CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 6 maart 2003 (1)
Zaak C-83/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Helleense Republiek
„Niet-nakoming – Artikelen 11 en 4 van richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's) – Niet-mededeling aan de Commissie binnen gestelde termijn van de door de richtlijn voorgeschreven plannen, schema's en samenvattingen”
1. In deze zaak verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de in artikelen 11 en 4, lid 1, van richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's) (2) , (hierna: richtlijn), voorgeschreven plannen, schema's en samenvattingen op te stellen respectievelijk aan de Commissie mede te delen, niet heeft voldaan aan de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichting. Eveneens verzoekt de Commissie de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.
2. Krachtens artikel 1 heeft richtlijn 96/59 tot doel de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de gecontroleerde verwijdering van PCB's, de reiniging of verwijdering van PCB's bevattende apparaten en/of de verwijdering van gebruikte PCB's, om op basis van de bepalingen van deze richtlijn te komen tot een volledige verwijdering van PCB's.
3. Ingevolge artikel 4, lid 1, van de richtlijn dragen de lidstaten er zorg voor dat inventarissen worden opgesteld van apparaten die meer dan 5 dm³ PCB's bevatten en sturen zij uiterlijk drie jaar na aanneming van deze richtlijn een samenvatting van deze inventarissen naar de Commissie.
4. Artikel 11, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten binnen drie jaar na aanneming van deze richtlijn een plan voor de reiniging en/of verwijdering van geïnventariseerde apparaten en de daarin aanwezige PCB's dienen vast te stellen evenals een schema voor de inzameling en latere verwijdering van de in artikel 6, lid 3, bedoelde apparaten die niet overeenkomstig artikel 4, lid 1, hoeven te worden geïnventariseerd. Ingevolge artikel 11, lid 2, delen de lidstaten dit plan en dit schema onverwijld mede aan de Commissie.
5. Volgens artikel 13, lid 1, van de richtlijn, is de richtlijn in werking getreden op de datum van aanneming, dat wil zeggen op 16 september 1996. Dientengevolge hadden de in de artikelen 4, lid 1, en 11 van de richtlijn bedoelde samenvattingen, plannen en schema's uiterlijk op 16 september 1999 moeten zijn opgesteld en aan de Commissie moeten zijn medegedeeld.
6. Bij brief van 10 april 2000 heeft de Commissie de Helleense Republiek ingebreke gesteld, aangezien zij nog niet door de Helleense autoriteiten in kennis was gesteld omtrent de vereiste maatregelen als bedoeld in de artikelen 4, lid 1, en 11 van de richtlijn en zij ook niet over informatie beschikte of deze lidstaat de maatregelen had getroffen. Daar deze brief onbeantwoord bleef bracht de Commissie op 1 augustus 2000 haar met redenen omkleed advies uit en nodigde de Helleense Republiek uit de nodige maatregelen binnen een termijn van twee maanden te nemen. Op 13 en 14 december 2000 vond er een bijeenkomst plaats tussen vertegenwoordigers van de Commissie en de Helleense autoriteiten. Deze laatste zegden toe de bedoelde informatie zo spoedig mogelijk te verschaffen (vóór januari 2001) en de maatregelen zo snel mogelijk te treffen (vóór juni 2001).
7. Op 29 maart 2001 reageerde de Helleense regering schriftelijk op het met redenen omkleed advies. Zij gaf aan dat zij de inventaris voorzien in artikel 4, lid 1, van de richtlijn had opgesteld, deze was echter nog niet volledig en definitief, aangezien nog niet alle benodigde gegevens waren geleverd. Wat betreft haar verplichtingen voortvloeiend uit artikel 11 van de richtlijn verklaarde zij dat het bevoegde ministerie op basis van de verkregen gegevens zo spoedig mogelijk de maatregelen zou nemen. Ter toelichting werd daarbij vermeld dat zij in het algemeen problemen hadden ondervonden omtrent de exacte afbakening van PCB's en meer specifiek omtrent het vraagstuk van transport naar het buitenland teneinde daar PCB's te laten verwijderen, daar Griekenland zelf niet over dergelijke verwijderingsinstallaties beschikt.
8. Op 12 maart 2002 heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld. Zij concludeert dat de Helleense Republiek tot op heden niet haar verplichtingen voortvloeiend uit de artikelen 4, lid 1, en 11 is nagekomen. De Helleense Republiek bestrijdt niet dat zij maatregelen moet nemen om aan de richtlijn te voldoen. Zij stelt hier op zeer korte termijn aan te kunnen voldoen.Wat daar ook van zij, vaststaat dat de Helleense regering aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn haar verplichtingen nog niet was nagekomen. Daarmee is het beroep van de Commissie gegrond.
I ─ Conclusie
Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging:
─ vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de in de artikelen 11 en 4, lid 1, van richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's) voorgeschreven plannen, schema's en samenvattingen op te stellen respectievelijk aan de Commissie mede te delen, niet heeft voldaan aan de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichting;
─ de Helleense Republiek in de kosten te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Nederlands.
2 – PB L 243, blz. 31.
Full & Egal Universal Law Academy