CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 22 mei 2003 (1)
Zaak C-148/02
Carlos Garcia Avello
tegen
Belgische Staat
„”
1. Deze zaak gaat over de familienaam van in België geboren kinderen van een aldaar wonend echtpaar. De vader is Spaans onderdaan, de moeder heeft de Belgische nationaliteit en de kinderen bezitten de dubbele nationaliteit.
2. Bij hun geboorte in België zijn de kinderen ingeschreven onder de dubbele naam van hun vader ─ Garcia Avello ─ die overeenkomstig het Spaanse recht bestaat uit het eerste deel van de geslachtsnaam van zijn vader en uit het eerste deel van de geslachtsnaam van zijn moeder.
3. Later wendden de ouders zich tot de Belgische autoriteiten met het verzoek om de familienaam van de kinderen te laten wijzigen in Garcia-Weber, zodat die zou beantwoorden aan het Spaanse gebruik en het eerste element van de geslachtsnaam van hun vader zou bevatten, gevolgd door de geslachtsnaam van hun moeder. Het verzoek werd als strijdig met de Belgische praktijk afgewezen.
4. De Belgische Raad van State wenst te vernemen of een dergelijke afwijzing in strijd is met de gemeenschapsrechtelijke beginselen inzake het Europees burgerschap en het vrije verkeer van burgers.Systemen van persoonsnaamgeving
5. In Europa dragen mensen in het algemeen twee soorten namen. (2) Er zijn wat ik voornamen zou willen noemen, die (hoe gewoon zij ook zijn) worden beschouwd als een strikt persoonlijke en individuele identificatie, en er zijn achternamen (ik gebruik de term in ruime zin) die bijna steeds een persoon identificeren door te verwijzen naar zijn of haar familie of afstamming en die in dit verband vaak worden beschouwd als een wezenlijk onderdeel van een onvervreemdbaar geboorterecht. Buiten deze basisclassificatie is er echter een grote verscheidenheid.
6.
De naamgeving van namen onthult verschillen en moeilijkheden. In het Nederlands, het Frans en het Duits bijvoorbeeld, duidt het algemene woord voor naam de achternaam (geslachtsnaam) aan, terwijl de voornaam als zodanig wordt benoemd. Dit gaat echter niet op voor de Hongaren die naar verwachting binnenkort burgers van de Unie zullen worden en die de achternaam voor de voornaam plaatsen. (3) In het Italiaans en het Spaans (en in belangrijke mate ook in het Engels) is het algemene woord voor naam gereserveerd voor de voornaam, terwijl een ander woord wordt gebruikt voor de achternaam. De achternaam als familienaam op te vatten kan misleidend zijn, aangezien niet alle leden van dezelfde familie noodzakelijkerwijs dezelfde achternaam dragen. In IJsland bijvoorbeeld (dat geen lid van de Unie is maar deel uitmaakt van de EER) dragen de meeste mensen een voornaam, aangevuld met een vermelding dat zij de zoon of dochter zijn van hun vader (of moeder), die op hun beurt enkel een voornaam dragen. (4) Het bijvoeglijk naamwoord patronymisch is evenmin noodzakelijkerwijs nauwkeurig, want een naam kan ook metronymisch zijn; in casu is van belang dat in Spanje kinderen niet dezelfde achternaam dragen als hun vader of moeder, maar dat elke generatie een nieuwe achternaam vormt bestaande uit delen van de achternaam van elke ouder.
7. Voor een goed inzicht in het belang van de onderhavige zaak is het wellicht nuttig om kort in te gaan op de regelingen van de lidstaten inzake de vaststelling en wijziging van geslachtsnamen (hierna: namen). Eenvoudigheidshalve zal ik mij concentreren op een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin het gaat om de naam van een wettig kind. In andere gevallen ─ bijvoorbeeld wanneer de ouders niet gehuwd zijn op het ogenblik van de geboorte van het kind, wanneer de naam van een ouder later wordt gewijzigd door een huwelijk, een echtscheiding en/of een nieuw huwelijk, of wanneer het kind wordt geadopteerd ─ kan de toepasselijke regeling anders zijn.
Het toepasselijke recht
8. In geval van een conflict tussen rechtsstelsels op het gebied van het namen-recht geven de meeste lidstaten voorrang aan het recht van de staat waarvan de betrokken persoon onderdaan is, als het recht van het personeel statuut. Denemarken en Finland passen echter hun interne recht toe op personen die op hun grondgebied wonen; in Zweden is het Zweedse recht van toepassing op alle Scandinavische burgers die er wonen, en op alle andere personen het recht van de staat waarvan zij onderdaan zijn. (5) In Ierland en het Verenigd Koninkrijk is er geen specifieke collisieregel; daar is ook nauwelijks behoefte aan gezien de flexibiliteit van het recht van die lidstaten, waardoor het verlenen of voeren van een naar welk systeem ook gevormde naam er niet op problemen stuit.
9. In België heeft, wanneer de persoon in kwestie meer dan één nationaliteit heeft, waaronder de Belgische, het Belgische recht voorrang. Het Spaanse recht kiest voor een overeenkomstige oplossing (6) , zodat in de onderhavige zaak in België Belgisch recht geldt en in Spanje Spaans recht.
Vaststelling van de naam van een kind
10. In de meeste lidstaten dragen kinderen dezelfde naam als hun vader, ook al verschilt de mate waarin dat wordt gedicteerd door wet of gewoonte.
11. In Italië bijvoorbeeld moet een wettig kind steeds de naam van de vader dragen, ook al berust dit op gewoonterecht en niet op positief recht; er zijn wetsvoorstellen ingediend die een versoepeling beogen. In de meeste andere lidstaten hebben de ouders een zekere keuzevrijheid, al is de keuze in het algemeen beperkt tot de namen van de ouders.
12. Een veel voorkomende regel komt er in wezen op neer, dat wanneer de ouders dezelfde naam voeren (meestal die van één van de echtgenoten), ook het kind deze naam draagt, maar dat de ouders in alle andere gevallen de naam van hetzij de vader hetzij de moeder kunnen kiezen voor het kind. Een andere regel in meerdere lidstaten is dat alle kinderen van een echtpaar dezelfde naam moeten dragen, wat betekent dat enkel voor het oudste kind een echte keuzemogelijkheid bestaat.
13. De mogelijkheid om de namen van beide ouders te combineren in de naam van het kind is in de verschillende lidstaten uiteenlopend geregeld. In sommige lidstaten is het toegestaan of zelfs voorgeschreven, in andere lidstaten is het verboden. In Denemarken is het mogelijk om de twee namen door een koppelteken met elkaar te verbinden, een constructie zonder koppelteken is echter uitgesloten. (7) De regel in Portugal is aanzienlijk soepeler: de naam van een kind kan tot vier elementen gekozen uit de namen van één of beide ouders of van één of meer grootouders omvatten, ook al lijken de geslachtsnamen in het algemeen gevormd te worden naar het Spaanse model (in letterlijke zin, want de volgorde van de elementen van vaders- en van moederszijde wordt gewoonlijk omgekeerd).
14. In de Europese Unie lijkt de keuzevrijheid het grootst in het Verenigd Koninkrijk, waar (zoals in vele andere common law-landen in de wereld) er in wezen geen wettelijke regel is die de naam vaststelt die het kind moet dragen. Bijgevolg kunnen de ouders bij de inschrijving van de geboorte theoretisch elke naam kiezen die zij wensen, ook al wordt in de maatschappelijke realiteit in de overgrote meerderheid de naam van de vader gekozen.
15. In België komt de regeling van artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek er momenteel in wezen op neer dat een kind enkel de familienaam van de vader draagt, behalve wanneer het vaderschap niet vastgesteld is of de vader gehuwd is met een andere vrouw dan de moeder; in die twee gevallen draagt het kind dan de familienaam van de moeder.
16. Een aantal wijzigingsvoorstellen is aan de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers voorgelegd. Als zij worden aangenomen, zal de vrijheid bij de keuze van de familienaam zeker groter worden en zal het misschien zelfs mogelijk zijn om de in Spanje gebruikte principes te volgen. Op de terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Belgische regering echter verklaard dat deze voorstellen van individuele kamerleden en niet van de regering afkomstig zijn en dat hun behandeling voor onbepaalde tijd is uitgesteld wegens naderende parlementsverkiezingen.
17. In Spanje zijn de in wezen relevante regels de artikelen 108 en 109 van het burgerlijk wetboek. Zoals ik reeds heb uitgelegd, is de algemene en traditionele regel dat wettige kinderen een dubbele naam dragen, die bestaat uit het eerste deel van de geslachtsnaam van de vader gevolgd door het eerste deel van de geslachtsnaam van de moeder.
18. In 1999 is artikel 109 gewijzigd. Ouders kunnen thans vóór de geboorte van hun eerste kind beslissen om al hun kinderen een naam te geven die bestaat uit dezelfde elementen, maar in omgekeerde volgorde, zodat het eerste deel van de naam van de moeder voorop komt te staan.
Wijziging van de naam
19. Evenals bij de vaststelling van de naam zijn er tussen de lidstaten grote verschillen wat de omstandigheden betreft waaronder een persoon een andere familienaam kan verwerven of voeren dan die vermeld in de geboorteakte. Meestal wordt de band tussen een persoon en zijn of haar geslachtsnaam als levenslang beschouwd, zowel rechtens als in de maatschappelijke realiteit (met uitzondering van wijzigingen ten gevolge van huwelijk en/of echtscheiding). Afwijkingen van het algemene beginsel zijn evenwel mogelijk.
20. Het meest liberaal is andermaal het Verenigd Koninkrijk, waar het mogelijk is om hetzij in het dagelijkse leven gewoon een andere naam te voeren, zonder enige formaliteit te hoeven vervullen, hetzij officieel van naam te veranderen door middel van deed poll (eenzijdige verklaring) of een statutory declaration (schriftelijke, beëdigde verklaring), waarvoor in het algemeen geen goedkeuring vereist is. In de meeste andere lidstaten moet een officiële naamswijziging echter worden goedgekeurd door de autoriteiten en moet een geldige reden worden aangetoond.
21. In België wordt een verandering van de familienaam bij uitzondering toegestaan, wanneer het bewijs wordt geleverd dat er ernstige redenen zijn voor de verandering. (8) Een dergelijke reden kan zijn, dat de huidige familienaam spot doet ontstaan of een vreemde naam is die de integratie van de betrokkene in de Belgische maatschappij bemoeilijkt. Een reden die als ernstig wordt beschouwd, is het geval waarin kinderen van dezelfde ouders verschillende namen dragen, de ene vastgesteld volgens het Spaanse en de andere volgens het Belgische recht. Ook in Spanje moet een geldige reden worden aangetoond. In beide landen is de mogelijkheid om een naamswijziging aan te vragen beperkt tot de eigen onderdanen.
22. In sommige lidstaten ─ zoals Frankrijk ─ is het geoorloofd om, hoewel de bepalingen inzake wijziging van de naam in de registers van de burgerlijke stand streng zijn, pseudoniemen of bijnamen te gebruiken in het dagelijkse leven en zelfs in sommige officiële documenten. Dergelijke namen zijn zuiver persoonlijk en kunnen niet worden doorgegeven aan bloedverwanten in neergaande lijn. In België blijkt er echter geen dergelijke tolerantie te zijn.
Relevante verdragsbepalingen
23. De voornaamste verdragsbepalingen die in casu ter sprake werden gebracht, zijn de artikelen 17 en 18 EG (9) , die luiden als volgt: Artikel 17
1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie vult het nationale burgerschap aan doch komt niet in de plaats daarvan. (10)
2. De Burgers van de Unie genieten de rechten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld. Artikel 18
1. Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.[...]
24. Zoals in het bijzonder de Commissie heeft aangevoerd, kan ook artikel 12 relevant zijn. In het eerste lid wordt bepaald:Binnen de werkingssfeer van dit Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.
25. Bovendien zijn de artikelen 39 en 43 EG vermeld. Artikel 39 garandeert het vrije verkeer van werknemers, en artikel 43 verbiedt beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat. Beperkingen van deze vrijheden kunnen echter om redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigd zijn (artikelen 39, lid 3, en 46, lid 1, EG).
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
26. Artikel 8 van het EVRM is eveneens genoemd. Het luidt als volgt:
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voorzover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
27. In een aantal zaken, in het bijzonder de zaken Burghartz en Stjerna, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM weliswaar niet uitdrukkelijk verwijst naar namen, maar dat de naam van een persoon als middel tot persoonlijke identificatie en binding aan een familie betrekking heeft op zijn of haar privéleven en familie- en gezinsleven. (11)
Andere internationale overeenkomsten
28. De situatie die tot het probleem in casu leidt, is niet nieuw (en zal zich waarschijnlijk steeds meer voordoen), en een aantal pogingen is ondernomen om er iets aan te doen in het kader van internationale overeenkomsten inzake regels van conflictenrecht.
29. Artikel 1 van de in het kader van de Internationale Commissie van de Burgerlijke Stand (CIEC) gesloten Overeenkomst inzake het recht dat van toepassing is op geslachtsnamen en voornamen (12) luidt als volgt:
1. De geslachtsnamen en voornamen van een persoon worden bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon onderdaan is. Uitsluitend hiervoor worden de omstandigheden waarvan de geslachtsnamen en voornamen afhangen, volgens de wet van die staat beoordeeld.
2. In geval van verandering van nationaliteit is het recht van de staat van de nieuwe nationaliteit van toepassing.
30. Artikel 2 bepaalt dat het door de Overeenkomst aangewezen recht zelfs van toepassing is indien het het recht betreft van een staat die geen partij bij deze Overeenkomst is, en krachtens artikel 4 kan de toepassing van dit recht enkel worden uitgesloten indien zij kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
31. Deze Overeenkomst betreft geen gevallen van dubbele nationaliteit. De toelichting onderkent het probleem, maar vermeldt dat het gebied van het namenrecht te beperkt werd geacht om een regel te kunnen vaststellen.
32. Artikel 3 van het Verdrag van 's-Gravenhage nopens zekere vragen betreffende wetsconflicten inzake nationaliteit (13) bepaalt dat een persoon die twee of meer nationaliteiten bezit, door ieder van de staten waarvan hij de nationaliteit heeft, als zijn onderdaan kan worden beschouwd. Ook al heeft Spanje dit verdrag niet geratificeerd, nemen zowel Spanje als België blijkbaar deze houding aan wat betreft de keuze van het recht dat de geslachtsnaam bepaalt van een kind dat meerdere nationaliteiten heeft ─ namelijk de Belgische of de Spaanse nationaliteit, al naar gelang het geval, en een of meerdere andere nationaliteiten. (14)
33. Het probleem in de onderhavige zaak wordt op andere wijze behandeld door een andere CIEC-overeenkomst betreffende de afgifte van een verklaring van verscheidenheid van familienamen (15) , waarvan artikel 1 luidt:
1. De verklaring van verscheidenheid van familienamen, waar deze Overeenkomst in voorziet, is bestemd om personen die, ten gevolge van verschillen in wetgeving tussen bepaalde Staten, op gebieden als huwelijk, afstamming en adoptie, niet met dezelfde familienaam worden aangeduid, het bewijs van hun identiteit te vergemakkelijken.
2. De verklaring heeft geen ander doel dan de vaststelling dat, met de verschillende daarin vermelde familienamen, volgens uiteenlopende wetgevingen een en dezelfde persoon wordt aangeduid. De verklaring doet geen afbreuk aan de werking van wettelijke bepalingen omtrent de naam.
34. De in het vorige artikel bedoelde verklaring moet op vertoon van bewijsstukken, aan iedere belanghebbende worden afgegeven, hetzij door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Staat waarvan hij onderdaan is, hetzij door de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Staat volgens de wet waarvan hem, hoewel hij onderdaan van een andere Staat is, een andere familienaam is toegekend dan die welke uit de toepassing van zijn nationale wet volgt. Artikel 3 bepaalt dat de verklaring in iedere overeenkomstsluitende staat moet worden aanvaard als bewijs van de juistheid van hetgeen daarin betreffende de verschillende familienamen van de aangeduide persoon is vermeld, behoudens bewijs van het tegendeel.
35. Beide CIEC-overeenkomsten zijn ondertekend door een aantal lidstaten van de Europese Unie, waaronder België en Spanje. Terwijl Spanje beide overeenkomsten eveneens heeft geratificeerd en zij van kracht zijn in de verhoudingen met de overige overeenkomstsluitende staten die ze eveneens hebben geratificeerd, heeft België dit nog niet gedaan. (16)
36. Tenslotte kan nog worden genoemd het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind. (17) Artikel 3, lid 1, van dit verdrag luidt als volgt: Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. Artikel 7, lid 1 bepaalt met name: Het kind wordt onmiddellijk na de geboorte ingeschreven en heeft vanaf de geboorte recht op een naam, en krachtens artikel 8, lid 1 verbinden de staten die partij zijn, zich tot eerbiediging van het recht van het kind zijn of haar identiteit te behouden, met inbegrip van nationaliteit, naam en familiebetrekkingen zoals wettelijk erkend, zonder onrechtmatige inmenging.
Het hoofdgeding
37. Carlos Garcia Avello, Spaans onderdaan, is in 1986 in het huwelijk getreden met Isabelle Weber, van Belgische nationaliteit. Hun twee kinderen zijn geboren in België, respectievelijk in 1988 en 1992, en hebben de Spaanse en de Belgische nationaliteit. In hun Belgische geboorteakte kregen de kinderen de naam Garcia Avello overeenkomstig de Belgische regelgeving en praktijk. De kinderen zijn eveneens bij de consulaire afdeling van de Spaanse ambassade in Brussel ingeschreven, overeenkomstig de Spaanse regelgeving en praktijk onder de naam Garcia Weber.
38. In 1995 hebben de ouders de Belgische autoriteiten formeel verzocht de naam van de kinderen te wijzigen van Garcia Avello in Garcia Weber. Zij stelden dat het Spaanse systeem van geslachtsnamen diep is ingeworteld in het Spaanse recht en de Spaanse gebruiken, waarmee de kinderen zich nauwer verbonden voelden. Wanneer de kinderen de naam Garcia Avello droegen, wekte dat in dit systeem de indruk dat zij broers of zussen in plaats van kinderen van hun vader waren en bovendien verloren zij de naamsbinding met hun moeder. De gevraagde wijziging zou betekenen dat de kinderen dezelfde familienaam konden dragen in Spanje en in België; schade voor derden of verwarring was niet aannemelijk, en de duurzame aanwezigheid van het element Garcia volstond om tegemoet te komen aan de behoefte aan continuïteit van de naam langs vaderszijde.
39. In 1997 heeft het Belgische ministerie van Justitie voorgesteld om de naam van de kinderen te vereenvoudigen tot Garcia. De ouders hebben dit voorstel niet aanvaard (18) , en vervolgens heeft het ministerie van Justitie Garcia Avello meegedeeld dat er naar het oordeel van de regering onvoldoende reden was om voor te stellen hun oorspronkelijk verzoek te aanvaarden, omdat elk verzoek dat ertoe strekt dat voor een kind de naam van de moeder aan de naam van de vader wordt toegevoegd, gewoonlijk [wordt] afgewezen, aangezien in België kinderen de naam van hun vader dragen.
40. Garcia Avello vocht dit besluit aan bij de Raad van State op meerdere gronden, in het bijzonder wegens strijd met zowel de Belgische Grondwet als artikel 18 EG aangezien het twee verschillende situaties (die van kinderen met enkel de Belgische nationaliteit en die van kinderen met dubbele nationaliteit) gelijk behandelt zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.
41. De Belgische Staat heeft daarop geantwoord met de volgende argumenten: (i) de familienaam wordt geregeld door de bepalingen betreffende het personele statuut van de betrokken personen, namelijk hun nationale recht; wanneer zij de dubbele nationaliteit hebben, bepaalt het Verdrag van 's-Gravenhage van 1930 (19) dat het recht van de forumstaat ─ in casu dus het Belgische recht ─ voorrang heeft; (ii) de betrokken administratieve praktijk geldt niet voor alle Belgische burgers, maar voor degenen met dubbele nationaliteit, zodat verschillende situaties niet in feite gelijk worden behandeld; (iii) aangezien Belgische kinderen enkel de familienaam van hun vader dragen, kan de toekenning van een andere familienaam in de Belgische maatschappij vragen doen rijzen omtrent de afstamming van een kind; (iv) ter vermindering van de moeilijkheden verbonden aan de dubbele nationaliteit, wordt aan verzoekers gevraagd of zij niet enkel de eerste naam van de vader willen dragen; in uitzonderlijke omstandigheden, met name indien er weinig aanknopingsfactoren zijn met België of indien het nodig blijkt de naamsgelijkheid tussen broers en zusters te herstellen, kan het verzoek worden ingewilligd, maar in casu was niet aan deze voorwaarden voldaan; (v) tenslotte houdt de vrijheid van verkeer in de zin van artikel 18 EG het wegvallen van grenzen in en de afschaffing van grenscontroles, en het recht van vrij verblijf betekent de mogelijkheid om zich te vestigen in de lidstaten van de Europese Unie; de bestreden maatregel kan geen inbreuk maken op deze bepaling, aangezien de uitoefening van deze vrijheden geenszins afhankelijk is van het dragen van een bepaalde naam.
42. Ook naar het oordeel van de Raad van State betreft de betrokken administratieve praktijk enkel personen met dubbele nationaliteit en worden deze niet gelijk behandelt als de personen met enkel de Belgische nationaliteit. Naar zijn oordeel zou echter artikel 18 EG relevant kunnen zijn, maar niet artikel 43 EG, dat de vrijheid van vestiging betreft, een gebied dat kennelijk niet aan de orde is in het geval van minderjarige kinderen die betrokken zijn bij een verzoek tot naamsverandering.
43. De Raad van State heeft bijgevolg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag gesteld: Moeten de beginselen van gemeenschapsrecht inzake het Europees burgerschap en het vrije verkeer van personen, in het bijzonder neergelegd in de artikelen 17 en 18 van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de Belgische overheid waarbij een verzoek om naamsverandering is ingediend met betrekking tot minderjarige kinderen die in België verblijven en de dubbele, Belgisch-Spaanse, nationaliteit bezitten ─ voor welk verzoek zonder vermelding van andere bijzondere omstandigheden als reden wordt aangevoerd dat deze kinderen de naam zouden moeten dragen die zij zouden dragen op grond van het Spaanse recht en de Spaanse gebruiken ─, deze naamsverandering weigert met het betoog dat dergelijke verzoeken gewoonlijk worden afgewezen aangezien kinderen in België de naam van hun vader dragen, in het bijzonder wanneer het algemeen door de overheid ingenomen standpunt wordt ingegeven door de overweging dat de toekenning van een andere naam in het maatschappelijk leven in België vragen kan doen rijzen omtrent de afstamming van het betrokken kind, maar ter verlichting van de ongemakken in verband met de dubbele nationaliteit aan verzoekers die zich in een dergelijke situatie bevinden, wordt voorgesteld enkel de eerste naam van de vader te dragen, terwijl, in uitzonderlijke omstandigheden, met name indien er weinig aanknopingsfactoren zijn met België of indien het nodig blijkt een eenvormige naam tussen broers en zusters te herstellen, het verzoek kan worden ingewilligd?
44. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Garcia Avello, de Belgische regering, de Deense regering, de Nederlandse regering en de Commissie, die allen hun standpunt ook tijdens de mondelinge behandeling kenbaar hebben gemaakt.
Beoordeling
45. De Belgische, de Deense en de Nederlandse regering betogen dat de situatie in het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt. Deze vraag moet eerst worden onderzocht; daarna pas kan worden nagegaan of een afwijzing als in de onderhavige zaak de rechten van burgers van de Europese Unie kan aantasten, en zo ja, of zij niettemin gerechtvaardigd kan zijn. Valt de situatie binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht?
46. In dit verband is het van belang te bepalen wie wordt geraakt door de afwijzing van de wijziging van de naam van de kinderen.
47. De drie regeringen stellen dat enkel de kinderen betrokken zijn bij de afwijzing en dat zij in België wonende Belgische onderdanen zijn die nooit hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend; de situatie is bijgevolg een volledig Belgische en valt buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht. Daarentegen meent de Commissie dat vooral aan Garcia Avello het recht wordt ontzegd om de naam van zijn kinderen te veranderen; hij is een Spaans onderdaan die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend door in België te komen wonen en werken, zodat het gemeenschapsrecht speelt. De Commissie stelt dat de situatie van de kinderen zelf in ieder geval binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt.
48. De achtergrond van deze divergerende opvattingen is de vaste rechtspraak van het Hof, dat het Verdrag enkel rechten toekent wanneer er een toereikende band is met het gemeenschapsrecht die de toepassing van zijn voorschriften rechtvaardigt. In het kader van het vrij verkeer is er geen sprake van een dergelijke band wanneer de betrokken situatie de verhoudingen betreft tussen een lidstaat en één van zijn onderdanen die die vrijheid nooit heeft uitgeoefend. (20) In het arrest Uecker en Jacquet (21) heeft het Hof bevestigd dat het burgerschap van de Unie, zoals voorzien in artikel [17 EG], niet tot doel heeft, de materiële werkingssfeer van het Verdrag eveneens uit te breiden tot interne situaties die geen enkele aanknoping met het gemeenschapsrecht hebben. [...] Eventuele discriminaties die onderdanen van een lidstaat naar het recht van die staat kunnen ondervinden, vallen binnen de werkingssfeer van dit recht, zodat zij in het kader van het interne rechtsstelsel van die staat moeten worden opgelost.
49. Niettemin ben ik het eens met de Commissie.
50. In de eerste plaats lijkt het mij duidelijk dat de bestreden afwijzing in werkelijkheid Garcia Avello betreft. Het oorspronkelijke verzoek tot naamsverandering in 1995 werd ingediend door hem en zijn vrouw in hun hoedanigheid van ouders en wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen, maar de twee antwoorden op dit verzoek van het ministerie van Justitie waren enkel aan Garcia Avello gericht, en Garcia Avello is de verzoeker in het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. Belangrijker is echter dat het niet gaat om de keuze van een naam voor de kinderen als zodanig, maar om de wijze waarop de naam van een generatie wordt bepaald door de naam of namen van de vorige generatie. De Belgische regering legt sterk de nadruk op dit aspect van de zaak. Deze vraag heeft ongetwijfeld betrekking op beide generaties en het is zowel in het belang van de vader om te verzekeren dat zijn geslachtsnaam wordt doorgegeven overeenkomstig de beginselen op grond waarvan die is gevormd, als in het belang van het kind om op passende wijze en in de juiste vorm een geslachtsnaam mee te krijgen.
51. Aangezien Garcia Avello onderdaan is van een lidstaat die zijn recht om te reizen naar en te werken in een andere lidstaat heeft uitgeoefend (22) , en ook burger van de Europese Unie die zijn recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, valt zijn situatie weldegelijk binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht. (23)
52. In de tweede plaats ben ik het hoe dan ook niet ermee eens, dat de situatie van de kinderen zelf een volledig interne situatie van België is. Ook al hebben zij de Belgische nationaliteit, zijn zij geboren in België en hebben zij nooit buiten dat land gewoond, bezitten zij niettemin eveneens de nationaliteit van een andere lidstaat. Dit feit is onlosmakelijk verbonden met de uitoefening van het recht op vrij verkeer door de vader, te wiens laste ze zijn. Hoewel het Verdrag van 's-Gravenhage van 1930 de Belgische autoriteiten toestaat om de kinderen als Belgische onderdanen in België te behandelen, verplicht het hen niet hun andere nationaliteit te negeren. Als hun moeder niet de Belgische maar de Spaanse nationaliteit had, zou hun situatie als kinderen ten laste van onderdanen van een lidstaat die het vrije verkeer binnen de Gemeenschap hebben uitgeoefend, klaarblijkelijk binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen. Gemeenschapsrechtelijk gezien is het feit dat zij de nationaliteit bezitten van twee lidstaten, relevant en het is onaanvaardbaar dat een nationaliteit de andere verdringt afhankelijk van de plaats waar zij zich bevinden. (24)
53. Ik ben dan ook van mening dat de situatie in het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt. Is er sprake van aantasting van een door het gemeenschapsrecht toegekend recht?
54. In dit verband dient te worden nagegaan welke nadelige gevolgen de betrokken afwijzing heeft. Er lijken twee aspecten te bestaan.
55. In de eerste plaats kunnen zowel Garcia Avello als zijn kinderen, zoals ik al heb gezegd, zich verzetten tegen het feit dat hij zijn naam niet kan doorgeven aan hen ─ en zij de naam evenmin van hem kunnen meekrijgen ─ overeenkomstig de beginselen op grond waarvan die is gevormd. Dit is geen louter abstract bezwaar aangezien, zoals gezegd, de toepassing van het Belgische systeem op een Spaanse geslachtsnaam een onjuiste voorstelling van de familierelatie kan oproepen bij degenen die vertrouwd zijn met het Spaanse systeem: de indruk wordt gewekt dat de kinderen van Garcia Avello zijn broer en zus zijn. (25)
56. In de tweede plaats kunnen er voor de kinderen evidente praktische moeilijkheden voortvloeien uit het feit dat hun naam zoals die is geregistreerd door de Belgische autoriteiten, verschilt van degene die door de Spaanse autoriteiten is geregistreerd. Zoals de vertegenwoordiger van Garcia Avello ter terechtzitting heeft opgemerkt, kan dit bijvoorbeeld het bezit zijn van een in België afgegeven diploma luidend op een naam die in Spanje niet als de naam van de houder wordt erkend; andere voorbeelden staan in de toelichting bij de Overeenkomst van Den Haag van 1982.
57. Het staat vast dat het gemeenschapsrecht niet zelf de registratie of de wijziging van de registratie van namen in de registers van de burgerlijke stand regelt. De regeling van deze aangelegenheden, met inachtneming van de bepalingen betreffende aspecten van internationaal privaatrecht, is in beginsel de taak van de lidstaten, voorzover zij daarbij niet handelen op een wijze die onverenigbaar is met hun verplichtingen krachtens het gemeenschapsrecht.
58. De vraag van een dergelijke registratie in een communautaire context is reeds in een eerdere zaak voor het Hof aan de orde geweest, namelijk in de zaak Konstantinidis. (26) In die zaak was de naam van een Griekse onderdaan die in Duitsland een zelfstandig beroep uitoefende, in het Duitse register van de burgerlijke stand in Latijnse lettertekens getranscribeerd op een wijze die zowel buitengewoon onverwacht alsook in de meeste opzichten, buitengewoon ongepast was, maar niettemin in overeenstemming met een voorgeschreven systeem van transliteratie van het Griekse naar het Latijnse alfabet.
59. In mijn conclusie in die zaak was ik in de eerste plaats van mening dat gelet op het feit dat in wezen enkel Griekse onderdanen verplicht zijn om in Duitsland een transliteratie van hun naam te aanvaarden die zowel tot aantasting van hun waardigheid als tot ongemakken in het dagelijkse en het beroepsleven kunnen veroorzaken, de uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende rechten van de verzoeker werden geschonden aangezien hij het slachtoffer was van een door het huidige artikel 12 EG juncto het huidige artikel 43 EG verboden discriminatie. In de tweede plaats was ik van oordeel dat de betrokken transliteratie zijn fundamentele rechten kon aantasten zoals die in met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens zijn opgenomen en worden gegarandeerd aan iedere gemeenschapsonderdaan die zijn recht van vrije vestiging uitoefent.
60. In zijn arrest beklemtoonde het Hof (27) dat het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit in het huidige artikel 43 EG beoogt te verzekeren dat op het gebied van het vestigingsrecht elke lidstaat onderdanen van andere lidstaten als eigen onderdanen behandelt. Het tekende hierbij echter aan (28) dat regels zoals die in het hoofdgeding aan de waren, enkel onverenigbaar zijn met deze bepaling voorzover hun toepassing een zodanige belemmering vormt, dat dit de vrije uitoefening van het recht van vestiging aantast, en dat dit het geval is wanneer een Grieks onderdaan gedwongen is om bij de uitoefening van zijn beroep een in de registers van de burgerlijke stand gebruikte transliteratie van zijn naam te voeren, waardoor de uitspraak van de naam wordt verbasterd, en indien die misvorming hem blootstelt aan het gevaar van persoonsverwisseling bij zijn potentiële klanten.
61. In casu stelt de Commissie dat de invoering van het burgerschap van de Unie, met het bijkomende genot van alle door het Verdrag verleende rechten ─ dus ook het recht om niet op grond van nationaliteit te worden gediscrimineerd ─ een nieuw element is waardoor het Hof in deze zaak op een veel bredere basis als in de zaak Konstantinidis kan beslissen. Ik ben het ermee eens dat artikel 17 EG duidelijker tot uitdrukking brengt dat het non-discriminatiebeginsel op alle binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallende situaties toepasselijk is, zonder dat een specifieke aantasting van een specifieke economische vrijheid behoeft te worden aangetoond.
62. Dit neemt niet weg dat moet komen vast te staan dat de betrokken afwijzing een discriminatie op grond van de nationaliteit inhoudt. In het gemeenschapsrecht is er sprake van discriminatie wanneer objectief gelijke situaties verschillend of objectief verschillende situaties gelijk worden behandeld. De Belgische regering stelt dat de administratieve praktijk waarop de afwijzing is gebaseerd, van toepassing is op één categorie personen, die objectief van andere categorieën kan worden afgebakend, te weten in België geboren kinderen met de dubbele ─ Belgische en Spaanse ─ nationaliteit, en dat er bijgevolg geen sprake is van een discriminatie.
63. Ik ben het hier niet mee eens. Waar het hier om gaat, is de weigering om een naam zodanig te veranderen dat deze (i) de naam van vaderszijde tot uitdrukking brengt in overeenstemming met de wijze waarop deze zelf is gevormd, en dat (ii) elk verschil wordt vermeden tussen de namen die geregistreerd zijn door de autoriteiten van twee lidstaten waarvan de drager van de naam de nationaliteit heeft. Blijkens het dossier achten de Belgische autoriteiten zich niet bevoegd om de naam te veranderen van een persoon die geen Belgisch onderdaan is, of hij nog een andere nationaliteit heeft of niet. De eerste bovenomschreven doelstelling lijkt vooral relevant wanneer er ook sprake is van een andere nationaliteit, de tweede doelstelling enkel in dit geval. Aangezien een verandering van de familienaam naar Belgisch recht kan worden toegestaan wanneer ernstige redenen voor het verzoek worden aangevoerd, is de systematische weigering om een verandering toe te staan wanneer de opgegeven redenen verband houden of onlosmakelijk zijn verbonden met het bezit van een andere nationaliteit, te beschouwen als discriminatie op grond van nationaliteit. In feite worden degenen die, als gevolg van het bezit van een andere nationaliteit dan de Belgische, een naam dragen (of een ouder hebben met een naam) die niet overeenkomstig de Belgische regels is gevormd, in een dergelijke praktijk op dezelfde wijze behandeld als degenen die enkel de Belgische nationaliteit hebben en een overeenkomstig deze regels gevormde naam dragen, hoewel hun situaties objectief verschillen.
64. Die discriminatie betreft duidelijk de personen ─ in casu de kinderen ─ die naast de Belgische ook een andere nationaliteit hebben, en voor wie om een verandering van de familienaam wordt verzocht.
65. Zij betreft echter ook al diegenen die zich in de situatie van Garcia Avello bevinden, aangezien het hun naar het recht van hun nationaliteit gevormde naam is, die wordt doorgegeven aan hun kinderen in een vorm die niet overeenkomt met de wijze waarop die zelf is gevormd. De afwijzing van het verzoek om de naam van Garcia Avello te laten overgaan op zijn kinderen, is het gevolg van de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer: had hij dat recht niet uitgeoefend, dan zou de situatie waarop de afwijzing betrekking heeft, zich niet hebben voorgedaan. Het bestaan van een administratieve praktijk die systematisch tot een dergelijke afwijzing leidt, kan dus de uitoefening van dat recht minder aantrekkelijk maken.
66. Nu ik tot de conclusie ben gekomen dat de omstandigheden van de zaak een door de artikelen 12 en 17 EG verboden discriminatie op grond van nationaliteit uitwijzen, lijkt het mij niet nodig in te gaan op de vraag of er nog een ander door het gemeenschapsrecht gegarandeerd grondrecht is geschonden, in het bijzonder het recht om geen inmenging in het privé- en het gezinsleven te hoeven dulden, overeenkomstig artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. In dit verband wil ik erop wijzen dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft beslist dat wettelijke beperkingen van de mogelijkheid van naamswijziging gerechtvaardigd kunnen zijn door overwegingen van algemeen belang en dat de verdragssluitende staten een ruime beoordelingsmarge genieten op dat vlak, met name wanneer er weinig overeenstemming bestaat tussen de in de verschillende staten toegepaste regels en het recht zich in een overgangsfase blijkt te bevinden. (29) Een ruime beoordelingsmarge in de context van het genoemde Verdrag heeft mijns inziens echter niet rechtstreeks invloed op de omvang van de beoordelingsmarge die in de verschillende context van het burgerschap van de Europese Unie bestaat. Kan de aantasting gerechtvaardigd zijn?
67. Een discriminerende behandeling kan gerechtvaardigd zijn indien zij gebaseerd is op objectieve overwegingen die losstaan van de nationaliteit van de betrokken personen en evenredig zijn aan de rechtmatige doelstellingen van de nationale regel of praktijk. (30)
68. De Belgische regering meent dat de betrokken administratieve praktijk gerechtvaardigd is. De onveranderlijkheid van de naam is, zo stelt zij, een basisbeginsel van de maatschappelijke orde in België, dat dateert van een decreet van 6 fructidor jaar II (31) en dat herhaald is in de meest recente wetgeving. Voorts gaan de gevolgen van de praktijk redelijke perken niet te buiten, aangezien de kinderen van Garcia Avello de naam Garcia Weber en elk Spaans document waarin die familienaam voorkomt, overal in de Gemeenschap kunnen gebruiken, alleen niet in België. In België hebben zij er belang bij om de familienaam Garcia Avello te voeren omdat anders binnen het kader van het Belgische systeem twijfels kunnen ontstaan over hun verhouding met hun vader. Ter terechtzitting stelde de Deense regering dat het verbod van discriminatie de integratie in de lidstaat van ontvangst vergemakkelijkt en dat een regel die afwijkingen van het in die staat gebruikte systeem afwijst, die integratie meer bevordert dan verhindert. De Nederlandse regering wees op de noodzaak van een stabiel en coherent namensysteem in een democratische samenleving, om elk gevaar van verwarring met betrekking tot de identiteit of de afstamming te vermijden.
69. Mijns inzien is het een gerechtvaardigd doel om verwarring omtrent de identiteit te voorkomen door het recht op geslachtsnaamwijziging te beperken. Het is wenselijk een dergelijke verwarring te vermijden, zowel in de verhoudingen tussen het individu en de autoriteiten als in de verhoudingen tussen individuen. Een overdadige vrijheid op dit gebied kan de deur openzetten voor crimineel of oneerlijk gedrag.
70. Dergelijke gevaren moeten echter niet overdreven worden. Andere lidstaten, bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, hebben het niet noodzakelijk geacht om geslachtsnaamwijziging op die grond te beperken. In elk geval kan reeds de officiële registratie van een naamswijziging het risico verminderen, dat een al dan niet opzettelijke verwarring niet wordt ontdekt. En het valt te betwijfelen of naamsidentiteit in de meeste rechtssystemen voldoende of noodzakelijk is om de afstamming vast te stellen.
71. Wat de maatschappelijke orde in ruime zin betreft, ik geloof niet dat er een hoger algemeen belang mee is gemoeid, dat voor burgers van een lidstaat de naamsoverdracht op zijn grondgebied steeds volgens een bepaald patroon plaatsvindt. Het is een gebied waarop in de hele Europese Unie de afgelopen jaren het recht en ook de maatschappelijke praktijk is veranderd en nog in beweging is. De stijging van het aantal echtscheidingen en nieuwe huwelijken samen met de belangrijke vermindering van het maatschappelijke stigma van onwettigheid, hebben de starre verwachtingen ten aanzien van de naamsidentiteit tussen vader en kind aanzienlijk verkleind. De toegenomen mobiliteit van burgers van de Unie heeft geleid tot een grotere vertrouwdheid met andere systemen van naamgeving. Hoewel overeenstemming met de norm in de lidstaat van herkomst een factor blijft waarmee rekening moet worden gehouden bij de beslissing of het in het belang van een kind ─ of van de samenleving ─ is om zijn of haar naam te veranderen, is dit bijgevolg noch de enige, noch de belangrijkste factor in dit opzicht.
72. Bovendien ben ik het niet eens met het argument dat het non-discriminatiebeginsel in wezen de integratie van migrerende burgers in hun lidstaat van ontvangst beoogt te verzekeren. De notie vrij op het grondgebied van de lidstaten reizen en verblijven is niet gebaseerd op één beweging van een lidstaat naar een andere, gevolgd door integratie in die andere lidstaat. De bedoeling is veeleer om een herhaald of zelfs onophoudelijk vrij verkeer mogelijk te maken binnen één ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, waarin zowel culturele verscheidenheid als non-discriminatie is verzekerd. (32)
73. Ik denk evenmin dat het feit dat de gevolgen van de afwijzing tot België beperkt kunnen zijn, de gevolgen voor de betrokken personen minder ernstig maakt. Wat het culturele bezwaar betreft tegen de afwijkende wijze van naamsoverdracht, zullen de gevolgen voelbaar zijn zolang de familie in België verblijft. Wat de praktische moeilijkheden betreft die eruit voortvloeien, zullen de gevolgen in de hele Europese Unie merkbaar kunnen zijn aangezien de kinderen in feite twee verschillende namen dragen. (33)
74. Ten slotte, zoals de Commissie heeft opgemerkt, lijkt de stelling van de Belgische regering in dit opzicht aanzienlijk aan kracht in te boeten door het feit dat de Belgische autoriteiten ─ zoals uit de prejudiciële vraag blijkt ─ bereid zijn een wijziging van de naam waardoor die zou beantwoorden aan het Spaanse gebruik, in overweging te nemen in omstandigheden die slechts minimaal verschillen van die van Garcia Avello en zijn gezin.
75. Ik wil graag afsluiten met op te merken dat hetgeen ik hierboven heb gezegd, niet als kritiek op de Belgische bepalingen of die van andere landen op het gebied van de naamgeving moet worden opgevat. Waar het hier om gaat, is dat deze regels niet zo mogen worden toegepast, dat zij inbreuk maken op het gemeenschapsrechtelijke beginsel van non-discriminatie. België beschikt over een procedure voor wijziging van de geslachtsnaam bij voldoende ernstige redenen. Het enige punt waarop de Belgische praktijk strijdig blijkt met het gemeenschapsrecht, is de systematische weigering om een situatie als die van Garcia Avello en zijn kinderen te beschouwen als een dergelijke redenen opleverend geval.
Conclusie
76. Ik ben daarom van mening dat het Hof de vraag van de verwijzende rechter zou moeten beantwoorden als volgt:Artikel 12 juncto artikel 17 EG verzet zich tegen de toepassing van een regeling of administratieve praktijk van een lidstaat, volgens welke een verzoek van onderdanen van die staat om wijziging van de geslachtsnaam systematisch wordt afgewezen wanneer de reden voor het verzoek is dat de aanvrager tevens de nationaliteit van een andere lidstaat heeft, hij overeenkomstig de wetten van die andere staat een andere naam draagt en overal een naam wenst te dragen die is gevormd overeenkomstig de wetten van de laatstgenoemde lidstaat.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Een persoon kan ook ─ zoals bijvoorbeeld in Zweden ─ een middelste naam dragen, die tot op zekere hoogte deel uitmaakt van beide categorieën.
3 – Zelfs de Fransen, die de term voornaam gebruiken, plaatsen die regelmatig achter de familienaam in een officiële of semi-officiële context.
4 – Broers en zussen dragen in het algemeen afhankelijk van hun geslacht verschillende namen ─ de IJslandse term voor achternaam betekent eigenlijk identificatienaam ─ en IJslandse naamlijsten en -bestanden word gewoonlijk alfabetisch gerangschikt naar de voornaam. Een minderheid van families in IJsland heeft echter een achternaam die ongewijzigd van generatie op generatie kan worden doorgegeven.
5 – Opvallend is dat, althans in Finland en Zweden, de domicilieregel niet van toepassing is op IJslanders, juist wegens het verschil tussen de systemen van naamgeving.
6 – Althans in een geval als dat van de betrokken kinderen, waar de vreemde nationaliteit bij de geboorte is verkregen op grond van de wet van het vreemde land. In bepaalde andere situaties kunnen andere regels het recht van de laatste gewone verblijfplaats of het recht van de verworven nationaliteit toepassen.
7 – Ook al is, zoals in Zweden, het persoonlijk gebruik toegestaan van een middelste naam die de geslachtsnaam kan zijn van de vader wiens geslachtsnaam als zodanig niet wordt gevoerd. Een dergelijke middelste naam kan evenwel niet worden doorgegeven aan volgende generaties.
8 – Wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en de voornamen, artikel 3, lid 2. De voorwaarden lijken minder streng te zijn geweest vóór de vaststelling van deze wet; de aangevoerde reden moest enkel geldig zijn en niet ernstig voor de goedkeuring van een verandering.
9 – Tot 30 april 1999 (dus ten tijde van de vaststelling van de in de hoofdzaak aangevochten beschikking en bij het begin van de behandeling van deze zaak) de artikelen 8 en 8A EG-Verdrag; het lijkt me beter om, zoals de verwijzende rechter doet in zijn vraag, de huidige nummering aan te houden.
10 – De laatste volzin van dit lid is met ingang van 1 mei 1999 ingelast bij het Verdrag van Amsterdam .
11 – EHRM, arresten Burghartz/Zwitserland van 22 februari 1994, série A, nr. 280-B, blz. 28, punt 24, en Stjerna/Finland van 25 november 1994, série A, nr. 299-A, blz. 60, punt 37.
12 – CIEC Overeenkomst nr. 19, ondertekend te München op 5 september 1980 ( Overeenkomst van München). De CIEC is een intergouvernementele organisatie waarbij elf lidstaten van de Europese Unie zijn aangesloten, twee landen die binnenkort tot de Unie kunnen toetreden en drie andere landen. Van de huidige lidstaten van de Europese Unie zijn Denemarken, Finland, Ierland en Zweden niet aangesloten bij de CIEC.
13 – Verdrag van 12 april 1930, Recueil des Traités de la Société des Nations, vol. 179, blz. 89 ( Verdrag van 's-Gravenhage), geratificeerd door België bij een wet van 20 januari 1939, ondertekend door Spanje met één voorbehoud, maar niet geratificeerd.
14 – Zie evenwel voetnoot 6.
15 – CIEC Overeenkomst nr. 21, ondertekend te Den Haag op 8 september 1982 ( Overeenkomst van Den Haag van 1982).
16 – De CIEC-overeenkomst inzake verandering van geslachtsnamen en voornamen, Overeenkomst nr. 4 ondertekend te Istanboel op 4 september 1958 (en eveneens geratificeerd door Spanje maar niet door België), bevat geen in casu toepasselijke bepalingen, met uitzondering van de slechts marginaal relevante bepaling dat geen overeenkomstsluitende staat naamsveranderingen zal toestaan voor onderdanen van een andere overeenkomstsluitende staat tenzij ze ook onderdanen zijn van de eerstgenoemde staat.
17 – Vastgesteld en opengesteld voor ondertekening, ratificatie en toetreding door resolutie 44/25 van de Algemene Vergadering van 20 november 1989; geratificeerd door Spanje op 6 december 1990 en door België op 16 december 1991 en in werking getreden in die landen op de 30e dag na de respectievelijke ratificatiedatum.
18 – Zoals ter terechtzitting is verklaard, omdat een dergelijke verandering noch het Spaanse, noch het Belgische systeem zou weerspiegelen en Garcia een zeer veel voorkomende geslachtsnaam is.
19 – Aangehaald in voetnoot 13.
20 – Zie bijvoorbeeld arrest van 28 juni 1984, Moser (180/83, Jurispr. blz. 2539).
21 – Arresten van 5 juni 1997 (64/96 en 65/96, Jurispr. blz. I-3171, punt 23). Zie ook arrest van 29 mei 1997, Kremzow (299/95, Jurispr. blz. I-2629, punt 16), en beschikking van 25 mei 1998, Nour (C-361/97, Jurispr. blz. I-3101, punt 19).
22 – Klaarblijkelijk werkt hij als ingenieur in België, ook al blijkt niet duidelijk uit het dossier of hij werknemer is en dus zijn recht op vrij verkeer als werknemer op basis van artikel 39 EG heeft uitgeoefend, of dat hij zelfstandige is en bijgevolg onder artikel 43 EG valt.
23 – Zie bijvoorbeeld arrest van 11 juli 2002, D'Hoop (C-224/98, Jurispr. blz. I-6191, punten 27-29).
24 – Zie voor vergelijkbare situaties betreffende werknemers en zelfstandigen, arrest van 19 januari 1988, Gullung (292/86, Jurispr. blz. 111, in het bijzonder punten 10-13), conclusie advocaat-generaal Tesauro, arrest van 7 juli 1992, Micheletti, Jurispr. blz. I-4239, punt 6), en arrest van 12 mei 1998, Gilly, (C-336/96, Jurispr. blz. I-2793, punten 19-22).
25 – Een nog frappanter voorbeeld, buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht, zou dat van de in België geboren dochter van een IJslandse vader en een Belgische moeder zijn. Volgens de Belgische regel zou zij voor een IJslander de zoon van haar grootvader lijken en niet de dochter van haar vader.
26 – Arrest van 30 maart 1993 (C-168/91, Jurispr. blz. I-1191).
27 – Punt 12.
28 – Punten 15-17.
29 – Zie bijvoorbeeld beslissingen over de ontvankelijkheid van 27 april 2000, Bijleveld/Nederland en van 27 december 2001, GMB en KB/Zwitserland.
30 – Zie bijvoorbeeld arrest D'Hoop, aangehaald in voetnoot 23, in punt 36.
31 – 23 augustus 1794, volgens de Franse revolutionaire kalender die toen van kracht was.
32 – Zie de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen 3, lid 1, sub q), en 151, lid 4, EG.
33 – Dergelijke moeilijkheden zouden weliswaar kunnen worden verminderd indien de kinderen van Garcia Avello van de Spaanse autoriteiten een certificaat van verschillende familienamen zouden verkrijgen op grond van de Overeenkomst van Den Haag van 1982. Aan de gemeenschapsrechtelijke situatie kan echter geen afbreuk worden gedaan door een intergouvernementele overeenkomst die (thans) enkel verbindend is voor vier staten. Het gemeenschapsrecht zou inderdaad moeten voorkomen dat dergelijke situaties zich voordoen binnen zijn werkingssfeer, in plaats van hun gevolgen afzwakken.
Full & Egal Universal Law Academy