CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. POIARES MADURO
van 29 april 2004(1)
Zaak C-103/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Italiaanse Republiek
Beroep wegens niet-nakoming
„“Milieu – Richtlijnen 75/442 en 91/689 – Gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen – Handelingen gericht op verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen – Vrijstelling van vergunning – Begrip ‘hoeveelheid’”
1. In het onderhavige beroep verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek met de vaststelling van het besluit van 5 februari 1998 betreffende de identificatie van niet-gevaarlijke afvalstoffen waarvoor vereenvoudigde procedures voor nuttige toepassing in de zin van de artikelen 31 en 33 van wetsbesluit nr. 22 van 5 februari 1997 gelden (2) , de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 1, 9, 10, 11 van richtlijn 75/442/EEG (3) , zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG (4) en bij artikel 3 van richtlijn 91/689/EEG. (5)
I – Toepasselijke bepalingen
2. Richtlijn 75/442 heeft tot doel maatregelen ter beperking van de productie van afvalstoffen aan te moedigen, de nuttige toepassing van afvalstoffen te bevorderen, en wanneer dit laatste niet mogelijk is, de verwijdering ervan te regelen. (6) Deze richtlijn bepaalt in het bijzonder dat elke inrichting of onderneming die handelingen voor nuttige toepassing wil verrichten, van de bevoegde overheid, vooraf een vergunning moet verkrijgen. (7) Vrijstelling van de vergunning kan worden verleend als aan de voorwaarden van artikel 11 van de richtlijn is voldaan.
3. Richtlijn 91/689 heeft tot doel de wetgevingen van de lidstaten inzake het gecontroleerde beheer van gevaarlijke afvalstoffen onderling aan te passen. (8) Zowel met betrekking tot de nuttige toepassing als de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen gelden strengere voorschriften dan voor niet-gevaarlijke afvalstoffen. (9) Het is dus belangrijk een duidelijk onderscheid te maken tussen gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen. Artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689 omschrijft gevaarlijke afvalstoffen als afvalstoffen „die voorkomen op een lijst” die meer bepaald onder verwijzing naar de bijlagen I tot en met III bij de richtlijn wordt opgesteld. Deze lijst is bij beschikking 94/904/EG (10) vastgesteld.
4. De begrippen verwijdering en nuttige toepassing van afvalstoffen zijn in artikel 1, sub e en f, van richtlijn 75/442 omschreven onder verwijzing naar de bijlagen II A en II B, in de versie van beschikking 96/350/EG. (11)
5. Het litigieuze besluit zet de richtlijnen 75/442 en 91/689 om in de nationale rechtsorde.
II – De feiten en de precontentieuze procedure
6. Bij aanmaningsbrief van 28 februari 2000 heeft de Commissie krachtens artikel 226 EG de Italiaanse autoriteiten meegedeeld dat de Italiaanse Republiek, met de vaststelling van het litigieuze besluit, naar haar mening de krachtens de artikelen 1, 9, 10 en 11 van de richtlijnen 75/442 en 91/689 op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen.
7. In haar brieven van 3 en 26 mei 2000 heeft de Italiaanse Republiek slechts op drie van de vier grieven van de Commissie geantwoord. Deze laatste heeft besloten de beslissing met betrekking tot de derde grief, betreffende nuttige toepassing, aan te houden, in afwachting van het onderzoek van de door de Italiaanse Republiek verstrekte inlichtingen.
8. Op 11 april 2001 heeft de Commissie de Italiaanse regering een met redenen omkleed advies gestuurd en haar verzocht binnen een termijn van twee maanden de nodige maatregelen vast te stellen om aan dit advies te voldoen. De Italiaanse autoriteiten hebben hierop geantwoord bij brief van 17 augustus 2001.
9. Aangezien de Commissie dit antwoord niet overtuigend achtte, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld, dat op drie grieven steunt. Allereerst verwijt zij de Italiaanse Republiek, dat deze inrichtingen en ondernemingen die niet-gevaarlijke afvalstoffen nuttig toepassen, de mogelijkheid biedt van de vergunningsplicht te worden vrijgesteld zonder dat daarbij aan de voorwaarden van de artikelen 4, 10 en 11, lid 1, van richtlijn 75/442 moet worden voldaan. De Commissie maakt de Italiaanse regering tevens het verwijt dat zij, in strijd met artikel 3 van richtlijn 91/689, de soorten afvalstoffen waarvoor vrijstelling van de vergunning kan worden verleend, niet nauwkeurig heeft omschreven. Ten slotte heeft de Italiaanse Republiek bepaalde handelingen die feitelijk overeenstemmen met verwijderingshandelingen, in strijd met de artikelen 9 en 11, gelezen tegen de achtergrond van artikel 1, sub e en f, van richtlijn 75/442, als handelingen „ter verbetering van het milieu” aangemerkt. Ik zal deze drie grieven achtereenvolgens bespreken, telkens met vermelding van het relevante rechtskader.
III – Beoordeling
10. Allereerst moet worden vermeld dat de Italiaanse Republiek impliciet de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep betwist voorzover dat enkel „procedures en modaliteiten” betreft die onder de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten vallen bij de omzetting van een richtlijn. Aangezien het geschil in werkelijkheid betrekking heeft op de uitlegging die aan specifieke bepalingen van richtlijn 75/442 moet worden gegeven, lijkt over de ontvankelijkheid van het beroep wegens niet-nakoming geen twijfel te bestaan.
A – Begrip hoeveelheid in de zin van artikel 11 van richtlijn 75/442
11. De relevante bepalingen met betrekking tot deze eerste grief zijn de artikelen 4 en 11 van richtlijn 75/442 alsmede artikel 7 van het litigieuze besluit.
12. Artikel 11 van richtlijn 75/442 voorziet in de mogelijkheid om ondernemingen of inrichtingen vrijstelling te verlenen van de voorafgaande vergunning voor het verrichten van handelingen voor nuttige toepassing:
– „indien de bevoegde instanties algemene voorschriften per type activiteit hebben uitgevaardigd waarin soort en hoeveelheid afvalstoffen zijn vastgesteld en is aangegeven onder welke voorwaarden de activiteit kan worden vrijgesteld van een vergunning; en
– indien de soorten of de hoeveelheden afvalstoffen en de wijzen van verwijdering of nuttige toepassing van dien aard zijn dat aan de voorwaarden van artikel 4 wordt voldaan.”
13. Artikel 4 van richtlijn 75/442 bepaalt in het algemeen dat „de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen [moet plaatsvinden] zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procédés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en met name zonder risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora; zonder geluids- of stankhinder te veroorzaken; zonder schade te berokkenen aan natuur- en landschapsschoon”.
14. Artikel 7 van het litigieuze besluit zet de voorwaarden waaronder vrijstelling kan worden verleend om in de volgende bewoordingen: „Onverminderd de bijzondere bepalingen in de bijlagen, worden de jaarlijkse maximale hoeveelheden afvalstoffen voor gebruik in het kader van op nuttige toepassing gerichte activiteiten waarop het onderhavige besluit ziet, bepaald door de jaarlijkse behandelingscapaciteit van de installatie waar de activiteit wordt verricht, na aftrek van de eventueel gebruikte grondstof en voorzover de activiteit geen gevaar voor de gezondheid van de mens en voor het milieu oplevert. […] Met betrekking tot de […] activiteiten gericht op de nuttige toepassing van energie, wordt de maximale hoeveelheid afvalstoffen bepaald op basis van de calorische waarde van de afvalstof, het nominale thermische vermogen van de installatie waar de handeling voor nuttige toepassing van energie wordt verricht en de geschatte operationele levensduur van de betrokken installatie voor nuttige toepassing. De kennisgeving van de aanvang van de activiteit moet de jaarlijkse hoeveelheden afvalstoffen bestemd voor nuttig gebruik vermelden en er moet uit blijken dat aan de in onderhavig artikel gestelde voorwaarden wordt voldaan”.
15. Het besluit voert dus een op de kenmerken van de betrokken onderneming gebaseerde berekeningswijze in en niet een in absolute cijfers uitgedrukte grens. Dat is precies waar de Commissie, die van mening is dat de grens volgens artikel 11 van richtlijn 75/442 per activiteit moet worden bepaald, kritiek op heeft.
16. De kritiek van de Commissie betreft verschillende punten van het besluit. Het besluit leidt tot een situatie waarin de gewone procedure in de praktijk niet wordt toegepast, aangezien elke onderneming, ongeacht de hoeveelheid afvalstoffen die zij nuttig toepast, van de vergunning kan worden vrijgesteld. Zo kan de naleving van de voorwaarden van artikel 4 van richtlijn 75/442 niet worden verzekerd. Indien de lidstaten al te verschillende stelsels voor het verlenen van een vrijstelling vaststellen, wordt het voor de Commissie bovendien onmogelijk te controleren of de lidstaten de richtlijn naar behoren uitvoeren.
17. Volgens de Commissie moet artikel 11 van richtlijn 75/442 aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten de mogelijkheid biedt een de minimis drempel in te voeren beneden welke installaties voor nuttige toepassing in beginsel geen schade berokkenen aan het milieu. Een dergelijke drempel wordt uitgedrukt als een maximale hoeveelheid die voor alle inrichtingen of ondernemingen van dezelfde sector geldt. De vaststelling van zulke drempel is nodig voor de naleving van artikel 4 van richtlijn 75/442. De algemene opzet van de richtlijn noopt eveneens tot de vaststelling van een grens waarboven het niet meer mogelijk is om een vrijstelling te verkrijgen, maar volgens de gewone procedure het verkrijgen van een voorafgaande vergunning vereist is. Een dergelijk systeem is vergelijkbaar met dat wat bijvoorbeeld in de boekhouding bestaat, waar voor ondernemingen, naargelang hun grootte, verschillende verplichtingen gelden. Dat ondernemingen van verschillende grootte verschillend worden behandeld, kan derhalve geen discriminatie tussen hen onderling opleveren.
18. Het verweer van de Italiaanse Republiek steunt in hoofdzaak op twee argumenten. Enerzijds is zij van mening dat zij artikel 11 van richtlijn 75/442 richtlijnconform heeft omgezet aangezien het criterium van artikel 7 van het besluit een duidelijk criterium is dat de nuttige toepassing van afvalstoffen overeenkomstig de doelstellingen van de richtlijn helpt bevorderen. Anderzijds betwist zij de uitlegging van de Commissie waar deze een de minimis drempel oplegt, aangezien de richtlijn de vaststelling van absolute maximale hoeveelheden niet uitdrukkelijk voorschrijft. Bovendien benadeelt een stelsel waarbij de vrijstelling van de voorafgaande vergunning op een grens in absolute cijfers is gebaseerd ten onrechte de grote ondernemingen, ook al worden hun activiteiten vaak beter gecontroleerd en berokkenen deze dikwijls minder schade aan het milieu dan die van kleinere ondernemingen.
19. Wat dit aangaat is artikel 11, tegen de achtergrond van de algemene opzet van richtlijn 75/442, een uitzondering op de gewone procedure voor het verkrijgen van een voorafgaande vergunning krachtens artikel 10. Artikel 11 bepaalt ondubbelzinnig dat de vrijstelling van de vergunning afhankelijk moet worden gesteld van „algemene voorschriften per type activiteit, waarin soort en hoeveelheid afvalstoffen zijn vastgesteld”. Het stelsel van het besluit voldoet evenwel kennelijk niet aan een dergelijke omschrijving, aangezien het niet per soort of hoeveelheid nuttig toegepaste afvalstoffen een grens vaststelt, doch uitgaat van een grens die is gebaseerd op de specifieke capaciteit van elke onderneming om handelingen voor nuttige toepassing te verrichten. Bovendien zijn de maximumhoeveelheden waarvan sprake in het Italiaanse besluit voor elke onderneming op een verschillend niveau vastgesteld, zodat niet echt van grenzen kan worden gesproken. De Italiaanse Republiek heeft artikel 11 van richtlijn 75/442 derhalve niet richtlijnconform omgezet.
20. De lidstaten kunnen krachtens het Verdrag verdergaande milieubeschermingsmaatregelen nemen. (12) Het door Italië ingevoerde stelsel van vrijstellingen voorziet, anders dan deze lidstaat stelt, evenwel niet noodzakelijk in een verdergaande bescherming van het milieu dan die van richtlijn 75/442, aangezien het ondernemingen feitelijk de mogelijkheid biedt potentieel vervuilende handelingen op het vlak van afvalstoffenbehandeling te verrichten zonder dat daarvoor een voorafgaande controle geldt. Dat vooraf een vergunning moet worden verkregen, laat de mogelijkheid om zich met de behandeling van afvalstoffen bezig te houden, evenwel onverlet. Voorts gaat het Italiaanse stelsel in tegen het stelsel van voorafgaande vergunningen van de richtlijn dat schade aan het milieu beoogt te voorkomen. De argumenten dat het voorschrift betreffende een voorafgaande vergunning discriminatie oplevert, moeten worden verworpen. Een onderneming die niet van de voorafgaande vergunning kan worden vrijgesteld, kan immers toch de door haar gewenste handelingen voor nuttige toepassing van afvalstoffen verrichten, mits zij aantoont dat deze niet schadelijk zijn voor het milieu.
B – De onterechte indeling van gevaarlijke afvalstoffen als niet-gevaarlijke afvalstoffen
21. De Commissie heeft kritiek op de te vage omschrijvingen van afvalstoffen in het litigieuze besluit, waardoor er geen rechtszekerheid bestaat met betrekking tot het onderscheid tussen gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen. Verder verwijt de Commissie de betrokken lidstaat dat hij de codes van de Europese afvalcatalogus (EAC) niet heeft vermeld en onjuiste of niet met de typologie van de desbetreffende afvalstoffen overeenstemmende codes heeft gebruikt.
22. De Commissie preciseert niet waarin het verweten gebrek aan nauwkeurigheid van de Italiaanse wettelijke regeling bestaat. Volgens vaste rechtspraak staat het evenwel aan de Commissie het bewijs van de door haar gestelde niet-nakomingen te leveren. (13) Anders kan de aangevoerde niet-nakoming niet worden vastgesteld.
23. De Commissie heeft overigens zelf op 13 november 2002 een beschikking (2002/909/EG) gegeven betreffende Italiaanse voorschriften tot ontheffing van de vergunningsplicht voor ondernemingen en inrichtingen die gevaarlijke afvalstoffen terugwinnen overeenkomstig artikel 3 van richtlijn 91/689/EEG (14) , waarin zij stelt dat in de Italiaanse wettelijke regeling „de typologie van de betrokken afvalstoffen […] naar behoren [wordt] geïdentificeerd aan de hand van de referentie in de Europese afvalcatalogus”.
24. Ik beperk het onderzoek van de aan de Italiaanse Republiek verweten niet-nakoming tot de drie gevallen waarin de Commissie, tot staving van het bestaan van de niet-nakoming, duidelijk naar het litigieuze besluit verwijst.
25. Punt 5.9 van bijlage 1 bij het litigieuze besluit betreft stukken beklede glasvezelkabel van het diëlektrische, semi-diëlektrische en metalen type. De Commissie benadrukt dat geen EAC-codes zijn vermeld. De Italiaanse Republiek stelt dat zij de passende identificatiecodes in bijlage C bij het besluit van 9 april 2002 (15) heeft ingevoerd. De verweten niet-nakoming lijkt evenwel te zijn bewezen, aangezien deze bepaling van nationaal recht na het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn is vastgesteld.
26. Met betrekking tot punt 7.8 van bijlage 1 bij het litigieuze besluit is de Commissie van mening dat op grond van de vermelding van afvalstoffen van vuurvaste materialen afkomstig van ovens voor processen bij hoge temperaturen, niet kan worden bepaald of afgedankt bekledingsmateriaal van processen in de aluminiummetallurgie al dan niet onder deze norm valt, waardoor verwarring kan ontstaan tussen gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen. Deze niet-nakoming is onbetwist en moet dus door het Hof worden vastgesteld.
27. Met betrekking tot punt 3.10 van bijlage 1 bij het litigieuze besluit, betreffende lege zilversuboxidecellen, stelt de Commissie dat in het besluit ten onrechte de EAC-code 160605 (overige batterijen en accu’s) is vermeld, aangezien deze cellen aldus onder de niet-gevaarlijke afvalstoffen worden ingedeeld. Gelet op het kwikgehalte van deze cellen, is 160603 (droge kwikcellen) de juiste code, zodat zij als gevaarlijke afvalstof moeten worden aangemerkt. De Italiaanse Republiek is integendeel van mening dat wanneer de betrokken afvalstof als „niet-gevaarlijk” wordt aangemerkt, zulks volledig met de in punt 3.10 vermelde chemische en fysische kenmerken in overeenstemming is: omhulsel in staal met een inhoud met een oxide- en/of zilverzoutgehalte hoger dan 1%, zink
28. Gelet op een en ander, moet worden vastgesteld dat de punten 5.9 en 7.8 van bijlage 1 bij het litigieuze besluit niet in overeenstemming zijn met artikel 11, lid 1, van richtlijn 75/442 en artikel 3 van richtlijn 91/689.
C – Onderscheid tussen handelingen gericht op nuttige toepassing en handelingen gericht op verwijdering van afvalstoffen
29. De Commissie verwijt de Italiaanse Republiek schending van de artikelen 9 en 11, gelezen tegen de achtergrond van artikel 1, sub e en f, en de bijlagen II A en II B van richtlijn 75/442, waar zij bepaalde handelingen ten onrechte als „nuttige toepassing van afvalstoffen” aanmerkt terwijl het eigenlijk om verwijdering van afvalstoffen gaat. Overeenkomstig de aangehaalde bepalingen van richtlijn 75/442 is enkel voor de handelingen gericht op verwijdering van afvalstoffen een voorafgaande vergunning nodig.
30. Artikel 1, sub e, van richtlijn 75/442 omschrijft verwijdering als „alle in bijlage II A bedoelde handelingen”. Artikel 1, sub f, bepaalt dat nuttige toepassing „alle in bijlage II B bedoelde handelingen” omvat.
31. Artikel 5, lid 1, van het litigieuze besluit bepaalt dat „de in bijlage 1 omschreven activiteiten ter verbetering van het milieu bestaan in het herstel van aangetaste gebieden voor productie- of sociale doeleinden door deze opnieuw aan te leggen”. In bijlage 1 bij het litigieuze besluit zijn de „algemene technische normen voor de nuttige toepassing van niet-gevaarlijke afvalstoffen” beschreven, omvattende de soort afvalstof met een verwijzing naar de EAC, de herkomst van de afvalstoffen, hun kenmerken en de beoogde activiteiten voor nuttige toepassing alsmede de kenmerken van de grondstoffen en de verkregen producten.
32. Italië houdt staande dat deze handelingen voor nuttige toepassing overeenstemmen met punt R 10 van bijlage II B bij richtlijn 75/442, met als opschrift „verspreiding over de grond ten behoeve van de landbouw of het milieu”. De betrokken handelingen moeten als nuttige toepassing worden aangemerkt aangezien zij mede het hergebruik van bepaalde afvalstoffen omvatten. Voorts houdt het herstel van het milieu eveneens het herstel van bepaalde gebieden in.
33. De Commissie heeft deze handelingen oorspronkelijk anders gekwalificeerd, omdat zij van mening was dat de afdekking van stortplaatsen, die soms bij de handelingen voor nuttige toepassing als bedoeld in de technische normen van bijlage 1 bij het litigieuze besluit wordt vermeld, een verwijderingshandeling vormt die onder punt D 1, van bijlage II A bij richtlijn 75/442, met als opschrift „Het op of in de bodem brengen van afval (bij voorbeeld stortplaats, enz.”, valt. In repliek heeft de Commissie evenwel, onder verwijzing naar het arrest ASA (16) , erkend dat bepaalde van de in artikel 5 van het litigieuze besluit bedoelde handelingen met betrekking tot het opnieuw aanleggen van gebieden en het afdekken van stortplaatsen, konden worden geacht handelingen voor nuttige toepassing te zijn. De Commissie heeft anderzijds haar bezwaar tegen de punten 7.14 en 7.15 van bijlage 1 bij het litigieuze besluit gehandhaafd, dat deze niet als handelingen voor nuttige toepassing kunnen worden aangemerkt aangezien zij het gebruik betreffen van afvalstoffen en boorgruis die per ton tot 50 kg koolwaterstof en 300 kg weinig toxisch aardoliedistillaat/olie mogen bevatten.
34. In dit kader is in punt 68 van het arrest ASA, reeds aangehaald, gesteld dat „noch uit artikel 3, lid 1, sub b, noch uit enige andere bepaling van richtlijn [75/442] voortvloeit, dat het feit dat de afvalstoffen al dan niet gevaarlijk zijn, als zodanig een relevant criterium is bij de beoordeling of een behandeling van afvalstoffen als ‚nuttige toepassing’ in de zin van artikel 1, sub f, van de richtlijn moet worden aangemerkt”. (17)
35. Om vast te stellen dat een handeling als een nuttige toepassing van afvalstoffen geldt, moet enkel worden bepaald of „het belangrijkste doel ervan inhoudt, dat de afvalstoffen een nuttige functie kunnen vervullen doordat zij in de plaats komen van andere materialen die [anders] voor deze functie hadden moeten worden gebruikt, waardoor de natuurlijke hulpbronnen worden beschermd”. (18)
36. Punt 7.14 van bijlage 1 bij het litigieuze besluit voorziet in het hergebruik van afvalstoffen in cementfabrieken, voor herstel van het milieu, eventueel na ontzilting, of voor de afdekking van stortplaatsen. De in punt 7.15 vermelde afvalstoffen kunnen worden hergebruikt in de baksteen- en de klei-industrie, voor de productie van kunstmatige toeslagstoffen, door cementfabrieken, voor herstel van het milieu, eventueel na droging of ontzilting, of voor de afdekking van stortplaatsen. De Commissie heeft erkend dat de afdekking van stortplaatsen als een handeling voor nuttige toepassing in de zin van de punten 4.4.3, sub g, 11.2.3, sub e; 12.1.3, sub g; 12.3.3, sub i, en 12.4.3, sub g, van bijlage 1 bij het litigieuze besluit kon worden aangemerkt. (19) De in de punten 7.14 en 7.15 van deze bijlage omschreven handelingen ter afdekking van stortplaatsen stemmen daar evenwel volledig mee overeen. Vastgesteld moet dus worden dat de Commissie niet het bewijs heeft geleverd dat de in de punten 7.14 en 7.15 van bijlage 1 bij het litigieuze besluit bedoelde handelingen gericht op terugwinning van afvalstoffen, niet als handelingen voor nuttige toepassing in de zin van richtlijn 75/442 kunnen worden aangemerkt.
IV – Conclusie
37. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door krachtens artikel 7 van het decreto 5 febbraio 1998 sull’individuazione dei rifiuti non pericolosi sottoposti alle procedure semplificate di recupero ai sensi degli articoli 31 e 33 del decreto legislative 5 febbraio 1997, n. 22, voor activiteiten gericht op verwijdering en nuttige toepassing van afvalstoffen vrijstelling van de noodzakelijke voorafgaande vergunning te verlenen zonder per type activiteit algemene voorschriften te hebben vastgesteld ter bepaling van de soorten en de hoeveelheden afvalstoffen en de voorwaarden waaronder de activiteit van de vergunning kan worden vrijgesteld, zodat de gezondheid van de mens niet in gevaar komt en geen schade aan het milieu wordt berokkend, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 4 en 11, lid 1, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991;
2) vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, aangezien niet kan worden bepaald of de in de punten 5.9 en 7.8 van bijlage 1 bij het litigieuze besluit vermelde afvalstoffen gevaarlijke dan wel niet-gevaarlijke afvalstoffen zijn, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 11, lid 1, van richtlijn 75/442, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG, en artikel 3 van richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen;
3) het beroep van de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwerpen voor het overige.
1 – Oorspronkelijke taal: Portugees.
2 – Decreto 5 febbraio 1998 sull’individuazione dei rifiuti non pericolosi sottoposti alle procedure semplificate di recupero ai sensi degli articoli 31 e 33 del decreto legislative 5 febbraio 1997, n. 22, Gazzetta ufficiale della Repubblica italiana (GURI) nr. 88 van 16 april 1998, hierna „litigieuze besluit”.
3 – Richtlijn van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, blz. 39), hierna: „richtlijn 75/442”.
4 – Richtlijn van de Raad van 18 maart 1991 tot wijziging van richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen (PB L 78, blz. 32).
5 – Richtlijn van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB L 377, blz. 20), hierna „richtlijn 91/689”.
6 – Vierde overweging van de considerans van richtlijn 75/442.
7 – Artikel 10 van richtlijn 75/442.
8 – Artikel 1 van richtlijn 91/689.
9 – Vierde overweging van de considerans van richtlijn 91/689.
10 – Beschikking van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689/EEG betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB L 356, blz.14). Deze beschikking is per 1 januari 202 afgeschaft bij beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB L 226, blz. 3).
11 – Beschikking van de Commissie van 24 mei 1996 (PB L 135, blz. 32).
12 – Artikelen 176 en 95, lid 4, EG.
13 – Zie inzonderheid arrest van 11 augustus 1995, Commissie/Duitsland (C-431/92, Jurispr. blz. I‑2189, punt 45).
14 – PB L 315, blz. 16. De Commissie verwijst in de punten 11 en 12 van haar repliek naar de procedure die tot de vaststelling van deze beschikking heeft geleid.
15 – Dit besluit hercodificeert, ter uitvoering van beschikking 2000/532/EG, reeds aangehaald, de in het ministerieel besluit van 5 februari 1998 omschreven afvalstoffen.
16 – Arrest van 27 februari 2002 ASA (C‑6/00, Jurispr., blz. I-1961). Zie ook arresten van 3 februari 2003 Commissie/Duitsland (C‑228/00, Jurispr. blz. I‑1439); 13 februari 2003, Commissie/Luxemburg (C‑458/00, Jurispr. blz. I‑1553); 3 april 2003, SITA (C‑116/01, Jurispr. blz. I‑2969); en beschikking van 27 februari 2003, Oliehandel Koeweit e.a. (C‑307/00–C‑311/00, Jurispr. blz. I-1821).
17 – Arrest ASA (reeds aangehaald, punt 68).
18 – Arrest ASA (reeds aangehaald, punt 69).
19 – Punt 24 van de repliek van de Commissie.
Full & Egal Universal Law Academy