CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
S. ALBER
van 6 maart 2003 (1)
Zaak C-72/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Portugese Republiek
„Niet-nakoming – Behoud van vogelstand – Niet-omzetting van rapportageplicht bedoeld in artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409/EEG”
I ─ Inleiding
1. In het onderhavige niet-nakomingsberoep wordt Portugal verweten een hele reeks bepalingen van de habitat- en de vogelbeschermingsrichtlijn niet of althans onjuist te hebben omgezet. Aangezien Portugal dit niet betwist, behoeft daarop niet nader te worden ingegaan.
2. In de niet-nakomingsprocedure rijst evenwel ook de vraag in hoever de lidstaten krachtens een hun door een richtlijn opgelegde verplichting om bij de Commissie op gezette tijden een rapport over de toepassing van de krachtens de richtlijn vastgestelde nationale bepalingen in te dienen, nationale omzettingsmaatregelen, zoals de aanwijzing van de bevoegde instantie, moeten vaststellen dan wel of zij kunnen volstaan met de indiening van rapporten. Deze vraag moet derhalve in het bijzonder worden onderzocht.
II ─ Rechtskader
3. De betrokken rapportageplicht is geregeld in artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: richtlijn 79/409) (2) . Dit artikel luidt:De lidstaten dienen om de drie jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van de in artikel 18, lid 1, bedoelde termijn, bij de Commissie een rapport in over de toepassing van de nationale maatregelen die krachtens deze richtlijn zijn getroffen.
III ─ Voorafgaande procedure
4. Op 4 april 2000 heeft de Commissie de Portugese Republiek een ingebrekestelling gezonden waarin zij haar standpunt bepaalde over wetsontwerp nr. 140/99 van 24 april 1999. Dit was haar toegezonden als maatregel tot omzetting van richtlijn 79/409 en richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: richtlijn 92/43) (3) . Volgens de Commissie waren de artikelen 3, lid 3, 10, 11 en 12, lid 4, van richtlijn 92/43, alsook de artikelen 7, 8 en het hier in het geding zijnde artikel 12 van richtlijn 79/409 niet omgezet. Voorts, aldus de Commissie, waren de artikelen 1, 6, leden 1, 2, 3 en 4, en 12, lid 1, sub d, van richtlijn 92/43, alsook de artikelen 2, 4, leden 1 en 4, en 6 van richtlijn 79/409 onjuist omgezet.
5. Daarop heeft Portugal bij brief van 14 juni 2000 geantwoord dat een werkgroep was opgericht om de door de Commissie opgeworpen vragen te onderzoeken.
6. Op 30 januari 2001 heeft de Commissie Portugal een met redenen omkleed advies gezonden waarin zij haar verwijten herhaalde. Zij stelde een termijn van twee maanden om het verzuim te herstellen.
7. Bij brief van 31 mei 2001 heeft Portugal geantwoord dat weldra de laatste hand zou worden gelegd aan een nieuw wetsontwerp tot omzetting van de richtlijnen, dat de ministerraad naar verwachting in mei zou goedkeuren.
8. Daar de Commissie geen nader bericht over de tenuitvoerlegging van de richtlijnen ontving, heeft zij op 4 maart 2002 het onderhavige beroep ingesteld.
IV ─ Afbakening van het voorwerp van het geschil
9. Portugal betwist het hem verweten verzuim niet. Als verontschuldiging voor de vertraging bij de omzetting voert het aan dat de regering was afgetreden en een nieuw nationaal Parlement moest worden gekozen; wetsontwerp nr. 140/99 van 14 april 1999 zou de achterstand bij de omzetting van de richtlijnen ongedaan maken.
10. In het kader van een niet-nakomingsprocedure die krachtens artikel 226 EG wordt ingeleid door de Commissie, die als enige de opportuniteit ervan heeft te beoordelen, dient het Hof vast te stellen of de gestelde niet-nakoming al dan niet bestaat, ongeacht of de betrokken staat die niet-nakoming niet meer betwist. (4)
11. Er is twijfel of het betoog van de Commissie wat de grief betreft dat artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409 niet in nationaal recht is omgezet, ongegrond is. In mijn conclusie bespreek ik derhalve alleen deze grief
V ─ De grief inzake de niet-omzetting van artikel 12 van richtlijn 79/409
12. Volgens de Commissie moet dit artikel in nationaal recht worden omgezet. Aan de hand van de rapporten kan de Commissie de door de toepassing van de bepalingen tot omzetting van richtlijn 79/409 bereikte resultaten namelijk geregeld controleren.
13. Volgens artikel 249, derde alinea, EG is een richtlijn voor de lidstaten verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar wordt hun de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Het te bereiken resultaat is volgens artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409 op gezette tijden een rapport op te stellen en bij de Commissie in te dienen. Deze bepaling is dus een regeling van materieel recht, die als zodanig in nationaal recht moet worden omgezet.
14. De lidstaten wordt de keuze gelaten van de vorm en de middelen om het gestelde resultaat te bereiken. Daartoe, aldus de Commissie, behoort bijvoorbeeld de aanwijzing van de voor de opstelling van het rapport en indiening ervan bij de Commissie bevoegde instanties.
15. De Commissie bevestigt dat zij het rapport van Portugal over de periode 1993/1995 in oktober 1998, dat over de periode 1996/1998 in november 2000 en dat over de periode 1999/2001 in oktober 2002 heeft ontvangen.
16. Volgens de Commissie bevestigt het arrest Commissie/België (5) haar opvatting. Daarin heeft het Hof verklaard dat bij gebreke van een nationaalrechtelijke bepaling die voorziet in een passende methode voor het verstrekken van informatie over de door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest genomen compenserende maatregelen, [...] de volle werking van artikel 6, lid 4, eerste alinea, tweede zin, van de richtlijn en het daarmee beoogde doel niet [kan] worden verzekerd. De onzekerheid die op nationaal vlak bestaat over de procedure die moet worden gevolgd om aan die informatieplicht te voldoen, kan namelijk beletten dat die verplichting wordt nagekomen, en derhalve dat het doel daarvan, zoals het in punt 20 van dit arrest in herinnering is gebracht, wordt bereikt.
17. Deze analyse betreffende artikel 6, lid 4, eerste alinea, van richtlijn 92/43 wil de Commissie naar analogie toepassen op de verplichting bedoeld in artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409.
VI ─ Conclusies van partijen
18. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
1) vast te stellen dat de Portugese Republiek niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 23 van richtlijn 92/43 en artikel 18 van richtlijn 79/409,
─ doordat zij de volgende bepalingen niet heeft omgezet:
─ de artikelen 3, lid 3, 10, 11 en 12, lid 4, van richtlijn 92/43;
─ de artikelen 7, 8 en 12 van richtlijn 79/409;
en
─ doordat zij de volgende bepalingen niet juist heeft omgezet:
─ de artikelen 1, 6, leden 3 en 4, 12, lid 1, sub d, en 6, leden 1 en 2, van richtlijn 92/43;
─ de artikelen 2, 4, leden 1 en 4, en 6 van richtlijn 79/409;
2) de Portugese Republiek te verwijzen in de kosten.
19. De Portugese Republiek concludeert dat het het Hof behage:
─ te wachten tot de publicatie van wetsontwerp nr. 140/99 in de herziene versie van juni 2002 en na kennisgeving van deze publicatie de zaak als afgedaan te beschouwen;
─ de Commissie te verwijzen in de kosten.
VII ─ Beoordeling
20. Volgens artikel 249, derde alinea, EG is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch wordt aan de nationale instanties de bevoegdheid gelaten de vorm en de middelen te kiezen. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof houdt dit voor elke staat waarvoor een richtlijn bestemd is, de verplichting in om in het kader van zijn nationale rechtsorde alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van de richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren. (6)
21. Niet in alle gevallen is voor de omzetting van een richtlijn een optreden van de wetgever vereist, maar het betrokken nationale recht dient daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn door de nationale autoriteiten te verzekeren, de uit dit recht voortvloeiende rechtssituatie dient voldoende bepaald en duidelijk te zijn en de begunstigden moeten in staat zijn, kennis te krijgen van al hun rechten en deze zo nodig geldend te maken voor de nationale rechterlijke instanties. (7)
22. Wat voor de omzetting van een richtlijnbepaling noodzakelijk is, dient niet abstract, maar door uitlegging van de betrokken bepaling te worden bepaald. Artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409 verplicht de lidstaten, om de drie jaar bij de Commissie een rapport in te dienen over de toepassing van de nationale omzettingsmaatregelen die krachtens deze richtlijn zijn getroffen. Niet wordt betwist dat Portugal de rapporten heeft opgesteld en bij de Commissie heeft ingediend. Het doel van deze bepaling is dus door deze lidstaat in het verleden bereikt.
23. Volgens de Commissie is Portugal zijn uit het Verdrag en de richtlijn voortvloeiende verplichtingen evenwel niet nagekomen. Naast de indiening van de rapporten verlangt zij de vaststelling van nationale maatregelen tot omzetting van artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409, waarbij bijvoorbeeld de voor de opstelling en indiening van het rapport bevoegde instantie en procedure worden vastgesteld.
24. Slechts terloops wijs ik erop dat de Commissie zich merkwaardigerwijs niet heeft beroepen op de niet-omzetting van de parallelle bepaling van artikel 17, lid 1, van richtlijn 92/43. Volgens dit artikel stellen de lidstaten om de zes jaar een verslag op over de toepassing van de in het kader van de habitatrichtlijn genomen maatregelen en zenden zij het de Commissie toe.
25. De vaststelling van nationale omzettingsmaatregelen waarin bijvoorbeeld de voor de opstelling en indiening van het rapport bevoegde instanties worden bepaald, kan zeker de verwezenlijking van de doelstelling van artikel 12, lid 1, bevorderen. Tegen de stelling dat het nemen van dergelijke maatregelen verplicht is, zouden evenwel bedenkingen kunnen rijzen uit het oogpunt van de evenredigheid. Het is de vraag of de vaststelling van deze maatregelen noodzakelijk is in de zin van de hiervoor aangehaalde rechtspraak. (8)
26. Voorzover ik kan nagaan, heeft het Hof zich nog niet uitgesproken over de noodzaak maatregelen tot omzetting van een rapportageplicht als bedoeld in artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409, vast te stellen. Volgens het Hof zijn dergelijke maatregelen tot nakoming van een kennisgevingsplicht evenwel noodzakelijk in die gevallen waarin de informatie van de lidstaten de basis voor een controle en een eventueel optreden van de Commissie in concrete gevallen vormt, dus voor bepaalde actiemogelijkheden van de Commissie.
27. Zo heeft het Hof in het arrest Commissie/Duitsland inzake de kennisgevingsplicht van de lidstaten krachtens artikel 9, lid 1, en artikel 10, lid 3, van richtlijn 80/778/EEG van de Raad van 15 juli 1980 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (9) , vastgesteld dat deze de Commissie in staat moet stellen de toegestane afwijkingen van de maxima te controleren en eventueel ook in een concreet geval op te treden. De Commissie moet in staat worden gesteld om na te gaan of de in het concrete geval toegestane afwijkingen van de Trinkwasserverordnung in overeenstemming zijn met de richtlijn. Derhalve is het krachtens de richtlijn vereist dat maatregelen worden getroffen die de bevoegde nationale autoriteiten in staat stellen de Commissie overeenkomstig de richtlijn, en vooral binnen de gestelde termijnen, in te lichten. (10)
28. Het Hof heeft zich onlangs in vergelijkbare zin uitgesproken in het arrest Commissie/België inzake de plicht kennis te geven van compenserende maatregelen krachtens artikel 6, lid 4, eerste alinea, tweede zin, van richtlijn 92/43. Volgens het Hof was de volle werking van deze bepaling slechts verzekerd wanneer de bevoegde instantie en de te volgen procedure door nationale omzettingsmaatregelen zijn vastgesteld. De onzekerheid op nationaal niveau over de tot nakoming van deze informatieplicht te volgen procedure staat in de weg aan de nakoming van deze verplichting en dus aan de verwezenlijking van het met de informatieplicht nagestreefde doel. Dit doel is, de Commissie in staat te stellen te onderzoeken of de genomen compenserende maatregelen waarborgen dat de algemene samenhang van Natura 2000 bewaard blijft en daar in voorkomend geval de nodige consequenties aan te verbinden. (11)
29. In beide arresten ging het om de mededeling van afwijkingen van de in de betrokken richtlijn nagestreefde doelstellingen in concrete gevallen. In de eerste zaak werden de in beginsel toegestane maxima aan toxische stoffen in drinkwater bij uitzondering overschreden. In de tweede zaak werden projecten uitgevoerd die in beginsel onverenigbaar waren met de doelstellingen van richtlijn 92/43. Op basis van de mededeling zal de Commissie het concrete geval kunnen onderzoeken en in voorkomend geval kunnen optreden.
30. Het lijkt te betwijfelen of deze rechtspraak op de onderhavige zaak kan worden getransponeerd. Anders dan in de aangehaalde twee zaken strekt de rapportageplicht van de lidstaten krachtens artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409 er niet toe de Commissie in staat te stellen controle uit te oefenen over een afwijking en in een individueel geval op te treden . Veeleer gaat het om een geregeld rapport dat de ontwikkeling in een lidstaat samenvat. De rechtssituatie in de onderhavige zaak is dus niet vergelijkbaar met voormelde twee zaken. Met de twee arresten ligt dus het resultaat van de uitlegging van artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409 nog niet vast.
31. Naast de rapportageplicht van artikel 12, lid 1, bevat richtlijn 79/409 ook een kennisgevingsplicht in artikel 18, lid 2. Volgens deze bepaling delen de lidstaten de Commissie de tekst van alle belangrijke bepalingen van intern recht mede, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Alle gemeenschapsrichtlijnen bevatten een overeenkomstige kennisgevingsplicht. Aldus kan de Commissie controleren of de richtlijnen tijdig zijn omgezet. Ook met betrekking tot deze voor het gemeenschapsrecht typische kennisgevingsplicht bestaat evenwel, voorzover ik kan nagaan, geen rechtspraak over de vraag of dergelijke bepalingen de vaststelling van omzettingsmaatregelen, zoals bijvoorbeeld de vaststelling van de voor deze kennisgeving bevoegde instanties, vereisen.
32. De omvang van de omzettingsplicht krachtens artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409 moet dus door uitlegging van deze bepaling worden vastgesteld.
33. De op basis hiervan op te stellen nationale rapporten worden om de drie jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van de in artikel 18, lid 1, bedoelde termijn, ingediend. Inhoudelijk moeten zij berichten over de toepassing van de nationale maatregelen die krachtens deze richtlijn zijn getroffen. Zij staan dus in nauw verband met de kennisgevingsplicht krachtens artikel 18, lid 2, van de richtlijn. De rapporten geven dus op gezette tijden het resultaat en de werking van de vastgestelde omzettingswetgeving weer.
34. De nationale rapporten moeten als grondslag dienen voor het samenvattend verslag dat door de Commissie overeenkomstig artikel 12, lid 2, van de richtlijn eveneens om de drie jaar wordt opgesteld. Voorzover ik kan nagaan, heeft de Commissie tot dusver drie verslagen opgesteld, namelijk over de periode 1981-1991 met een aanvulling voor 1992 (12) , over de periode 1993-1995 (13) en over de periode 1996-1998. (14) Deze hebben een zuiver beschrijvende inhoud. Op basis van de informatie van de lidstaten beschrijven zij de belangrijkste verschillen in vergelijking met het vorige verslag van de Commissie. De door de lidstaten meegedeelde en door de Commissie samengevatte veranderingen worden niet in detail door de Commissie beoordeeld. De verslagen van de Commissie beoordelen alleen de ontwikkeling van de situatie voor de Gemeenschap in haar geheel respectievelijk in alle lidstaten samen, maar niet voor de lidstaten afzonderlijk.
35. Op basis van deze analyse dient te worden vastgesteld dat de in artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409 bedoelde nationale rapporten, anders dan de in voormelde twee arresten in het geding zijnde verplichte rapporten, in elk geval niet ertoe dienen om de Commissie in staat te stellen controle uit te oefenen in een bepaald concreet geval waarin wordt afgeweken van de regels van de richtlijn.
36. Dat betekent weliswaar niet dat de Commissie deze rapporten niet ook gebruikt in het kader van de krachtens artikel 211 EG op haar rustende verplichting, toe te zien op de toepassing van zowel de bepalingen van het Verdrag als de bepalingen welke de instellingen krachtens dit Verdrag vaststellen. De nationale rapporten kunnen in ieder geval ook een bron zijn die de Commissie gebruikt bij de opstelling van de jaarlijkse verslagen over de controle op de toepassing van het gemeenschapsrecht. (15) Dat is evenwel niet het primaire doel waarom de nationale rapporten op basis van artikel 12 van richtlijn 79/409 worden opgesteld.
37. De krachtens artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409 in te dienen rapporten hebben veeleer tot doel, de ontwikkeling van de situatie in de Gemeenschap in haar geheel te beoordelen wat de verwezenlijking van het in de richtlijn gestelde doel van vogelbescherming betreft. Daartoe worden de resultaten van de toepassing van de in de verschillende lidstaten vastgestelde omzettingsmaatregelen ingezameld. Doel van de rapportageplicht is dus de verantwoordelijke instanties, d.w.z. de lidstaten, het Europees Parlement en de Raad, in staat te stellen de gevolgen van de vastgestelde gemeenschapsregeling politiek te beoordelen. Naar inhoud en doel vervult de rapportageplicht dus een politieke functie.
38. Wat de rechtssystematiek betreft, dient er bovendien op te worden gewezen dat het uit gemeenschapsrechtelijk oogpunt in beginsel niet van belang is, welke nationale instantie optreedt. Het is de lidstaat zelf die verantwoordelijk is voor de nakoming van de gemeenschapsrechtelijke verplichtingen en hij kan zich ter rechtvaardiging van de niet-nakoming niet op een interne situatie beroepen. (16) Daarom is in het gemeenschapsrecht geen aanknopingspunt te vinden voor de vraag of en hoe een bevoegde instantie op nationaal niveau moet worden aangewezen. Voor het gemeenschapsrecht is alleen van belang dat de nakoming van de gemeenschapsrechtelijke kennisgeving- of rapportageplicht niet onmogelijk wordt gemaakt doordat geen bevoegde instantie is aangewezen. Alleen dan is de volle werking van de bepalingen van de richtlijn niet meer gegarandeerd.
39. Deze rechtsopvatting lijkt ook aan de basis te liggen van voormelde twee arresten over richtlijn 80/778 inzake drinkwater en richtlijn 92/43 inzake habitats. In beide zaken werd geoordeeld dat wegens het feit dat geen bevoegde instantie was aangewezen, niet aan de kennisgevingsplicht van de betrokken richtlijn kon worden voldaan. (17)
40. Ook op dit punt verschilt de onderhavige zaak aanmerkelijk van deze beide arresten. De Commissie heeft bevestigd dat Portugal in het verleden de rapporten heeft opgesteld en ingediend. Dat is op zijn minst een aanwijzing dat het Portugese recht de volledige toepassing van artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409 door de nationale autoriteiten daadwerkelijk waarborgt.
41. Anders dan in de beide voormelde arresten is in casu dus niet bewezen dat het in Portugal bestaande rechtskader ontoereikend is om de doelstelling van artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409 daadwerkelijk te verwezenlijken. Volgens vaste rechtspraak dient de Commissie in een niet-nakomingsprocedure het gestelde verzuim aan te tonen en het Hof de gegevens te verschaffen die dit nodig heeft om te kunnen vaststellen, of er inderdaad sprake is van dat verzuim. (18)
42. Het bezwaar dat een administratieve praktijk, in casu de indiening van de rapporten, volgens vaste rechtspraak (19) niet voldoet aan de vereisten voor een juiste omzetting van een richtlijn, doet niet af aan deze conclusie. Deze rechtspraak berust op de gedachte van de rechtszekerheid voor de begunstigden en van de mogelijkheid kennis te nemen van hun rechten. (20) Artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409 betreft evenwel slechts de betrekkingen tussen de Commissie en de lidstaten. Voor de Commissie, de begunstigde van deze bepaling, is de situatie voldoende duidelijk. De noodzaak van nationale omzettingsmaatregelen volgt in casu niet uit de behoefte aan duidelijkheid en rechtszekerheid voor de begunstigde van de richtlijn. (21) Artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409 regelt alleen de betrekkingen tussen de lidstaten en de Commissie en betreft niet de rechten van derden.
43. Derhalve kan in het onderhavige geval geen niet-nakoming worden vastgesteld wat artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409 betreft. Op dat punt moet het beroep dus worden verworpen. Voor de andere grieven, die niet worden betwist, dient het beroep van de Commissie evenwel te worden toegewezen.
VIII ─ Kosten
44. Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voorzover zulks is gevorderd. Aangezien de Portugese Republiek op de wezenlijke punten van haar betoog in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
IX ─ Conclusie
45. Uit het voorgaande volgt dat er geen verplichting is artikel 12, lid 1, van richtlijn 79/409 in nationaal recht om te zetten. Er kan worden volstaan met de indiening van de rapporten bij de Commissie.
46. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat de Portugese Republiek niet heeft voldaan aan haar verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag en uit artikel 23 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, en artikel 18 van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand,
─ doordat zij de volgende bepalingen niet in nationaal recht heeft omgezet:
─ de artikelen 3, lid 3, 10, 11 en 12, lid 4, van richtlijn 92/43,
─ de artikelen 7 en 8 van richtlijn 79/409,
─ en de volgende bepalingen onjuist heeft omgezet:
─ de artikelen 1, 6, leden 3 en 4, 12, lid 1, sub d, en 6, leden 1 en 2, van richtlijn 92/43,
─ de artikelen 2, 4, leden 1 en 4, en 6 van richtlijn 79/409;
2) het beroep voor het overige te verwerpen;
3) de Portugese Republiek te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 103, blz. 1.
3 – PB L 206, blz. 7.
4 – Arresten van 22 juni 1993, Commissie/Denemarken (C-243/89, Jurispr. blz. I-3353, punt 30), en 15 januari 2002, Commissie/Italië (C-439/99, Jurispr. blz. I-305, punt 20).
5 – Arrest van 5 december 2002, Commissie/België (C-324/01, Jurispr. blz. I-11197, punt 21).
6 – Arresten van 17 juni 1999, Commissie/Italië (C-336/97, Jurispr. blz. I- 3771, punt 19); 8 maart 2001, Commissie/Frankrijk (C-97/00, Jurispr. blz. I-2053, punt 9); 7 mei 2002, Commissie/Zweden, C-478/99, Jurispr. blz. I-4147, punt 15), en arrest Commissie/België, aangehaald in voetnoot 5, punt 18.
7 – Arresten van 23 maart 1995, Commissie/Griekenland (C-365/93, Jurispr. blz. I-499, punt 9), 10 mei 2001, Commissie/Nederland (C-144/99, Jurispr. blz. I-3541, punt 17), en arrest Commissie/Zweden, aangehaald in voetnoot 6, punt 18.
8 – Zie voetnoot 6.
9 – PB L 229, blz. 11.
10 – Arrest van 24 november 1992, Commissie/Duitsland (C-237/90, Jurispr. blz. I-5973, punten 28 en 29).
11 – Arrest Commissie/België, aangehaald in voetnoot 5, punten 20 en 21.
12 – COM (1993) 572 van 24 november 1993.
13 – COM (2000) 180 def. van 29 maart 2000.
14 – COM (2002) 146 def. van 25 maart 2002.
15 – Zie bijvoorbeeld Negentiende jaarlijkse verslag over de controle op de toepassing van het gemeenschapsrecht (2001) van 28 juni 2002, COM (2002) 324 def., waarin op blz. 56-58 onder punt 2.8.6 Natuur wordt ingegaan op de omzetting van richtlijn 79/409 in de lidstaten.
16 – Arrest van 17 januari 2002, Commissie/België (C-423/00, Jurispr. blz. I-593, punt 16 met verdere verwijzingen).
17 – Arrest Commissie/Duitsland, aangehaald in voetnoot 10, punt 29: het ontbreken van maatregelen die [...] in staat stellen de Commissie [...] in te lichten [...].; minder sterk in arrest Commissie/België, aangehaald in voetnoot 5, punt 21: [...]de onzekerheid die op nationaal vlak bestaat over de procedure die moet worden gevolgd om aan de informatieplicht te voldoen.
18 – Arresten van 23 oktober 1997, Commissie/Frankrijk (C-159/94, Jurispr. blz. I-5815, punt 102), 25 november 1999, Commissie/Frankrijk (C-96/98, Jurispr. blz. I-8531, punt 36), en 5 oktober 2000, Commissie/Frankrijk (C-337/98, Jurispr. blz. I-8377, punt 45).
19 – Arresten van 17 mei 2001, Commissie/Italië (C-159/99, Jurispr. blz. I-4007, punt 32), en 11 oktober 2001, Commissie/Nederland (C-254/00, Jurispr. blz. I-7567, punt 7).
20 – Zie arresten van 23 mei 1985, Commissie/Duitsland, (29/84, Jurispr. blz. 1661, punt 28), en 11 november 1999, Commissie/Italië (C-315/98, Jurispr. blz. I-8001, punt 10), en de arresten Commissie/Griekenland, aangehaald in voetnoot 7, punt 9; Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 7, punt 17, en Commissie/Zweden, aangehaald in voetnoot 6, punt 18.
21 – Zie bijvoorbeeld arresten Commissie/Griekenland, aangehaald in voetnoot 7, punt 9, Commissie/Nederland, aangehaald in voetnoot 7, punt 17, en Commissie/Zweden, aangehaald in voetnoot 6, punt 18.
Full & Egal Universal Law Academy