CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 5 juni 2003 (1)
Zaak C-60/02
Montres Rolex S.A. e.a.
[verzoek van het Landesgericht Eisenstadt (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Nagemaakte en door piraterij verkregen goederen – Ontbreken van strafrechtelijke sanctie voor doorvoer van nagemaakte goederen – Verenigbaarheid met verordening (EG) nr. 3295/94”
I ─ Inleiding
1. Het Landesgericht Eisenstadt (Oostenrijk), als rechter-commissaris (2) , wenst te vernemen of verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden (hierna: piraterijverordening) (3) , zich verzet tegen een nationale bepaling die de plaatsing van deze goederen onder een regeling extern douanevervoer niet strafbaar stelt.
2. Deze zaak vertoont twee bijzonderheden: enerzijds is de uitlegging van de litigieuze nationale bepaling door de verwijzende rechter niet onomstreden; anderzijds verzuimt de regel volgens het Landesgericht een sanctie te stellen. Het antwoord van het Hof zou dus neerkomen op de vaststelling van een niet-nakoming.
II ─ De feiten en het hoofdgeding
3. Zoals blijkt uit de verwijzingsbeschikking, vonden de aan de prejudiciële vraag ten grondslag liggende feiten plaats tussen november 2000 en juli 2001; zij kunnen worden samengevat als volgt.
4. De vennootschap Montres Rolex SA, houdster van verschillende horlogemerken, verzocht in november 2000 om inleiding van een gerechtelijk vooronderzoek tegen X. Zij verzocht om inbeslagneming van een partij horloges waarop haar merk onrechtmatig was aangebracht alsook om vernietiging ervan na de procedure. Volgens die onderneming kwamen deze goederen uit Italië en hadden zij Polen als eindbestemming.
5. In juli 2001 verzochten de vennootschappen Tommy Hilfinger Licensing Inc. en La Chemise Lacoste SA (4) om inleiding van een soortgelijk vooronderzoek in verband met kledingstukken waarop zonder hun toestemming hun respectieve merken waren aangebracht, alsook om vernietiging ervan. Op dezelfde data verzochten Guccio Gucci SpA en The Gap Inc. in verband met voor Slowakije bestemde lederwaren en kledingstukken soortgelijke maatregelen te nemen tegen de vermoedelijke daders van een inbreuk op hun merkrecht, namelijk de directeur of verantwoordelijke eigenaar van een te Peking (China) gevestigde vennootschap en de directeur van een te Bratislava (Slowakije) gevestigde vennootschap. In de twee gevallen ging het volgens klagers in het hoofdgeding om uit China afkomstige en voor Slowakije bestemde goederen. Zoals in de vorige gevallen verzochten zij om inbeslagneming en latere vernietiging van de goederen.
6. Al deze vermoedelijke namaakproducten werden door het douanekantoor Kittsee (Oostenrijk) in beslag genomen.
III ─ Toepasselijke gemeenschapsregeling
7. De verschillende inbeslagnemingen door de douane waren gebaseerd op de piraterijverordening.
8. De verordening heeft tot doel, het in de handel brengen van nagemaakte en door piraterij verkregen goederen te verhinderen door de vaststelling van maatregelen waarmee de illegale handel in dergelijke goederen doeltreffend kan worden bestreden (tweede overweging van de considerans).Daartoe omschrijft de verordening de voorwaarden voor het optreden van de douaneautoriteiten, wanneer goederen waarvan wordt vermoed dat zij zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen, voor het vrije verkeer, voor uitvoer of voor wederuitvoer worden aangegeven of worden aangetroffen bij een controle op goederen die onder een schorsingsregeling zijn geplaatst (artikel 1, lid 1, sub a). Tevens bepaalt zij welke maatregelen de bevoegde autoriteiten dienen te nemen wanneer wordt vastgesteld dat het inderdaad om nagemaakte of door piraterij verkregen goederen gaat (artikel 1, lid 1, sub b).
9. Goederen waarvan na beëindiging van de beslagprocedure is vastgesteld dat zij zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen, mogen niet in het vrije verkeer worden gebracht, worden uitgevoerd, worden wederuitgevoerd of onder een schorsingsregeling worden geplaatst (artikel 2).
10. Volgens artikel 3 kan de houder van een fabrieks- of handelsmerk, de houder van auteursrechten en naburige rechten of de houder van een recht op een tekening of model (hierna: houders van het recht) de onder de douaneautoriteit ressorterende dienst schriftelijk verzoeken ervoor te zorgen, dat de douaneautoriteiten optreden ten aanzien van goederen waarvan hij vermoedt dat zij zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen. Dit verzoek gaat vergezeld van een voldoende nauwkeurige beschrijving van de goederen en van bewijsstukken met betrekking tot zijn recht. Na de behandeling van het verzoek wordt de verzoeker onverwijld schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing van de bevoegde douanedienst.
11. Wanneer een douanekantoor waaraan de beschikking tot inwilliging van het verzoek van de houder van het recht is doorgegeven, in voorkomend geval na raadpleging van de indiener van het verzoek vaststelt, dat bepaalde goederen overeenkomen met de in de beschikking beschreven nagemaakte of door piraterij verkregen goederen, schort het overeenkomstig artikel 6, lid 1, eerste alinea, van de verordening de vrijgave van de goederen op of houdt het de goederen tegen.
12. Volgens artikel 8, leden 1 en 2, moet de houder van een geschonden recht, onverminderd de overige rechtsmiddelen die hem ter beschikking staan, kunnen verzoeken dat de door piraterij verkregen goederen worden vernietigd of uit de handel genomen of dat elke andere maatregel wordt genomen die ertoe leidt dat de betrokkenen de facto het economisch voordeel van de verrichting ontnomen wordt.
13. Artikel 11 bepaalt:Elke lidstaat stelt sancties vast die moeten worden toegepast bij inbreuken op het bepaalde in artikel 2. Deze sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.
14. Volgens artikel 84, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (5) (hierna: douanewetboek), wordt onder schorsingsregeling in het geval van niet-communautaire goederen onder meer verstaan de regeling inzake extern douanevervoer.
15. Naar luid van artikel 91, lid 1, van het douanewetboek maakt de regeling extern douanevervoer het vervoer mogelijk van een plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap:
a) van niet-communautaire goederen zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer en andere belastingen of aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen;
b) van communautaire goederen die het voorwerp zijn van een communautaire maatregel die hun uitvoer naar derde landen noodzakelijk maakt en waarvoor de overeenkomstige douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld.
IV ─ Toepasselijk Oostenrijks recht
16. § 60, leden 1 en 2, Markenschutzgesetz (6) (wet op de merkbescherming; hierna: MSchG) stelt elke merkinbreuk in het handelsverkeer en meer in het bijzonder in het kader van de uitoefening van een beroep strafbaar (lid 1); ook strafbaar is elk gebruik zonder toestemming van een naam, een firmanaam of de bijzondere benaming van een onderneming of daaraan gelijksoortig teken ter onderscheiding van waren of diensten in de zin van § 10 a, waardoor verwarring in het handelsverkeer kan ontstaan (lid 2).
17. Volgens § 10 a MSchG wordt in het bijzonder als gebruik van een teken ter onderscheiding van een waar of dienst beschouwd: (1) het aanbrengen van het teken op de waren of op hun verpakking of op voorwerpen waarvoor de dienst wordt of zou moeten worden verricht; (2) het aanbieden, in de handel brengen of daartoe in voorraad hebben van waren of het aanbieden of verrichten van diensten onder het teken; (3) het invoeren of uitvoeren van waren onder het teken; (4) het gebruik van het teken in stukken voor zakelijk gebruik en in advertenties.
V ─ De prejudiciële vraag
18. Op 17 januari 2002 heeft het Landesgericht Eisenstadt de drie zaken gevoegd en het Hof krachtens artikel 234 EG de volgende prejudiciële vraag gesteld (7) :Is een nationale bepaling, in casu § 60, leden 1 en 2, juncto § 10a MSchG, die ruimte biedt voor de uitlegging dat de enkele doorvoer van goederen die in strijd met merkenrechtelijke bepalingen zijn vervaardigd/verspreid, niet strafbaar is, in strijd met artikel 2 van verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden, zoals gewijzigd bij verordening nr. 241/1999 van de Raad van 25 januari 1999 [piraterijverordening]?
VI ─ Procesverloop
19. Schriftelijke opmerkingen zijn bij het Hof ingediend door de vertegenwoordigers van Montres Rolex SA, Guccio Gucci SpA en The Gap Inc., de Oostenrijkse en de Finse regering alsook de Commissie. Er heeft geen terechtzitting plaatsgevonden.
VII ─ Analyse van de prejudiciële vraag
A ─ De bevoegdheid van het Hof
20. De klagende vennootschappen die in het hoofdgeding om inbeslagneming verzoeken, verzetten zich tegen de voorlegging van de prejudiciële vraag, op grond dat de nationale rechter slechts naar het Hof kan verwijzen, indien bij hem een geding aanhangig is gemaakt en hij uitspraak moet doen in het kader van een procedure die moet uitmonden in een beslissing welke de kenmerken vertoont van een rechterlijke uitspraak. (8) Huns inziens is dit niet het geval met de bij de verwijzende rechter aanhangige maatregelen van instructie, die alleen strekken tot opheldering van de feiten om hetzij de strafrechtelijke procedure stop te zetten hetzij over te gaan tot vervolging en tot bewijslevering in het hoofdgeding.
21. Dit moet overeenkomstig de bestaande rechtspraak van de hand worden gewezen.
22. Het Hof heeft in het arrest van 11 juni 1987, Pretore di Salò (9) , reeds uitdrukkelijk een verwijzing aanvaard in een strafzaak die tot sepot, dagvaarding of ontslag van rechtsvervolging kon leiden, maar die hoe dan ook geen onherroepelijke processituatie kon meebrengen en evenmin naar intern recht een aan de fundamentele waarborgen onderworpen rechterlijke handeling vormde. (10) In zijn arrest van 21 april 1988, Pardini (11) , heeft het Hof vragen beantwoord in het kader van een procedure betreffende voorlopige maatregelen die konden worden bevestigd, gewijzigd of ingetrokken.Er zijn tal van precedenten waarin het Hof zich heeft uitgesproken in zaken tegen onbekenden. (12) Het Hof heeft slechts enkele vragen niet-ontvankelijk verklaard, voorzover zij afkomstig waren van een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie die optrad als procespartij en die de rechterlijke instantie alleen verzocht om bepaalde maatregelen van instructie. (13) Van dergelijke omstandigheden is hier geen sprake.Integendeel, blijkens het betoog van klaagsters in het hoofdgeding en de verwijzingsbeschikking moet het Landesgericht de vraag beantwoorden, of een geding dient te worden ingeleid dat, afgezien van de eventuele strafsancties, kan leiden tot inbeslagneming en vernietiging van de tegengehouden goederen. Dit zijn strikt rechterlijke beslissingen.
23. Bovendien is het volgens vaste rechtspraak weliswaar nuttig dat de feiten van de zaak vaststaan en de problemen van zuiver nationaal recht zijn opgelost op het moment van de verwijzing naar het Hof, maar alleen de nationale rechter beslist over het geschiktste moment daartoe. (14)
24. Mijns inziens is het Hof dus bevoegd zich uit te spreken over de prejudiciële vraag van het Landesgericht Eisenstadt.
B ─ Ten gronde
25. De Commissie heeft er terecht op gewezen dat uit de weergave van de feiten niet duidelijk blijkt aan welke concrete douaneregeling de goederen in elk van de zaken zijn onderworpen. Wat de op verzoek van Montres Rolex SA genomen maatregelen betreft, beschrijft de verwijzende rechter namelijk een handel tussen Italië en Slowakije. Daarop is de piraterijverordening evenwel niet van toepassing indien de waren in de Gemeenschap reeds in het vrije verkeer waren gebracht.
26. Gelet op de strekking van de vraag en de nadere uitleg in de verwijzingsbeschikking en de opmerkingen van klaagsters in het hoofdgeding, dienen de goederen niettemin te worden geacht onder de regeling extern douanevervoer te vallen.
27. Ten gronde wenst de verwijzende rechter te vernemen of de piraterijverordening in de weg staat aan een nationale bepaling die ruimte biedt voor de uitlegging dat de enkele doorvoer van namaakproducten niet strafbaar is.
28. Aldus geformuleerd, is deze vraag niet gemakkelijk te beantwoorden.
29. Het Hof heeft tot taak in prejudiciële zaken het gemeenschapsrecht uit te leggen. Ondanks de strekking van een aantal in deze procedure ingediende opmerkingen, lijkt de verwijzende rechter geen twijfel te hebben omtrent de inhoud van de piraterijverordening.
30. Zoals gezegd in verband met de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 6 april 2000, Polo/Lauren (15) , lijdt het geen twijfel dat deze verordening naar de letter van toepassing is op situaties als de onderhavige. Uit het intitulé, de derde overweging van de considerans en artikel 1, lid 1, sub a, blijkt duidelijk dat de wetgever het douaneoptreden heeft willen regelen wanneer goederen waarvan wordt vermoed dat zij zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen, voor het vrije verkeer, voor uitvoer of voor wederuitvoer worden aangegeven of bij een controle van onder een schorsingsregeling geplaatste goederen worden aangetroffen. Volgens artikel 84, lid 1, van het communautair douanewetboek is schorsingsregeling een generieke term die een aantal douaneregelingen omvat zoals douane-entrepot, actieve veredeling in de vorm van het systeem inzake schorsing, behandeling onder douanetoezicht en extern douanevervoer.Het douanewetboek definieert voorts de regeling extern douanevervoer inhoudelijk: zij maakt het vervoer mogelijk van een plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap, van niet-communautaire goederen, zonder dat deze aan rechten bij invoer en andere belastingen of aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen (artikel 91, lid 1, sub a, van het douanewetboek). De verordening is dus uitdrukkelijk van toepassing op goederen die uit een derde land komen, voor een ander derde land zijn bestemd, en over het grondgebied van de Gemeenschap worden doorgevoerd.
31. Bovendien zijn nagemaakte goederen volgens de verordening alle goederen waardoor op enigerlei wijze volgens de communautaire wetgeving of de wetgeving van de lidstaat waar het verzoek om douaneoptreden wordt ingediend, op de rechten van de houder van het betrokken merk inbreuk wordt gemaakt (artikel 1, lid 2, sub a).
32. Naar de letter laat de piraterijverordening er dus geen twijfel over bestaan, dat de bepalingen ervan van toepassing zijn wanneer goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een merk, onder de regeling van extern douanevervoer van een derde land naar een ander derde land worden vervoerd.
33. Door de vaststelling van verordening nr. 241/1999 (16) wordt deze letterlijke uitlegging eerder bevestigd dan weerlegd. Voorzover hier relevant, ligt zij immers in de lijn van de verordeningen (EEG) nrs. 3842/86 (17) en 3295/94, doordat zij de bevoegdheid tot optreden van de nationale autoriteiten tot steeds meer douaneregelingen uitbreidt.
34. Evenmin kan de geldigheid van de piraterijverordening worden betwijfeld. De Gemeenschap is volgens artikel 133 EG (artikel 113 EG-Verdrag ten tijde van de vaststelling van de verordening) bevoegd, in het kader van een douanerechtelijke schorsingsprocedure zoals de regeling extern douanevervoer, een gemeenschappelijke regeling voor het toezicht op nagemaakte goederen in te voeren. Ingevolge artikel 133 EG kan zij eenvormige beginselen vaststellen voor het vervoer van niet-communautaire of voor uitvoer bestemde goederen waarvoor alle uitvoerformaliteiten zijn vervuld, tussen twee plaatsen in het douanegebied van de Gemeenschap, en bovendien bepalen, dat goederen waarvan wordt vermoed dat zij zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen, bij gelegenheid van dat vervoer door de douaneautoriteiten in beslag worden genomen.
35. Dat heeft het Hof bevestigd in het arrest Polo/Lauren. (18)
36. Deze uitlegging van de werkingssfeer van de verordening hangt uiteraard niet af van de aard van de procedure (burgerlijke, strafrechtelijke of administratieve procedure) waarin zij wordt aangevoerd.
37. Bovendien stelt elke lidstaat overeenkomstig artikel 11, eerste zin, van de piraterijverordening juncto artikel 2 van deze verordening sancties op inbreuken op het verbod van toelating tot het vrije verkeer, uitvoer, wederuitvoer of plaatsing onder een schorsingsregeling van goederen waarvan wordt vermoed dat zij zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen.
38. Wanneer een lidstaat geen regeling heeft om bepaalde van de in artikel 11 bedoelde gedragingen te bestraffen, is dus veeleer sprake van een eventuele niet-nakoming door de lidstaat, waarop de procedures van de artikelen 226 EG en 227 EG specifiek van toepassing zijn, dan van een probleem van verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht.Dat geldt vooral wanneer de niet-nakoming, zoals hier, het gevolg is van het ontbreken van afdoende regels. Dit dient te worden gerelativeerd in situaties waarin het gemeenschapsrecht zich verzet tegen bestaande nationale bepalingen. kan. In de praktijk kan de uitlegging van het Hof dus neerkomen op de vaststelling van een niet-nakoming. (19)
39. De verwijzende rechter wijst erop, dat de inleiding van het gerechtelijk onderzoek afhangt van de strafbaarheid van de gelaakte gedraging. Bovendien verbiedt artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (20) , dat in Oostenrijk constitutionele rang heeft, handelen of nalaten te bestraffen dat geen strafbaar feit was ten tijde dat het geschiedde. Ook het Oostenrijkse strafwetboek bevat dit fundamentele beginsel in artikel 1, lid 1.
40. § 60, leden 1 en 2, MSchG stelt strafbaar elke merkinbreuk en elk gebruik zonder toestemming van de naam, de firmanaam of de bijzondere benaming van een onderneming of een daarmee gelijksoortig teken ter onderscheiding van waren of diensten in de zin van § 10 a wanneer daardoor verwarring in het handelsverkeer kan ontstaan. Voor de definitie van het gebruik van een teken als merk verwijst deze laatste bepaling naar de in- en uitvoer van waren, maar niet naar de regeling extern douanevervoer. (21)
41. Volgens het Landesgericht kan, gelet op het beginsel nullum crimen, nulla poena sine lege, evenwel niet worden gesteld dat de enkele doorvoer een gebruik van een merk in het handelsverkeer vormt, aangezien het niet als in- of uitvoer kan worden beschouwd.
42. Volgens de Oostenrijkse regering is de opsomming van § 10 a MSchG alleen illustratief. Dat volgt uit het gebruik van de woorden in het bijzonder ( insbesondere). (22) Deze bepaling belet de nationale rechter dus niet, overeenkomstig artikel 2 van de piraterijverordening vast te stellen dat er sprake is van gebruik van het onderscheidend teken bij doorvoer van goederen waarop het merk onrechtmatig is aangebracht.
43. Onbetwistbaar lijkt het primaat van het legaliteitsbeginsel in het strafrecht, met het daaruit voortvloeiende verbod van extensieve uitlegging ten nadele van de verdachte (23) , een beginsel dat de grondwettelijke tradities van de lidstaten gemeen hebben, en vormt het uit dien hoofde een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht.
44. Ook al is alleen de nationale rechter bevoegd voor de uitlegging van het nationale recht, hij moet dit recht binnen de grenzen van dit recht volgens vaste rechtspraak in het licht van de bewoordingen en het doel van de gemeenschapsregel uitleggen, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken. (24)
45. Het Hof heeft evenwel ook verklaard dat deze verplichting van de nationale rechter om bij de uitlegging van de ter zake dienende voorschriften van zijn nationale recht te rade te gaan met de inhoud van de richtlijn, haar begrenzing vindt in de algemene rechtsbeginselen die deel uitmaken van het gemeenschapsrecht, en met name in het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht. Een richtlijn kan niet uit zichzelf en onafhankelijk van een door een lidstaat ter uitvoering ervan vastgestelde nationale wet bepalend zijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van degenen die in strijd met haar bepalingen handelen, noch deze aansprakelijkheid verzwaren. (25)
46. Wanneer een lidstaat handelingen die uit hoofde van het gemeenschapsrecht als ongeoorloofd moeten worden aangemerkt, niet bij wet strafbaar heeft gesteld, kan hem hooguit een eventuele niet-nakoming worden verweten, waartegen de Commissie of een andere lidstaat krachtens de artikelen 226 EG en 227 EG beroep kan instellen, maar in dat geval kunnen de onderdanen van deze staat niet strafrechtelijk worden vervolgd voor feiten die naar gemeenschapsrecht weliswaar ongeoorloofd zijn, doch naar nationaal recht niet strafbaar zijn.
47. Ten slotte dient er nog op te worden gewezen dat de door mij aangehaalde rechtspraak weliswaar richtlijnen betreft, maar ook van toepassing is op regels die, zoals artikel 11 van de piraterijverordening, de lidstaten een resultaatsverplichting opleggen.
48. Verder dan deze richtsnoeren kan het Hof niet gaan zonder zich te mengen in de uitlegging van de nationale regels, hetgeen hem krachtens de taakverdeling van artikel 234 EG uitdrukkelijk verboden is.
VIII ─ Conclusie
49. Op de vraag van het Landesgericht Eisenstadt dient dus te worden geantwoord:
1) Artikel 11 van verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden, zoals gewijzigd bij verordening nr. 241/1999 de Raad van 25 januari 1999, is van toepassing op een situatie waarin goederen die zich in doorvoer tussen twee niet tot de Europese Gemeenschap behorende staten bevinden, door de douaneautoriteiten van een lidstaat in die lidstaat voorlopig in beslag worden genomen.
2) De nationale rechter moet het interne recht binnen de grenzen van dit recht in het licht van de bewoordingen en het doel van de gemeenschapsregel uitleggen, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken.
3) Deze verplichting tot conforme uitlegging kan niet uit zichzelf en onafhankelijk van een door een lidstaat vastgestelde wet de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor een inbreuk doen ontstaan of verzwaren.
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – Het Oostenrijkse Landesgericht is de rechterlijke instantie die in eerste aanleg kennis neemt van alle burgerlijke en strafzaken die buiten de bevoegdheid van het Bezirksgericht vallen, alsook van beroepen tegen de beslissingen van deze laatste.
3 – PB L 341, blz. 8, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 241/1999 van de Raad van 25 januari 1999 (PB L 27, blz. 1).
4 – Op 8 maart 2003 deelde de verwijzende rechter het Hof mee, dat La Chemise Lacoste SA afstand van instantie had gedaan.
5 – PB L 302, blz. 1.
6 – Bundesgesetzblatt 260/1970.
7 – Na verbeteringen die de rechter op 4 maart 2002 zelf heeft toegezonden.
8 – Beschikkingen van 18 juni 1980, Borker (138/80, Jurispr. blz. 1975, punt 4), en 5 maart 1986, Greis Unterweger ( 318/85, Jurispr. blz. 955, punt 4), alsmede arrest van 19 oktober 1995, Job Centre (C-111/94, Jurispr. blz. I-3361, punt 9).
9 – Arrest van 11 juni 1987, Pretore di Salò (14/86, Jurispr. blz. 2545; zie vooral punt 7 van de conclusie van advocaat-generaal Mancini).
10 – Zie de opmerkingen van de Italiaanse regering in het rapport ter terechtzitting.
11 – Arrest van 21 april 1988, Pardini (338/85, Jurispr. blz. 2041).
12 – Zie arresten van 5 mei 1977, Pretore di Cento (110/76, Jurispr. blz. 851); 22 september 1988, X (228/87, Jurispr. blz. 5099); 16 januari 1992, X (C-373/90, Jurispr. blz. I-131), en 12 december 1996, X (C-74/95 en C-129/95, Jurispr. blz. I-6609).
13 – Zie arrest van 12 december 1996, X, aangehaald in voetnoot 12.
14 – Arresten van 10 maart 1981, Irish Creamery Milk Suppliers Association (36/80 en 71/80, Jurispr. blz. 735, punten 5-8); 10 juli 1984, Campus Oil (72/83, Jurispr.blz. 2727, punt 10); 19 november 1998, Høj Pedersen e.a. (C-66/96, Jurispr. blz. I-7327, punten 45 en 46), en 30 maart 2000, JämO (C-236/98, Jurispr. blz. I-2189, punten 30 en 31).
15 – Arrest van 6 april 2000, Polo/Lauren, C-383/98, Jurispr. blz. I-2519.
16 – Aangehaald in voetnoot 3.
17 – Verordening van de Raad van 1 december 1986 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen van namaakartikelen te verbieden (PB L 357, blz. 1).
18 – Aangehaald in punt 30 hierboven.
19 – Zonder hier nader op in te gaan, kan worden gedacht aan het arrest van 8 april 1976, Defrenne (43/75, Jurispr. blz. 455), waarin een nationale regeling in strijd met het communautaire verbod van discriminatie op grond van geslacht werd geoordeeld, met soortgelijke gevolgen als de vaststelling van een inbreuk op het Verdrag.
20 – Legaliteitsbeginsel en evenredigheid inzake delicten en straffen
21 – Zie punt 17 hierboven.
22 – Zie punt 17 hierboven.
23 – In zijn arrest van 25 mei 1993, Kokkinakis/Helleense Republiek (A 260-1 1993) heeft het Europese Hof van de rechten van de mens erop gewezen dat lid 1 van artikel 7 van het Verdrag niet alleen de toepassing met terugwerkende kracht van de strafwet ten nadele van de verdachte verbiedt, maar ook in het algemeen het beginsel stelt dat alleen de wet de delicten kan definiëren en bestraffing kan stellen alsook het beginsel dat de strafwet niet extensief ten nadele van de verdachte mag worden uitgelegd zoals bijvoorbeeld het geval is bij uitlegging naar analogie.
24 – Arresten van 4 februari 1988, Murphy (157/86, Jurispr. blz. 673, punt 11); 13 november 1990, Marleasing (C-106/89, Jurispr. blz. I-4135, punt 8); 16 december 1993, Wagner Miret (C-334/92, Jurispr. blz. I-6911, punt 20); 14 juli 1994, Faccini Dori (C-91/92, Jurispr. blz. I-3325, punt 26); 5 oktober 1994, Van Munster (C-165/91, Jurispr. blz. I-4661, punt 34); 27 juni 2000, Océano Grupo Editorial en Salvat Editores (C-240/98-C-244/98, Jurispr. blz. I-4941, punt 30), en 26 september 2000, Engelbrecht (C-262/97, Jurispr. blz. I-7321, punt 39).
25 – Arrest Pretore di Salò, aangehaald in voetnoot 20; arresten van 8 oktober 1987, Kolpinghuis Nijmegen (80/86, Jurispr. blz. 3969, punt 13); 26 september 1996, Arcaro (C-168/95, Jurispr. blz. I-4705, punt 37), en 12 december 1996, X (reeds aangehaald, punt 24); alsook de conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 13 december 1989, Vessoso en Zanetti (C-206/88 en C-207/88, Jurispr. blz. I-1461, punten 24 en 25), en mijn conclusie van 18 juni 1996, X (C-74/95 en C-129/95, Jurispr. blz. I-6612, punten 43-64).
Full & Egal Universal Law Academy