, door het douanekantoor dat de aangifte aanvaardt bij het controlekantoor worden opgevraagd door middel van inlichtingenblad INF 1 overeenkomstig de procedure die is voorgeschreven in artikel 613 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, in de tot 30 juni 2001 geldende versie?
III ─ De procedure voor het Hof
20. De Commissie en Rebmann hebben binnen de daartoe in artikel 20 van 's Hofs statuut-EG voorgeschreven termijn schriftelijke opmerkingen ingediend.
21. Het Hof heeft besloten, deze belanghebbenden en de Duitse regering een aantal vragen te stellen over de uitlegging van enige bepalingen van het communautair douanewetboek en de uitvoeringsverordening.
22. Ter terechtzitting op 23 januari 2003 hebben Rebmann en de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt. IV ─ Onderzoek van de prejudiciële vraag.
A ─ Veredelingsproducten als terugkerende goederen
23. Vrijgesteld van de betaling van verschuldigde douanerechten is ieder goed dat het communautaire grondgebied wordt binnengebracht voor bepaalde handelingen, actieve veredelingshandelingen genoemd, met het oog op wederuitvoer. Indien het betrokken goed echter ten gevolge van de latere wederinvoer in de Europese Unie en door het in het vrije verkeer brengen een communautair goed wordt, verliest deze vrijstelling haar bestaansrecht en is de importeur verplicht, de douaneschuld te betalen die aanvankelijk niet was ontstaan.
24. Eveneens vrijgesteld van deze rechten zijn de communautaire goederen die, na te zijn uitgevoerd, in het douanegebied terugkeren en er binnen drie jaar in het vrije verkeer worden gebracht. Na afloop van deze periode worden zij, behoudens uitzonderingen, als niet-communautair beschouwd en vallen zij onder de algemene douaneregeling.
25. In de regel zijn veredelingsproducten die uit veredelingshandelingen voortkomen, zoals de in het hoofdgeding bedoelde auto's, producten die zijn samengesteld uit verschillende bestanddelen. Sommige hiervan zijn goederen van buiten de Gemeenschap, die zijn ingevoerd met als enige doel te worden veredeld; de andere zijn communautaire goederen die daaraan zijn toegevoegd tijdens de bewerkings-, verwerkings- of herstellingshandelingen.
26. Wanneer het veredelingsproduct in het douanegebied terugkeert, moet derhalve bekend zijn welke bestanddelen oorspronkelijk ingevoerde goederen van buiten de Gemeenschap zijn, de enige waarover rechten moeten worden betaald.
27. Dit is de strekking van de bepalingen die ik in onderdeel I, punt A, van de onderhavige conclusie heb beschreven.
B ─ De verplichting om de noodzakelijke gegevens voor de berekening van de invoerrechten te verstrekken
1. Algemene regel: de verplichting rust op de importeur
28. Voor bestaat er niet de geringste twijfel dat in beginsel de noodzakelijke gegevens voor de berekening van de invoerrechten in het algemeen moeten worden verstrekt en bewezen door degene die het eerder uitgevoerde veredelingsproduct importeert. Niet alleen uit het door het communautair douanewetboek ingevoerde systeem en vooral de tekst van artikel 62 ervan, maar ook uit de logica van het systeem, daar de importeur of zijn vertegenwoordigers de goederen en hun kenmerken immers het best kennen, volgt dat zij de gegevens in de desbetreffende aangifte moeten verstrekken, wanneer zij de goederen bij de douane aanbieden.
2. Uitzondering: de verplichting rust op de douaneautoriteiten
29. Zoals echter blijkt uit de feiten van het beroep dat tot deze prejudiciële vraag heeft geleid, zijn er situaties denkbaar waarin de importeur de douanedienst de voor de berekening van de verschuldigde rechten noodzakelijke gegevens niet kan verstrekken, omdat hij deze niet kent. In dergelijke situaties zijn de bevoegde autoriteiten bij wijze van uitzondering verplicht deze in te winnen of er gebruik van te maken, indien zij erover beschikken.
30. Voor deze benadering zijn verscheidene argumenten aan te voeren. Sommige daarvan vloeien uit de tekst van de communautaire douaneregelgeving zelf voort; andere zijn op algemene rechtsbeginselen gebaseerd.
a) De douanewetgeving
31. Op grond van artikel 6 in hoofdstuk 2, houdende algemene bepalingen betreffende de rechten en verplichtingen van personen ten aanzien van de douanewetgeving, van het communautair douanewetboek verstrekt een persoon die de autoriteiten om een beschikking verzoekt, alle noodzakelijke gegevens en bescheiden om het besluit te nemen. De uitvoeringsverordening bepaalt echter dat in het geval waarin dit niet mogelijk is, de douaneautoriteiten de bescheiden en gegevens waarover zij beschikken, moeten verstrekken (artikel 2).
32. Deze regel is van belang op bepaalde concrete gebieden van het communautaire douanerecht, waaronder ook de op de feiten van het geschil in het hoofdgeding toepasselijke bepalingen.
i) Indiening van de gegevens in het kader van de actieve veredeling
33. Onder deze regeling zijn niet-communautaire goederen die zijn ingevoerd om later in de vorm van veredelingsproducten te worden wederuitgevoerd uit het douanegebied van de Gemeenschap, niet aan douanerechten onderworpen en vallen zij onder het zogenaamde systeem inzake schorsing (15) , dat, wat hier van belang is, eindigt wanneer zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten. (16) Indien deze goederen echter na hun uitvoer weer in dit douanegebied terugkeren, zijn hierover ─ zoals reeds gezegd ─ invoerrechten verschuldigd naar rato van het aandeel aan niet-communautaire goederen. Hiertoe moet de houder van de vergunning tot actieve veredeling bij het controlekantoor een zuiveringsafrekening indienen, die de gegevens bevat waarmee het bedrag van bovengenoemde rechten kan worden vastgesteld. (17)
34. De uitvoeringsverordening zelf voorziet echter in de mogelijkheid dat in bepaalde gevallen gegevens zonder medewerking van de betrokkenen door middel van administratieve samenwerking kunnen worden ingewonnen. Wanneer de invoer en het in het vrije verkeer brengen plaatshebben bij een ander kantoor dan dat waar de regeling inzake schorsing is beëindigd, moet een inlichtingenblad, genaamd INF 1, worden opgesteld, zodat de autoriteiten de douanerechten op basis van de daarin opgenomen gegevens kunnen berekenen. (18)
ii) De verstrekking van de gegevens in het kader van de regeling terugkerende goederen
35. In het kader van deze regeling dienen de douaneautoriteiten die bij de eerste uitvoer betrokken zijn, een document af te geven dat gegevens bevat aan de hand waarvan de identiteit van de goederen kan worden vastgesteld wanneer deze weer in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht (19) en moeten zij ─ eveneens op verzoek van de exporteur ─ het inlichtingenblad INF 3 opstellen, dat alle door deze autoriteiten vergaarde gegevens bevat. (20)
36. De indiening van een van beide documenten is een absolute voorwaarde voor de vrijstelling van invoerrechten bij de wederinvoer van de goederen, maar is niet vereist indien de autoriteiten die bij de handeling betrokken zijn, op grond van bewijsstukken waarover zij beschikken of die zij van het douanekantoor van wederinvoer of van de belanghebbende kunnen verlangen , in staat zijn vast te stellen dat aan de voorwaarden voor de toepassing van de preferentiële douaneregeling is voldaan (21)
37. Bij terugkerende goederen legt de wetgever de verplichting om de relevante gegevens voor de vrijstelling te verstrekken aan de belanghebbende; hij bepaalt evenwel ook dat de douaneautoriteiten deze gegevens zelf kunnen verschaffen, hetzij doordat zij er al over beschikken, hetzij doordat zij deze van de importeur verlangen. Om deze reden verplicht de uitvoeringsverordening zelf de autoriteiten om het origineel en twee kopieën van het inlichtingenblad INF 3 af te geven, waarbij het origineel en een van de kopieën de exporteur ter hand worden gesteld, zodat hij deze op het douanekantoor van wederinvoer kan overleggen, terwijl de tweede kopie door de douaneautoriteiten van afgifte in hun archieven wordt opgeborgen. (22)
38. Het communautair douanewetboek en de uitvoeringsverordening schrijven niet voor dat ─ onafhankelijk van de concrete omstandigheden en de redenen waarom degene die de rechten verschuldigd is, de voor de toekenning van het voordeel benodigde gegevens niet kan verstrekken ─ bij ontbreken van de door de importeur verstrekte gegevens automatisch en formalistisch voor de wederingevoerde goederen invoerrechten moeten worden betaald alsof het geen terugkerende goederen zijn.
39. In de regeling actieve veredeling is dan ook bepaald dat de voor de berekening van de douaneschuld benodigde gegevens door middel van administratieve samenwerking worden ingewonnen door de douaneautoriteiten zelf, die in procedures betreffende terugkerende goederen verplicht zijn om voor de vrijstelling de bij hen beschikbare gegevens te gebruiken, ongeacht of deze door de belanghebbende zijn verstrekt. Daarom zijn de hierboven besproken bepalingen eveneens van toepassing indien de terugkerende goederen veredelingsproducten zijn die voor het gedeelte dat zij uit niet-communautaire elementen bestaan, aan douanerechten zijn onderworpen.
40. Samenvattend ben ik van mening dat artikel 187 van het communautair douanewetboek in beginsel de belanghebbende verplicht de noodzakelijke gegevens voor de berekening van de invoerrechten voor veredelingsproducten die als terugkerende goederen worden aangeboden, te vermelden en te bewijzen, maar dat deze verplichting in uitzonderingsgevallen op de douaneautoriteiten rust ─ voorzover deze erover beschikken ─ indien de belanghebbenden deze gegevens om redenen die niet aan hem te wijten zijn, niet kan verstrekken.
41. Ik ben het niet eens met de strikte uitlegging die de Commissie aan artikel 187, lid 2, van het communautair douanewetboek geeft. Deze bepaling verwijst voor de berekening van het bedrag aan wettelijk verschuldigde rechten bij invoer naar de bepalingen die in het kader van de regeling actieve veredeling gelden. Gelet op de tekst ervan is de verwijzing niet-restrictief. Zij doelt namelijk niet uitsluitend op de materiële voorschriften betreffende de berekening van de douaneschuld, maar op de toepasselijke bepalingen, zonder nadere precisering, en verwijst daarmee ook naar de procedurevoorschriften. De tekst van de bepaling biedt dus geen enkel aanknopingspunt voor het door de Commissie voorgestelde onderscheid.
42. Aldus moet het bedrag van de invoerrechten voor de veredelingsproducten worden vastgesteld op basis van de bepalingen van de regeling actieve veredeling, voorzover deze van toepassing zijn, waaronder de bepalingen betreffende de door de douaneautoriteiten te volgen procedure om zich de voor de berekening noodzakelijke beoordelingscriteria te verschaffen. Ik zie geen reden om deze bepalingen uit te sluiten, en de Commissie noemt er ook geen enkele, maar beperkt zich, zonder nadere argumenten, tot de stelling dat deze niet van toepassing zijn. (23)
43. Natuurlijk is ook het gestelde onderscheid tussen veredelingsproducten al naargelang zij na actieve veredeling in het vrije verkeer worden gebracht of na te zijn uitgevoerd als terugkerende goederen weer worden ingevoerd, geen geldige verklaring.
44. Dit door de Commissie aangevoerde onderscheid bestaat niet. In de eerste plaats heeft de communautaire wetgever dit niet zo gewild; indien dit wel zo was, had hij in het zelfde artikel 187, tweede alinea, niet toegevoegd dat voor veredelingsproducten die als terugkerende goederen worden ingevoerd, voor de berekening van de douaneschuld de bepalingen van de regeling actieve veredeling worden toegepast, dat wil zeggen dezelfde regels als waren toegepast indien zij onmiddellijk na een bewerking, verwerking of herstelling of na een tussentijdse regeling in het vrije verkeer waren gebracht.
45. In de tweede plaats bevinden de veredelingsproducten zich in beide gevallen in dezelfde situatie wat de berekening van de invoerrechten betreft. Het gaat om een samenstel van goederen van binnen en van buiten de Gemeenschap, zodat bij het in het vrije verkeer brengen en het bepalen van de berekeningsgrondslag de aandelen van beide gedeelten in het eindproduct bekend moeten zijn, aangezien alleen over de goederen van buiten de Gemeenschap invoerrechten verschuldigd zijn. Bij dit onderzoek is het in de eerste plaats de debiteur die middels zijn aangifte de noodzakelijke gegevens moet verschaffen; indien hij hiertoe echter niet in staat is, is er geen enkele reden om geen gebruik te maken van de mogelijkheden waarin door het douanerecht zelf wordt voorzien om dit manco te verhelpen.
46. Het tijdsverloop tussen de actieve veredelingshandelingen en de wederinvoer van de veredelingsproducten, of de omstandigheid dat de importeur van deze producten een andere persoon is dan degenen die de vergunning voor deze handelingen heeft verkregen en de producten heeft uitgevoerd, kunnen weliswaar andere consequenties hebben (24) , maar het wordt hierdoor geenszins mogelijk om ─ wanneer de voor de beoordeling noodzakelijke gegevens beschikbaar zijn ─ de invoerrechten in afwijking van het normaal verschuldigde bedrag zo vast te stellen alsof het geen veredelingsproducten betreft.
b) Algemene rechtsbeginselen
47. De door de Commissie voorgestelde uitlegging is in strijd met het evenredigheidsbeginsel (25) en het beginsel van goede trouw (26) dat de betrekkingen tussen de administratie en de onderdanen dient te regeren.
48. Het is immers onevenredig om de importeur een hogere douaneschuld te laten betalen wanneer hij om redenen die niet aan hem te wijten zijn, niet de voor de berekening benodigde gegevens kan verstrekken, terwijl deze gegevens zich bevinden in de archieven van een douanekantoor, ongeacht of dit het voor de aanzuivering of de invordering bevoegde kantoor is dan wel enig ander kantoor dat deze via de procedure van administratieve samenwerking kan verkrijgen. Voor degene die de invoerrechten verschuldigd is, vormen alle autoriteiten die de communautaire douanewetgeving toepassen, een en dezelfde rechtspersoon; als onderdelen van hetzelfde lichaam moeten zij contact met elkaar onderhouden; het is niet aanvaardbaar dat gegevens die bij de een bekend zijn, voor de andere ─ ten nadele van de debiteur ─ ontoegankelijk blijven.
49. Indien dit uit het oog wordt verloren en, hoewel de relevante gegevens beschikbaar zijn, het feit dat de importeur deze niet kan verstrekken, wordt uitgebuit om de douaneschuld op een hoger bedrag vast te stellen dan normaal verschuldigd is, wordt uiteraard het beginsel van goede trouw geschonden dat de relatie tussen administratie en burgers dient te beheersen.
50. Bovendien krijgt deze verhoging van de douaneschuld, die immers niet verschuldigd is, het karakter van een sanctie, zoals de vertegenwoordiger van de Commissie ter terechtzitting heeft erkend. (27) Wanneer de douaneautoriteiten weten dat de ingevoerde producten van veredelingsproducten zijn en zij over de noodzakelijke gegevens beschikken om de douaneschuld te berekenen, vormt de beslissing om hierop een heffing toe te passen alsof zij geen communautaire elementen bevatten enkel en alleen omdat dat de importeur de betrokken gegevens niet heeft verstrekt, in feite een sanctie die wordt opgelegd in strijd met alle beginselen en limieten die gelden voor de uitoefening van sanctiebevoegdheden door publiekrechtelijke instanties.
51. Dit is in strijd met het legaliteits- en het specificiteitsbeginsel, op grond waarvan de strafbare feiten vooraf moeten zijn vastgesteld en onder de beschrijving moeten vallen, alsmede met het schuldbeginsel, dat een sanctie bij het ontbreken van schuld uitsluit.
52. Dan wordt dus in feite zonder meer een sanctie opgelegd, buiten elke enige procedure om en zonder dat de betrokkene vooraf is gehoord of zich op enigerlei wijze heeft kunnen verweren.
53. De door mij voorgestelde oplossing gaat niet voorbij aan het formele en procedurele karakter van het douanerecht, noch leidt zij ─ zoals de Commissie beweert ─ tot onzekerheid in de rechtsbetrekkingen. Integendeel, ik denk dat deze oplossing het juiste midden houdt tussen de noodzakelijke zekerheid in de rechtsbetrekkingen en de waarborgen voor de burger of, zoals het in de vijfde overweging van de considerans van het communautair douanewetboek wordt geformuleerd: tussen enerzijds de behoefte van de douaneadministraties [...] en anderzijds het recht van de economische subjecten op een billijke behandeling.
54. Vanzelfsprekend moet de importeur bewijzen dat de betrokken goederen veredelingsproducten zijn die als terugkerende goederen worden ingevoerd, en moet hij het aandeel van de aan de heffing onderworpen onderdelen alsmede de voor de berekening van de douaneschuld benodigde gegevens aantonen. Indien hij echter door omstandigheden buiten zijn schuld geen van beide kan aantonen, terwijl de administratie deze kent of in staat is deze te kennen, is het zonder meer opleggen van een heffing over alle goederen in strijd met de letter en de geest van de regeling, en getuigt dit van een onnodig formalisme dat niet onontbeerlijk is, om de door de communautaire wetgever gestelde doeleinden te bereiken.
C ─ De onder het beroepsgeheim vallende gegevens
55. Tot slot moet ik bekennen dat ik de beletsels die volgens de Commissie, de Duitse regering en de verwijzende rechter uit artikel 15 van het communautair douanewetboek voortvloeien, niet kan zien. Deze bepaling beschermt inlichtingen van vertrouwelijke aard of als vertrouwelijk verstrekte inlichtingen door het beroepsgeheim; de douaneautoriteiten mogen deze inlichtingen niet bekendmaken behalve met toestemming van degenen die deze heeft verstrekt of een gerechtelijke beslissing, of wanneer een wettelijke bepaling hen daartoe verplicht.
56. Deze regel stelt dan ook een limiet aan het gebruik dat de douaneadministratie kan maken van de gegevens waarover zij beschikt, maar maakt het gebruik van niet-vertrouwelijke gegevens geenszins onmogelijk; deze regel kan dan ook niet in tegenspraak zijn met de door mij voorgestelde uitlegging. De geheimhoudingsplicht kan niet in het algemeen afdoen aan mijn overwegingen en de onderhavige conclusie, omdat anders, gezien het abstracte karakter van het communautaire douanerecht, de door mij geanalyseerde bepalingen van het douanerecht en vele andere, volgens welke de bevoegde autoriteiten de hun bekende gegevens kunnen en mogen gebruiken, zinledig zouden zijn.
57. Daarom moet, zoals ik heb verklaard, degene die het douanerecht verschuldigd is, de gegevens verstrekken en bewijzen, die noodzakelijk zijn voor de berekening van de douanerechten die verschuldigd zijn bij de invoer van veredelingsproducten als terugkerende goederen. Indien hij deze echter niet kan verstrekken om redenen die niet aan hem te wijten zijn, dient de administratie dit te doen, indien de gegevens in haar bezit zijn of zij daarover beschikt, mits zij niet onder het beroepsgeheim vallen en geen derden benadelen.
V ─ Conclusie
58. Gezien bovenstaande overwegingen stel ik het Hof voor, de prejudiciële vraag van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt:Artikel 187, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, verplicht als algemene regel de belanghebbende om alle feiten te vermelden en te bewijzen die nodig zijn voor de berekening van de rechten die verschuldigd zijn bij de invoer van veredelingsproducten die als terugkerende goederen worden aangeboden, doch indien bij wijze van uitzondering de debiteur om redenen die niet aan hem te wijten zijn, deze gegevens niet kan verstrekken, dient de administratie dit te doen, indien de gegevens in haar bezit zijn of zij daarover beschikt, mits zij niet onder het beroepsgeheim vallen en geen derden benadelen.
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – Vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 (PB L 302, blz. 1).
3 – Artikelen 79 en 201, lid 1, van het communautair douanewetboek.
4 – Artikelen 114, 116 en 118 van het communautair douanewetboek.
5 – Artikel 185, lid 1, van het communautair douanewetboek.
6 – Zie hoofdstuk 2 van titel VI van het communautair wetboek.
7 – Artikelen 185, lid 1, en 186, eerste zin, van het communautair wetboek.
8 – Artikelen 121, lid 1, en 187, tweede alinea, van het communautair douanewetboek.
9 – Artikelen 59, lid 1, 61 en 62, lid 1, van het communautair wetboek.
10 – Artikel 2 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB nr. L 253, blz. 1), hierna: uitvoeringsverordening.
11 – Artikel 613, lid 1, van de uitvoeringsverordening.
12 – Artikel 856, lid 1, van de uitvoeringsverordening.
13 – Artikel 15 van het communautair douanewetboek.
14 – Het betrof auto's van het model Audi 80 die Rebmann had gekocht van de onderneming Volkswagen AG.
15 – Zie artikel 114, leden 1, sub a, en 2, sub a, van het communautair douanewetboek.
16 – Zie artikel 89, lid 1, van het communautair douanewetboek en artikel 577, lid 1, van de uitvoeringsverordening, juncto de artikelen 4, punt 15, sub c, en 182, lid 1, eerste gedachtestreepje, van het douanewetboek.
17 – Zie artikelen 595 en 597, leden 2 en 3, van de uitvoeringsverordening.
18 – Zie artikelen 611, lid 2, sub b, 613 en 614 van de uitvoeringsverordening.
19 – Zie artikel 847 van de uitvoeringsverordening.
20 – Zie artikelen 851, lid 1, en 852, lid 1, van de uitvoeringsverordening.
21 – Zie artikelen 848, leden 1 en 3, en 856, lid 1, van de uitvoeringsverordening.
22 – Zie artikel 853.
23 – Zie punt 20 van haar schriftelijke opmerkingen.
24 – Met name, zoals ik heb vermeld, op het punt van de middelen om de voor de berekening van de douaneschuld benodigde gegevens in te winnen.
25 – Dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht (zie bijvoorbeeld arrest van 13 november 1990, Fedesa e.a., C-331/88, Jurispr. blz. I-4023, punt 13).
26 – Dat ten grondslag ligt aan het vertrouwensbeginsel, dat een voorname plaats inneemt in de rechtspraak van het Hof (zie, onder de meest recente, arrest van 19 september 2002, Huber, C-336/00, Jurispr. blz. I-7699, punt 59, en punt 4 van het dictum.
27 – Een consequentie die hij, na overleg met de deskundige die hem assisteerde, heeft willen rechtvaardigen met de economische aard en het formele karakter van het douanerecht.
Full & Egal Universal Law Academy