CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 3 april 2003 (1)
Zaak C-77/02
Erika Steinicke
tegen
Bundesanstalt für Arbeit
[verzoek van het Verwaltungsgericht Sigmaringen (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Sociale politiek – Artikel 141 EG – Richtlijnen 75/117/EEG, 76/207/EEG en 97/81/EG – Stelsel van deeltijdarbeid voor oudere werknemers – Discriminatie tussen deeltijd- en voltijdwerkers – Indirecte discriminatie tussen werknemers op grond van geslacht”
1. Bij beschikking van 10 december 2001 heeft het Verwaltungsgericht Sigmaringen (Duitsland) het Hof krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 141 EG en van de richtlijnen 75/117/EEG (2) , 76/207/EEG (3) en 97/81/EG (4) . In het bijzonder vraagt het Verwaltungsgericht Sigmaringen of een regeling deeltijdarbeid voor oudere werknemers, waarvoor alleen werknemers in aanmerking komen die in de laatste vijf jaar in totaal ten minste drie jaar voltijds hebben gewerkt, een discriminatie van de deeltijdwerkers alsook een indirecte discriminatie op grond van geslacht vormt wanneer aanzienlijk meer vrouwen dan mannen deeltijds werken.
I ─ Rechtskader
A ─ Het gemeenschapsrecht
2. Artikel 141 EG bepaalt: 1. Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast.2. Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt.[...]
3. Artikel 1 van richtlijn 75/117 bepaalt: Het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, neergelegd in artikel 119 van het Verdrag [thans artikel 141 EG] en hierna te noemen beginsel van gelijke beloning, houdt in dat voor gelijke arbeid of voor arbeid waaraan gelijke waarde wordt toegekend ieder onderscheid naar kunne wordt afgeschaft ten aanzien van alle elementen en voorwaarden van de beloning.In het bijzonder, wanneer voor de vaststelling van de beloning gebruik wordt gemaakt van een systeem van werkclassificatie, dient dit systeem te berusten op criteria die voor mannelijke en vrouwelijke werknemers eender zijn, en zodanig te zijn opgezet dat ieder onderscheid naar kunne is uitgesloten.
4. Artikel 1 van richtlijn 76/207 bepaalt: 1. Deze richtlijn beoogt de tenuitvoerlegging in de lidstaten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, en tot de beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en, onder de voorwaarden bedoeld in lid 2, de sociale zekerheid. Dit beginsel wordt hierna beginsel van gelijke behandeling genoemd.[...]
5. Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt: Het beginsel van gelijke behandeling in de zin van de hierna volgende bepalingen houdt in dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie.[...]
6. Artikel 5 bepaalt bovendien:1. De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht.
7. Artikel 1 van richtlijn 97/81 luidt:Deze richtlijn is gericht op de uitvoering van de op 6 juni 1997 door de algemene brancheoverkoepelende organisaties [...] gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, zoals opgenomen in de bijlage.
8. Clausule 4 van de bijlage bij deze richtlijn bepaalt: 1. Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden worden deeltijdwerkers niet minder gunstig behandeld dan vergelijkbare voltijdwerkers louter op grond van het feit dat zij in deeltijd werkzaam zijn, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is.[...]4. Indien zulks om objectieve redenen gerechtvaardigd is, kunnen de lidstaten, na raadpleging van de sociale partners overeenkomstig de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken, en/of de sociale partners eventueel de toegang tot bepaalde arbeidsvoorwaarden afhankelijk stellen van een bepaalde diensttijd, arbeidsduur of beloning. [...].
B ─ Nationaal recht
9. Volgens § 72 b, lid 1, van het Bundesbeamtengesetz (wet federale ambtenaren; hierna: BBG), in de tot 1 juli 2000 geldende versie, kon aan werknemers op verzoek deeltijdarbeid worden toegestaan ter voorbereiding van de pensionering. Volgens deze regeling kon de werknemer na een verzoek dat de gehele periode tot de aanvang van het pensioen moest betreffen, een vermindering van de arbeidstijd verkrijgen volgens een van de volgende twee modellen: halvering van de normale arbeidstijd (deeltijdmodel of Teilzeitmodell), of een arbeidsfase met volledige arbeidstijd, gevolgd door een vrijstellingsfase (blokmodel of Blockmodell).
10. Om voor deze arbeidsregeling in aanmerking te komen moest aan vier voorwaarden worden voldaan: a) de werknemer moest de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt; b) hij moest in de laatste vijf jaar in totaal gedurende ten minste drie jaar voltijds hebben gewerkt; c) met de deeltijdarbeid moest vóór 1 augustus 2004 zijn aangevangen, en d) er mochten geen dringende redenen van dienstbelang aan in de weg staan.
11. Om verzoeken om deeltijdarbeid te stimuleren verleende de wetgever de werknemers die van deze regeling gebruik maakten, bepaalde loon- en pensioenvoordelen. In het bijzonder bepaalde § 2, lid 1, van de Verordnung über die Gewährung eines Zuschlags bei Altersteilzeit (verordening inzake de toekenning van een toeslag bij deeltijdarbeid voor oudere werknemers; hierna: ATZV), in de tot 1 juli 2000 geldende versie, in afwijking van § 6, lid 1, van het Bundesbesoldungsgesetz (hierna: BBesG) volgens welke de bezoldiging bij deeltijdarbeid evenredig aan de arbeidsduur wordt verminderd, dat de werknemer bij toepassing van de betrokken arbeidsregeling recht had op 83 % van de netto-bezoldiging waarop hij bij voltijdarbeid recht zou hebben gehad.
12. Bovendien verwierf de werknemer ingevolge § 6, lid 1, punt 3, van het Gesetz über die Versorgung der Beamten und Richter in Bund und Ländern (wet op de pensioenen van ambtenaren en rechters van de Bondsrepubliek en de deelstaten; hierna: BeamtVG), in de tot 1 juli 2000 geldende versie, in de periode waarin de betrokken regeling werd toegepast, in afwijking van de regel dat bij deeltijdarbeid pensioenrechten evenredig aan de arbeidsduur worden verminderd, 90 % van de pensioenrechten van een voltijdswerknemer.
13. In de loop van het hoofdgeding is de litigieuze regeling met ingang van 1 juli 2000 gewijzigd door het Gesetz über die Anpassung von Dienst- und Versorgungsbezügen in Bund und Ländern (wet inzake de aanpassing van salarissen en pensioenen in de Bondsrepubliek en de deelstaten).
14. Volgens de nieuwe versie van § 72 b BBG kan de arbeidstijd van de oudere werknemer op zijn verzoek met de helft van de vroegere arbeidsduur worden verminderd tot ten hoogste de helft van de in de laatste twee jaar gemiddeld gewerkte arbeidsduur, wanneer hij: a) de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt; b) de laatste vijf jaren in totaal ten minste gedurende drie jaren voltijds heeft gewerkt; c) met de deeltijdarbeid vóór 1 januari 2010 aanvangt, en d) er geen dringende redenen van dienstbelang aan in de weg staan.
15. De sinds 1 juli 2000 geldende versie van § 2 ATZV voorziet in een toeslag op de bezoldiging voor degenen die van de regeling gebruik maken. Deze toeslag is gelijk aan het verschil tussen de netto-bezoldiging waarop zij krachtens § 6 BBesG recht hebben, en 83 % van de netto-bezoldiging waarop zij krachtens ditzelfde artikel recht zouden hebben, indien hun arbeidstijd gelijk was aan die waarmee rekening wordt gehouden voor de berekening van de vermindering van arbeidstijd.
16. Ten slotte verwerft de werknemer volgens § 6, lid 1, punt 3, BeamtVG, in de sinds 1 juli 2000 geldende versie, tijdens de periode waarin de betrokken arbeidsregeling wordt toegepast, pensioenrechten naar evenredigheid van 90 % van de arbeidstijd die ten grondslag heeft gelegen aan de berekening van de verminderde arbeidstijd.
II ─ Feiten en prejudiciële vraag
17. Verzoekster in het hoofdgeding, Steinicke, die in 1944 geboren is, werkt sinds 1962 voor de Bundesanstalt für Arbeit (hierna: BfA). Tot 1976 werkte zij voltijds. Na de geboorte van haar zoon is haar arbeidstijd met ingang van 19 november 1976 op haar verzoek met de helft verminderd. Zij kon uitsluitend op maandbasis, en voorzover de hoeveelheid werk het toeliet, op eigen verzoek voltijds werken; zo werkte zij tussen 1 oktober 1994 en 30 september 1999 tien maanden voltijds.
18. Op 30 juni 1999 heeft Steinicke de BfA om toepassing van de regeling deeltijdarbeid voor oudere werknemers in de zin van § 72 b BBG verzocht voor de periode van 1 oktober 1999 tot en met 30 september 2007 (datum waarop zij voornemens was met pensioen te gaan) volgens het blokmodel, dat wil zeggen een arbeidsfase met de vroegere normale arbeidstijd van 1 oktober 1999 tot en met 30 september 2003 en een aansluitende fase van vrije tijd van 1 oktober 2003 tot en met 30 september 2007.
19. Op 12 juli 1999 is dit verzoek afgewezen op grond dat Steinicke niet, zoals vereist door de toentertijd geldende versie van § 72 e BBG, in de laatste vijf jaar in totaal ten minste drie jaar voltijds had gewerkt.
20. Op 28 juni 1999 heeft Steinicke bij het Landesarbeitsamt Baden-Württemberg (plaatselijk arbeidsbureau) bezwaar tegen deze beschikking ingediend. Dit bezwaar is evenwel afgewezen bij beschikking van 10 augustus 1999.
21. Daarop heeft Steinicke beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Sigmaringen. Zij stelde dat de uitsluiting van deeltijdwerkers van de arbeidsregeling van § 72 e BBG een indirecte discriminatie op grond van geslacht vormt aangezien onbetwist de grote meerderheid van de deeltijdwerkers vrouw is.
22. Vervolgens zijn evenwel voormelde wijzigingen van de betrokken bepaling (zie hiervoor punten 13-16) vastgesteld en is Steinicke voor de regeling deeltijdarbeid voor oudere werknemers in aanmerking gekomen met ingang van 1 juli 2000, waardoor het geschil over de periode na deze datum is opgelost. Zij handhaaft evenwel haar vordering tot nietigverklaring van de bestreden afwijzende beschikkingen over de periode van 1 oktober 1999 tot en met 30 juni 2000.
23. De verwijzende rechter heeft daarop de volgende prejudiciële vraag gesteld:Staan artikel 141 EG, de richtlijnen 75/117/EEG, 76/207/EEG en/of richtlijn 97/81/EG in de weg aan de regeling van § 72 b, lid 1, eerste zin, sub 2, van het Bundesbeamtengesetz in de versie van 31 maart 1999, die heeft gegolden tot 30 juni 2000, op grond waarvan voor de regeling deeltijdarbeid voor oudere werknemers alleen ambtenaren in aanmerking komen die in de vijf jaar vóór de aanvang van hun deeltijdarbeid in totaal ten minste drie jaar voltijds hebben gewerkt, wanneer aanzienlijk meer vrouwen dan mannen in deeltijd werken en derhalve op grond van dit voorschrift uitgesloten zijn van de regeling deeltijdarbeid voor oudere werknemers?
III ─ Analyse
24. Met deze prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een regeling volgens welke voor de toegang tot een regeling deeltijdarbeid voor oudere werknemers als voorwaarde geldt dat de werknemer de laatste vijf jaar ten minste gedurende drie jaar voltijds heeft gewerkt, in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de zin van artikel 141 EG en van de richtlijnen 75/117 en 76/27, alsook met het in richtlijn 97/81 gestelde beginsel van gelijke behandeling van deeltijd- en voltijdwerkers.
25. Steinicke, de Commissie en de Portugese regering beantwoorden deze vraag eensgezind bevestigend en betwisten de tegengestelde opvatting van het BfA, verweerder in het hoofdgeding, die geen opmerkingen bij het Hof heeft ingediend.
26. Volgens het betoog van het BfA in het hoofdgeding is de uitsluiting van de deeltijdwerkers van de betrokken arbeidsregeling gerechtvaardigd zowel uit hoofde van het doel van de regeling zelf als om budgettaire en praktische redenen.
27. Doel van de betrokken arbeidsregeling is, aldus het BfA, werkgelegenheid te creëren. Indien deeltijdwerkers van deze regeling gebruik mogen maken, zijn op de arbeidsmarkt niet dezelfde gevolgen te verwachten als wanneer deze regeling voor voltijdwerkers geldt. Aangezien eerstgenoemden reeds deeltijds werken, zullen zij geen noemenswaardige hoeveelheid arbeidstijd vrijmaken.
28. Wat de budgettaire redenen betreft, stelt het BfA dat indien deeltijdwerkers de mogelijkheid kregen om van deze regeling gebruik te maken, zij sterk zouden worden bevoordeeld, aangezien de werknemers voor wie de betrokken regeling geldt, bijzondere voordelen inzake bezoldiging en sociale voorzieningen genieten.
29. Ten slotte, aldus het BfA, zou de werkgever een deeltijdwerker die volgens de blokformule gebruik zou kunnen maken van de betrokken regeling, in de praktijk een met diens bekwaamheden overeenkomende voltijdbetrekking moeten geven. Daar een dergelijke betrekking slechts zelden onmiddellijk beschikbaar is, zou zij moeten worden gecreëerd, met alle problemen van dien inzake planning en arbeidsverdeling. In de volgende fase van arbeidsvrijstelling zou de werknemer, die dan een voltijdbetrekking bezet, moeten worden vervangen door een deeltijdwerker, aangezien slechts een halftijdse post binnen de personeelformatie vrij zou komen. Dat zou opnieuw nogal wat problemen inzake planning en arbeidsverdeling opleveren.
30. Steinicke betwist deze argumenten. Allereerst klopt het haars inziens niet dat de openstelling van de betrokken regeling voor deeltijdwerkers geen positieve gevolgen op de arbeidsmarkt zou hebben. Evenmin gaat volgens haar het argument inzake planning- en arbeidsverdelingsproblemen als gevolg van de eventuele openstelling van de regeling voor deeltijdwerkers op, omdat deze problemen zich ook voordoen indien voltijdwerkers van deze regeling gebruikmaken. Ook klopt het ten slotte niet dat de door de betrokken regeling veroorzaakte discriminatie gerechtvaardigd is om financiële redenen, aangezien de deeltijdwerkers ertoe bijdragen dat de kosten verminderen en de arbeidsmarkt wordt ontlast.
31. Dat is ook de mening van de Portugese regering; zij voegt eraan toe dat de door verweerder in het hoofdgeding aangevoerde doelstellingen van werkgelegenheidsbeleid ook kunnen worden bereikt door middel van een niet-discriminerende regeling zoals die welke sinds 1 juli 2000 is vastgesteld.
32. De Commissie merkt in wezen op dat de regeling, aangezien de financiële voordelen in het kader daarvan slechts een stimulans zijn om de doelstellingen van het werkgelegenheidsbeleid te kunnen bereiken, niet onder het begrip bezoldiging in de zin van artikel 141 EG of artikel 1 van richtlijn 75/117 valt, maar onder dat van arbeidsvoorwaarden in de zin van artikel 5 van richtlijn 76/207. Vervolgens, aldus de Commissie, vormt de uitsluiting van de deeltijdwerkers van de regeling, gelet op de door de verwijzende rechter vermelde statistische gegevens, op het eerste gezicht een indirecte discriminatie op grond van geslacht, die om de hierna vermelde redenen tegen de achtergrond van de rechtspraak van het Hof niet gerechtvaardigd lijkt.
33. Ik zal thans de net samengevatte argumenten bespreken. Om te beginnen ben ik het met de Commissie eens, dat allereerst moet worden bepaald welke gemeenschapsregeling in casu toepasselijk is.
34. Volgens de verwijzende rechter komen, zoals gezegd, zowel artikel 141 EG als de richtlijnen 75/117, 76/207 en 97/81 in aanmerking.
35. Meteen al merk ik op dat artikel 141 EG en richtlijn 75/117 in casu irrelevant lijken. In feite moet niet worden uitgemaakt of de betrokken Duitse regeling de mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid een gelijke beloning geeft, maar of het voor vrouwen moeilijker is dan voor mannen om voor de regeling deeltijdarbeid voor oudere werknemers in aanmerking te komen.
36. Wat daarentegen richtlijn 76/207 betreft, waarnaar in de verwijzingsbeschikking ook wordt verwezen, herinner ik er allereerst aan dat ik in de zaak Kutz-Bauer (arrest van 20 maart 2003, C-187/00, Jurispr. blz. I-2741) (5) had gesteld dat deze richtlijn niet van toepassing was op een arbeidsregeling die volledig vergelijkbaar was met de onderhavige. Deze regeling, die enerzijds voor werknemers van een bepaalde leeftijd de geleidelijke overgang van het beroepsleven naar het pensioen diende te vergemakkelijken en anderzijds diende bij te dragen tot de vermindering van de werkloosheid, was mijns inziens een grensgeval tussen ouderdoms- en werkloosheidsregelingen, zodat zij binnen de werkingssfeer van richtlijn 97/7/EEG (6) en niet van richtlijn 76/207 (7) viel.
37. In het arrest betreffende deze zaak heeft het Hof evenwel minder belang gehecht aan het doel van de regeling dan aan de omstandigheid dat deze door de wijziging van de arbeidstijd van de ervoor in aanmerking komende werknemers van invloed was op hun beroepsactiviteit. Op basis hiervan kwam het Hof dan ook tot de conclusie dat de betrokken regeling de arbeidsvoorwaarden betrof, zodat zij moest worden getoetst aan richtlijn 76/207 en niet aan richtlijn 79/7. (8)
38. Derhalve is het aannemelijk dat het Hof om dezelfde redenen als in voormeld arrest ook in de onderhavige zaak zal oordelen dat de litigieuze nationale regeling de arbeidsvoorwaarden betreft, zodat zij aan richtlijn 76/207 moet worden getoetst. Hierna ga ik daarvan uit.
39. Ten slotte is mijns inziens ook richtlijn 97/81 (9) althans gedeeltelijk op de onderhavige zaak van toepassing. Deze richtlijn bevestigt op het gebied van de arbeidsvoorwaarden het beginsel van non-discriminatie tussen deeltijd- en voltijdwerkers (10) en is van toepassing op deeltijdwerkers die werken uit hoofde van een arbeidsovereenkomst of een arbeidsverhouding, als omschreven bij wet [...] (11) , zoals specifiek het geval is met Steinicke.
40. Wat nu de vraag betreft waarom het gaat, moet om te beginnen worden onderzocht of de tot 30 juni 2000 geldende versie van § 72 e BBG een verschil in behandeling in de zin van richtlijn 76/207 of richtlijn 97/81 of in voorkomend geval van de beide richtlijnen opleverde.
41. Ongetwijfeld lijkt deze bepaling mij, door de uitsluiting van het grootste deel van de deeltijdwerkers van de betrokken arbeidsregeling, een duidelijk verschil in behandeling ten nadele van laatstgenoemden op te leveren, zodat zij in beginsel onverenigbaar was met richtlijn 97/81.
42. Evenmin kan mijns inziens evenwel serieus worden betwist dat deze bepaling ook in strijd was met richtlijn 76/207 aangezien zij, hoewel in neutrale bewoordingen gesteld, in feite veel meer vrouwen dan mannen benadeelde. Niet alleen staat namelijk vast, zoals het Hof heeft verklaard, dat in Duitsland veel vaker vrouwen dan mannen deeltijds werken (12) , maar dat is nog duidelijker in de sector waarin Steinicke werkt, namelijk de federale overheid, waarin de vrouwen volgens de verwijzingsbeschikking ongeveer 90 % van de deeltijdwerkers uitmaken. Zoals uit de verwijzingsbeschikking kan worden afgeleid, worden deze gegevens evenmin betwist door het BfA.
43. Hier dien ik er ook aan te herinneren dat volgens vaste rechtspraak een nationale bepaling of regeling een door het gemeenschapsrecht, in het bijzonder richtlijn 76/207, verboden indirecte discriminatie jegens vrouwelijke werknemers inhoudt wanneer zij, zoals de onderhavige regeling, feitelijk veel meer vrouwen dan mannen benadeelt, tenzij dit verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht. (13)
44. Ook richtlijn 79/81 verbiedt niet verschillen in behandeling ten nadele van deeltijdwerkers die om objectieve redenen gerechtvaardigd zijn. (14)
45. Om te bepalen of § 72 b BBG, in de tot 30 juni 2000 geldende versie, in strijd was met de richtlijnen 76/207 en 97/81, moet nog worden nagegaan of de uit deze bepaling voortvloeiende verschillen in behandeling van deeltijd- en voltijdwerkers en, indirect, van mannen en vrouwen om objectieve redenen gerechtvaardigd waren.
46. Dienaangaande herinner ik aan vaste rechtspraak: In het kader van een prejudiciële procedure, [...] staat het weliswaar aan de nationale rechter om vast te stellen of [dergelijke objectieve factoren] zich in het bij hem aanhangige concrete geval voordoen; daar het Hof de verwijzende rechter evenwel een nuttig antwoord op zijn vragen dient te geven, is het bevoegd om op basis van het dossier van het hoofdgeding en van de mondelinge en schriftelijke opmerkingen van partijen aanwijzingen te geven die de rechter in staat stellen uitspraak te doen. (15)
47. Aangezien het BfA, zoals gezegd, voor de verwijzende rechter in wezen drie redenen heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van voormelde verschillen in behandeling, moeten deze rechtvaardigingsgronden worden onderzocht.
48. De eerste grond is gebaseerd op de overweging dat de betrokken regeling in het kader waarvan de arbeidstijd van voltijdwerkers kan worden gehalveerd, doelstellingen van werkgelegenheidsbeleid nastreeft die niet op een andere wijze ─ of minder doeltreffend ─ zouden kunnen worden bereikt indien deeltijdwerknemers ook voor deze regeling in aanmerking kwamen.
49. Dienaangaande herinner ik eraan dat volgens vaste rechtspraak de doelstellingen van sociaal en werkgelegenheidsbeleid slechts een verschil in behandeling kunnen rechtvaardigen wanneer is bewezen dat de gekozen middelen [...] geschikt zijn ter bereiking van het met dat beleid nagestreefde doel en daartoe noodzakelijk zijn. (16)
50. In de eerste plaats lijkt de uitsluiting van de deeltijdwerkers van de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor de betrokken arbeidsregeling mij geen geschikt middel ter bereiking van deze doelstellingen. Aangezien deeltijdwerk een middel van flexibilisering van de arbeidsmarkt is om de werkgelegenheid te stimuleren, bestaat namelijk, zoals de Commissie terecht stelt, het gevaar dat de betrokken regeling die de deeltijdwerkers discrimineert, de werknemers ervan weerhoudt een deeltijdarbeid te aanvaarden, zodat juist het tegengestelde effect wordt bereikt.
51. Dat de regeling de werknemers ervan weerhoudt deeltijdarbeid te aanvaarden, is mijns inziens overigens bewezen zowel doordat Steinicke die in aanmerking wenste te komen voor de deeltijdregeling voor oudere werknemers, haar werkgever had gevraagd om van deeltijd op voltijd te mogen overgaan, als doordat de sinds 1 juli 2000 geldende nieuwe versie van § 72 b BBG ter oplossing van dit probleem voortaan alleen de werknemers die de laatste vijf jaar ten minste gedurende drie jaar voltijds hebben gewerkt, in aanmerking laat komen voor de regeling.
52. De betrokken verschillen in behandeling kunnen mijns inziens evenwel evenmin noodzakelijk worden geacht ter bereiking van de beweerde doelstellingen van werkgelegenheid; dat blijkt uit het feit dat de op dit gebied geldende nieuwe regeling ook zonder een dergelijke discriminatie deze doelstellingen nastreeft.
53. De tweede grond die het BfA ter rechtvaardiging van de litigieuze Duitse regeling aanvoert, zijn de veel te hoge personeelskosten wanneer deeltijdwerkers voor de betrokken arbeidsregeling in aanmerking komen.
54. Dit argument is niet relevant; dit volgt uit vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke budgettaire overwegingen [...] geen discriminatie ten nadele van een der geslachten kunnen rechtvaardigen. (17)
55. Ten slotte lijkt mij ook het laatste argument van het BfA ongefundeerd, namelijk dat het voor de werkgever ernstige problemen van arbeidsplanning en -verdeling zou meebrengen indien deeltijdwerkers voor de betrokken arbeidsregeling in aanmerking kwamen.
56. Evenals de Commissie wijs ik er namelijk op dat de litigieuze regeling dezelfde problemen kon veroorzaken. Door werknemers die de laatste vijf jaar ten minste gedurende drie jaar voltijds hebben gewerkt, in aanmerking te laten komen, sloot de regeling namelijk niet de werknemers uit die op het tijdstip van hun desbetreffend verzoek reeds in deeltijd werkten.
57. Gelet op een en ander, lijken de door het BfA voor de verwijzende rechter aangevoerde argumenten mij geen objectieve redenen die de verschillen in behandeling van deeltijd- en voltijdwerkers en, indirect, van werknemers en werkneemsters, welke voortvloeien uit § 72 b BBG, in de versie tot 30 juni 2000, kunnen rechtvaardigen.
58. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, op de prejudiciële vraag te antwoorden dat, aangezien er geen objectieve rechtvaardigingsgronden zijn, richtlijn 97/81 en ─ ingeval meer vrouwen dan mannen deeltijds werken ─ richtlijn 76/207 zich verzetten tegen een nationale regeling krachtens welke voor een regeling deeltijdarbeid voor oudere werknemers slechts de werknemer in aanmerking komt, die de laatste vijf jaar ten minste gedurende drie jaar voltijds heeft gewerkt.
59. Ten slotte, vóór ik concludeer, wijs ik erop dat de verwijzende rechter, ofschoon hij daaromtrent geen specifieke prejudiciële vraag heeft gesteld, het Hof verzoekt te preciseren of Steinicke, ingeval de betrokken regeling discriminerend zou blijken zodat zij over het litigieuze tijdvak in aanmerking moet komen voor de betrokken arbeidsregeling, voor dit tijdvak gerechtigd is op de verwante voordelen van de tot 30 juni 2000 geldende regeling of op die van de vanaf 1 juli 2000 geldende regeling.
60. Dienaangaande merk ik alleen op dat niet het Hof maar de nationale rechter tegen de achtergrond van de feiten dient te beoordelen welke nationale bepalingen in casu van toepassing zijn om de naleving van het non-discriminatiebeginsel van de richtlijnen 76/207 en 97/81 te verzekeren.
IV ─ Conclusie
61. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de bij beschikking van 10 december 2001 door het Verwaltungsgericht Sigmaringen gestelde vraag te beantwoorden als volgt:Aangezien er geen objectieve rechtvaardigingsgronden zijn, verzetten richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid en ─ ingeval meer vrouwen dan mannen deeltijds werken ─ richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, zich tegen een nationale regeling krachtens welke voor een regeling deeltijdarbeid voor oudere werknemers slechts de werknemer in aanmerking komt, die de laatste vijf jaar ten minste gedurende drie jaar voltijds heeft gewerkt.
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – Richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB L 45, blz. 19; hierna: richtlijn 75/117).
3 – Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40; hierna: richtlijn 76/207).
4 – Richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid (PB 1998, L 14, blz. 9; hierna: richtlijn 97/81).
5 – De arbeidsregeling waarom het in die zaak ging, was het Altersteilzeitgesetz (wet betreffende deeltijdarbeid voor oudere werknemers) van 23 juli 1996. Volgens deze wet kon de werknemer die de leeftijd van 55 jaar had bereikt, met de werkgever overeenkomen om volgens de gebruikelijke formule of volgens het blokmodel deeltijds te werken. Om het gebruik van deze regeling te stimuleren bepaalde deze wet dat de werknemers die van deze regeling gebruik maakten, deeltijds konden werken en gerechtigd waren op 70 % van hun nettoloon bij voltijdarbeid.
6 – Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24; hierna: richtlijn 79/7).
7 – Conclusie van 5 februari 2002, in de zaak Kutz-Bauer, reeds aangehaald, punt 38.
8 – Arrest Kutz-Bauer, reeds aangehaald, punten 43-46.
9 – Deze richtlijn is slechts gedeeltelijk van toepassing op de onderhavige zaak daar de omzettingstermijn is verstreken op 20 januari 2000, terwijl de periode waarover de nationale rechter zich moet uitspreken, tussen 1 oktober 1999 en 30 juni 2000 ligt.
10 – Zie clausule nr. 4 van de bijlage bij deze richtlijn.
11 – Zie clausule nr. 2 van de bijlage bij deze richtlijn.
12 – Arrest van 26 september 2000, Kachelmann, C-322/98, Jurispr. blz. I-7505, punt 24. Zie ook in deze zin conclusie van advocaat-generaal Geelhoed van 6 februari 2003 in de zaak Rinke, C-25/02, aanhangig voor het Hof.
13 – Dit beginsel is door het Hof geponeerd onder bijzondere verwijzing naar richtlijn 76/207, met name in de arresten van 2 oktober 1997, Gerster, C-1/95, Jurispr. blz. I-5253, punten 30 en 34 met andere aanhalingen; 6 april 2000, Jørgensen, C-226/98, Jurispr. blz. I-2447, punt 29 met andere aanhalingen; en Kachelmann, reeds aangehaald, punt 23; en Kutz-Bauer, reeds aangehaald, punt 50. Overigens is dit ook bevestigd door verwijzing naar artikel 141 EG en/of richtlijn 75/117, met name in de arresten van 17 juni 1998, Hill en Stapleton, C-243/95, Jurispr. blz. I-3739, punt 34; 9 februari 1999, Seymour-Smith en Perez, C-167/97, Jurispr. blz. I-623, punt 69, en 14 september 1999, Gruber, C-294/97, Jurispr. blz. I-5295, punten 25 en 26; alsook onder verwijzing naar richtlijn 79/7, met name in de arresten van 27 juni 1990, Kowalska, C-33/89, Jurispr. blz. I-2591, punt 16; 7 mei 1991, Commissie/België, C-229/89, Jurispr. blz. I-2205, punt 13; 24 februari 1994, Roks, C-343/92, Jurispr. blz. I-571, punt 33, en 14 december 1995, Megner en Scheffel, C-444/93 Jurispr. blz. I-4741, punt 24. Bovendien is dit beginsel voortaan neergelegd in verschillende richtlijnen: zie richtlijn 97/80/EG van de Raad van 15 december 1997 inzake de bewijslast in gevallen van discriminatie op grond van het geslacht (PB 1998, L 14, blz. 6), richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, blz. 16), of richtlijn 2002/73 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van richtlijn 76/207 (PB L 269 blz. 15).
14 – Zie clausule nr. 4 van de bijlage bij richtlijn 97/81.
15 – Arrest van 7 maart 1996, Freers en Speckmann, C-278/93, Jurispr. blz. I-1165, punt 24; in deze zin ook arrest Seymour-Smith en Perez, reeds aangehaald, punten 67 en 68; arrest van 26 juli 2001, Brunnhofer, C-381/99, Jurispr. blz. I-4961, punt 65, en arrest Kutz-Bauer, punt 52.
16 – Arrest Seymour-Smith en Perez, reeds aangehaald, punt 69, cursivering van mij. Zie ook arrest Megner en Scheffel, reeds aangehaald, punten 29 en 30; en arrest Freers en Speckmann, reeds aangehaald, punt 28.
17 – Arresten Roks, reeds aangehaald, punten 35 en 36; Hill en Stapleton, reeds aangehaald, punt 40; arrest van 23 mei 2000, Buchner e.a., C-104/98, Jurispr. blz. I-3625, punt 28, en arrest Kutz-Bauer, reeds aangehaald, punten 59-61.
Full & Egal Universal Law Academy