CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
S. ALBER
van 6 maart 2003 (1)
Zaak C-92/02
Nina Kristiansen
tegen
Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening
[verzoek van de Arbeidsrechtbank te Tongeren (België) om een prejudiciële beslissing]
„Sociale zekerheid – Nationale regeling inzake werkloosheidsuitkeringen volgens welke deze niet kunnen worden gecumuleerd met bepaalde inkomsten – Werkloosheidsuitkering van voormalige tijdelijk functionarissen van Europese Gemeenschappen – Vrij verkeer van werknemers – Nationale regeling inzake werkloosheidsverzekering – Kwalificatie van postdoctorale activiteit – Activiteit van stagiair-beursstudent – Verschillende kwalificatie in vergelijking met andere lidstaten van EER – Discriminatie”
I ─ Inleiding
1. Deze door de Arbeidsrechtbank te Tongeren (België) aanhangig gemaakte prejudiciële zaak betreft de verhouding tussen de bepalingen van de Belgische werkloosheidsverzekering en de regeling inzake de werkloosheidsuitkering van personeelsleden van de instellingen van de Europese Gemeenschappen. De verwijzende rechter wenst te vernemen of in het kader van de nationale anticumulatiebepalingen rekening kan worden gehouden met eventuele door de instellingen te betalen werkloosheidsuitkeringen. De verwijzende rechter wenst bovendien te vernemen hoe het sociaal statuut van een postdoc (gepromoveerde) in dit systeem dient te worden ondergebracht.
II ─ Toepasselijke bepalingen
A ─ De communautaire regeling
2. Artikel 39, leden 1 en 2, van het Verdrag bepaalt:
1. Het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap is vrij.
2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.
3. Artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (2) bepaalt:
1. Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat mag op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.
2. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.[...]
4. Bepalingen van collectieve of individuele arbeidsovereenkomsten of van enige andere collectieve regeling inzake het aanvaarden van arbeid, de tewerkstelling, de beloning, de overige arbeidsvoorwaarden en de voorwaarden voor ontslag zijn van rechtswege nietig, voorzover daarin discriminerende voorwaarden worden vastgesteld of toegestaan ten opzichte van werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten.
4. Artikel 28 bis, leden 1 en 2, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (3) bepaalt:
1. De gewezen tijdelijke functionaris die na beëindiging van zijn dienst bij een instelling van de Europese Gemeenschappen werkloos is en:[...]
─ ten minste zes maanden in dienst is geweest,
─ en woonachtig is in een lidstaat van de Gemeenschappen,
ontvangt op de onderstaande voorwaarden een maandelijkse werkloosheidsuitkering.Indien hij krachtens een nationale verzekering aanspraak heeft op een werkloosheidsuitkering, is hij gehouden hiervan opgave te doen bij de instelling waar hij werkzaam was, die de Commissie daarvan onverwijld in kennis stelt. In dat geval wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op de krachtens lid 3 verleende uitkering.
2. Om voor de werkloosheidsuitkering in aanmerking te komen, dient de gewezen tijdelijke functionaris:
a) op eigen verzoek als werkzoekende te worden ingeschreven bij de bureaus voor arbeidsbemiddeling in de lidstaat waar hij zich vestigt;
b) te voldoen aan de verplichtingen die door de wetgeving van die lidstaat zijn voorgeschreven voor personen die op grond van deze wetgeving werkloosheidsuitkering genieten;
c) maandelijks een verklaring van de bevoegde nationale dienst toe te zenden aan de instelling waar hij werkzaam was, die haar onverwijld aan de Commissie doet toekomen, waarin wordt aangegeven of hij al dan niet aan de sub a en b vastgestelde verplichtingen heeft voldaan [...]
5. Artikel 67 van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (4) , luidt als volgt:
1. Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt, voorzover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere lidstaat als werknemer vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid alsof het tijdvakken van verzekering waren welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld mits evenwel de tijdvakken van arbeid als tijdvakken van verzekering zouden zijn beschouwd indien zij krachtens bedoelde wettelijke regeling waren vervuld.
2. Het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van arbeid, houdt, voorzover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere lidstaat als werknemer vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid alsof het tijdvakken van arbeid waren welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld.
3. Met uitzondering van de in artikel 71, lid 1, sub a, ii, en sub b, ii, bedoelde gevallen, wordt toepassing van de leden 1 en 2 afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene laatstelijk:
─ in het geval van lid 1, tijdvakken van verzekering;
─ in het geval van lid 2, tijdvakken van arbeid,
heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd.
4. Wanneer de duur waarover uitkeringen worden verleend afhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering of van arbeid, is lid 1 respectievelijk lid 2, van toepassing.
B ─ De nationale regeling
6. Artikel 30 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 (5) bepaalt: Om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen moet de voltijdse werknemer een wachttijd doorlopen hebben die het hierna vermelde aantal arbeidsdagen omvat:[...]
2° 468 in de loop van de 27 maanden vóór die aanvraag, indien hij van 36 tot minder dan 50 jaar is.De in het eerste lid bedoelde referteperiode wordt verlengd met het aantal dagen dat begrepen is in de periode van:[...]
3° de uitoefening gedurende een periode van ten minste zes maanden van een beroep waardoor de werknemer niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, valt; die verlenging mag niet meer dan negen jaar bedragen.
Artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit bepaalt: Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden in aanmerking genomen de arbeidsprestaties verricht in een onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, vallend beroep of onderneming waarvoor gelijktijdig:
1° een loon werd betaald dat ten minste gelijk is aan het minimumloon[...]
2° op het uitbetaalde loon de voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid, werden verricht.
Artikel 46 bepaalt: Wordt voor de toepassing van artikel 44 inzonderheid als loon beschouwd:[...]
5° de vergoeding waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade en de vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering;[...]Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, wordt beschouwd als een vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering, de vergoeding of het gedeelte van de vergoeding, toegekend ingevolge de uitdiensttreding van een onvrijwillig werkloze, indien de navermelde voorwaarden vervuld zijn:[...]
─ de vergoeding of het gedeelte van de vergoeding kan niet in de plaats treden van de voordelen toegekend in het kader van een normale ontslagregeling, aangezien deze laatste voordelen daadwerkelijk werden toegekend.
Artikel 14 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 (6) bepaalt:Komen niet in aanmerking voor de berekening van het vereiste aantal arbeidsdagen, de arbeidsprestaties verricht in een niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, vallend beroep of onderneming, zelfs als de inhoudingen werden verricht.
III ─ Feiten en procesverloop
7. Verzoekster in het hoofdgeding (hierna: verzoekster) heeft de Noorse nationaliteit. Zij werd geboren in 1961, beëindigde haar studies in 1988 en oefende van 1 juli 1988 tot 31 oktober 1994 in Noorwegen een aan de sociale zekerheid onderworpen beroepsactiviteit uit.
8. Van 1 november 1994 tot 31 oktober 1996 werkte zij bij het Instituut voor referentiematerialen en -metingen (hierna: IRMM) te Geel (België) op basis van een met de Europese Commissie gesloten Individual Fellowship Contract. Deze studiebeurs voor gepromoveerden was niet aan de sociale zekerheid onderworpen. Volgens het contract diende verzoekster deel te nemen aan een research training project, waarvan de beschrijving als bijlage bij het contract was opgenomen. Volgens die bijlage heeft een dergelijk contract vooral tot doel, de beroepskwalificatie van de jonge werknemer te vervolmaken door hem een grondigere kennis en een grotere bekwaamheid op zijn wetenschappelijk vakgebied te laten verwerven, en tegelijk het wetenschappelijk potentieel van de Gemeenschap te vergroten.
9. Het contract voorzag in een maandelijkse vergoeding van 3 500 ECU. Overeenkomstig de voor dergelijke studiebeurscontracten geldende algemene voorwaarden beoogt de vergoeding de kosten van levensonderhoud van de beursstudent te dekken, zijn reiskosten, de publicatie van zijn studies en de deelname aan conferenties. Met dit bedrag dient de beursstudent zelf de socialezekerheidsbijdragen en belastingen te betalen.
10. Na de beëindiging van het tweejarige contract heeft verzoekster gedurende één maand geen beroepsactiviteit uitgeoefend.
11. Van 1 december 1996 tot 30 november 1999 heeft zij voor de Europese Commissie gewerkt als tijdelijk functionaris. In die hoedanigheid viel zij onder de socialezekerheidsregeling van de Gemeenschap. Na de beëindiging van het tijdelijke contract met de Commissie heeft zij in België, bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), werkloosheidsuitkeringen aangevraagd. De aanvraag werd afgewezen op grond dat verzoekster niet voldeed aan de door de Belgische regeling gestelde voorwaarden om een werkloosheidsuitkering te krijgen, te weten in haar geval in de 27 maanden vóór haar aanvraag 468 arbeidsdagen te hebben vervuld.
12. Volgens artikel 30, derde alinea, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 kan de referteperiode worden verlengd. De RVA heeft de bij de Commissie als tijdelijk functionaris uitgeoefende beroepsactiviteit als ter verlenging van de referteperiode in aanmerking komend tijdvak erkend. De door de beursstudent bij het IRMM doorgebrachte periode nam hij echter niet in aanmerking. Volgens de RVA was dat een opleidingsperiode. Daardoor kon niet in de tijd worden aangeknoopt bij de periode van de aan de Noorse sociale zekerheid onderworpen beroepsactiviteit.
13. Verzoekster stelde tegen deze beslissing beroep in en verzocht de Commissie om bijstand in de zin van artikel 24 van het Ambtenarenstatuut. Deze werd haar toegekend voor de procedure voor de verwijzende rechter.
14. De verwijzende rechter is van oordeel dat het antwoord op twee vragen relevant is voor de beslechting van het geschil:
1) Beletten de bepalingen van verordening (EEG) nr. 1408/71 voor tijdelijke functionarissen van de Europese Gemeenschap die, na het einde van hun diensten bij de EG in België wonen, voor wie geen bijdragen voor de sociale zekerheid werden afgehouden, die recht hebben op een door de EG betaalde werkloosheidsuitkering, dat de nationale wetgeving op hen volledig wordt toegepast, met inachtneming van de nationale anticumulregel waarin is gesteld dat volgens de voorwaarden voor de toekenning van de werkloosheidsuitkering de werknemer zonder werk en zonder loon moet zijn, waarbij inzonderheid als loon wordt aangemerkt: opzeggingsvergoeding of schadevergoeding wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst, waarop de werknemer eventueel recht heeft, met uitzondering van die welke de morele schade dekt?
2) Is het in strijd met de verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 (artikel 7, lid 4) waarin is gesteld dat eenvormigheid op het vlak van de sociale zekerheid dient te worden nagestreefd en er geen discriminatie wordt gewenst, dat (volgens eiseres) er ongelijkheid is in het sociaal statuut van een postdoc binnen de EER; dat in verschillende lidstaten van de EER een postdoc als een beroepsactiviteit wordt beschouwd, al dan niet onderworpen aan de sociale zekerheid, en in België een postdoc (volgens eiseres, ten onrechte) wordt beschouwd als een stagiair-beursstudent en een postdoc fellow zichzelf moet verzekeren in het Belgisch nationaal systeem, terwijl dit op vrijwillige basis (alleszins voor de sector werkloosheidsverzekering) niet mogelijk is?
15. Alleen de Commissie heeft aan de procedure voor het Hof deelgenomen.
IV ─ Argumenten van partijen
16. De door partijen in het hoofdgeding aangevoerde argumenten kunnen slechts uit de prejudiciële verwijzing worden afgeleid. De stelling van verzoekster wordt daarin als volgt samengevat. De specifieke positie van een postdoc bij de EU moet worden gezien als een niet aan de sociale zekerheid onderworpen beroepsactiviteit die onder artikel 30, derde alinea, sub 3°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 valt. Het sociaal statuut van een postdoc verschilt binnen de lidstaten van de EER. In een aantal lidstaten van de EER wordt een postdoc-functie als een al dan niet aan de sociale zekerheid onderworpen beroepsactiviteit beschouwd. In België wordt een postdoc volgens verzoekster ten onrechte als een stagiair-beursstudent beschouwd. Een postdoc fellow moet zichzelf verzekeren in het Belgische nationale systeem, terwijl dit op vrijwillige basis niet mogelijk is. Dit is in strijd met verordening nr. 1612/68, in het bijzonder artikel 7, lid 4, daarvan, volgens hetwelk eenvormigheid op het vlak van de sociale zekerheid dient te worden nagestreefd en discriminatie ongewenst is.
17. Volgens de Commissie kan verzoekster zich op grond van de bepalingen van de EER-Overeenkomst in België beroepen op de gemeenschapsregeling inzake het vrije verkeer van werknemers. Met betrekking tot de concrete vragen van de verwijzende rechter is de Commissie van oordeel dat de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, die voor de door de Gemeenschap aangestelde werknemers geldt, niet onder de begrippen wetgeving of wettelijke regeling in de zin van artikel 1, sub j, van verordening nr. 1408/71 valt, zodat deze verordening niet op het onderhavige geval van toepassing is.
18. Voor het beantwoorden van de eerste prejudiciële vraag vindt de Commissie het evenwel van wezenlijk belang, nadere toelichting te geven. De Regeling andere personeelsleden is vastgesteld bij een verordening van de Raad, die ingevolge artikel 249, tweede alinea, EG, verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in de lidstaten. Daaruit volgt dat de Regeling andere personeelsleden, naast de werking die zij binnen de communautaire administratie heeft, tevens de lidstaten verbindt in al die opzichten waarin hun medewerking noodzakelijk is voor de toepassing ervan. (7)
19. Uit artikel 28 bis, lid 1, tweede alinea, van de Regeling andere personeelsleden volgt dat de communautaire werkloosheidsregeling een aanvullend karakter heeft. De lidstaten mogen er geen afbreuk aan doen. (8) De aard van de communautaire werkloosheidsregeling verplicht ook verzoekster, in België werkloosheidsuitkeringen aan te vragen.
20. Voor het beantwoorden van de tweede vraag wijst de Commissie er allereerst op dat de verwijzende rechter er ten onrechte vanuit gaat dat artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1612/68 eenvormigheid op het vlak van de sociale zekerheid nastreeft. Zij is het evenwel niet eens met de RVA dat verzoekster als stagiair-beursstudent dient te worden beschouwd en bijgevolg niet als werknemer kan worden aangemerkt. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof stelt de Commissie dat verzoekster als werknemer in de zin van verordening nr. 1612/68 kan worden beschouwd. Deze opvatting impliceert echter niet dat zij volgens de Belgische regeling recht heeft op werkloosheidsuitkeringen. Ten slotte wijst de Commissie erop dat de lidstaten de voorwaarden voor aansluiting bij een socialezekerheidsregeling kunnen vaststellen en dat de Belgische regeling verzoekster niet discrimineert.
V ─ Beoordeling
A ─ De eerste vraag
21. Ofschoon de verwijzende rechter dit niet uitdrukkelijk heeft verklaard, lijkt de eerste vraag erop gericht, te vernemen in hoeverre in het kader van de nationale anticumulatiebepalingen rekening kan worden gehouden met werkloosheidsuitkeringen uit het socialezekerheidsstelsel van de Gemeenschap. Dit is een vraag naar de toepasselijke rechtsregels en hun onderlinge verhouding.
22. Allereerst zij erop gewezen dat de gemeenschapsrechtelijke bepalingen via de EER-Overeenkomst op een Noorse onderdaan van toepassing zijn. (9)
23. Zoals de eerste prejudiciële vraag is geformuleerd, kan het antwoord daarop volgens de verwijzende rechter worden afgeleid uit verordening nr. 1408/71. In hoofdstuk 6, Werkloosheid, van deze verordening wordt bepaald welk orgaan de uitkering verschuldigd is wanneer de werknemer onder de wettelijke regeling van meer dan één lidstaat tijdvakken van verzekering of van arbeid heeft vervuld. De verordening bepaalt ook hoe het bevoegde orgaan rekening moet houden met onder de wettelijke regeling van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van arbeid respectievelijk van verzekering.
24. In het normale geval, te weten de situatie waarin de werknemer woont in de lidstaat waar hij zijn beroepswerkzaamheid uitoefent (10) , is volgens artikel 67, lid 2, van verordening nr. 1408/71 bevoegd het orgaan van de lidstaat krachtens de wettelijke regeling waarvan laatstelijk tijdvakken van verzekering of van arbeid werden vervuld.
25. Over de bevoegdheid van het Belgische orgaan lijkt in het onderhavige geval geen twijfel te bestaan, zodat verordening nr. 1408/71 inzoverre niet diende te worden ingeroepen. Er bestaat evenwel onduidelijkheid over de verhouding tussen de eventuele Belgische uitkeringen en die welke door de Gemeenschap worden betaald. Aangezien verzoekster voor het laatst tijdvakken van arbeid en verzekering heeft vervuld bij de instellingen van de Europese Gemeenschappen, zou volgens artikel 67, lid 3, van verordening nr. 1408/71 het gemeenschapsstelsel primeren. Volgt men dit uitgangspunt verder, dan zou dit in het omgekeerde geval, waarin laatstelijk krachtens de Belgische regeling tijdvakken van arbeid of van verzekering werden vervuld, ook kunnen betekenen dat bij het vaststellen van de uitkeringen met krachtens het gemeenschapsstelsel vervulde tijdvakken rekening moet worden gehouden in de zin van artikel 67, leden 1 en 2.
26. Deze overwegingen zijn echter slechts relevant wanneer verordening nr. 1408/71 op het onderhavige geval van toepassing is. De Commissie heeft zonder meer gesteld dat dit niet het geval is. Zo absoluut kan dit mijns inziens niet worden gesteld. Sinds de vaststelling van verordening (EG) nr. 1606/98 tot wijziging van verordening nr. 1408/71 met het oog op de uitbreiding ervan tot bijzondere stelsels voor ambtenaren en met hen gelijkgestelden, (11) acht ik de uitbreiding van de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 tot de personeelsleden van de EG in elk geval principieel niet uitgesloten.
27. Het begrip bijzonder stelsel voor ambtenaren wordt in artikel 1, sub j bis, gedefinieerd als:elk stelsel van sociale zekerheid dat verschilt van het algemeen stelsel van sociale zekerheid dat van toepassing is op werknemers in de betreffende lidstaten en waaraan alle, of bepaalde categorieën van, ambtenaren of met hen gelijkgestelden rechtstreeks onderworpen zijn.
28. Zuiver begripsmatig gaat het bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen zonder twijfel om een bijzonder stelsel voor ambtenaren. Met deze categorie van ambtenaren worden in de Regeling andere personeelsleden enkele categorieën van personen gelijkgesteld.
29. Met betrekking tot de werkingssfeer van hoofdstuk 6 Werkloosheid, van verordening nr. 1408/71 bepaalt het bij de wijzigingsverordening nr. 1606/98 ingevoerde artikel 71 bis, lid 1, uitdrukkelijk:1. De afdelingen 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op personen die onder een bijzonder werkloosheidsstelsel voor ambtenaren vallen.
30. Aan de concrete toepassing ervan op het onderhavige geval kan echter in de weg staan dat in artikel 67 uitdrukkelijk sprake is van de wetgeving of wettelijke regeling van een lidstaat en de begrippen wetgeving of wettelijke regeling in artikel 1, sub j, van verordening nr. 1408/71 worden gedefinieerd als: ten aanzien van elke lidstaat [...] de bestaande of toekomstige wetten, regelingen, statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsmaatregelen, welke betrekking hebben op de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid, of de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis.
31. Enerzijds gaat het zowel bij het Ambtenarenstatuut als bij de Regeling andere personeelsleden niet om wetgeving of om een wettelijke regeling van een lidstaat. Anderzijds moeten de als verordening vastgestelde regelingen als ten aanzien van elke lidstaat bestaande regelingen worden beschouwd.
32. Het Hof heeft zich, voorzover kan worden nagegaan, nog niet uitgesproken over de verhouding tussen de Regeling andere personeelsleden en verordening nr. 1408/71, in het bijzonder na de wijziging van deze laatste bij verordening nr. 1606/98. Gelet op het feit dat de eerste vraag van de verwijzende rechter, betreffende de verhouding van de uitkeringen die op grond van beide socialezekerheidsstelsels (het nationale en het communautaire) zouden worden toegekend, kan worden beantwoord zonder dat definitief uitspraak moet worden gedaan over de toepasselijkheid van verordening nr. 1408/71, mag dit punt in het midden worden gelaten.
33. In beginsel staat het aan de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels in te richten en de voorwaarden waaronder recht op uitkeringen bestaat, vast te stellen. (12) Bij de toepassing van nationaal recht op een gemeenschapsrechtelijke situatie behoren de lidstaten niettemin het gemeenschapsrecht te eerbiedigen. (13)
34. Zoals hierboven reeds is vermeld, werd de Regeling andere personeelsleden vastgesteld bij verordening. Ingevolge artikel 249, tweede alinea, EG hebben verordeningen algemene strekking. Zij zijn verbindend in al hun onderdelen en zijn rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. De Commissie heeft er terecht op gewezen dat het Hof reeds in zijn arrest van 5 juli 1987 in zaak 186/85 het verbindend karakter van het Ambtenarenstatuut en de Regeling andere personeelsleden heeft erkend. (14) In artikel 28 bis, lid 2, van de Regeling andere personeelsleden wordt duidelijk bepaald dat de gewezen tijdelijk functionaris verplicht is zich als werkzoekende te laten inschrijven bij de bureaus voor arbeidsbemiddeling in de lidstaat waar hij zich vestigt. Uit lid 1 van de bepaling kan worden afgeleid dat de communautaire werkloosheidsuitkeringen slechts subsidiair worden toegekend. Van de aanspraak op een werkloosheidsuitkering krachtens een nationale verzekering, moet opgave worden gedaan bij de instelling, die de Commissie daarvan in kennis stelt. Verder wordt bepaald: In dat geval wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op de krachtens lid 3 verleende uitkering.
35. Artikel 28 bis van de Regeling andere personeelsleden bevat een bijzondere anticumulatiebepaling voor het geval van samenloop van nationale en communautaire werkloosheidsuitkeringen. De nationale regelingen moeten het subsidiaire karakter van de communautaire werkloosheidsuitkeringen eerbiedigen. Het is niet mogelijk nationale anticumulatiebepalingen toe te passen met betrekking tot de eventuele betaling van een werkloosheidsuitkering overeenkomstig artikel 28 bis, lid 3, van de Regeling andere personeelsleden. Pas wanneer duidelijk is dat er krachtens de nationale regeling geen aanspraak op werkloosheidsuitkering bestaat, wordt de werkloosheidsuitkering krachtens artikel 28 bis, lid 3, van de Regeling andere personeelsleden volledig toegekend.
36. Het Hof heeft in zijn arrest in de zaak 186/85 (15) een vergelijkbaar mechanisme op het vlak van gezinsbijslag als correcte handelwijze beschouwd.
37. Mitsdien moet op de eerste vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord:Op een tijdelijk functionaris van de EG die na het einde van haar dienst bij de EG in België woont, is het nationale recht van toepassing met dien verstande dat bij de toepassing van de anticumulatiebepalingen niet uit het oog mag worden verloren dat artikel 28 bis, lid 1, van de Regeling andere personeelsleden een bijzondere anticumulatiebepaling bevat, die de communautaire werkloosheidsuitkering achterstelt bij die van een lidstaat.
B ─ De tweede vraag
38. Ter beantwoording van de tweede prejudiciële vraag dient er vooraf op te worden gewezen dat zij in ieder geval ten dele van een onjuiste premisse uitgaat. Het uitgangspunt van de verwijzende rechter, dat ingevolge artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1612/68 eenvormigheid op het vlak van de sociale zekerheid dient te worden nagestreefd, is als zodanig niet juist. Volgens vaste rechtspraak van het Hof staat het aan de lidstaten te bepalen hoe zij hun socialezekerheidsstelsels inrichten (16) en de voorwaarden vast te stellen waaronder men zich bij het betrokken stelsel kan aansluiten en waaronder recht op verstrekkingen en uitkeringen bestaat. (17) Bij de uitoefening van deze bevoegdheid behoren de lidstaten evenwel het gemeenschapsrecht te eerbiedigen. (18) In dit verband moet bijvoorbeeld ook het in de tweede prejudiciële vraag aangehaalde beginsel van gelijke behandeling worden nageleefd. Dit fundamentele beginsel van gemeenschapsrecht is met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers geformuleerd in artikel 39 EG en komt tot uiting in artikel 7 van verordening nr. 1612/68. In zijn oorspronkelijke vorm gebiedt het de gelijke behandeling van onderdanen van andere lidstaten en eigen onderdanen. Ook artikel 7 van verordening nr. 1612/68 moeten tegen deze achtergrond worden gelezen.
39. Naar mijn oordeel kan daaruit niet worden afgeleid dat een postdoc, wat zijn sociaal statuut betreft, overal in de EER op dezelfde wijze moet worden behandeld. Daarvoor is een harmonisatiemaatregel vereist. De poging om een dergelijke maatregel vast te stellen is mislukt, zoals verzoekster tijdens de procedure voor de verwijzende rechter heeft verklaard.
40. Interessant is evenwel de door de Commissie opgeworpen vraag of een postdoc de hoedanigheid van werknemer in de zin van het gemeenschapsrecht bezit. Deze onder meer voor artikel 39 EG en 42 EG en voor verordening nr. 1612/68 beslissende hoedanigheid, is het uitgangspunt voor het in artikel 39 EG verankerde vrije verkeer en de daarmee verbonden rechten. Het Hof heeft dit begrip vrij ruim opgevat en ik twijfel er niet aan dat een postdoc met een betrekking als die welke verzoekster op basis van haar fellowship contract met de Commissie bekleedde, als een werknemer in de zin van artikel 39 EG moet worden aangemerkt. Het Hof heeft bijvoorbeeld in de arresten Lawrie-Blum (19) , Lair (20) , Brown (21) en Le Manoir (22) de hoedanigheid van werknemer erkend met betrekking tot de uitoefening van een beroepsactiviteit die op één of andere manier te maken had met opleiding.
41. De vaststelling dat verzoekster tijdens haar stage als beursstudent als werknemer moest worden beschouwd, heeft echter nog geen rechtstreekse gevolgen voor haar recht op socialezekerheidsuitkeringen. Allereerst kunnen eventuele aanspraken enkel voortvloeien uit het discriminatieverbod van artikel 39, lid 2, EG en de uitdrukking ervan in artikel 7 van verordening nr. 1612/68. Voor het overige berust verordening nr. 1408/71 op een ander werknemerbegrip, dat volgens artikel 1, sub a, van deze verordening hoofdzakelijk wordt gedefinieerd in termen van aansluiting bij een socialezekerheidsstelsel.
42. Uit de prejudiciële verwijzing in samenhang met het standpunt van de Commissie meen ik te kunnen afleiden dat het Belgische orgaan juist niet discrimineert door verzoekster in haar hoedanigheid van postdoc als stagiair-beursstudent aan te merken. Belgische onderdanen worden in dezelfde situatie eveneens als stagiairs-beursstudenten beschouwd. Uiteindelijk staat het echter aan de verwijzende rechter, dit te beoordelen. Die rechter moet nagaan of er eventueel sprake is van een met het gemeenschapsrecht strijdige ongelijke behandeling ten opzichte van de eigen onderdanen.
43. Anderzijds werd het statuut van een postdoc met een fellowship contract bij de Commissie juist gekenmerkt door het feit dat de betrokkene niet onderworpen was aan een socialezekerheidsstelsel, en dus ook niet aan dat van de Gemeenschap.
44. Ook al was vrijwillige aansluiting bij het Belgische stelsel in de gegeven omstandigheden niet mogelijk, dit behoort tot de vaststelling van de voorwaarden (23) inzake toegang tot het socialezekerheidsstelsel, een materie waarvoor, zoals gezegd, de lidstaten bevoegd zijn.
45. Mitsdien moet op de tweede vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord:De lidstaten zijn bevoegd voor het vaststellen van de voorwaarden inzake toegang tot de nationale socialezekerheidsstelsels. Daarbij dient evenwel het gemeenschapsrecht en in het bijzonder het discriminatieverbod in acht te worden genomen. Als aan een eigen onderdaan met het statuut van een postdoc toegang tot de werkloosheidsverzekering wordt verleend, dan moet dit ook gelden voor een onderdaan van een andere lidstaat van de EER.
VI ─ Conclusie
46. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
1) Op een tijdelijk functionaris van de EG die na het einde van haar dienst bij de EG in België woont, is het nationale recht van toepassing met dien verstande dat bij de toepassing van de anticumulatiebepalingen niet uit het oog mag worden verloren dat artikel 28 bis, lid 1, van de Regeling andere personeelsleden een bijzondere anticumulatiebepaling bevat, die de communautaire werkloosheidsuitkering achterstelt bij die van een lidstaat.
2) De lidstaten zijn bevoegd voor het vaststellen van de voorwaarden inzake toegang tot de nationale socialezekerheidsstelsels. Daarbij dient evenwel het gemeenschapsrecht en in het bijzonder het discriminatieverbod in acht te worden genomen. Als aan een eigen onderdaan met het statuut van een postdoc toegang tot de werkloosheidsverzekering wordt verleend, dan moet dit ook gelden voor een onderdaan van een andere lidstaat van de EER.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Verordening van de Raad van 15 oktober 1968 (PB L 257, blz. 2).
3 – Zie verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2799/85 van 27 september 1985 (PB L 265, blz. 1); hierna: Regeling andere personeelsleden.
4 – Zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1).
5 – . Belgisch Staatsblad van 31 december 1991.
6 – . Belgisch Staatsblad van 25 januari 1992.
7 – Zie arrest van 7 mei 1987, Commissie/België (186/85, Jurispr. blz. 2029, punt 21).
8 – Zie arrest Commissie/België, aangehaald in voetnoot 7, punt 23.
9 – Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (PB 1994, L 1, blz. 3 e.v.).
10 – Voor de gevallen waarin de staat van de woonplaats niet samenvalt met die van de arbeid, zie artikel 71 van verordening nr. 1408/71.
11 – Verordening van de Raad van 29 juni 1998 tot wijziging van verordening nr. 1408/71 en verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 met het oog op de uitbreiding ervan tot bijzondere stelsels voor ambtenaren en met hen gelijkgestelden (PB L 209, blz. 1).
12 – Zie arresten van 7 februari 1984, Duphar e.a. (238/82, Jurispr. blz. 523, punt 16); 17 juni 1997, Sodemare e.a. (C-70/95, Jurispr. blz. I-3395, punt 27); 28 april 1998, Kohll (C-158/96, Jurispr. blz. I-1931, punt 17), en 12 juli 2001, Smits en Peerbooms (C-157/99, Jurispr. blz. I-5473, punt 44).
13 – Arrest Kohll (aangehaald in voetnoot 12, punt 9) en Smits en Peerbooms (aangehaald in voetnoot 12, punt 46).
14 – Zie punt 23 van het arrest (aangehaald in voetnoot 7).
15 – Aangehaald in voetnoot 7.
16 – Zie arresten Duphar e.a. (aangehaald in voetnoot 12, punt 16); Sodemare e.a. (aangehaald in voetnoot 12, punt 27); Kohll (aangehaald in voetnoot 12, punt 17), en Smits en Peerbooms (aangehaald in voetnoot 12, punt 44).
17 – Zie arresten Kohll (aangehaald in voetnoot 12, punt 18) en Smits en Peerbooms (aangehaald in voetnoot 12, punt 45).
18 – Zie arresten Kohll (aangehaald in voetnoot 12, punt 19) en Smits en Peerbooms (aangehaald in voetnoot 12, punt 46).
19 – Arrest van 3 juli 1986 (66/85, Jurispr. blz. 2121).
20 – Arrest van 21 juni 1988 (39/86, Jurispr. blz. 3161).
21 – Arrest van 21 juni 1988 (197/86 en 215/86, Jurispr. blz. 3205).
22 – Arrest van 21 november 1991 (C-27/91, Jurispr. blz. I-5531).
23 – Zie arresten Kohll (aangehaald in voetnoot 12, punten 17 e.v.) en Smits en Peerbooms (aangehaald in voetnoot 12, punten 17 e.v.).
Full & Egal Universal Law Academy