CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKl
van 10 september 2003 (1)
Zaak C-118/02
Industrias de Deshidratación Agrícola SA
tegen
Administración del Estado
[Verzoek van het Tribunal Supremo (Spanje) om een prejudiciële beslissing]
„Landbouw – Gemeenschappelijke marktordening voor gedroogde voedergewassen – Verordening (EG) nr. 603/95 van de Raad en verordening (EG) nr. 785/95 van de Commissie –Toelaatbaarheid van nationale voorwaarden voor te verwerken groenvoeder of verse voedergewassen”
I – Inleiding
1. Deze procedure betreft een probleem op het vlak van de bevoegdheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de lidstaten: in hoeverre kunnen lidstaten voorwaarden voor steunverlening in het kader van een gemeenschappelijke marktordening op landbouwgebied vaststellen?
II – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
2. Bij verordening (EG) nr. 603/95 van de Raad(2) (hierna: „basisverordening”) werd een gemeenschappelijke marktordening voor gedroogde voedergewassen ingesteld. Het doel van deze marktordening is om de prijzen te stabiliseren door middel van prijsregelingen en regels voor het handelsverkeer met derde landen.
3. Deze gemeenschappelijke marktordening bestaat in wezen uit een regeling tot betaling van forfaitaire steun voor gedroogde voedergewassen(3) In dat verband is de steun voor kunstmatig gedroogde voedergewassen, wegens de extra kosten, hoger dan voor in de zon gedroogde voedergewassen.(4)
4. Teneinde de communautaire productie van gedroogde voedergewassen binnen de perken te houden, is de hoeveelheid waarvoor steun kan worden verleend, al naargelang de droogmethode beperkt door gegarandeerde maximumhoeveelheden. Wanneer deze hoeveelheden in een bepaald verkoopseizoen worden overschreden, wordt het steunbedrag verlaagd. Deze verlaging wordt in alle lidstaten gelijkelijk toegepast, zodra de gegarandeerde maximumhoeveelheid met meer dan 5 % wordt overschreden.(5) Bij een grotere overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheid wordt in de lidstaten die hun nationaal gegarandeerde maximumhoeveelheden hebben overschreden, nog een verlaging toegepast.(6)
5. Artikel 8 van de basisverordening stelt voorwaarden aan de minimumkwaliteit van de gedroogde voedergewassen waarvoor steun kan worden verleend.
6. De steun wordt verleend aan verwerkingsbedrijven die door producenten, producentenverenigingen of kopers worden bevoorraad. Verwerkingsbedrijven worden door de bevoegde instantie van de lidstaten erkend, wanneer zij voldoen aan bepaalde voorwaarden, in het bijzonder het voeren van een voorraadboekhouding.(7)
7. Teneinde de regelmatige bevoorrading van de betrokken verwerkingsbedrijven te bevorderen en de steunmaatregelen aan de producenten ten goede te laten komen, wordt de steunverlening in bepaalde gevallen afhankelijk gesteld van het sluiten van contracten tussen de producenten en de verwerkingsbedrijven. Volgens artikel 11, lid 1, van de basisverordening bevatten dergelijke contracten gegevens over onder meer de oppervlakte waarvan de oogst aan het verwerkingsbedrijf moet worden geleverd, en de leverings‑ en betalingsvoorwaarden.
8. Artikel 12 van de basisverordening legt de lidstaten controleverplichtingen op. Het door hen in te voeren controlestelsel moet in het bijzonder verzekeren dat aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan en dat de hoeveelheden waarvoor steun wordt aangevraagd, overeenstemmen met de hoeveelheden gedroogde voedergewassen van de minimumkwaliteit die het verwerkingsbedrijf verlaten.
9. Een nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie wordt gewaarborgd door de instelling van een administratief comité en een daarbij behorende procedure van artikel 17 van de basisverordening. Artikel 18 van de basisverordening bepaalt, dat de bepalingen ter uitvoering van de basisverordening worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 17. Deze bepalingen betreffen:
„– het verlenen van de in artikel 3 bedoelde steun (...),
– de controle op en de bepaling van het recht op de steun (...),
– de criteria voor de bepaling van de minimumkwaliteit,
– de voorwaarden waaraan de in artikel 9, onder c), tweede streepje, bedoelde bedrijven moeten voldoen, en de in artikel 10 bedoelde voorwaarden,
– de op grond van artikel 12, lid 2, uit te voeren controles,
– de criteria voor het sluiten van de in artikel 9 bedoelde contracten en de inlichtingen die daarin naast de in artikel 11 bedoelde gegevens moeten voorkomen,
– de toepassing van de gegarandeerde maximumhoeveelheid (GMH).”
10. Verordening (EG) nr. 758/95 van de Commissie(8) (hierna: „uitvoeringsverordening”) bevat de uitvoeringsbepalingen van de basisverordening. Volgens de eerste overweging van de considerans moeten bepaalde begrippen worden gedefinieerd „ter wille van de doeltreffendheid van de steunregeling voor gedroogde voedergewassen”. De uitvoeringsverordening bevat een gedetailleerde regeling van de in artikel 8 van de basisverordening bedoelde, in vochtgehalte en eiwitgehalte uitgedrukte minimumkwaliteitsvoorwaarden voor de gedroogde voedergewassen en producten.(9) Zo moet de steun in wezen worden verleend voor producten die bij het verlaten van het verwerkingsbedrijf van gezonde handelskwaliteit zijn en die beantwoorden aan de volgende normen: een vochtgehalte tussen 11 en 14 % en een eiwitgehalte van minstens 45 % voor eiwitconcentraten en gedroogde producten en 15 % voor de overige producten.
11. In dit verband verplicht artikel 9 van de uitvoeringsverordening de verwerkingsbedrijven om voor de kunstmatig te drogen voedergewassen en eventueel de in de zon gedroogde voedergewassen die hun ter verwerking worden geleverd, de geleverde hoeveelheden via systematische weging vast te stellen. Ook moeten zij het op basis van die bepaling vastgestelde gemiddelde vochtgehalte regelmatig aan de bevoegde instantie meedelen.
12. Artikel 8 van de uitvoeringsverordening betreft de in artikel 9 van de basisverordening bedoelde contracten. Voor controledoeleinden moeten deze de soort of de soorten en de geraamde hoeveelheid van de te verwerken voedergewassen bevatten, alsmede de identificatie van het landbouwperceel of de landbouwpercelen waarop de te verwerken voedergewassen worden verbouwd, volgens het geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem.
13. In artikel 11 van de uitvoeringsverordening worden de monsterneming en de vaststelling van het gewicht van de gedroogde voedergewassen geregeld. In samenhang met deze controlemaatregelen worden in artikel 12 van de uitvoeringsverordening de bepalingen van artikel 9, sub b, betreffende de voorraadboekhouding verder uitgewerkt. Volgens artikel 12, lid 1, moeten onder meer de in artikel 1 van verordening (EG) nr. 603/95 bedoelde soort of de soorten kunstmatig te drogen voedergewassen en, eventueel, in de zon gedroogde voedergewassen die bij deze bedrijven zijn binnengekomen, evenals het vochtgehalte van de kunstmatig te drogen voedergewassen in de voorraadboekhouding worden opgenomen.
14. Verder bevat de uitvoeringsverordening bepalingen over de door de bevoegde instanties uit te voeren controles (artikel 14) en de aan de Commissie mee te delen gegevens (artikel 15). Van belang lijkt, dat volgens artikel 14, lid 3, van de uitvoeringsverordening de bevoegde instanties bij twijfel aan de juistheid van de gegevens in de steunaanvraag in het bijzonder bij de grondstoffenleveranciers controles moeten verrichten. Volgens artikel 15, sub e, van de uitvoeringsverordening delen de lidstaten de Commissie het gemiddelde vochtgehalte van de kunstmatig te drogen voedergewassen mee.
B – Nationaal recht
15. In Spanje is de nationale regeling voor steun in de sector gedroogde voedergewassen vastgesteld bij Real Decreto (koninklijk decreet) nr. 283/1999 van 22 februari 1999 ( hierna: „Real Decreto”).
16. In de considerans heet het:
„De gemeenschapsregeling die van toepassing is op steun in de sector gedroogde voedergewassen is vervat in verordening (EG) nr. 603/95 van de Raad van 21 februari 1995 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector gedroogde voedergewassen, en in verordening (EG) nr.785/95 van de Commissie van 6 april 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 603/95.
Onverminderd de rechtstreekse toepasselijkheid van deze verordeningen moet de in deze verordeningen bedoelde, nationaal bevoegde instantie worden aangewezen.
Gelet op de grondwettelijke bevoegdheidsverdeling is de staat bevoegd voor de vaststelling van de basisregeling voor de steun en zijn de autonome gemeenschappen bevoegd voor de vaststelling van de uitvoeringsbepalingen, waaronder het beheer van deze steun.
[...]”
17. Met betrekking tot de verplichtingen van de verwerkingsbedrijven bepaalt artikel 5 van Real Decreto 283/1999:
„1. De erkende verwerkingsbedrijven leggen aan de bevoegde instantie van de autonome gemeenschap die hen heeft erkend, het bewijs over, dat aan de in de gemeenschapsregeling gestelde voorwaarden is voldaan, zulks binnen de aldaar bepaalde termijn.
2. Zij delen de bevoegde instantie van de autonome gemeenschap het rooster van verzending mee van het voor steun in aanmerking komende gedroogde voedergewas dat het bedrijf zal verlaten.
3. Voor dehydratie bestemde voedergewassen zijn die welke gehakt en onverpakt bij de fabriek aankomen, waarvan het vochtgehalte meer dan 30 % bedraagt en die na binnenkomst in het verwerkingsbedrijf binnen 24 uur worden verwerkt en afkomstig zijn van percelen die maximaal 100 kilometer van het betrokken verwerkingsbedrijf zijn verwijderd, tenzij, wat dit laatste betreft, een grotere afstand wordt gerechtvaardigd door gespecialiseerd vervoer. Bovendien bestaat alleen recht op steun voor partijen die bij binnenkomst in het verwerkingsbedrijf een gemiddeld vochtgehalte van ten minste 35 % hebben, dat eenmaal per tien dagen wordt gemeten.”
III – De feiten en het procesverloop
18. De vennootschap Industrias de Deshidratación Agrícola SA heeft bij de verwijzende rechter beroep ingesteld en gevorderd dat artikel 5, lid 3, van Real Decreto 283/1999 van 22 februari 1999 tot vaststelling van de basisregeling voor steun in de sector voedergewassen, bekendgemaakt in Boletin Oficial del Estado nr. 46 van 23 februari 1999, onwettig en dus nietig wordt verklaard.
19. Zij motiveert haar standpunt met te verwijzen naar de basisverordening en de uitvoeringsverordening. Hierin zijn de voorwaarden geregeld waaraan de verwerkingsbedrijven en hun productie moeten voldoen om voor communautaire steun in aanmerking te komen. Aan de lidstaten worden slechts twee aspecten van de steunregeling overgelaten: de controle of de verwerkingsbedrijven op hun grondgebied aan de steunverleningsvoorwaarden voldoen, en het beheer van de steunbetaling. Zij mogen de communautaire verordeningen niet wijzigen door nieuwe of andere voorwaarden en eisen te stellen dan die welke in de gemeenschapsregeling zijn gesteld.
20. Het Tribunal Supremo heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vragen gesteld:
1) Zijn de artikelen 249, tweede alinea, EG, 10 EG en 34, lid 2, tweede alinea, EG junctis verordening [nr. 603/95] en verordening [nr. 785/95] verenigbaar met een nationale regeling die voor de toekenning van steun voor de dehydratie van groenvoeder of verse voedergewassen als voorwaarde stelt dat deze gewassen in de verwerkingsbedrijven gehakt en niet in balen verpakt voor dehydratie worden aangeboden?
2) Zijn de artikelen 249, tweede alinea, EG, 10 EG en 34, lid 2, tweede alinea, EG junctis verordening [nr. 603/95] en verordening [nr. 785/95] verenigbaar met een nationale regeling die voor de toekenning van steun voor de dehydratie van groenvoeder of verse voedergewassen als voorwaarde stelt dat deze gewassen bij aankomst in het verwerkingsbedrijf een vochtgehalte van meer dan 30 % en een gemiddeld vochtgehalte van ten minste 35 % hebben, dat eenmaal in de tien dagen wordt gemeten?
3) Zijn de artikelen 249, tweede alinea, EG, 10 EG en 34, lid 2, tweede alinea, EG junctis verordening [nr. 603/95] en verordening [nr. 785/95] verenigbaar met een nationale regeling die voor de toekenning van steun voor de dehydratie van groenvoeder of verse voedergewassen als voorwaarde stelt dat deze gewassen na binnenkomst in het verwerkingsbedrijf binnen 24 uur worden verwerkt?
4) Zijn de artikelen 249, tweede alinea, EG, 10 EG en 34, lid 2, tweede alinea, EG junctis verordening [nr. 603/95] en verordening [nr. 785/95] verenigbaar met een nationale regeling die voor de toekenning van steun voor de dehydratie van groenvoeder of verse voedergewassen als voorwaarde stelt dat deze gewassen afkomstig zijn van percelen die maximaal 100 kilometer van het betrokken verwerkingsbedrijf verwijderd liggen, tenzij, wat dit laatste betreft, de grotere afstand wordt gerechtvaardigd door gespecialiseerd vervoer?”
IV – Onderzoek van de vragen
21. Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de basisverordening en de uitvoeringsverordening in de weg staan aan een nationale regeling die bijzondere voorwaarden stelt aan het te verwerken groenvoeder of verse voedergewassen, alsook aan de teeltwijze. Deze voorwaarden betreffen:
– de aanbieding van het groenvoeder of de verse voedergewassen die voor dehydratie zijn bestemd (eerste vraag),
– het vochtgehalte van het groenvoeder of de verse voedergewassen bij binnenkomst in het verwerkingsbedrijf (tweede vraag),
– het maximale tijdsverloop tussen binnenkomst en verwerking van het groenvoeder of de verse voedergewassen (derde vraag),
– de maximale afstand tussen de plaats waar het groenvoeder of de verse voedergewassen worden verbouwd, en de plaats waar zij worden verwerkt (vierde vraag).
22. Alle vragen hebben betrekking op afzonderlijke voorwaarden voor het te verwerken groenvoeder of de verse voedergewassen en stellen daarmee telkens de vraag naar de verhouding tussen het nationale recht en het communautaire marktordeningsrecht aan de orde. Om nog nader te noemen redenen kan op de vragen, ongeacht de afzonderlijke voorwaarden, steeds hetzelfde antwoord worden gegeven, en daarom dienen zij mijns inziens te worden samengevoegd en gezamenlijk te worden behandeld.
23. Alvorens ik op de bijzonderheden van de gemeenschappelijke marktordening voor gedroogde voedergewassen inga, herinner ik aan de zeer omvangrijke rechtspraak van het Hof over de verhouding tussen nationaal recht en communautair marktordeningsrecht.
A – De rechtspraak van het Hof betreffende de verhouding tussen marktordeningsrecht en nationaal recht
24. De Commissie verwijst in haar schriftelijke opmerkingen naar het arrest van 18 september 1996 in zaak 48/85(10), waarin wordt verklaard „dat het tot de essentie van een gemeenschappelijke marktordening [behoort], dat de lidstaten op de daaronder vallende gebieden niet langer met nationale, eenzijdig vastgestelde bepalingen kunnen ingrijpen (zie onder meer arrest van 29 juni 1978, zaak 154/77, strafzaak tegen P. Dechmann, Jurispr. blz. 1573). Hun wetgevende bevoegdheid is niet meer dan een restbevoegdheid en is beperkt tot situaties die niet door de gemeenschapsregeling worden beheerst, en tot gevallen waarin die regeling hen uitdrukkelijk bevoegd verklaard.”
25. De lidstaten beschikken dus op de door een gemeenschappelijke marktordening beheerste gebieden nog slechts over een restbevoegdheid in wetgevend opzicht. Of een lidstaat deze restbevoegdheid nu al dan niet kan uitoefenen, hangt weer af van het feit of de desbetreffende marktordening op het betrokken gebied als uitputtende regeling moet worden beschouwd. Zelfs wanneer een gemeenschappelijke marktordening het betrokken gebied niet volledig heeft geregeld, zijn maatregelen van de lidstaten die de goede werking van de marktordening kunnen belemmeren, ongeoorloofd.(11)
26. In het licht van deze rechtspraak omvat het onderzoek naar de verenigbaarheid van een nationale maatregel met communautair marktordeningsrecht de volgende stappen: eerst moet worden onderzocht of de maatregel een gebied betreft dat door een gemeenschappelijke marktordening wordt beheerst. Is dit het geval, moet vervolgens worden onderzocht of de gemeenschappelijke regeling als uitputtend moet worden beschouwd. Indien de maatregel een gebied betreft dat niet door de betrokken gemeenschappelijke marktordening wordt beheerst of indien de gemeenschapsregeling niet als uitputtend kan worden beschouwd, moet als volgende stap worden gekeken naar de gevolgen van de nationale maatregel om vast te stellen, of deze de goede werking van de betrokken marktordening al dan niet nadelig beïnvloeden.(12)
B – De vragen
1. Samenvatting van de ingediende opmerkingen
27. Industrias de Deshidratación Agrícola SA voert aan, dat artikel 5, lid 3, van Real Decreto 283/1999 verder gaat dan de bevoegdheden van het Koninkrijk Spanje reiken. Zowel de basisverordening alsook de uitvoeringsverordening bevat uitputtende voorwaarden voor de steunverlening, zodat het een lidstaat niet is toegestaan andere voorwaarden te stellen.
28. De Spaanse regering en de Commissie staan op het tegenovergestelde standpunt. De Commissie wijst op de hiervoor genoemde vaste rechtspraak van het Hof.(13) De wetgevende bevoegdheid van de lidstaten is beperkt tot situaties die niet door het gemeenschapsrecht worden beheerst, of tot gevallen waarin de bevoegdheid hun uitdrukkelijk wordt toegekend.
29. Volgens de Spaanse regering bevatten de verordeningen (EG) nrs. 603/95 en 785/95 geen definitie van het basisproduct. Enkel het eindproduct wordt door de uitvoeringsverordening voldoende beschreven. Onder deze omstandigheden hebben de Spaanse instanties de bevoegdheid het begrip basisproduct inhoudelijk te definiëren, zolang die definitie niet in strijd is met het gemeenschapsrecht en de gemeenschappelijke marktordening niet doorkruist.
30. De Commissie verwijst naar methoden in Spanje waardoor het vochtgehalte van het groenvoeder of de verse voedergewassen door voorafgaande droging aan de open lucht wordt verminderd. Zij komt tot de slotsom dat deze methoden in strijd zijn met de geest en het doel van de communautaire steunregeling, dat wil zeggen met de verordeningen (EG) nrs. 603/95 en 785/95, omdat de hogere steun voor kunstmatig gedroogde producten juist de extra inspanning van deze wijze van drogen moet compenseren.
31. De Spaanse regering voert verder aan, dat de voorwaarden van artikel 5, lid 3, van Real Decreto 283/1999 moeten worden gezien als een poging om fraude te bestrijden, zodat de steun in overeenstemming met artikel 8 van verordening nr. 603/95 wordt verleend.
2. Juridische beoordeling
32. De verwijzende rechter verzoekt om uitlegging van artikel 249, tweede alinea, EG, 10 EG en 34, lid 2, tweede alinea, EG junctis verordeningen (EG) nrs. 603/95 en 785/95. Met betrekking tot artikel 249, tweede alinea, EG wenst de verwijzende rechter blijkbaar te vernemen, of de bindende aard en de rechtstreekse werking van verordeningen zich verzet tegen een nationale regeling als hier in geding. Een antwoord hierop onderstelt echter uitlegging van de genoemde verordeningen. Hetzelfde geldt voor de in artikel 10 EG neergelegde verplichting tot loyale samenwerking. De verwijzing naar artikel 34, lid 2, tweede alinea, EG zal, dunkt mij, aldus moeten worden opgevat, dat een nationale regeling als hier in geding een – verboden – discriminatie tussen producenten tot gevolg kan hebben, wat eveneens in het kader van de uitlegging van beide genoemde verordeningen dient te worden onderzocht. Een apart onderzoek van de aangevoerde bepalingen van primair recht kan dus achterwege blijven.
33. Vooraf wil ik opmerken, dat een conflict tussen nationale maatregelen en communautair marktordeningsrecht logischerwijze onderstelt dat de in geding zijnde nationale maatregelen een door de gemeenschappelijke marktordening beheerst gebied – in de zin van de hiervoor aangehaalde rechtspraak(14) – betreffen. Juist dit moet hier echter worden betwijfeld. Artikel 1, lid 1, van de basisverordening legt de werkingssfeer van de gemeenschappelijke marktordening vast en verwijst daarbij uitsluitend naar producten die uit de verwerking van groenvoeder of verse voedergewassen ontstaan . Daaruit volgt dat groenvoeder en verse voedergewassen zelf niet onder deze marktordening vallen. De bevoegdheid van de Spaanse autoriteiten tot vaststelling van regels voor te verwerken groenvoeder of verse voedergewassen staat daarmee buiten twijfel.
34. De sporadische verwijzing naar „groenvoeder” – bijvoorbeeld in artikel 9, sub a, eerste streepje, van de basisverordening – of naar „verse voedergewassen” – bijvoorbeeld in artikel 1, lid 2 van de uitvoeringsverordening of in artikel 11, lid 1, van de basisverordening – kan niets afdoen aan dit oordeel. Dergelijke verwijzingen leiden namelijk niet tot een ruimere werkingssfeer van de betrokken marktordening, maar moeten veeleer worden gezien in hun regelingscontext: zij komen voor in de beschrijving van de voorraadboekhouding als bedoeld in artikel 9, sub a, van de basisverordening, respectievelijk van de verwerkingscontracten als bedoeld in artikel 9, sub c van de basisverordening, derhalve in verband met bepalingen voor de controle van het recht op steun.
35. De verwijzende rechter wijst er echter op, dat zowel de basisverordening als de uitvoeringsverordening voorwaarden stelt aan het vocht‑ en eiwitgehalte – en dus aan de kwaliteit – van de onder de gemeenschappelijke marktordening vallende producten.(15) Volgens hem pleit dat tegen de toelaatbaarheid van aanvullende kwaliteitscriteria. Ik kan mij echter niet bij dit standpunt aansluiten, omdat de betrokken nationale voorwaarden juist niet op de onder de gemeenschappelijke marktordening vallende producten van toepassing zijn. Tegen de omstreden nationale voorwaarden zou hooguit bezwaar kunnen bestaan, wanneer zij het praktisch onmogelijk zouden maken aan de genoemde kwaliteitscriteria te voldoen, wat echter door niemand is gesteld.
36. In dit verband wijs ik er nog eens op dat de betrokken lidstaat in elk geval verplicht is om geen maatregelen te nemen die hinderlijk voor de goede werking van de marktordening kunnen zijn(16) – en dit ongeacht de werkingssfeer van de gemeenschappelijke marktordening.
37. Er moet dus worden onderzocht of de in geding zijnde nationale voorwaarden de goede werking van de marktordening in de sector gedroogde voedergewassen belemmeren. In dit verband wijs ik er op dat de Spaanse verwerkingsbedrijven tot de voornaamste begunstigden van deze steunregeling behoren.(17) In Spanje is het herhaaldelijk tot overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheid gekomen. De betwiste nationale maatregel stelt op een niet door de marktordening voor gedroogde voedergewassen beheerst gebied aanvullende voorwaarden aan de te verwerken producten, in het bijzonder om schadelijke praktijken tegen te gaan.(18)
38. Voorzover zij het vochtgehalte van het groenvoeder of de verse voedergewassen betreffen, wordt in de betrokken voorwaarden rekening gehouden met de omstandigheid dat een hogere steun voor kunstmatig gedroogde voedergewassen enkel gerechtvaardigd lijkt het wanneer meer energie voor het drogen nodig is.(19) Verder zullen de betrokken voorwaarden kunnen bijdragen aan een beter evenwicht tussen de nationale productie en de gegarandeerde maximumhoeveelheid, zodat ook vanuit dat gezichtspunt een belemmering van de goede werking van de marktordening voor gedroogde voedergewassen wel kan worden uitgesloten.
39. Los daarvan heeft de verwijzende rechter opgemerkt dat de nationale bepalingen in elk geval niet volgens de procedure van artikel 17 van de basisverordening zijn vastgesteld, hoewel artikel 8 uitdrukkelijk bepaald dat „aanvullende voorwaarden, met name inzake het vezel- en caroteengehalte (kunnen) worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 17”. Hierbij kan opnieuw worden volstaan met de vaststelling dat blijkens de formulering van artikel 8 van de basisverordening de daarin bepaalde voorwaarden betrekking hebben op gedroogde voedergewassen en niet op groenvoeder of verse voedergewassen.
40. Op verzoek van het Hof bevestigde zowel de Spaanse regering als de Commissie, dat het Koninkrijk Spanje de vaststelling van de in geding zijnde bepalingen weliswaar niet formeel heeft meegedeeld, maar dat een dergelijke mededeling – voorzien in artikel 12, lid 3, van de basisverordening(20) – in elk geval niet verplicht was, omdat het bij de in geding zijnde bepalingen niet gaat om een controlesysteem in de zin van artikel 12, lid 1. Verzoekster in het hoofdgeding heeft dit standpunt niet overtuigend kunnen weerleggen.
41. Uit het voorgaande moet tevens de conclusie worden getrokken dat het Koninkrijk Spanje, voorzover het maatregelen heeft genomen die een beperking van de productie in een situatie van overproductie kunnen bewerkstelligen, die niet in strijd zijn met de kwaliteitseisen van de onder de betrokken marktordening vallende producten en die tenslotte de doelstellingen van deze marktordening respecteren – met name het onderscheid tussen kunstmatig gedroogde en in de zon gedroogde producten –, niet alleen het gemeenschapsrecht niet heeft geschonden, maar ook zijn samenwerkingsverplichting van artikel 10 EG is nagekomen.
42. Verder lijkt een krachtens artikel 34, lid 2, tweede alinea, EG verboden discriminatie reeds uitgesloten omdat groenvoeder of verse voedergewassen niet onder de betrokken marktordening vallen. Een eventuele ongelijke behandeling tussen de aan de nationale voorwaarden onderworpen landbouwers en de overige landbouwers in Gemeenschap gaat niet verder dan wat noodzakelijkerwijs het gevolg is van het ontbreken van harmonisatie op dit niet door het gemeenschapsrecht beheerste gebied.(21)
V – Conclusie
43. Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
De verordeningen (EG) nrs. 603/95 van de Raad van 21 februari 1995 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector gedroogde voedergewassen en 785/95 van de Commissie van 6 april 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 603/95 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector gedroogde voedergewassen evenals de artikelen 249, tweede alinea, EG, 10, en 34, lid 2, tweede alinea, EG staan niet in de weg aan een nationale regeling die voor de verlening van steun voor de droging van groenvoeder of verse voedergewassen als voorwaarden stelt, dat deze gewassen op een bepaalde wijze en met een bepaald minimumvochtgehalte worden aangeleverd, binnen een bepaalde tijd worden verwerkt en in een bepaalde omtrek zijn verbouwd, voorzover deze voorwaarden de goede werking van de betrokken marktordening niet nadelig beïnvloeden.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Verordening van de Raad. van 21 februari 1995 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector gedroogde voedergewassen (PB L 63, blz. 1).
3 – Volgens artikel 1 van de basisverordening gelden de bepalingen in wezen voor de volgende producten: meel en pellets van gedroogde luzerne, voedergewassen in het bijzonder verkregen uit gedroogde luzerne, hanenkammetjes (esparcette), klaver, lupine of wikke, eiwitconcentraten, verkregen uit sap van luzerne en van gras en de daaruit verkregen gedroogde producten.
4 – Zie de tweede overweging van de considerans van de basisverordening.
5 – Voorzover de aan elke lidstaat toegekend gegarandeerde maximumhoeveelheid met niet meer dan 5 % wordt overschreden, komt het in alle lidstaten geldende verlagingspercentage overeen met het percentage van de overschrijding.
6 – Zie nader artikel 5 van de basisverordening. De Commissie stelt het bedrag van de toe te passen verlaging vast. Deze verlaging dient te verzekeren dat de in landbouwecu uitgedrukte uitgaven niet hoger uitkomen dan wanneer de betrokken gegarandeerde maximumhoeveelheid niet zou zijn overschreden.
7 – Deze voorraadboekhouding moet volgens de dertiende overweging van de considerans van de basisverordening de nodige gegevens bevatten om het recht op de steun te kunnen controleren.
8 – Verordening van de Commissie van 6 april 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 603/95 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector gedroogde voedergewassen (PB L 79, blz. 5).
9 – Derde overweging van de considerans juncto artikel 3 van de uitvoeringsverordening.
10 – Commissie/Duitsland, Jurispr. blz. 4549, punt 12.
11 – Arrest van 25 november 1986. CERAFEL (218/85, Jurispr. blz. 3513, punt 13), waarop de Commissie zich terecht beroept. Zie ook arresten van 27 november 1997, Danisco Sugar (C‑27/96, Jurispr. blz. I‑6653, punt 24), 19 maart 1998, Compassion in World Farming (C‑1/96, Jurispr. blz. I‑1251, punt 41), 8 januari 2002, Denkavit, (C‑507/99, Jurispr. blz. I‑169, punt 32), en 18 april 2002, België/Commissie (C‑332/00, Jurispr. blz. I‑3609, punt 29).
12 – Hier moet ook worden gewezen op de principiële uitspraken: arresten van 23 januari 1975, van der Hulst (51/74, Jurispr. blz. 79) en 29 november 1978, Redmond (83/78, Jurispr. blz. 2347) waarin het Hof besliste dat de lidstaten „wanneer de Gemeenschap een regeling voor de totstandkoming van een gemeenschappelijke ordening der markten in een bepaalde sector heeft vastgesteld (...) zich dienen te onthouden van elke maatregel met de strekking daarvan af te wijken of er inbreuk op te maken” (arrest Pigs Marketing Board, punt 56).
13 – Aangehaald in voetnoot 10.
14 – Zie hiervoor, voetnoot 10.
15 – Zie bijvoorbeeld artikel 8 van de basisverordening en artikel 3, lid 1, sub b, van de uitvoeringsverordening.
16 – Zie voetnoot 11.
17 – Volgens de door de Commissie verstrekte gegevens bedroeg de productie van kunstmatig gedroogde voedergewassen in het oogstjaar 1997/98 rond 1 571 000 ton (gezamenlijke productie in de 15 lidstaten: 4 282 000 ton; ter vergelijking, in 1998/99: 1 668 000 ton, en in 1999/00: 1 769 000 ton). In dezelfde periode bereikte de gegarandeerde hoeveelheid van Spanje 1 224 000 ton, zodat de productie 128 % van de gegarandeerde hoeveelheid bedroeg.
18 – Zie hiervoor, in punt 30, het argument van de Commissie met betrekking tot voorafgaande droging aan de open lucht van groenvoeder en verse voedergewassen, die nadien ook nog kunstmatig moeten worden gedroogd.
19 – Zie de tweede overweging van de considerans van de basisverordening.
20 – Hierin wordt bepaald, dat de lidstaten de voorschriften die zij op grond van artikel 12, lid 1 willen toepassen, vóór de vaststelling ervan aan de Commissie moeten meedelen.
21 – Volgens vaste rechtspraak kan de toepassing van een nationale wettelijke regeling niet met het discriminatieverbod in strijd worden geacht op de enkele grond dat andere lidstaten minder rigoureuze bepalingen zouden toepassen. Zie arrest van 10 februari 2000, Deutsche Telekom/Lilli Schröder (C‑50/96, Jurispr. blz. I‑743, punt 52), met aldaar genoemde rechtspraak). Zie met betrekking tot de discriminatie van eigen onderdanen, onder meer, arrest van 14 juli 1981, Oebel (155/80, Jurispr. blz. 1993, punt 9).
Full & Egal Universal Law Academy