CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 15 mei 2003 (1)
Zaak C-91/02
Hannl + Hofstter Internationale Spedition GmbH
tegen
Finanzlandesdirektion für Wien, Niederösterreich und Burgenland
[verzoek van het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Communautair douanewetboek – Douaneschuld – Nationale wettelijke regeling die betaling van moratoire interesten eist voor periode tussen ontstaan van douaneschuld en boeking ervan – Boekhouding”
1. Dit verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek. (2)
2. Het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) vraagt of het douanewetboek zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die voorziet in verhoging van de douanerechten ingeval de douaneschuld ten gevolge van een overtreding van een gemeenschapsregeling ontstaat, respectievelijk ingeval de douaneschuld wordt nagevorderd overeenkomstig artikel 220 van het wetboek. De in casu betwiste verhoging betreft de moratoire interest over de periode tussen het ontstaan van de douaneschuld en de boeking ervan (achteraf).
I ─ Toepasselijke bepalingen
A ─ Bepalingen van gemeenschapsrecht
3. De artikelen 201 tot en met 205 van het douanewetboek bepalen wanneer een douaneschuld bij invoer, en de artikelen 209 tot en met 211 wanneer een douaneschuld bij uitvoer ontstaat.
4. Artikel 201 van het wetboek bepaalt dat een douaneschuld bij invoer ontstaat wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht, of wanneer dergelijke goederen onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer worden geplaatst. Volgens dezelfde bepaling ontstaat de douaneschuld op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneaangifte wordt aanvaard.
5. Artikel 209 van het wetboek bepaalt dat een douaneschuld bij uitvoer ontstaat bij de uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap, met douaneaangifte, van goederen welke aan rechten bij uitvoer zijn onderworpen. Het voegt hieraan toe dat de douaneschuld ontstaat op het tijdstip van aanvaarding van deze douaneaangifte.
6. De artikelen 217 tot 232 regelen de voorwaarden voor de invordering van de douaneschuld.
7. Volgens artikel 217 van het wetboek dienen de douaneautoriteiten het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld, te berekenen zodra zij over de nodige gegevens beschikken.
8. Artikel 218 bepaalt dat indien door de aanvaarding van de aangifte van een goed een douaneschuld ontstaat, het met die douaneschuld overeenkomende bedrag wordt geboekt zodra dit bedrag is berekend, of uiterlijk op de tweede dag volgende op de dag waarop de goederen zijn vrijgegeven. Indien de douaneschuld evenwel niet ontstaat door de aanvaarding van de aangifte van een goed, dient de boeking te gebeuren binnen twee dagen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten in staat zijn het bedrag van de rechten te berekenen en de schuldenaar aan te wijzen.
9. Artikel 220, lid 1, van het wetboek betreft de invordering achteraf van douaneschulden. Het bepaalt dat [i]ndien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld, niet is geboekt overeenkomstig de artikelen 218 en 219 of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten [dient] te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (boeking achteraf).
10. Artikel 220, lid 2, sub b, sluit boeking achteraf evenwel uit indien het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.
11. Artikel 221 van het wetboek bepaalt dat het bedrag van de rechten onmiddellijk na de boeking aan de schuldenaar dient te worden medegedeeld. Volgens artikel 222 moet deze laatste zijn schuld voldoen binnen de hem door de douaneautoriteiten toegestane termijn, die niet meer mag bedragen dan tien dagen te rekenen vanaf de datum waarop het verschuldigde bedrag aan rechten werd medegedeeld.
12. Krachtens artikel 229 van het wetboek kunnen de douaneautoriteiten de schuldenaar betalingsfaciliteiten toestaan op voorwaarde dat hij rente voor kredietverlening betaalt.
13. Artikel 232 van het wetboek bepaalt ten slotte dat wanneer het bedrag van de rechten niet binnen de gestelde termijn is voldaan, de douaneautoriteiten een moratoire interest invorderen waarvan het percentage niet lager mag zijn dan dat van de rentevoet voor kredietverlening.
B ─ Bepalingen van nationaal recht
14. De bepalingen van het douanewetboek zijn in het Oostenrijkse recht uitgevoerd bij het Bundesgesetz betreffend ergänzende Regelungen zur Durchführung des Zollrechts der Europaïschen Gemeinschaften (federale wet inzake de aanvullende bepalingen voor de toepassing van het douanerecht van de Europese Gemeenschappen) van 23 augustus 1994. (3)
15. § 80 van deze wet bepaalt dat indien het bedrag van de rechten niet binnen de gestelde termijn is voldaan, naast dit bedrag moratoire interest wordt ingevorderd, waarvan de jaarlijkse rentevoet 2 % hoger is dan de rentevoet voor kredietverlening.
16. § 108, lid 1, van het ZollR-DG betreft de verhoging van de douanerechten. Het luidt als volgt:Indien, buiten de gevallen genoemd in lid 2, een douaneschuld ontstaat overeenkomstig de artikelen 202 tot en met 205, 210 of 211 van het douanewetboek, of in geval van navordering van de douaneschuld overeenkomstig artikel 220 van dit wetboek, worden de douanerechten verhoogd met het beloop van de moratoire interest over de periode tussen het ontstaan van de schuld en de boeking ervan, ofwel, in geval van navordering overeenkomstig artikel 220 van het douanewetboek, over de periode tussen de vervaldag van de oorspronkelijk geboekte douaneschuld en de boeking achteraf van deze schuld [...].
II ─ Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
17. Uit de stukken blijkt dat het Hauptzollamt Linz (centraal douanekantoor van Linz) (Oostenrijk) (4) op 24 november 1998 een aangifte ten invoer tot verbruik heeft aanvaard van Hannl + Hofstetter Internationale Spedition GmbH. (5)
18. Op 12 december 1998 heeft Hannl het Hauptzollamt er evenwel op gewezen dat bij het opstellen van de aangifte een fout was gemaakt.
19. Bij beslissing van 17 december 1998 heeft het Hauptzollamt dan ook een boeking achteraf van de douanerechten verricht volgens artikel 220 van het wetboek. Deze boeking beliep een bedrag van 30 694 ATS. Het Hauptzollamt besliste bovendien om de douanerechten overeenkomstig § 108, lid 1, ZollR-DG met 2 157 ATS te verhogen.
20. Hannl heeft deze beslissing betwist voor het Hauptzollamt en vervolgens voor de Finanzlandesdirektion für Wien, Niederösterreich und Burgenland (ministerie van financiën voor Wenen, Neder-Oostenrijk en Burgenland) (Oostenrijk).
21. Deze laatste instantie heeft de bestreden beslissing bevestigd, met specificatie van de berekeningsgrondslag van de verhoging (namelijk 228 668 ATS, waarvan 30 694 ATS aan douanerechten en 197 974 ATS aan omzetbelasting bij invoer), alsmede de toepasselijke rentevoet (5,66 % per jaar) en de perioden van betalingsachterstand (van 15 november 1998 tot 14 december 1998 en van 15 december 1998 tot 14 januari 1999).
22. Vervolgens heeft Hannl beroep ingesteld bij het Verwaltungsgerichtshof, op grond dat de in § 108, lid 1, ZollR-DG bepaalde verhoging van de douanerechten in strijd is met het gemeenschapsrecht.
23. Het Verwaltungsgerichtshof was van oordeel dat de beslechting van het geschil afhing van de uitlegging van de gemeenschapsrechtelijke douanebepalingen. Derhalve heeft het besloten om de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:Staan de gemeenschapsrechtelijke douanebepalingen in de weg aan een verhoging van de douanerechten op grond van § 108, lid 1, ZollR-DG, die moet worden betaald ingeval een douaneschuld ontstaat overeenkomstig de artikelen 202 tot en met 205, 210 of 211 van het douanewetboek of in het geval van navordering overeenkomstig artikel 220 van dit wetboek, waarbij deze verhoging overeenkomt met het bedrag aan moratoire interesten over de periode tussen het ontstaan van de douaneschuld en de boeking ervan of, bij navordering overeenkomstig artikel 220 van het douanewetboek, over de periode tussen de vervaldag van de oorspronkelijke douaneschuld en de boeking van de na te vorderen douaneschuld?
III ─ Onderzoek van de prejudiciële vraag
24. Met zijn vraag wil het Verwaltungsgerichtshof vernemen of het douanewetboek zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat:
─ ingeval een douaneschuld ontstaat overeenkomstig de artikelen 202 tot en met 205, 210 of 211 van het douanewetboek, de douanerechten worden verhoogd met een bedrag overeenkomend met de moratoire interest over de periode tussen het ontstaan van de douaneschuld en de boeking ervan, en
─ ingeval de douaneschuld wordt nagevorderd op grond van artikel 220 van het douanewetboek, de douanerechten worden verhoogd met een bedrag overeenkomend met de moratoire interest over de periode tussen de vervaldag van de oorspronkelijk geboekte douaneschuld en de datum van de boeking achteraf.
25. Vooraf herinner ik eraan dat artikel 232 van het douanewetboek de betaling van moratoire interest enkel voorschrijft voor de periode na de boeking van de douaneschuld. Voor deze bepaling is de schuldenaar namelijk moratoire interest verschuldigd indien hij de rechten niet betaalt binnen een termijn van ten hoogste tien dagen vanaf de datum waarop het verschuldigde bedrag aan rechten is medegedeeld.
26. § 108 ZollR-DG voorziet evenwel in de betaling van moratoire interest over een periode vóór de boeking van de douaneschuld. De verhoging volgens deze bepaling omvat immers de periode tussen het ontstaan van de douaneschuld en de boeking ervan (ingeval de douaneschuld ontstaat overeenkomstig de artikelen 202 tot en met 205, 210 en 211 van het wetboek) of de periode tussen de vervaldag van de oorspronkelijk geboekte douaneschuld en de boeking ervan achteraf (in geval van navordering van de schuld krachtens artikel 220 van het wetboek).
27. Met zijn prejudiciële vraag wil het Verwaltungsgerichtshof derhalve vernemen of het gemeenschapsrecht de lidstaten toestaat om de betaling van moratoire interest voor te schrijven voor een periode die niet in artikel 232 van het wetboek wordt vermeld.
28. Voor het antwoord op deze vraag wil ik kort herinneren aan de beginselen betreffende de bevoegdheden waarover de lidstaten beschikken bij het vaststellen van maatregelen die de toepassing van het gemeenschapsrecht moeten waarborgen.
29. Volgens vaste rechtspraak (6) zijn de lidstaten, wanneer een gemeenschapsregeling geen specifieke sanctie stelt op de overtreding van de bepalingen ervan, of daarvoor verwijst naar nationale bepalingen, ingevolge artikel 10 EG verplicht alle passende maatregelen te nemen om de doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren. Daartoe dienen de lidstaten erop toe te zien, dat overtredingen van het gemeenschapsrecht onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft als vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationale recht. Zij zijn daarbij weliswaar vrij in hun keuze van de op te leggen sancties, doch deze moeten hoe dan ook doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
30. Inzake douaneovertredingen heeft het Hof gepreciseerd (7) , dat nu de gemeenschapswetgeving op dit gebied niet is geharmoniseerd, de lidstaten bevoegd zijn de sancties te kiezen die hun passend voorkomen. Zij moeten deze bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het gemeenschapsrecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel.
31. In casu moet eerst worden onderzocht in welke gevallen de Oostenrijkse wetgeving de betaling van moratoire interest vereist. Zoals gezegd, zijn dat de gevallen waarin de douaneschuld ontstaat overeenkomstig de artikelen 202 tot en met 205, 210 en 211 van het wetboek, alsook in geval van navordering van de douaneschuld overeenkomstig artikel 220 van het wetboek.
32. De artikelen 202 tot en met 205, 210 en 211 van het douanewetboek regelen de gevallen waarin de douaneschuld ontstaat door een gedraging die het gemeenschapsrecht schendt. Aldus bepalen de artikelen 202 tot en met 205 van het wetboek dat een douaneschuld bij invoer ontstaat:
─ indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, of indien dergelijke, zich in een vrije zone of een vrij entrepot bevindende goederen op onregelmatige wijze in een ander deel van genoemd douanegebied worden binnengebracht
8 Artikel 202, lid 1.;
─ indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken
9 Artikel 203, lid 1.;
─ indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst
10 Artikel 204, lid 1, sub a., of indien een van de voorwaarden die voor de plaatsing van de goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen zijn gesteld, niet in acht is genomen
11 Artikel 204, lid 1, sub b., en
─ indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen in een vrije zone of in een vrij entrepot worden verbruikt of gebruikt op een andere wijze dan bij de geldende bepalingen is voorgeschreven.
12 Artikel 205, lid 1.
33. Zo ook bepalen de artikelen 210 en 211 van het wetboek dat een douaneschuld bij uitvoer ontstaat:
─ indien aan rechten bij uitvoer onderworpen goederen het douanegebied van de Gemeenschap zonder douaneaangifte verlaten, en
─ bij niet-nakoming van de voorwaarden waaronder de goederen het douanegebied van de Gemeenschap met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij uitvoer konden verlaten.
34. Artikel 220 van het wetboek, zoals wij hebben gezien, betreft de gevallen waarin het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld, niet overeenkomstig artikel 218 van het wetboek kon worden geboekt. Zoals de Oostenrijkse regering heeft beklemtoond (13) , gaat het vooral om gevallen waarin de marktdeelnemer de douaneautoriteiten onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, aangezien artikel 220, lid 2, sub b, een boeking achteraf uitdrukkelijk uitsluit wanneer de douaneautoriteiten zelf een vergissing hebben begaan.
35. Bij mijn weten voorziet het gemeenschapsrecht niet in specifieke sancties voor deze gevallen.
36. Noch in het wetboek noch in verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 (14) heb ik een bepaling gevonden die in specifieke sancties voorziet voor het geval dat de douaneschuld voortvloeit uit een schending van de verplichtingen bij de in- of uitvoer van goederen in (of uit) de Gemeenschap. Ik heb evenmin een bepaling gevonden die in een sanctie voorziet wanneer de autoriteiten de rechten door toedoen van de marktdeelnemer niet onmiddellijk na het ontstaan van de douaneschuld hebben kunnen boeken.
37. Hieruit volgt dat de lidstaten, anders dan Hannl betoogt, bevoegd zijn om de sancties vast te stellen die zij ter zake passend achten. De Republiek Oostenrijk kon de in artikel 108 ZollR-DG neergelegde maatregel dus geldig vaststellen.
38. Volgens de boven aangehaalde rechtspraak (15) dient deze maatregel evenwel in overeenstemming te zijn met het gemeenschapsrecht en met name met het evenredigheidsbeginsel.
39. Dienaangaande ben ik van oordeel dat het doel van de litigieuze verhoging stellig in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht.
40. Wanneer een douaneschuld ontstaat overeenkomstig de artikelen 202 tot en met 205, 210 en 211 van het wetboek of wanneer de douaneschuld achteraf wordt ingevorderd, is de moeilijkheid, zoals de Oostenrijkse regering heeft opgemerkt (16) , niet de vertraging waarmee de schuldenaar betaalt. De moeilijkheid is dat de douaneautoriteiten door toedoen van de marktdeelnemer niet altijd in staat zijn om de douaneschuld onmiddellijk te boeken of om precies vast te stellen hoeveel de schuld bedraagt en wie haar moet betalen. Er kan dus een zekere tijd verlopen tussen het ontstaan van de douaneschuld en het tijdstip waarop zij (achteraf) wordt geboekt.
41. In deze gevallen lijden de douaneautoriteiten een financieel verlies door de vertraagde boeking van de douaneschuld, terwijl de marktdeelnemers tegelijkertijd profijt trekken uit het uitstel van de betaling van hun schuld.
42. In die context beoogt de litigieuze verhoging een voordeel teniet te doen voor marktdeelnemers die hun douanerechtelijke verplichtingen niet nakomen of onjuiste informatie verstrekken aan de bevoegde autoriteiten. Zonder een dergelijke maatregel zouden, zoals de Oostenrijkse regering heeft verklaard (17) , de marktdeelnemers die onrechtmatig of nalatig handelen, door de verlate boeking (achteraf) van hun schuld worden bevoordeeld ten opzichte van marktdeelnemers die zich zo gedragen dat de douaneschuld snel kan worden afgewikkeld.
43. De litigieuze verhoging heeft dus tot doel de marktdeelnemers aan te sporen om hun door de douanewetgeving voorgeschreven verplichtingen na te komen. Een dergelijk doel stemt uiteraard overeen met het gemeenschapsrecht. (18)
44. Wat het bedrag van de litigieuze verhoging betreft, herinner ik eraan dat dit bedrag volgens de rechtspraak (19) moet worden vastgesteld met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel en onder voorwaarden die overeenkomen met die welke in het nationale recht voor vergelijkbare en even ernstige overtredingen gelden. In de arresten Siesse (20) en De Andrade (21) heeft het Hof verklaard dat het aan de nationale rechter staat om dit te beoordelen.
45. In casu moet dus het Verwaltungsgerichtshof beoordelen of het bedrag van de in § 108, lid 1, ZollR-DG voorziene verhoging overeenstemt met het evenredigheidsbeginsel en of het op een vergelijkbaar niveau is bepaald als in het nationale recht voor vergelijkbare overtredingen geldt. Daarbij kan de nationale rechter rekening houden met de omstandigheid dat de litigieuze verhoging alleen het voordeel tenietdoet dat de marktdeelnemers door de schending van het douanerecht zouden genieten, zonder hun een werkelijke sanctie op te leggen. In elk geval dient de verwijzende rechter na te gaan of de ─ redelijk voorkomende ─ rentevoet van 5,66 % overeenstemt met de in het nationale recht toegepaste rentevoet voor vergelijkbare en even ernstige overtredingen.
46. Onder voorbehoud van dit onderzoek, geef ik het Hof bijgevolg in overweging om op de prejudiciële vraag te antwoorden dat het douanewetboek zich niet verzet tegen een maatregel als die van § 108 ZollR-DG.
IV ─ Conclusie
47. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging de vraag van het Verwaltungsgerichtshof te beantwoorden als volgt: De bepalingen van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek verzetten zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat:
─ ingeval een douaneschuld ontstaat overeenkomstig de artikelen 202 tot en met 205, 210 of 211 van het douanewetboek, de douanerechten worden verhoogd met een bedrag overeenkomend met de moratoire interest over de periode tussen het ontstaan van de douaneschuld en de boeking ervan, en
─ ingeval een douaneschuld achteraf wordt nagevorderd overeenkomstig artikel 220 van verordening nr. 2913/92, de douanerechten worden verhoogd met een bedrag overeenkomend met de moratoire interest over de periode tussen de vervaldag van de aanvankelijk geboekte douaneschuld en de boeking achteraf ervan, mits het bedrag van de interesten wordt vastgesteld met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel en onder voorwaarden die overeenkomen met die welke in het nationale recht voor vergelijkbare en even ernstige overtredingen gelden.Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of de litigieuze verhoging overeenstemt met deze beginselen.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 302, blz. 1 (hierna: douanewetboek of wetboek).
3 – BGBl. 1994/659 (hierna: ZollR-DG).
4 – Hierna: Hauptzollamt.
5 – Hierna: Hannl.
6 – Zie met name arresten van 21 september 1989, Commissie/Griekenland (68/88, Jurispr. blz. 2965, punten 23 en 24); 10 juli 1990, Hansen (C-326/88, Jurispr. blz. I-2911, punt 17); 2 oktober 1991, Vandevenne e.a. (C-7/90, Jurispr. blz. I-4371, punt 11); 8 juni 1994, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C-382/92, Jurispr. blz. I-2435, punt 55, en C-383/92, Jurispr. blz. I-2479, punt 40); 26 oktober 1995, Siesse (C-36/94, Jurispr. blz. I-3573, punt 20), en 7 december 2000, De Andrade (C-213/99, Jurispr. blz. I-11083, punt 20).
7 – Zie met name arresten van 16 december 1992, Commissie/Griekenland (C-210/91, Jurispr. blz. I-6735, punt 19), alsook arresten Siesse (punt 21) en De Andrade (punt 20), aangehaald in voetnoot 6.
8 – Artikel 202, lid 1.
9 – Artikel 203, lid 1.
10 – Artikel 204, lid 1, sub a.
11 – Artikel 204, lid 1, sub b.
12 – Artikel 205, lid 1.
13 – Zie haar schriftelijke opmerkingen (punt 11).
14 – Verordening houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB L 253, blz. 1).
15 – Arresten Siesse (punten 22 tot en met 24) en De Andrade (punten 21 tot en met 24), aangehaald in voetnoot 6.
16 – Zie haar schriftelijke opmerkingen (punten 9 tot en met 13).
17 – Ibidem (punten 21 en 22).
18 – Zie, mutatis mutandis, arresten Siesse (punt 22) en De Andrade (punt 22), aangehaald in voetnoot 6.
19 – Zie arresten Siesse (punt 24) en De Andrade (punt 24), aangehaald in voetnoot 6.
20 – Aangehaald in voetnoot 6 (punt 24).
21 – Aangehaald in voetnoot 6 (punt 24).
Full & Egal Universal Law Academy