CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 20 maart 2003 (1)
Zaak C-115/02
Administration des douanes et droits indirects
tegen
Rioglass SA en Transremar SL
[verzoek van de Cour de cassation (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Vrij verkeer van goederen – Maatregelen van gelijke werking – Procedures inzake vasthouding door douane – Doorvoergoederen voor markt van derde land – Losse auto-onderdelen”
1. Het Hof heeft in zijn arrest van 26 september 2000, Commissie/Frankrijk (2) , geoordeeld dat de Franse Republiek de krachtens artikel 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 28 EG) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door op basis van de Code de la propriété intellectuelle (Wetboek van intellectuele eigendom) procedures inzake vasthouding door de douane toe te passen op in een lidstaat van de Europese Gemeenschap rechtmatig vervaardigde goederen die bestemd zijn om, na doorvoer over Frans grondgebied, op de markt te worden gebracht in een andere lidstaat, waar zij wettig kunnen worden verhandeld.
2. In de onderhavige zaak vraagt de Cour de cassation (Frankrijk) in wezen of deze rechtspraak kan gelden indien de in een lidstaat rechtmatig vervaardigde goederen voor een derde land, in casu Polen, zijn bestemd.
I ─ Het juridisch kader
A ─ De communautaire regelgeving
3. Behalve van artikel 28 EG, waarvan de verwijzende rechter de uitlegging uitdrukkelijk heeft gevraagd, is eveneens sprake van artikel 10, lid 4, van de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Polen, anderzijds (3) (hierna: Overeenkomst), dat bepaalt:De kwantitatieve beperkingen bij invoer in Polen van producten van oorsprong uit de Gemeenschap en de maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen bij invoer worden bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst opgeheven, met uitzondering van die vermeld in bijlage V, die overeenkomstig het in deze bijlage bepaalde tijdschema worden opgeheven.
4. Artikel 35 van de Overeenkomst luidt:Deze Overeenkomst vormt geen beletsel voor verboden of beperkingen op de invoer, uitvoer of doorvoer, die gerechtvaardigd zijn [...] uit hoofde van de bescherming van de intellectuele, industriële en commerciële eigendom [...]. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen de partijen vormen.
B ─ De nationale wettelijke bepalingen
5. Artikel L.716-8 van de Code de la propriété intellectuelle (Wetboek van intellectuele eigendom), dat is ingevoerd bij artikel 11 van wet 94-102 van 5 februari 1994 (4) , bepaalt: De douane kan op schriftelijk verzoek van de houder van een ingeschreven merk of de rechthebbende op een uitsluitend uitvoerrecht bij haar controles de goederen vasthouden, waarop een merk is aangebracht dat volgens de houder namaak is van het merk waarvan hij de inschrijving heeft verkregen, of waarvoor hij een uitsluitend gebruiksrecht heeft.De procureur van de Republiek, de verzoeker, alsmede de aangever of de houder van de goederen worden door de douane onverwijld in kennis gesteld van de door haar verrichte vasthouding.Deze maatregel wordt van rechtswege ingetrokken indien de verzoeker niet binnen een termijn van tien werkdagen vanaf de kennisgeving van de vasthouding van de goederen bij de douane aantoont:
─ dat de president van het Tribunal de grande instance conservatoire maatregelen heeft gelast;
─ dat hij een civielrechtelijke vordering heeft ingesteld of een klacht met het oog op een strafprocedure heeft ingediend en de vereiste zekerheid heeft gesteld ter dekking van zijn eventuele aansprakelijkheid, indien naderhand geen namaak zou worden vastgesteld [...]
II ─ Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
6. De vennootschap naar Spaans recht Rioglass SA (hierna: Rioglass) vervaardigt en verkoopt ruiten en voorruiten voor alle automerken. Blijkens de processtukken is zij door de vennootschap Sogédac, die als tussenpersoon en inkoopcentrale belast is met de erkenning van de leveranciers van de Franse autofabrikanten Peugeot, Citroën en Renault, als leverancier van deze fabrikanten erkend.
7. Rioglass heeft in november 1997 aan de in Polen gevestigde vennootschap Jann een aantal in Spanje rechtmatig vervaardigde ruiten en voorruiten voor auto's van verschillende merken verkocht. Rioglass heeft het vervoer van die goederen aan de vennootschap naar Spaans recht Transremar SL (hierna: Transremar) opgedragen. De goederen zijn met een op 24 november 1997 gedagtekend document inzake communautair vervoer EX T2 van Spanje naar Polen vervoerd, en kwamen derhalve in aanmerking voor de schorsingsregeling, waardoor goederen vrij van invoerrechten, belasting of handelspolitieke maatregelen tussen het douanegebied van de Gemeenschap en Polen kunnen worden vervoerd. Op een deel van de ruiten en voorruiten, die op modellen van Peugeot, Citroën of Renault moesten worden gemonteerd, was naast het merk van Rioglass het logo of het merk van de Franse autofabrikant aangebracht.
8. Op 25 november 1997 heeft de Franse douane bij Bordeaux een vrachtwagen van Transremar gecontroleerd. Als gevolg daarvan heeft zij een proces-verbaal inzake vasthouding van de goederen opgemaakt en vervolgens op 27 november 1997 een proces-verbaal inzake het beslag daarop wegens verdenking van namaak van een merk.
9. Rioglass en Transremar hebben in kort geding de opheffing van de maatregelen inzake vasthouding en beslag gevorderd. Bij twee beschikkingen van 8 december 1997 et 8 januari 1998 heeft de kortgedingrechter de vorderingen van verzoeksters afgewezen, die daarop hoger beroep hebben ingesteld. Zij zijn in het gelijk gesteld door de Cour d'appel de Bordeaux (Frankrijk), die bij arrest van 22 november 1999 heeft vastgesteld dat de vasthouding van zowel de vrachtwagen als de voorruiten en ruiten niet geoorloofd was, en de administration des douanes et droits indirects (hierna: douane) tot teruggave van de goederen, documenten en zekerheden heeft veroordeeld.
10. De douane heeft tegen dit arrest bij de Cour de cassation beroep in cassatie ingesteld. Onder verwijzing naar het aangehaalde arrest Commissie/Frankrijk was de Cour de cassation van oordeel dat de beslechting van het haar voorgelegde geding een uitlegging van het gemeenschapsrecht vergde om uit te maken of de in dat arrest gekozen oplossing ook in casu van toepassing was.
11. De Cour de cassation heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:Moet artikel 30 EG-Verdrag (thans artikel 28 EG) aldus worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet, dat de douaneautoriteiten op basis van de Code de la propriété intellectuelle procedures inzake vasthouding toepassen op in een lidstaat van de Europese Gemeenschap rechtmatig vervaardigde goederen die bestemd zijn om na doorvoer over Frans grondgebied op de markt te worden gebracht in een derde land, in casu Polen?
III ─ Analyse
12. De Franse regering is de enige van de deelnemers aan de procedure, die de litigieuze maatregelen inzake vasthouding met het gemeenschapsrecht verenigbaar acht.
13. Zij is namelijk van mening dat de verwijzende rechter ten onrechte aan artikel 28 EG refereert. Deze bepaling is haars inziens niet van toepassing op de onderhavige feiten, die immers betrekking hebben op goederen die voor een derde land bestemd zijn. Dit artikel, waarvan de werkingssfeer beperkt is tot de intracommunautaire handel, is hier dan ook niet aan de orde. Bijgevolg is ook het aangehaalde arrest Commissie/Frankrijk niet relevant.
14. Daar de vastgehouden goederen voor Polen bestemd waren, is haars inziens dus de Overeenkomst met dit land van toepassing, en met name de artikelen 10, lid 4, en 35 daarvan.
15. De Franse regering citeert in dit verband 's Hofs rechtspraak (5) , dat het feit dat de formulering van een artikel van het Verdrag en die van een artikel van een associatie-overeenkomst identiek is, niet betekent dat beide bepalingen op dezelfde wijze moeten worden uitgelegd. Een dergelijke overeenkomst streeft namelijk niet hetzelfde doel na als het Verdrag, een omstandigheid waarmee men bij de uitlegging van deze teksten rekening moet houden.
16. Rioglass en Transremar enerzijds en de Commissie en de Portugese regering anderzijds maken daarentegen helemaal geen melding van deze Overeenkomst. Zij zijn van mening dat de artikelen 28 EG en 30 EG in het hoofdgeding moeten worden toegepast, en dat het genoemde arrest Commissie/Frankrijk aangeeft hoe het onderhavig geschil te beslechten.
17. Eerstgenoemden beroepen zich eveneens op richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten. (6)
18. Alle deelnemers aan de procedure refereren ten slotte aan verordening (EG) nr. 3295/94. (7) De Franse regering ziet hierin een rechtvaardiging voor het optreden van de douane dat aanleiding was tot het geschil in het hoofdgeding, terwijl de Portugese regering en de Commissie de relevantie van de verordening bestrijden.
19. Blijkens bovenstaande beschrijving is niet in geschil, dat de doorvoer van de goederen wordt belemmerd. De omstreden nationale regels staan de douaneautoriteiten immers toe, de betrokken onderdelen tien dagen vast te houden. Deze vasthouding kan worden gevolgd door een verbeurdverklaring op bevel van de bevoegde nationale rechter.
20. Aangezien de standpunten echter uiteenlopen wat de bepaling betreft waaraan een dergelijke belemmering moet worden getoetst, zal ik in de eerste plaats nagaan of artikel 28 EG, waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft, inderdaad op het hoofdgeding van toepassing is.
21. De Franse regering, die dit als enige ontkent, beroept zich, zoals wij hebben gezien, op het feit dat de goederen in de onderhavige zaak bestemd zijn om in een derde land in de handel te worden gebracht, hetgeen de toepassing uitsluit van artikel 28 EG, dat enkel slaat op nationale maatregelen die de intracommunautaire handel kunnen belemmeren.
22. Het feit dat een maatregel, zoals in casu, het verkeer van goederen naar een derde land belemmert, betekent geenszins dat dezelfde maatregel niet tevens een belemmering voor het vrije verkeer van deze goederen binnen de interne markt zelf kan zijn. Het gaat er dus niet om, zoals in het arrest Bouhelier e.a. (8) , aangehaald door de Franse regering, de bepalingen van het Verdrag te transponeren op de betrekkingen met derde landen, maar om te bepalen of de betrekkingen tussen de lidstaten ongunstig zijn beïnvloed.
23. Dat is ontegenzeglijk in onderhavige zaak het geval, aangezien de litigieuze nationale maatregel de doorvoer door Frankrijk van in een andere lidstaat rechtmatig vervaardigde goederen verhindert, althans belemmert, zoals het Hof al heeft vastgesteld in het reeds aangehaalde arrest Commissie/Frankrijk, waarin het heeft geoordeeld dat deze vorm van vasthouding door de douane, waardoor het goederenverkeer wordt vertraagd en zelfs volledig kan worden geblokkeerd indien het bevoegde gerecht de verbeurdverklaring uitspreekt, een beperking van het vrij verkeer van goederen vormt. (9)
24. De interne markt wordt, zoals de Commissie beklemtoont, op tweeërlei wijze ongunstig beïnvloed. Enerzijds vormt de doorvoer van goederen afkomstig uit een lidstaat, met inbegrip van het vervoer, als zodanig een economische activiteit waarop de fundamentele vrijheden van het Verdrag van toepassing zijn. Anderzijds zou iedere andere oplossing ertoe kunnen leiden, dat de uitvoer van in een lidstaat vervaardigde goederen met als bestemming een derde land, gemeenschapsrechtelijk wel of niet zou zijn toegestaan naar gelang van de route die de goederen volgen binnen de Gemeenschap, hetgeen een verlegging van de vervoersstromen met zich kan brengen en derhalve een duidelijke verstoring vormt van het vrije verkeer en van de mededingingsvoorwaarden binnen de gemeenschappelijke markt.
25. Deze dubbele ongunstige beïnvloeding doet zich voor, ongeacht de bestemming van de door een lidstaat doorgevoerde goederen. Hieruit volgt dat de artikelen 28 EG tot en met 30 EG van toepassing zijn op een situatie als die in het hoofdgeding; dat de vastgehouden goederen voor een derde land bestemd zijn, is niet van belang.
26. Deze conclusie wordt bevestigd door 's Hofs rechtspraak. Het Hof heeft immers in zaken waarin problemen met de doorvoer door een lidstaat met een derde land als bestemming aan de orde waren (10) , altijd de artikelen 30 en 36 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 28 EG en 30 EG) toegepast. Deze zaken onderscheiden zich van die welke door de Franse regering zijn aangehaald en waarin, in tegenstelling tot de onderhavige zaak, geen probleem met de doorvoer door een lidstaat was gerezen. Enkel in dergelijke gevallen heeft het Hof de situatie geanalyseerd in het licht van de overeenkomsten die zijn gesloten met de staat waarvoor de litigieuze goederen waren bestemd.
27. Uit de rechtspraak (11) inzake problemen met de doorvoer door een lidstaat met een derde land als bestemming, blijkt dat als uitvloeisel van de douane-unie en in het wederzijds belang van de lidstaten het bestaan moet worden erkend van een algemeen beginsel van vrije doorvoer van goederen binnen de Gemeenschap [...]. Het bestaan van dit beginsel wordt overigens bevestigd door de vermelding van doorvoer in artikel 36 EEG-Verdrag.
28. Uit het bovenstaande vloeit voort, dat men in het licht van de verdragsbepalingen moet onderzoeken of de litigieuze beperking kan worden gerechtvaardigd. Het is dus niet nodig om de bepalingen van de Overeenkomst te analyseren en met name om zich af te vragen of deze wel of niet in dezelfde zin moeten worden uitgelegd als de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen.
29. Men zou echter nog een beroep kunnen doen op de vaste rechtspraak (12) volgens welke de toepassing van de verdragsbepalingen is uitgesloten zodra er een communautaire harmonisatie op het desbetreffende gebied bestaat. Nu bestaan er op het gebied van het merkenrecht communautaire regels tot harmonisatie en unificatie. (13)
30. Ik merk echter op, dat de verwijzende rechter in zijn vraag heeft gerefereerd aan de intellectuele eigendomsrechten in het algemeen en niet enkel aan het merkenrecht. Hieruit volgt dat het bestaan van communautaire regels die hierop betrekking hebben, niet doorslaggevend kan zijn voor de beantwoording van de gestelde vraag. Bovendien beperken de feiten van het dossier zelf zich niet tot het merkenrecht. Zoals de Commissie stelt, is in de processen-verbaal van 25 en 27 november 1997 van de Franse douane ook een verdenking van namaak van tekeningen en modellen geformuleerd.
31. Bovendien bevat noch richtlijn 89/104, noch verordening nr. 40/94 een bepaling met betrekking tot voorlopige en conservatoire maatregelen inzake met name vasthoudingen door de douaneautoriteiten, zoals die in de onderhavige zaak. Wat het recht op tekeningen en modellen betreft, vestig ik er de aandacht op dat richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen (14) , ten tijde van de feiten niet van toepassing was. Overigens harmoniseert deze richtlijn de bescherming van tekeningen en modellen slechts ten dele en verwijst zij, met name wat de losse onderdelen van auto's betreft, naar het nationale recht, zoals blijkt uit artikel 14, dat luidt als volgt: [...] Zolang deze richtlijn niet overeenkomstig artikel 18 op voorstel van de Commissie is gewijzigd, handhaven de lidstaten hun bestaande wettelijke bepalingen inzake het gebruik van het model van een onderdeel voor het repareren van een samengesteld voortbrengsel met de bedoeling het zijn oorspronkelijke vorm terug te geven, en wijzigen zij die bepalingen alleen als daarmee een liberalisering van de markt voor dergelijke onderdelen wordt beoogd.
32. Uit bovenstaande overwegingen vloeit voort, dat het hier niet gaat om een geval waarin het bestaan van harmonisatie de toepassing van de verdragsregels kan uitsluiten.
33. Er moet dus worden nagegaan of maatregelen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, gerechtvaardigd kunnen zijn uit het oogpunt van een van de overwegingen van artikel 30 EG, namelijk de bescherming van de industriële en commerciële eigendom, een rechtvaardigingsgrond waarop de Franse autoriteiten een beroep hebben gedaan en die door alle deelnemers aan de procedure is onderzocht.
34. Ik moet er echter terstond op wijzen dat mijn analyse hetzelfde stramien volgt als die van het Hof in het reeds aangehaalde arrest Commissie/Frankrijk. Het gaat in de onderhavige zaak immers om dezelfde procedures van vasthouding door de douane; de vraag, of die mogelijk gerechtvaardigd waren op grond van de bescherming van de industriële en commerciële eigendom krachtens artikel 30 EG, was ook in dat arrest aan de orde.
35. Weliswaar is er in het hoofdgeding ook, en zelfs vooral, sprake van een vermoeden van namaak van een merk, terwijl het in het vorige arrest ging om een verdenking van namaak van tekeningen en modellen. Zoals wij zullen zien, is dit echter niet van invloed op het verloop van mijn redenering.
36. Ik breng in de eerste plaats de analyse van het Hof in de reeds aangehaalde zaak Commissie/Frankrijk in herinnering. Het Hof heeft de industriële en commerciële eigendom genoemd als mogelijke rechtvaardiging voor een beperking van het vrije verkeer van goederen en er de nadruk op gelegd dat artikel 36 van het Verdrag beoogt de vereisten van het vrije verkeer en het industriële en commerciële eigendomsrecht met elkaar te verzoenen, door te voorkomen dat binnen de gemeenschappelijke markt kunstmatige barrières worden gehandhaafd of opgeworpen. Volgens het Hof staat [deze bepaling] afwijkingen van het grondbeginsel van het vrije verkeer van goederen binnen de gemeenschappelijke markt slechts toe, voorzover die afwijkingen gerechtvaardigd zijn om de rechten te waarborgen welke het specifieke voorwerp van deze eigendom vormen (zie met name arresten van 17 oktober 1990, Hag GF, C-10/89, Jurispr. blz. I-3711, punt 12, en 22 september 1998, FDV, C-61/97, Jurispr. blz. I-5171, punt 13).
37. Het Hof heeft vervolgens de inhoud van het specifieke voorwerp van de betrokken industriële en commerciële eigendom, namelijk een recht op tekeningen en modellen onderzocht, teneinde na te gaan of de mogelijkheid om derden te verhinderen de betrokken goederen zonder toestemming van de houder van het recht te laten doorvoeren over een grondgebied waar genoemd recht geldt, deel uitmaakte van het specifieke voorwerp van dit recht.
38. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord door een onderscheid te maken tussen handelingen als verkoop, fabricage of invoer enerzijds en doorvoer anderzijds. Eerstgenoemde handelingen houden in, dat een derde gebruik maakt van het uiterlijk voorkomen van een product dat door het recht op tekeningen en modellen wordt beschermd. Het specifieke voorwerp van dit recht is de houder het uitsluitende recht te verschaffen om als eerste een product met het beschermde uiterlijk voorkomen in de handel te brengen, hetgeen hem een beloning garandeert als tegenprestatie voor zijn toestemming om dat uiterlijk voorkomen te gebruiken.
39. Doorvoer impliceert daarentegen geen enkel gebruik van het uiterlijk voorkomen van de beschermde tekening of het beschermde model en heeft dus geen invloed op het specifieke voorwerp van de industriële en commerciële eigendom.
40. Het Hof is van oordeel dat de belemmering van het vrije verkeer van goederen, die wordt veroorzaakt door de vasthouding van het product door de douane van de lidstaat waar de doorvoer plaatsvindt, niet wordt gerechtvaardigd op grond van de bescherming van de industriële en commerciële eigendom.
41. Deze redenering kan, mutatis mutandis, in de onderhavige zaak ook worden toegepast.
42. De beperking van het vrije verkeer van goederen kan immers slechts worden gerechtvaardigd op grond van de bescherming van het specifieke voorwerp van de industriële en commerciële eigendom waar het in deze zaak om gaat, namelijk het merkrecht.
43. Het Hof heeft, zoals de Commissie terecht beklemtoont, reeds de gelegenheid gehad in vaste rechtspraak (15) de inhoud van het specifieke voorwerp van het merkrecht nader te omschrijven, dat er in het bijzonder in bestaat de rechthebbende het uitsluitende recht te verschaffen om het merk te gebruiken voor het als eerste in het verkeer brengen van een product.
44. Het specifieke voorwerp houdt dus, zoals voor het recht op tekeningen en modellen in de eerder aangehaalde zaak Commissie/Frankrijk, een uitsluitend gebruik in bij het voor de eerste maal in de handel brengen. Bij doorvoer kan echter uit de aard der zaak geen sprake zijn van een dergelijk gebruik en kan dus het specifieke voorwerp niet worden beïnvloed, omdat doorvoer, zoals het Hof heeft opgemerkt in de eerder aangehaalde zaak Commissie/Frankrijk (16) , zich beperkt tot het fysieke vervoer van de betrokken producten en niet het in de handel brengen ervan inhoudt.
45. Deze conclusie geldt, welke ook de eindbestemming van de doorgevoerde goederen is. Of die nu in een andere lidstaat of in een derde land ligt, heeft geen gevolgen voor de omstandigheid dat doorvoer per definitie niet hetzelfde is als het in de handel brengen en dus niet van invloed is op het specifieke voorwerp van het recht van de merkhouder, namelijk ─ ik leg er nogmaals de nadruk op ─ het voor de eerste maal in de handel brengen van het product dat door dit merkrecht wordt beschermd.
46. Uit het voorgaande vloeit voort dat de belemmering van het vrije verkeer van goederen door de vasthouding door de douane van in een andere lidstaat rechtmatig vervaardigde goederen teneinde hun doorvoer te verhinderen, niet gerechtvaardigd is op grond van de bescherming van de industriële en commerciële eigendom.
47. Ik merk ten slotte op, dat niet gesteld wordt dat genoemde vasthoudingen noodzakelijk zijn om de oorsprong of de bestemming van de betrokken producten te onderzoeken. In ieder geval heeft het Hof in punt 48 van het eerder aangehaalde arrest Commissie/Frankrijk reeds geoordeeld dat voor genoemde vasthoudingen geen rechtvaardigingsgrond aanwezig is, aangezien een dergelijk onderzoek normaliter ter plaatse kan worden verricht. Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat een vasthouding die tot tien dagen kan duren, in elk geval niet in verhouding staat tot het doel van een dergelijk onderzoek.
48. Ik voeg daar nog aan toe, dat de Franse regering heeft uiteengezet dat het optreden van de douanebeambten gebaseerd was op artikel 1, lid 1, sub a, eerste streepje, van verordening nr. 3295/94, dat als volgt luidt:Bij deze verordening wordt vastgesteld [...] onder welke voorwaarden de douaneautoriteiten optreden wanneer goederen waarvan wordt vermoed dat zij zijn nagemaakt of door piraterij zijn verkregen [...] voor het vrije verkeer, voor uitvoer of wederuitvoer worden aangegeven [...].
49. Terecht herinnert de Commissie evenwel aan de rechtspraak volgens welke deze bepaling enkel uit derde landen afkomstige goederen betreft. (17) Het is echter niet bestreden dat de in het hoofdgeding bedoelde goederen communautaire goederen waren die rechtmatig in een lidstaat waren vervaardigd.
50. De omstandigheid dat voor deze goederen een uitvoerverklaring is opgesteld, doet hen niet deze hoedanigheid verliezen; zij houden deze zolang zij niet daadwerkelijk het communautaire douanegebied hebben verlaten. Artikel 4, punt 8, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 2913/92 (18) bepaalt immers wat dit betreft: Onverminderd de artikelen 163 en 164 [met betrekking tot intern douanevervoer], verliezen communautaire goederen deze douanestatus wanneer zij het douanegebied van de Gemeenschap daadwerkelijk verlaten. Evenzo doet de plaatsing onder een regeling van intern douanevervoer, waarop de verwijzende rechter de aandacht vestigt, de betrokken goederen hun status van communautaire goederen niet verliezen, aangezien uit artikel 163, lid 1, van het Douanewetboek blijkt dat [d]e regeling intern douanevervoer [...], onder de in de leden 2, 3 en 4 genoemde voorwaarden, het vervoer mogelijk [maakt] van communautaire goederen van één plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap via het grondgebied van een derde land, zonder wijziging van hun douanestatus. [...].
51. De communautaire aard van de betrokken goederen is op zich voldoende om in casu de toepassing van verordening nr. 3295/94 uit te sluiten. Het is dus in het geheel niet nodig om de argumentatie van de Franse regering te onderzoeken, die betoogt dat de voorwaarden van artikel 4 van de verordening, betreffende het bestaan van een verzoek van de houder van het recht aan de douane om op te treden, waren vervuld. De Commissie bestrijdt echter niet alleen dat er in casu sprake was van duidelijkheid in de zin van deze bepaling, vereist om een vasthouding te rechtvaardigen, maar neemt het tegengestelde standpunt in en citeert de Cour d'appel de Bordeaux, die heeft vastgesteld dat genoemd artikel 4 niet in acht is genomen.
52. Uit het voorgaande vloeit voort dat maatregelen inzake vasthouding door de douane, van het soort dat in het hoofdgeding aan de orde is, beperkingen van het vrije verkeer van goederen vormen, die onverenigbaar zijn met artikel 28 EG en niet gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom in de zin van artikel 30 EG.
IV ─ Conclusie
53. Om de hierboven uiteengezette redenen stel ik het Hof voor, op de door de Cour de cassation gestelde vraag als volgt te antwoorden:Artikel 28 EG moet aldus worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat de douaneautoriteiten procedures inzake vasthouding, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, toepassen op in een lidstaat van de Europese Gemeenschap rechtmatig vervaardigde goederen die bestemd zijn om, na doorvoer over Frans grondgebied, op de markt te worden gebracht in een derde land, in casu Polen.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – C-23/99, Jurispr. blz. I-7653.
3 – PB 1993, L 348, blz. 2.
4 – JORF van 8 februari 1994, blz. 2151.
5 – Arresten van 11 oktober 1979, Bouhelier e.a. (225/78, Jurispr. blz. 3151); 9 februari 1982, Polydor en RSO (270/80, Jurispr. blz. 329); 26 oktober 1982, Kupferberg (104/81, Jurispr. blz. 3641); 1 juli 1993, Metalsa (C-312/91, Jurispr. blz. I-3751), en 27 september 2001, Gloszczuk (C-63/99, Jurispr. blz. I-6369).
6 – PB 1989, L 40, blz. 1.
7 – Verordening van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden (PB L 341, blz. 8).
8 – Reeds aangehaald.
9 – Punt 22.
10 – Arresten van 4 oktober 1991, Richardt en Les Accessoires scientifiques (C-367/89, Jurispr. blz. I-4621), en 11 mei 1999, Monsees (C-350/97, Jurispr. blz. I-2921).
11 – Arrest Richardt en Les Accessoires scientifiques, reeds aangehaald, punt 14.
12 – Zie bijvoorbeeld arrest van 10 juli 1984, Campus Oil e.a. (72/83, Jurispr. blz. 2727).
13 – Zie richtlijn 89/104/EEG en verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).
14 – PB L 289, blz. 28.
15 – Zie bijvoorbeeld het arrest van 31 oktober 1974, Winthrop (16/74, Jurispr. blz. 1183).
16 – Punten 43 en 44.
17 – Arrest Commissie/ Frankrijk, reeds aangehaald, punt 3.
18 – Verordening van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: douanewetboek).
Full & Egal Universal Law Academy