CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 18 september 2003(1)
Zaak C-111/02 P
Europees Parlement
tegen
Patrick Reynolds
„Hogere voorziening – Detachering bij een politieke fractie – Besluit van beëindiging van detachering – Recht om naar behoren te worden gehoord“”
I – Inleiding
1. Deze zaak betreft een hogere voorziening ingesteld door het Europees Parlement; hierna „Parlement”, tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 23 januari 2002 in de zaak T‑237/00, Reynolds/Parlement (2) (hierna: „bestreden arrest”). In dit arrest vernietigde het Gerecht het besluit van de secretaris‑generaal van het Parlement van 18 juli 2000 tot beëindiging van de detachering van de heer Reynolds, ambtenaar bij het Parlement, waarmee hij in staat werd gesteld voor de periode van één jaar de functie van secretaris‑generaal van de politieke groepering Europa van Democratieën in Diversiteit; hierna „EDD” te vervullen. Tevens werd het Parlement veroordeeld tot vergoeding van de materiële schade en tot symbolische vergoeding van de immateriële schade die de heer Reynolds ten gevolge van dit besluit had geleden. Het Parlement verzoekt het Hof thans het arrest van het Gerecht te vernietigen.
2. De heer Reynolds verzoekt het Hof het arrest van het Gerecht merendeels te bevestigen. In zijn memorie van antwoord heeft hij evenwel incidentele hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht in zoverre zijn vordering tot vergoeding van door hem geleden immateriële schade niet (volledig) is toegewezen.
II – Toepasselijke communautaire bepalingen
3. Artikel 37 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Statuut”) bepaalt voorzover hier van belang:
„Detachering is de stand van de ambtenaar in vaste dienst die, bij besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag,
a) in het belang van de dienst
– is aangewezen voor het tijdelijk vervullen van een ambt buiten zijn instelling, of
– is belast met het tijdelijk bekleden van een functie bij een persoon die een mandaat vervult dat is bedoeld in de Verdragen tot oprichting van de Gemeenschappen of het Verdrag tot oprichting van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, dan wel bij een gekozen voorzitter van een instelling van een orgaan der Gemeenschappen of van een politieke fractie van het Europees Parlement,
– [...]”
4. Ingevolge artikel 38 van het Statuut is:
„[d]etachering in het belang van de dienst […] aan de volgende regels onderworpen:
a) het besluit wordt, nadat de betrokkene is gehoord, door het tot aanstelling bevoegde gezag genomen;
b) de duur wordt vastgesteld door het tot aanstelling bevoegde gezag;
c) na elk tijdvak van zes maanden kan de betrokkene verzoeken de detachering te doen eindigen;
d) indien de totale bezoldiging van het ambt dat hij tijdens de detachering vervult, lager is dan die welke hem op grond van zijn rang en salaristrap bij zijn oorspronkelijke instelling toekomt, heeft de krachtens artikel 37, sub a, eerste streepje, gedetacheerde ambtenaar recht op een aanvullend salaris ten bedrage van dit verschil; tevens heeft hij recht op vergoeding van alle extra kosten welke voor hem uit de detachering voortvloeien;
e) de krachtens artikel 37, sub a, eerste streepje, gedetacheerde ambtenaar blijft pensioenbijdragen betalen op de grondslag van het salaris in actieve dienst dat bij de oorspronkelijke instelling van de ambtenaar aan diens rang en salaristrap is verbonden;
f) de gedetacheerde ambtenaar behoudt zijn ambt en zijn rechten met betrekking tot plaatsing in een hogere salaristrap, en blijft in aanmerking komen voor bevordering;
g) na afloop van de detachering treedt de ambtenaar onmiddellijk weer in het vroeger door hem beklede ambt.”
III – Feiten en procedure in eerste aanleg
5. Op deze plaats volsta ik met een korte uiteenzetting van de belangrijkste aan het arrest van het Gerecht ten grondslag liggende feiten. Voor een uitgebreide weergave daarvan, alsook van de voor het Gerecht gevolgde procedure, verwijs ik naar de punten 3 tot en met 30 van het thans bestreden arrest.
6. Op verzoek van de EDD‑fractie heeft de secretaris-generaal van het Parlement bij besluit van 11 januari 2000 ingestemd met de detachering van de heer Reynolds, ambtenaar bij het directoraat‑generaal Voorlichting en Public Relations bij die instelling, teneinde hem in staat te stellen voor de periode van 22 november 1999 tot en met 30 november 2000 de functie van secretaris‑generaal van de EDD‑fractie te vervullen. Nadat Reynolds deze functie gedurende een half jaar had vervuld, is hem door de voorzitter van de EDD‑fractie medegedeeld, dat in een vergadering van het fractiebureau sommige subfracties hadden laten weten geen vertrouwen meer in hem te hebben. In verband daarmee was besloten zijn detachering na 30 november 2000 niet meer te verlengen. Dit besluit is op 24 mei 2000 in een tweede onderhoud tussen Reynolds en de voorzitter van de EDD‑fractie bevestigd. Reynolds heeft zich vervolgens ziek gemeld en is sindsdien niet meer op zijn werk verschenen.
7. Eind juni 2000 diende Reynolds een klacht in bij de secretaris-generaal van het Parlement, waarin hij wees op verschillende praktijken binnen de EDD‑fractie die zijn functioneren hadden bemoeilijkt en waarin hij verzocht om beëindiging van deze praktijken. Tevens verzocht hij de voorzitter van de Rekenkamer de rekeningen van de EDD‑fractie aan een onderzoek te onderwerpen. Verder heeft hij in een memorandum van 1 juli 2000 een gedetailleerde uiteenzetting gegeven van zijn ervaringen gedurende zijn detachering bij de EDD‑fractie. Hierop heeft de voorzitter van de EDD‑fractie op 4 juli 2000 de secretaris‑generaal van het Parlement verzocht de detachering van Reynolds zo snel mogelijk te beëindigen. Deze heeft in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) vervolgens bij besluit van 18 juli 2000 de detachering van Reynolds in het belang van de dienst met ingang van 14 juli beëindigd en hem herplaatst op een post als hoofdvertaler bij het Directoraat‑Generaal Voorlichting en Public Relations van het Parlement in zijn oorspronkelijke rang en salaristrap.
8. Bij verzoek van 8 september 2000 stelde de heer Reynolds bij het Gerecht van eerste aanleg beroep in tot nietigverklaring van het besluit van de secretaris‑generaal van het Parlement van 18 juli 2000. Voorts verzocht hij om vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij ten gevolge van het bestreden besluit en de praktijken van de EDD‑fractie en haar leden had geleden.
9. Het Gerecht heeft bij arrest van 23 januari 2002 het bestreden besluit van de secretaris‑generaal van het Parlement nietig verklaard en het Parlement veroordeeld tot vergoeding van de materiële schade die Reynolds als gevolg van dat besluit heeft geleden. Ook werd het Parlement veroordeeld tot betaling van het symbolische bedrag van 1 euro ter vergoeding van de immateriële schade die Reynolds wegens de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleden. Zijn vordering tot schadevergoeding voor de schade geleden ten gevolge van de gedragingen van de (leden van) de EDD‑fractie werd niet-ontvankelijk verklaard.
IV – Hogere voorziening en incidentele hogere voorziening
10. Het Parlement heeft op 25 maart 2002 hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg. De heer Reynolds heeft in zijn memorie van antwoord incidentele hogere voorziening ingesteld tegen het bestreden arrest ten aanzien van de hoogte van het bedrag dat door het Gerecht is vastgesteld ter vergoeding van de door hem geleden immateriële schade. De hogere voorziening van het Parlement wordt besproken in onderdeel V. De incidentele hogere voorziening van de heer Reynolds wordt behandeld in onderdeel VI.
11. Het Parlement verzoekt het Hof:
– het bestreden arrest, en in het bijzonder de punten 1, 2, 4 en 5 van het dictum, te vernietigen;
– de zaak af te doen door het beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit en de vordering tot schadevergoeding als ongegrond af te wijzen;
– subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg voor hernieuwde beslissing op het beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit en de vordering tot schadevergoeding van de heer Reynolds;
– de incidentele hogere voorziening van de heer Reynolds te verwerpen als kennelijk ongegrond;
– overeenkomstig het recht te beslissen over de verdeling van de kosten van de hogere voorziening;
– de heer Reynolds te veroordelen in het geheel van de kosten ten aanzien van de procedure betreffende zijn incidentele hogere voorziening;
– de documenten in de bijlagen 1 en 2 van de memorie van antwoord uit het dossier te verwijderen.
12. De heer Reynolds verzoekt het Hof:
– de punten 1, 2, 5 en 6 van het dictum van het bestreden arrest te bevestigen;
– punt 4 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen;
– de zaak af te doen door de vordering tot schadevergoeding voor de door de heer Reynolds geleden immateriële schade toe te wijzen;
– subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg, voor hernieuwde beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de heer Reynolds;
– overeenkomstig het recht te beslissen over de verdeling van de kosten van de hogere voorziening;
– het Parlement te veroordelen in de kosten van de incidentele hogere voorziening, of, subsidiair, de kosten naar billijkheid over de partijen te verdelen;
– de documenten in de bijlagen 1 en 2 van de memorie van antwoord niet uit het dossier te verwijderen.
V – Hogere voorziening - middelen
13. Het Parlement heeft de volgende middelen tegen het arrest van het Gerecht aangevoerd. Het arrest:
– is ontoereikend gemotiveerd met betrekking tot de verplichting van het TABG aan „minimale vereisten” te voldoen;
– miskent de bestaande rechtspraak met betrekking tot de bevoegdheid van het TABG;
– bevat een tegenstrijdige motivering inzake de vermeende beoordelingsvrijheid van het TABG;
– miskent de bestaande rechtspraak ten aanzien van de rechten van de verdediging;
– bevat een ontoereikende en tegenstrijdige motivering met betrekking tot het belang van de gevolgen van de reïntegratie voor de materiële positie van de gedetacheerde.
14. Ik beperk mij in het hiernavolgende tot een weergave van de belangrijkste ter onderbouwing van deze middelen aangevoerde argumenten van het Parlement en de voornaamste daartegen ingebrachte argumenten van de heer Reynolds.
A – Ontoereikende motivering met betrekking tot de verplichting van het TABG aan „minimale vereisten” te voldoen en miskenning van de bestaande rechtspraak met betrekking tot de bevoegdheid van het TABG
15. De eerste twee middelen hebben betrekking op de overwegingen in het bestreden arrest aangaande de omvang van de bevoegdheid van het TABG in een situatie als hier aan de orde en in het bijzonder de vraag of het TABG terzake over enige beoordelingsvrijheid beschikt. Zij kunnen derhalve tezamen worden besproken.
16. In punt 81 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld:
„dat het beslissende karakter van het verzoek van de dienst of van de persoon waarbij de ambtenaar is gedetacheerd om in het belang van de dienst zijn detachering te beëindigen, niet betekent dat het tot aanstelling bevoegde gezag dienaangaande over geen enkele beoordelingsmarge beschikt en gehouden is om aan dat verzoek te voldoen. Immers, wanneer het tot aanstelling bevoegde gezag een dergelijk verzoek ontvangt, is het althans gehouden om op neutrale en objectieve wijze na te gaan of het bij hem ingediende verzoek zonder mogelijke twijfel uitgaat van de dienst of van de persoon waarbij de ambtenaar is gedetacheerd, en verder of het verzoek niet op kennelijk onrechtmatige gronden berust. Het is immers uitgesloten, dat het tot aanstelling bevoegde gezag een detachering beëindigt, wanneer niet aan die minimale voorwaarden is voldaan.”
17. Het Parlement vestigt de aandacht erop dat het Gerecht zijn oordeel dat het TABG gehouden is aan genoemde „minimale voorwaarden” te voldoen op geen enkele wijze onderbouwt. Dit is vooral bezwaarlijk nu het hier gaat om een „majeure innovatie” ten opzichte van de bestaande jurisprudentie en deze vaststelling tevens de hoeksteen vormt van de redenering van het Gerecht met betrekking tot de eerbiediging door het TABG van de rechten van de verdediging. Het Parlement meent dat inachtneming van deze minimale voorwaarden zou impliceren dat het TABG een inquisitoire procedure zou moeten volgen gericht op bijeengaren van bewijs teneinde het waarheidsgehalte en de rechtmatigheid van het verzoek te onderzoeken. Waar de beslissing om in het belang van de dienst een detachering te beëindigen niet van tuchtrechtelijke aard is, is het van oordeel dat het misplaatst zou zijn dergelijke instructiemaatregelen te moeten treffen.
18. Ten aanzien van de eerste minimale voorwaarde, het verifiëren dat het verzoek zonder mogelijke twijfel uitgaat van de dienst of van de persoon waarbij de ambtenaar is gedetacheerd, merkt het Parlement op dat onduidelijk is waarom dit noodzakelijk is in een geval waarin het TABG geen enkele reden had om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van het betrokken verzoek. Bovendien werpt het Parlement de vraag op hoe het een dergelijke verificatie op „objectieve en neutrale wijze” zou kunnen uitvoeren.
19. De tweede gestelde voorwaarde inzake het verifiëren van de rechtmatigheid van het verzoek veronderstelt volgens het Parlement dat het TABG bevoegd zou zijn de beweegredenen van de dienst waarbij de betrokken ambtenaar is gedetacheerd te controleren, wanneer deze heeft vastgesteld dat het wederzijds vertrouwen tussen betrokken partijen is verdwenen. Allereerst blijkt uit het arrest B/Parlement (3) dat alleen de dienst waarbij de ambtenaar is gedetacheerd, bevoegd is om de omstandigheden die nodig zijn voor het voortbestaan van vertrouwen vast te stellen. Verder is in de rechtspraak aanvaard dat een politieke groepering eenzijdig een ambtenaar mag wegsturen zonder dat daarvoor een motivering behoeft te worden gegeven. (4) Ten slotte is uitgemaakt dat een ontslag om politieke redenen legitiem is en niet als discriminatie kan worden aangemerkt. (5) In het licht hiervan zou het TABG niet in staat zijn aan de minimale voorwaarden te voldoen zonder inbreuk te maken op de prerogatieven van de politieke groepering waarbij de ambtenaar is gedetacheerd.
20. Daar komt bij dat het TABG onvermijdelijk ertoe zou worden gedwongen een subjectief en politiek oordeel te vellen over de betrokken dienst. Dit verdraagt zich niet met de taak van de secretaris-generaal van het Parlement die ingevolge artikel 182 van het Reglement van het Parlement verplicht is zijn ambt volstrekt onpartijdig en geheel naar eer en geweten uit te oefenen.
21. De heer Reynolds stelt in zijn memorie van antwoord dat het niet aan het TABG is om de authenticiteit van de brief van de voorzitter van de EDD‑fractie te verifiëren, maar dat het er eerder om gaat dat deze dient na te gaan of de procedure die erop gericht is een eind te maken aan de detachering is gerespecteerd. Tevens dient het TABG de aandacht van de betrokken dienst te vestigen op de noodzaak te beschikken over een gemotiveerd besluit als basis voor het verzoek tot beëindiging van de detachering.
22. Naar de mening van Reynolds is de door het Parlement aangehaalde rechtspraak irrelevant voor de beoordeling van de onderhavige situatie, omdat deze op geheel andere casusposities betrekking had. Dit geldt in de eerste plaats voor de rechtspraak betreffende ontslag om politieke redenen, nu geen enkele overweging van deze aard voorkomt in het besluit van het TABG of in de brief van de voorzitter van de EDD‑fractie. Zo ook voor de rechtspraak betreffende het goed functioneren van de dienst, die evenmin wordt genoemd in het litigieuze besluit. Bovendien is Reynolds van mening dat de rechtspraak op grond waarvan een politieke groepering de mogelijkheid heeft een contract eenzijdig op te zeggen zonder daarvoor een motivering te geven (Schertzer en Speybrouck) en het arrest B/Parlement in strijd zijn met de grondrechten. Hij verzoekt het Hof deze te herzien in het licht van de beginselen van de rechtsstaat waarop de Europese Unie is gegrondvest, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Beoordeling van de eerste twee middelen
23. Allereerst merk ik op dat de kwestie van de omvang van de bevoegdheid van het TABG voor het Gerecht is opgeworpen teneinde te bepalen of er ruimte was voor de vaststelling dat het TABG de verplichting had de heer Reynolds te horen alvorens te besluiten zijn detachering te beëindigen. In het geval er sprake zou zijn van een gebonden bevoegdheid, zou Reynolds in het licht van bestaande rechtspraak geen belang hebben bij de vaststelling dat er sprake was van de schending van een wezenlijk vormvoorschrift, doordat het TABG had verzuimd hem te horen. Het is ook om deze reden dat het Parlement de beantwoording van deze vraag aanmerkt als de hoeksteen van de redenering van het Gerecht.
24. Ten aanzien van dit onderdeel van het bestreden arrest maakt het Parlement vooral bezwaar tegen het feit dat het Gerecht, zonder verwijzing naar bestaande rechtspraak en zonder nadere motivering, zou hebben aangenomen dat het TABG beschikt over een wat het in punt 114 van het bestreden arrest kwalificeerde als „een weliswaar beperkte, maar toch reële beoordelingsmarge met betrekking tot de mogelijkheid om verzoekers detachering te beëindigen vóór het verstrijken van de aanvankelijk vastgestelde periode”. In punt 81 van het bestreden arrest is nader omschreven waaruit die beoordelingsvrijheid bestaat. In een geval als het onderhavige dient het TABG, geconfronteerd met een verzoek tot beëindiging van een detachering volgens het Gerecht op „objectieve en neutrale wijze” na te gaan of dat verzoek „zonder mogelijke twijfel uitgaat van de dienst of persoon waarbij de ambtenaar is gedetacheerd” en of het verzoek „niet op kennelijk onrechtmatige gronden berust”. Indien niet aan deze twee „minimale voorwaarden” is voldaan, zou het uitgesloten zijn dat het TABG de detachering zou kunnen beëindigen.
25. Het Parlement geeft in zijn beroepschrift verder aan dat het hier zou gaan om een „majeure innovatie” waarvan de uitvoering „zeer problematisch” zou zijn. Voorts meent het dat het gevolg geven aan het oordeel van het Gerecht zou impliceren dat het TABG een controlerende bevoegdheid zou verkrijgen over de betrokken politieke groepering met als gevolg dat zijn taak zou worden „gepolitiseerd”. Dit zou ook haaks staan op de opdracht van de secretaris-generaal van het Parlement om zijn taken in alle onpartijdigheid uit te oefenen.
26. Niet in geding is dat, zoals het Gerecht in punt 50 van het bestreden arrest heeft geoordeeld (en in punt 78 van dat arrest heeft bevestigd), in de in artikel 38, sub b, van het Statuut voorziene bevoegdheid van het TABG om de duur van de detachering te bepalen, de mogelijkheid besloten ligt die duur te wijzigen. Inkorting van de duur van de detachering is aan de orde wanneer de detachering kennelijk niet langer aan zijn doel beantwoordt.
27. De vraag of dit laatste het geval is staat ter beoordeling van het TABG en kan in geen geval als een automatisme worden beschouwd. Het TABG dient zich een oordeel te vormen over het nut van de voortzetting van de detachering in het belang van de dienst. Uiteraard is daarbij het standpunt van de dienst of de persoon waarbij de betrokken ambtenaar is gedetacheerd van beslissende betekenis. Dit neemt echter niet weg dat het TABG een eigen verantwoordelijkheid heeft bij het nemen van maatregelen die de rechtspositie van de onder hem ressorterende ambtenaren raken. Daarbij dient het TABG er voorts voor te waken dat deze maatregelen worden genomen in het belang van de dienst. Zoals het Gerecht in punt 50 van het bestreden arrest overwoog, behoort het belang van de dienst tot de essentie zelf van de in artikel 37, eerste alinea, sub a, van het Statuut bedoelde detachering.
28. Deze verantwoordelijkheid van het TABG brengt met zich mee dat een beslissing tot beëindiging van een detachering zorgvuldig dient te worden genomen. Deze zorgvuldigheid vereist in zijn algemeenheid dat het TABG voldoende informatie, uit welke bron ook, verzamelt om hem in staat te stellen tot een juiste afweging te komen van de betrokken belangen. Zo dient hij zich ten minste ervan te vergewissen welke redenen de dienst of de persoon, waarbij de betrokken ambtenaar is gedetacheerd, aanleiding hebben gegeven tot het voortijdig beëindigen of anderszins wijzigen van de detachering. Daartoe behoren de door het Gerecht als minimale voorwaarden bestempelde gegevens als het verifiëren dat het verzoek zonder mogelijke twijfel uitgaat van de dienst of de persoon waarbij de ambtenaar is gedetacheerd en of het verzoek niet op kennelijk onrechtmatige gronden is gebaseerd.
29. De hierbeschreven verplichting van het TABG, die voortvloeit uit de verantwoordelijkheid van het TABG voor het personeel enerzijds en de zorgvuldigheid anderzijds, geldt in zijn algemeenheid en staat los van de naleving ervan in het onderhavige geval. Wat van belang is, is dat het TABG, ook al is één bepaalde oplossing van een bepaalde conflictsituatie rond een gedetacheerde ambtenaar onontkoombaar, zich daaromtrent een eigen oordeel dient te vormen en hij in zoverre ook noodzakelijkerwijs over een eigen beoordelingsvrijheid beschikt.
30. Het Parlement heeft ten betoge dat het niet beschikt over enige beoordelingsvrijheid in een geval als het onderhavige gewezen op rechtspraak van het Gerecht en het Hof betreffende situaties waarin een politieke groepering een arbeidsrelatie met een tijdelijke functionaris beëindigde. (6) Uit deze rechtspraak blijkt dat politieke fracties bij uitsluiting bevoegd zijn uit te maken wat nodig is voor het voortbestaan van een vertrouwensrelatie met een medewerker, dat een politieke fractie zonder motivering een arbeidsovereenkomst met een medewerker eenzijdig kan beëindigen en dat ontslag om politieke redenen legitiem is.
31. Deze rechtspraak is naar mijn oordeel evenwel niet van belang voor de beantwoording van de onderhavige rechtsvraag. Het bestreden arrest heeft immers betrekking op het besluit van het TABG tot beëindiging van de detachering van Reynolds en niet op het besluit van de EDD‑fractie. Het besluit van het TABG ligt weliswaar in het verlengde van het besluit van de EDD‑fractie om het werkverband met Reynolds te verbreken, doch moet in juridische zin van laatstgenoemd besluit worden onderscheiden. Het feit dat de EDD‑fractie, blijkens de aangehaalde rechtspraak, eenzijdig kon besluiten de werkrelatie met Reynolds niet voort te zetten en het TABG vervolgens te verzoeken zijn detachering te beëindigen, betekent niet dat het TABG, zoals boven aangegeven, ontslagen was van de verplichting dienaangaande een eigen oordeel te vormen. Deze rechtspraak is kortom niet van invloed op de beoordelingsvrijheid van het TABG.
32. Ook de door het Parlement geuite zorg dat het naar aanleiding van het oordeel van het Gerecht gehouden zou zijn een inquisitoir onderzoek uit te voeren en dat het ertoe gebracht zou worden zijn oordeel in de plaats te stellen van dat van de betrokken politieke groepering, hetgeen tot een politisering van de rol van het TABG zou leiden, is naar mijn mening niet gefundeerd. Het oordeel van het Gerecht strekt er immers slechts toe dat het TABG dient „na te gaan” („vérifier”) of het verzoek tot beëindiging van de detachering daadwerkelijk daartoe strekt. Zulks is, zoals aangegeven, niet meer of minder dan een uitvloeisel van de door het TABG jegens de onder hem ressorterende ambtenaar te betrachten zorgvuldigheid.
33. De door het Parlement aangevoerde middelen inzake een ontoereikende motivering en een miskenning van de bestaande rechtspraak met betrekking tot de omvang van de bevoegdheid van het TABG kunnen in het licht van het voorgaande niet slagen. Het Gerecht kon terecht op basis van zijn overwegingen in de punten 50 tot en met 52 en 78 tot en met 82 tot de conclusie komen dat het TABG in een geval als het onderhavige beschikt over een eigen beoordelingsruimte en dat het die ruimte dient te benutten teneinde te verifiëren of aan de in het arrest genoemde minimale voorwaarden is voldaan.
B – Tegenstrijdige motivering met betrekking tot de vermeende beoordelingsvrijheid van het TABG
34. Naar het oordeel van het Parlement is hetgeen het Gerecht in punt 81 van het bestreden arrest heeft overwogen, namelijk dat het TABG de geldigheid van de aan het verzoek ten grondslag liggende beweegredenen op neutrale en objectieve wijze moet verifiëren, in tegenspraak met de punten 106, 109 en 114 van het arrest. In punt 114 van het arrest geeft het Gerecht aan, onder verwijzing naar het genoemde punt 81, dat het TABG in casu beschikte over een „weliswaar beperkte maar toch reële beoordelingsvrijheid” met betrekking tot de mogelijkheid de detachering van Reynolds te beëindigen. Echter, in punt 114 gaat het niet om de beoordelingsmarge waarvan sprake was in punt 81, maar om de verplichting van het TABG om een voorafgaand gesprek met Reynolds te voeren om met diens standpunt rekening te kunnen houden. Ook de punten 106 en 109 van het arrest, die in punt 114 worden bevestigd, zien op laatstvermelde verplichting. In de visie van het Parlement is duidelijk, dat het voeren van een gesprek met Reynolds voorafgaand aan het nemen van het besluit tot beëindiging van diens detachering, zoals geëist door het Gerecht in de punten 106, 109 en 114 van het bestreden arrest, geheel losstaat van de vermeende beoordelingsvrijheid als bedoeld in punt 81. Het is derhalve van oordeel dat de motivering van het bestreden arrest op dit punt een contradictie bevat.
35. De heer Reynolds bestrijdt dat de motivering van het bestreden arrest een tegenstrijdigheid vertoont. Hij wijst erop dat een voorafgaand gesprek met hem het TABG in staat zou hebben gesteld te beschikken over zijn versie van de feiten en zich niet uitsluitend te baseren op de brief van de voorzitter van de EDD‑fractie. Volgens Reynolds brengt objectiviteit juist met zich mee dat op voet van gelijkheid kennis wordt genomen van de standpunten van alle partijen.
Beoordeling van het derde middel
36. Het Parlement voert aan dat de overwegingen van het Gerecht inzake de beoordelingsvrijheid van het TABG in punt 81 van het bestreden arrest enerzijds en de punten 106, 109 en 114 van het bestreden arrest anderzijds betrekking hebben op verschillende verplichtingen van het TABG. Waar punt 81 de verificatie van het waarheidsgehalte van het verzoek tot voorwerp heeft, zien de punten 106, 109 en 114 op een verplichting tot het horen van de betrokken ambtenaar voorafgaand aan het nemen van een besluit. Het Parlement leidt hieruit af dat de motivering van het arrest een innerlijke tegenstrijdigheid bevat.
37. Ik deel dit standpunt van het Parlement niet. Zoals bij de bespreking van de eerste twee middelen werd aangegeven, vloeit het bestaan van een beoordelingsmarge van het TABG bij het treffen van een maatregel jegens een ambtenaar op verzoek van een derde voort uit de verantwoordelijkheid van het TABG voor die ambtenaar. In het bijzonder brengt de door het TABG in acht te nemen zorgvuldigheid met zich mee dat hij zich ervan vergewist dat de gegevens die als basis dienen voor het door hem te nemen besluit correct en zo volledig mogelijk zijn. Aldus kon het Gerecht, zonder in strijd met enig rechtsregel te komen, oordelen dat het TABG op objectieve en neutrale wijze dient te verifiëren, dat het bij hem ingediende verzoek zonder mogelijke twijfel uitgaat van de dienst of de persoon waarbij de ambtenaar is gedetacheerd en dat dat verzoek niet op kennelijk onrechtmatige gronden berust. Daarmee is niet onverenigbaar dat het TABG, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, het nodig of nuttig kan oordelen ook het standpunt van de betrokken ambtenaar te vernemen. Zoals door de heer Reynolds is opgemerkt, stelt juist het kennis nemen van ook diens standpunt het TABG in staat om tot een objectief oordeel te komen.
38. Nu er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen hetgeen het Gerecht in de punten 81 respectievelijk 106, 109 en 114 van het bestreden arrest heeft overwogen, kan het derde middel van het Parlement evenmin slagen.
C – Miskenning van de rechtspraak met betrekking tot de rechten van de verdediging
39. Het Parlement wijst erop dat de motivering van het Gerecht in zijn arrest Gaspari/Parlement (7) veel gelijkenis vertoont met de motivering van de arresten Quijano/Commissie (8) en F/ Commissie (9) , waarop het Gerecht zijn oordeel inzake de eerbiediging van de rechten van de verdediging in het bestreden arrest mede baseert. In eerstgenoemde twee zaken heeft het Gerecht geoordeeld dat een ambtenaar in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn standpunt met betrekking tot het rapport van een controlerend arts kenbaar te maken, voordat jegens hem een bezwarend besluit wordt genomen. Het arrest Gaspari van het Gerecht is evenwel door het Hof vernietigd voorzover bij dat arrest het bestreden besluit was vernietigd in verband met schending van de motiveringsplicht en van de rechten van de verdediging. (10) Hiermee heeft het Gerecht, volgens het Parlement, de rechtspraak van het Hof miskend.
40. Het Parlement merkt op dat in zijn algemeenheid in de rechtspraak van het Gerecht en van het Hof wordt benadrukt dat de vraag of er sprake is van een schending van de rechten van de verdediging moet worden beoordeeld in functie van de specifieke omstandigheden van elk geval en dat deze in essentie afhangt van de elementen die de betrokken instelling in aanmerking neemt als basis voor haar besluit. Volgens die vaste rechtspraak verlangt de eerbiediging van de rechten van de verdediging, „dat iedere persoon aan wie een sanctie kan worden opgelegd, in staat te worden gesteld tijdig zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen die de Commissie in aanmerking neemt om de sanctie op te leggen”. (11) Het Gerecht gaat er in het bestreden arrest evenwel van uit dat er een verplichting is tot het horen van belanghebbende uitsluitend op grond van het feit dat het voorgenomen besluit bezwarend is, zonder de elementen die het TABG in aanmerking heeft genomen als basis van zijn besluit te onderzoeken.
41. In het onderhavige geval staat de vraag centraal of het TABG gehouden was de heer Reynolds te horen over het element waarop het besluit was gebaseerd, te weten het verdwijnen van het wederzijds vertrouwen tussen de EDD‑fractie en Reynolds. Indien dat het geval zou zijn, stelt het Parlement dat het een standpunt had in te nemen over het zuiver subjectief besluit van de EDD‑fractie. Volgens vaste rechtspraak (12) kan het TABG echter in geen geval zijn eigen oordeel in de plaats stellen van dat van een politieke groepering als de EDD‑fractie en was het derhalve niet verplicht Reynolds daarover te horen.
42. Het Parlement stelt zich verder op het standpunt dat uit de rechtspraak voortvloeit dat bij het ontbreken van een uitdrukkelijke bepaling in het Statuut, die voorziet in een contradictoire procedure in het kader waarvan iedere ambtenaar door het TABG moet worden gehoord alvorens jegens hem een maatregel wordt getroffen, een dergelijke verplichting van de administratie in beginsel niet bestaat. De in artikel 90 van het Statuut voorziene klachtprocedure moet worden geacht de rechtmatige belangen van de ambtenaar voldoende te beschermen. In punt 94 van het bestreden arrest overweegt het Gerecht evenwel dat het feit dat artikel 90 van het Statuut in een voorafgaande klachtprocedure voorziet op zich niet volstaat om uit te sluiten dat het TABG verplicht is om de betrokken ambtenaar te horen alvorens een voor hem bezwarend besluit te nemen. Weliswaar erkent het Gerecht dat het juist is dat deze procedure de ambtenaar in staat stelt om zijn belangen voor de administratie te verdedigen, deze mogelijkheid wordt hem echter pas geboden nadat het litigieuze besluit is vastgesteld. Vervolgens stelt het Gerecht vast dat „het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging echter dwingend vereist dat de belanghebbende wordt gehoord alvorens het voor hem bezwarend besluit wordt vastgesteld”. Deze inflexibele benadering gaat volgens het Parlement verder dan de bestaande rechtspraak vereist. Hij is dan ook van oordeel dat het Gerecht de rechtspraak inzake het juridisch belang van de in artikel 90 van het Statuut voorziene precontentieuze procedure heeft miskend.
43. Een volgend bezwaar van het Parlement tegen het bestreden arrest is dat het Gerecht heeft geoordeeld dat het simpele feit dat het TABG over een – weliswaar beperkte maar toch reële – beoordelingsmarge beschikte, in beginsel volstaat om aan te nemen dat niet volledig mag worden uitgesloten dat een voorafgaand gesprek een concrete invloed op de inhoud van het bestreden besluit kon hebben. Echter, is het Gerecht niet overgegaan, zoals wordt vereist door een vaste rechtspraak, tot een onderzoek van de bewijsmiddelen waarover het beschikte om te bezien of een dergelijk gesprek met Reynolds daadwerkelijk een concrete, en niet slechts een hypothetische, invloed zou hebben gehad in de bijzondere omstandigheden van het geval. Het Parlement meent dat het, gezien de spanningen rond de detachering van Reynolds, het mislukken van pogingen van de EDD‑fractie om tot een minnelijke schikking te komen en de reactie van Reynolds hierop in zijn memorandum van 1 juli 2000, evident is dat een voorafgaand gesprek geen enkel concreet effect zou kunnen hebben gehad op het bestreden besluit.
44. De heer Reynolds merkt in zijn memorie van antwoord op dat ook al heeft het Hof het arrest Gaspari van het Gerecht vernietigd, dit in casu irrelevant is aangezien de feiten en de rechtsvraag in die zaak op geen enkele wijze vergelijkbaar zijn met het onderhavig geval. Aldus was er, in tegenstelling tot de onderhavige situatie, geen sprake van het ontbreken van de voorafgaande raadpleging van een ambtenaar die adressaat was van een bezwarend besluit.
45. Wat betreft de beweerde miskenning van de rechtspraak door het Gerecht, stelt Reynolds dat de uiteenzettingen van het Parlement weinig overtuigend zijn, omdat zij zijn gebaseerd op een onjuiste weergave van de feiten (hetgeen Reynolds ook onder de aandacht van de president van het Parlement heeft gebracht bij twee brieven van respectievelijk 23 januari 2002 en 5 februari 2002) en op fouten in het citeren of in de lezing van het bestreden arrest. Reynolds bestrijdt voorts de bewering van het Parlement dat het Gerecht geen rechtspraak heeft aangehaald ter onderbouwing van zijn oordeel dat betrokkene vooraf moet worden gehoord. Hij wijst in dit verband op punt 91 van het bestreden arrest.
46. Reynolds betwist eveneens de bewering van het Parlement dat het Gerecht zou hebben geconcludeerd dat „in beginsel” niet volledig mag worden uitgesloten dat een voorafgaand gesprek een concrete invloed op de inhoud van het bestreden besluit kon hebben gehad. Uit punt 114 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht deze invloed „concreet” heeft beoordeeld en niet slechts in principe. Verder bestrijdt Reynolds dat er sprake zou zijn geweest van een poging tot minnelijke schikking van de zijde van de EDD‑fractie, zoals door het Parlement gesteld.
47. Ten slotte doet Reynolds ter verdere onderbouwing van zijn betoog een beroep op artikel 41, lid 2, eerste streepje, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, op grond waarvan eenieder het recht heeft te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen.
48. In repliek verzoekt het Parlement de verwijdering uit het dossier van de twee in punt 45 van deze conclusie genoemde brieven van Reynolds aan de President van het Parlement, aangezien deze brieven zijn opgesteld na het wijzen van het bestreden arrest. Zij kunnen derhalve geen betekenis hebben voor de behandeling van deze hogere voorziening. Bovendien zouden zij ook nadeel kunnen berokkenen aan derden die buiten dit geschil staan en niet in staat zijn zich te verweren.
49. De heer Reynolds verduidelijkt in dupliek dat hij de brieven in procedure heeft gebracht teneinde het Hof beter in staat te stellen te begrijpen op welke basis het Gerecht bij zijn analyse van de context en de oorsprong van het geding tot zijn oordeel is gekomen.
Beoordeling van het vierde middel
50. Het vierde middel heeft betrekking op de miskenning door het Gerecht van de rechtspraak met betrekking tot de rechten van de verdediging voorzover het heeft geoordeeld dat het TABG de verplichting had Reynolds te horen alvorens tot beëindiging van diens detachering te besluiten.
51. Het Parlement wijst er allereerst op dat het Gerecht dit onderdeel van het bestreden arrest mede heeft gebaseerd op zijn arresten Quijano/Commissie en F/Commissie (13) zonder rekening te houden met het feit dat het Hof in zijn arrest Gaspari (14) van 19 november 1998 het arrest van het Gerecht in die zaak (15) , waarin een met eerstgenoemde arresten van het Gerecht vergelijkbare redenering was gevolgd, heeft vernietigd.
52. Met de heer Reynolds ben ik van oordeel dat dit argument geen doel kan treffen. De zaken Quijano en Gaspari hadden betrekking op de situatie waarin attesten van een controlerend arts aan belanghebbende kenbaar dienden te worden gemaakt alvorens jegens hem een bezwarend besluit werd getroffen, alsmede de vraag of gelet op de feitelijke constellatie daaraan was voldaan. De zaak F/Commissie betrof een geval van frauduleus handelen van een ambtenaar, waarop een schorsing volgde. Deze situaties kunnen niet worden vergeleken met de situatie van een ambtenaar wiens detachering bij een politieke groepering bij het Parlement wordt beëindigd en die, voorafgaand aan de door het TABG te treffen vervolgmaatregelen, wenst te worden gehoord. Daar komt bij dat het Gerecht de eigen rechtspraak louter heeft vermeld ter nadere onderbouwing van het beginsel dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging in iedere procedure tegen iemand die kan leiden tot een bezwarend besluit is te beschouwen als een grondbeginsel van gemeenschapsrecht, dat zelfs bij het ontbreken van iedere regeling inzake de betrokken procedure in acht moet worden genomen. Hiermee kan niet worden volgehouden dat de rechtspraak van het Hof is miskend, louter omdat een arrest in een vergelijkbaar geval om redenen die specifiek waren voor dat geval, werd vernietigd.
53. Het volgende bezwaar van het Parlement is dat het Gerecht zijn oordeel inzake de miskenning door het TABG van de rechten van de verdediging uitsluitend heeft gebaseerd op het feit dat het besluit tot beëindiging van de detachering van Reynolds als een bezwarend besluit moet worden aangemerkt, zonder nader te onderzoeken welke elementen het TABG in aanmerking heeft genomen als basis voor zijn besluit.
54. Ten aanzien van dit punt acht ik het eerst van belang de aard van het door het TABG genomen besluit nader te duiden. Met name lijkt het mij relevant om vast te stellen dat hoewel dit besluit een juridisch zelfstandig besluit van het TABG is, het niet los kan worden gezien van de omstandigheden waarin het is genomen. Het bestreden besluit van het TABG volgde immers op dat van EDD‑fractie tot beëindiging van de detachering van Reynolds bij die fractie. Het TABG kon slechts akte nemen van dat besluit. Zoals het Gerecht ook in punt 80 van het bestreden arrest vaststelde, was laatstgenoemd besluit een beslissend element voor de uitoefening van de bevoegdheid van het TABG in het onderhavige geval, zij het dat het TABG, zoals reeds is besproken, in het licht van de eigen verantwoordelijkheid jegens Reynolds ten behoeve van de eigen oordeelsvorming wel gehouden was te verifiëren dat het verzoek van de voorzitter van de EDD‑fractie daadwerkelijk correspondeerde met de wil van die fractie.
55. Het besluit van het TABG was met andere woorden, zowel aan het begin als aan het einde van de detachering, facilitair en subsidiair ten opzichte van de besluitvorming binnen de EDD‑fractie. Nadat de EDD‑fractie te kennen had gegeven Reynolds voor een bepaalde periode in dienst te willen nemen, werd dit door het TABG mogelijk gemaakt door middel van een besluit op grond van artikel 38, sub a, van het Statuut. De beëindiging van de detachering is eveneens een vervolgmaatregel na het verzoek van de voorzitter van de EDD‑fractie. In de ontstane situatie van het wegvallen van het voor de detachering vereiste vertrouwen, hetgeen het TABG inderdaad diende te verifiëren alvorens daar gevolgen aan te verbinden, was het aan het TABG om in het belang van de betrokken ambtenaar die maatregelen te nemen die de voortzetting van de werkzaamheden, waartoe hij vóór de detachering was aangesteld, garandeerden. In deze omstandigheden dient het besluit, waarbij Reynolds werd aangesteld in zijn oorspronkelijke functie en rang, naar mijn overtuiging als een eenvoudige interne organisatorische maatregel te worden gekwalificeerd.
56. Daarbij wil ik aantekenen dat, hoewel Reynolds ontegenzeggelijk nadeel heeft ondervonden van de hele gang van zaken, dit nadeel in eerste aanleg voortvloeide uit het besluit van de EDD‑fractie tot beëindiging van de werkrelatie met Reynolds en niet uit het besluit van het TABG tot beëindiging van de detachering dat, zoals gezegd, facilitair en subsidiair was ten opzichte van dat besluit. Verder dient erop te worden gewezen dat de post die Reynolds in het kader van zijn detachering vervulde een uitgesproken politiek karakter had. Ten aanzien van dergelijke functies behoren betrokkenen, zoals het Hof meermaals heeft aangegeven, zich bewust te zijn van de politieke factoren en ongewisheden die zowel bij de aanstelling als bij het ontslag hebben voorgezeten. (16) Reynolds heeft met zijn sollicitatie naar de functie van secretaris‑generaal derhalve een risico genomen, die erin kon uitmonden dat hij in geval van verdwenen vertrouwen zijn werkzaamheden voor de EDD‑fractie zou moeten beëindigen en zou terugkeren op zijn oorspronkelijke post.
57. Het is tegen deze achtergrond dat het door het Parlement opgeworpen middel inzake de eerbiediging van de rechten van de verdediging en ter onderbouwing daarvan aangevoerde argumenten moeten worden onderzocht.
58. Al aanstonds zal duidelijk zijn dat de vaststelling door het Gerecht in de punten 42 en 86 van het bestreden arrest dat het bestreden besluit bezwarend van karakter was, doorslaggevend is geweest voor het oordeel dat in dit geval Reynolds had behoren te worden gehoord, alvorens het TABG het besluit tot beëindiging van diens detachering had mogen nemen. Zoals ik zojuist heb aangetoond, is deze vaststelling evenwel niet juist en heeft het bestreden besluit eerder het karakter van een eenvoudige interne organisatorische maatregel volgend op de besluitvorming binnen de EDD‑fractie.
59. Bovendien moet de door het TABG te volgen gedragslijn in een geval als het onderhavige worden gerelateerd aan de omvang van de beoordelingsvrijheid waarover hij in dezen beschikt. In de punten 27 tot en met 29 van deze conclusie is reeds in navolging van de overwegingen van het Gerecht op dit punt uiteengezet dat deze vrijheid is gericht op de verificatie van de elementen die het TABG in aanmerking neemt bij het nemen van het betrokken besluit. Deze verificatie kan op verschillende wijzen plaatsvinden, hetzij door het horen van de direct betrokkenen, hetzij door de consultatie van derden, hetzij door het gebruik van informatie uit andere bronnen. Evenwel is het een verantwoordelijkheid van het TABG zelf om in dit stadium op basis van de door hem vergaarde gegevens zelfstandig tot een oordeel te komen over de feitelijke basis van het door hem te nemen besluit.
60. In dit verband wijs ik op de zaak Ojha waarin, nadat was gebleken dat het functioneren van een ambtenaar bij de delegatie van de Commissie in een derde land tot spanningen had geleid, het TABG eenzijdig een besluit tot overplaatsing nam. In zijn arrest in dat geval heeft het Hof overwogen dat, zoals het herhaaldelijk heeft verklaard, moeilijkheden in de interne verhoudingen, wanneer deze spanningen veroorzaken die schadelijk kunnen zijn voor het functioneren van de dienst, de overplaatsing van een ambtenaar in het belang van de dienst rechtvaardigen. Een dergelijke maatregel kan zelfs los van de vraag, wie voor de betrokken incidenten verantwoordelijk is worden genomen. Waar het hier eveneens een functie betrof waarin wederzijds vertrouwen absoluut vereist was, oordeelde het Hof dat „zodra dit vertrouwen om welke reden ook is geschokt, […] de betrokken ambtenaar niet meer in staat [is] die functies te vervullen. Om te voorkomen dat de hem gemaakte verwijten zich gaan uitstrekken tot de hele dienst, is het goed beleid dat de instelling hem op zo kort mogelijke termijn verwijdert”. (17) Hoewel de casusposities niet geheel vergelijkbaar zijn, maakt de zaak Ojha duidelijk op welke wijze het TABG in geval van gerezen spanning rond het functioneren van een ambtenaar in het belang van de dienst dient te handelen en is de grondgedachte van deze overwegingen van het Hof mutatis mutandis van toepassing in het onderhavige geval.
61. Tegen dit oordeel kan een belanghebbende ingevolge artikel 90 van het Statuut een klacht bij het TABG indienen. Het Parlement heeft gewezen op rechtspraak waaruit blijkt dat bij het ontbreken van een uitdrukkelijke statutaire bepaling terzake, er geen verplichting bestaat voor het TABG om iedere ambtenaar te raadplegen voordat jegens hem een maatregel wordt getroffen. De waarborgen waarin artikel 90 van het Statuut ter bescherming van de belangen van het personeel voorziet, moeten in beginsel toereikend worden geacht. (18) Het Gerecht heeft in punt 94 van het bestreden arrest evenwel geoordeeld dat in geval van een bezwarend besluit het beginsel van de rechten van de verdediging dwingend vereist dat de belanghebbende wordt gehoord alvorens het voor hem bezwarend besluit wordt vastgesteld. Gelet op mijn oordeel met betrekking tot de aard van het bestreden besluit als interne organisatorische maatregel en het feit dat voor dergelijke maatregelen de klachtprocedure in eerste aanleg een adequate bescherming biedt van de belangen van de betrokken ambtenaar, ben ik met het Parlement van oordeel dat het Gerecht met zijn vaststelling in punt 94 van het bestreden arrest de bestaande rechtspraak ten aanzien van dit punt heeft miskend.
62. Ten overvloede merk ik op dat ook het beroep van de heer Reynolds op artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet kan slagen. Niet alleen is dit document in zijn huidige vorm juridisch onverbindend, de hierin opgenomen rechten zijn een weergave van de rechten die thans als algemeen rechtsbeginsel van toepassing zijn binnen de communautaire rechtsorde en, zoals ik zojuist heb geconcludeerd, is er in het onderhavige geval geen sprake van een schending van het beginsel van de rechten van de verdediging. Doch ook naar de letter van deze bepaling kan geen schending van het recht om te worden gehoord worden vastgesteld, nu artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie slechts van toepassing is, wanneer er sprake is van de vaststelling van een voor betrokkene „nadelige individuele maatregel”. Van een dergelijke maatregel is in casu geen sprake zoals in punt 56 en ook hierna in de punten 69 en 70 is toegelicht.
63. Nu ik tot de vaststelling ben gekomen dat het TABG in het onderhavige geval geen verplichting had om Reynolds te horen of te raadplegen voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit, zijn de vragen naar het voorwerp van die raadpleging en of een dergelijke raadpleging al dan niet een concrete invloed op het uiteindelijke besluit kon hebben gehad, niet meer van belang. Ook de andere aangevoerde argumenten ter onderbouwing van dit middel behoeven geen verdere bespreking.
64. De door het Parlement opgeworpen middel inzake de miskenning van de rechtspraak ten aanzien van de rechten van de verdediging is in het licht van het vorenstaande gerechtvaardigd en dient derhalve te leiden tot vernietiging van dit onderdeel van het arrest van het Gerecht.
D – Ontoereikende en tegenstrijdige motivering met betrekking tot het belang van de gevolgen van de reïntegratie voor de materiële positie van de gedetacheerde
65. Het Parlement geeft aan dat het Gerecht in punt 96 van het bestreden arrest zijn op de arresten Arning (19) , Fiorani (20) en Ojha (21) gebaseerde argumentatie heeft verworpen in verband met het feit dat deze arresten betrekking hadden op een andere casus dan het voorliggend geval. In die zaken werd het bestreden besluit aangemerkt als een eenvoudige maatregel tot interne organisatie van de dienst, die noch de rang, noch de materiële positie van de ambtenaar aantast. Volgens het Parlement leidt de analyse van het Gerecht tot een weinig aantrekkelijke situatie vanuit het gezichtspunt van de gelijke behandeling van ambtenaren. In deze benadering wordt de verplichting betrokkene te horen alvorens tot beëindiging van de detachering te besluiten, uitsluitend afhankelijk gesteld van de vraag of hij tijdens de detachering al dan niet dezelfde rang bezat als zijn oorspronkelijke rang. Het Parlement wijst erop dat het besluit van het TABG om Reynolds aan te stellen op zijn oude post op een minder hoge rang dan die welke hij gedurende zijn detachering bezat, noodzakelijkerwijs voortvloeit uit artikel 38, sub g, van het Statuut. Volgens het Parlement mag de naleving door het TABG van een dwingende bepaling van het Statuut niet leiden tot de wisselende toepassing van het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging.
66. Het Parlement wijst er verder op dat in punt 116 van het bestreden arrest het Gerecht heeft bevestigd dat artikel 38, sub g, van het Statuut uitsluitend betrekking heeft op de gevolgen van de beëindiging van de detachering in het belang van de dienst en dat dit geen enkele betekenis heeft bij het bepalen of, in casu, de voorafgaande raadpleging van betrokkene een concreet effect zou hebben gehad op het besluit tot beëindiging van zijn detachering. Het Gerecht heeft derhalve uitdrukkelijk erkend dat het besluit tot beëindiging van de detachering, in feite, los moet worden gezien van het besluit om verzoeker te reïntegreren op zijn oorspronkelijke post op een lagere rang. Het Parlement is van mening dat het feit dat Reynolds zou worden gereïntegreerd op zijn oude post op een lagere rang dan die welke hij gedurende zijn detachering genoot, zonder betekenis zou moeten zijn voor het bepalen of het TABG verplicht was hem te raadplegen alvorens te besluiten zijn detachering in het belang van de dienst te beëindigen.
67. De heer Reynolds merkt in zijn memorie van antwoord op dat het Parlement de vraag of het recht om te worden gehoord, voordat een bezwarend besluit wordt genomen, afhankelijk kan zijn van de rang waarop de betrokkene is gereïntegreerd, telkens tracht te ontwijken. Hij stelt dat door aldus te handelen het TABG de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
Beoordeling van het vijfde middel
68. In punt 56 van deze conclusie heb ik reeds gewezen op het uitzonderlijke karakter van een detachering van een ambtenaar bij een politieke groepering en dat in verband daarmee van betrokkene mag worden verwacht dat deze, zoals het Hof dat aangeeft, zich bewust dient te zijn van de politieke factoren en ongewisheden die zowel bij de aanstelling als bij het ontslag hebben voorgezeten. (22)
69. De realiteitszin die derhalve van iemand in de situatie van Reynolds mag worden verwacht, brengt met zich mee dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat in een per definitie ongedurige werkomgeving, hij nimmer zekerheid geniet ten aanzien van zijn aanstelling. De bij de post behorende beloning vormt ook een reflectie van dit gegeven. Dit impliceert dat iemand die wordt gedetacheerd om de post van secretaris‑generaal van een politieke groepering bij het Parlement te kunnen vervullen, bij voorbaat dient te incalculeren dat een voortijdige beëindiging van de detachering steeds een mogelijkheid is. Als uitvloeisel daarvan hoort evenzeer rekening te worden gehouden met het feit dat beëindiging van de detachering, ingevolge artikel 38, sub g, van het Statuut impliceert dat betrokkene terugkeert in het vroeger door hem beklede ambt met de daarbij behorende beloning.
70. In navolging van hetgeen ik in punt 55 van deze conclusie vaststelde, ben ik van oordeel dat het bestreden besluit als een eenvoudige interne organisatorische maatregel moet worden aangemerkt, niettegenstaande het feit dat betrokkene een gevoelige achteruitgang in zijn inkomen heeft ervaren. Zoals gezegd dit is een gevolg dat voor hem voorzienbaar behoorde te zijn en zou het geconstrueerd aandoen uitsluitend op grond van dit gegeven het bestreden besluit op andere wijze te kwalificeren. Bovendien, zoals het Parlement terecht aanvoert, zou zulks ook kunnen leiden tot de verschillende behandeling van gedetacheerde ambtenaren, al naar gelang de rang die zij tijdens hun detachering genieten wel of niet overeenstemt met hun oorspronkelijke rang.
71. In het licht van het voorgaande ben ik derhalve van oordeel dat het middel van het Parlement inzake de ontoereikende en tegenstrijdige motivering in punt 96 van het bestreden arrest ten aanzien van het belang van de gevolgen van de reïntegratie voor de materiële positie van de gedetacheerde gerechtvaardigd is. Het bestreden arrest dient derhalve ook op dit punt te worden vernietigd.
E – Vordering tot schadevergoeding
72. Het Parlement stelt dat nu het op generlei wijze onrechtmatig heeft gehandeld door het bestreden besluit te nemen, er geen reden is om de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap in het onderhavige geval vast te stellen. Het Parlement nodigt het Hof derhalve uit het arrest van het Gerecht te vernietigen voorzover het de vordering tot schadevergoeding heeft toegewezen.
Beoordeling
73. Als gevolg van het feit dat het TABG niet onrechtmatig heeft gehandeld door het bestreden besluit te nemen zonder Reynolds tevoren te hebben gehoord, ontvalt de basis aan de vaststelling in het bestreden arrest dat het Parlement aansprakelijk is voor de door hem geleden materiële en immateriële schade.
74. Het bestreden arrest dient derhalve te worden vernietigd voorzover het Parlement in de punten 2 en 4 van het dictum wordt veroordeeld tot vergoeding van de door de heer Reynolds geleden materiële en immateriële schade.
VI – Incidentele hogere voorziening ‑ middelen
75. De heer Reynolds verzoekt het Hof het arrest van het Gerecht gedeeltelijk te vernietigen op het punt van de beoordeling van de door hem geleden immateriële schade vanwege onvoldoende motivering, tegenstrijdige motivering en de onjuiste kwalificatie van de feiten. Hij merkt op dat het feit dat het Hof bevoegd is om te controleren of de elementen die dienen voor het bepalen van het bedrag van de schadevergoeding voldoende duidelijk blijkt uit het arrest Raad/De Nil en Impens. (23) Deze elementen blijken evenwel niet uit het arrest, dat in punt 154 volstaat met de vaststelling dat „het bestreden besluit de door verzoeker reeds geleden immateriële schade slechts heeft kunnen verergeren” en „het feit dat hij met terugwerkende kracht en zelfs zonder vooraf door het tot aanstelling bevoegd gezag te zijn gehoord in zijn vroegere ambt is herplaatst, […] niet anders [kon] dan verzoekers waardigheid en zijn gevoel van eigenwaarde aantasten”. Derhalve verzoekt de heer Reynolds het Hof enerzijds om het arrest van het Gerecht te vernietigen voorzover het hem in eerste instantie niet een voldoende vergoeding voor het door hem geleden immateriële schade heeft toegekend en anderzijds om op basis van het in eerste instantie door verzoeker geformuleerd verzoek, uitspraak te doen over een rechtvaardige vergoeding van deze schade.
76. Het Parlement brengt naar voren dat het arrest De Nil en Impens geen enkele basis geeft voor het incidenteel beroep van de heer Reynolds. Dit arrest betrof uitsluitend het toezicht dat door het Hof wordt uitgeoefend op de motivering van het Gerecht ten aanzien van de criteria waarmee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de hoogte van de materiële schade en niet de criteria die worden gehanteerd bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade. Volgens het Parlement is het evident dat er geen reden is om de criteria die zijn gebruikt om te komen tot een schadevergoeding van slechts één euro te preciseren. Derhalve heeft de motivering van het Gerecht het Hof duidelijk in staat gesteld zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen over de beoordeling van de immateriële schade in het onderhavige geval.
77. Het Parlement wijst erop dat volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij, voorzover dit is gevorderd, in de kosten wordt verwezen. Waar artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering erin voorziet dat het Hof in afwijking van artikel 69, lid 2, in geval van hogere voorziening ingesteld door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling, de kosten over de partijen kan verdelen indien de billijkheid dit vergt, verzoekt het Parlement het Hof om in het onderhavige geval vast te stellen dat er geen aanleiding is om aan deze bepaling toepassing te geven. Volgens het Parlement blijkt uit de door Reynolds zelf ter onderbouwing van zijn incidentele hogere voorziening aangehaalde rechtspraak dat de door hem aangevoerde middelen kennelijk ongefundeerd zijn. Om deze reden meent het Parlement dat de heer Reynolds dient te worden veroordeeld in de kosten van de incidentele hogere voorziening. (24)
78. Daarentegen verzoekt de heer Reynolds voor het geval zijn incidentele hogere voorziening niet wordt toegewezen, en rekening houdend met de argumentatie, die de gegrondheid van de door hem ter onderbouwing hiervan aangevoerde middelen aantonen, het Hof toepassing te geven aan artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering en de kosten over de partijen te verdelen voorzover de billijkheid dit vergt.
Beoordeling
79. Met zijn incidentele hogere voorziening beoogt de heer Reynolds de vernietiging van het bestreden arrest voorzover het Gerecht de afwijzing van zijn vordering tot vergoeding van de door hem geleden immateriële schade onvoldoende heeft gemotiveerd. Tevens verzoekt hij het Hof om het bedrag, waarop hij in dat kader aanspraak meent te hebben, vast te stellen.
80. In de punten 64 en 71 heb ik geconcludeerd dat de door het Parlement opgeworpen vierde en vijfde middelen gegrond zijn. Voorts heb ik in punt 73 geconcludeerd dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat het TABG onrechtmatig heeft gehandeld door de heer Reynolds niet te horen, alvorens het besluit tot beëindiging van diens detachering bij de EDD‑fractie vast te stellen en dat hij om die reden recht had op schadevergoeding. Het bestreden arrest dient om die redenen te worden vernietigd. In het verlengde hiervan moet de door de heer Reynolds ingestelde incidentele hogere voorziening – die ertoe strekt de beoordeling door het Gerecht van zijn vordering tot vergoeding van diens immateriële schade te vernietigen – worden afgewezen nu deze zonder voorwerp is geraakt.
VII – Kosten
81. Ingevolge artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering gelezen in samenhang met artikel 70 van het Reglement blijven de door de instellingen van de Gemeenschappen gemaakte kosten van een door haar ingestelde hogere voorziening in een geding met een personeelslid te hunnen laste. Nu de door het Parlement ingestelde hogere voorziening dient te leiden tot vernietiging van het bestreden arrest, dient iedere partij de met betrekking tot de hogere voorziening gemaakte kosten zelf te dragen.
82. Wat betreft de door de heer Reynolds ingestelde incidentele hogere voorziening heeft het Parlement gewezen op de mogelijkheid van artikel 122 van het Reglement om in geval van door een personeelslid van een instelling ingestelde hogere voorziening, in afwijking van artikel 69, lid 2, van het Reglement, de kosten over partijen te verdelen indien de billijkheid dit vergt. Het Parlement heeft het Hof evenwel verzocht geen toepassing aan deze bepaling te geven en de heer Reynolds te veroordelen in het geheel van de kosten met betrekking tot zijn incidentele hogere voorziening, nu de door hem aangevoerde middelen kennelijk ongegrond waren. Nu ik heb geconcludeerd dat als gevolg van de gegrondheid van het door het Parlement ingestelde hogere voorziening de door Reynolds ingestelde incidentele hogere voorziening zonder voorwerp is geraakt en er geen aanleiding is de gegrondheid daarvan te onderzoeken, zie ik geen reden om af te wijken van de hoofdregel dat een instelling in een geding met een personeelslid de door haar gemaakte kosten in beginsel zelf behoort te dragen. Ook met betrekking tot de incidentele hogere voorziening dienen partijen derhalve hun eigen kosten te dragen.
VIII – Conclusie
83. Op grond van het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
a) het arrest van het Gerecht van 23 januari 2002 in de zaak Reynolds/Parlement (T‑237/00) te vernietigen;
– voorzover het Gerecht heeft geoordeeld dat het tot aanstelling bevoegd gezag gehouden was de heer Reynolds te horen alvorens diens detachering te beëindigen en
– voorzover het Gerecht het Parlement heeft veroordeeld tot vergoeding van de door de heer Reynolds geleden materiële en immateriële schade;
b) vast te stellen dat de heer Reynolds geen aanspraak heeft op vergoeding van de door hem geleden materiële en immateriële schade,
c) de incidentele hogere voorziening van de heer Reynolds af te wijzen;
d) vast te stellen dat ieder der partijen zowel ten aanzien van de principale als ten aanzien van de incidentele hogere voorziening de eigen kosten zal dragen.
1 – Oorspronkelijke taal: Nederlands.
2 – Jurispr. blz. II‑163.
3 – Arrest van 14 juli 1997 (T‑123/95, JurAmbt. blz. I‑A‑245 en II‑697, punt 73).
4 – Arresten van het Hof van 18 oktober 1977, Schertzer/Parlement (25/68, Jurispr. blz. 1729), en van het Gerecht van 28 januari 1992, Speybrouck/Parlement (T‑45/90, Jurispr. blz. II‑33).
5 – Arrest Speybrouck/Parlement, aangehaald in voetnoot 4, punten 94 en 95.
6 – Zie punt 19 van deze conclusie.
7 – Arrest van 10 juli 1997 (T‑36/96, JurAmbt. blz. II‑595).
8 – Arrest van 6 mei 1997 (T‑169/95, JurAmbt. blz. II‑273).
9 – Arrest van 15 juni 2000, (T‑211/98, JurAmbt. blz. II‑471).
10 – Arrest van 19 november 1998, Parlement/Gaspari (C‑316/97 P, Jurispr. blz. I‑7597).
11 – Arrest van 29 juni 1994, Fiskano/Commissie (C‑135/92, Jurispr. blz. I‑2885, punt 40).
12 – Arrest B/Parlement, aangehaald in voetnoot 3.
13 – Aangehaald in voetnoot 8, respectievelijk voetnoot 9.
14 – Aangehaald in voetnoot 10.
15 – Aangehaald in voetnoot 7.
16 – Schertzer, punt 45, en Speybrouck, punt 94, beide arresten aangehaald in voetnoot 4.
17 – Arrest van 12 november 1996, Ojha (C‑294/95 P, Jurispr. blz. I‑5863), punten 41‑43.
18 – Arrest van het Gerecht van 8 juni 1993, Fiorani/Parlement (T‑50/92, Jurispr. blz. II‑555), punt 36.
19 – Arrest van 29 oktober 1981, Arning/Commissie (125/80, Jurispr. blz 2539).
20 – Aangehaald in voetnoot 18.
21 – Aangehaald in voetnoot 17.
22 – Schertzer, punt 45, en Speybrouck, punt 94, beide aangehaald in voetnoot 4.
23 – Arrest van 14 mei 1998 (C‑259/96 P, Jurispr. blz. I‑2915).
24 – Bij wijze van voorbeeld wijst het Parlement op het arrest van 23 april 2002, Campogrande (C‑62/01 P, Jurispr. blz. I‑3793).
Full & Egal Universal Law Academy