CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. STIX-HACKL
van 15 mei 2003 (1)
Zaak C-154/02
Åklagaren
tegen
Jan Nilsson
[verzoek van de Hässleholms tingsrätt (Zweden) om een prejudiciële beslissing]
„Bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten – Artikelen 2, sub w, en 8, lid 3, van verordening (EG) nr. 338/97 – Bewerkt specimen – Opgezet dier – Meer dan 50 jaar geleden verkregen specimen – Wijze van verkrijging – Artikel 32 van verordening (EG) nr. 939/97 en artikel 32 van verordening (EG) nr. 1808/2001 – Noodzaak van een certificaat”
I ─ Inleiding
1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (2) , en de door de Commissie vastgestelde uitvoeringsbepalingen. In het bijzonder gaat het daarbij om de juridische kwalificatie van opgezette dieren en de vraag welke wijze van verkrijging van dieren wordt bedoeld.
II ─ Toepasselijke bepalingen
A ─ Internationaal publiekrecht
2. Op 3 maart 1973 is de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (hierna: CITES-overeenkomst) voor ondertekening opengesteld. Deze overeenkomst strekt ertoe, bepaalde bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten te beschermen, door de internationale handel te reglementeren. Om deze doelstelling te bereiken, voorziet de overeenkomst in een aantal beperkingen en controles.
3. De CITES-overeenkomst bevat verschillende bijlagen. Bijlage I geldt voor alle met uitsterven bedreigde soorten, die daarom aan de strengste voorschriften worden onderworpen. Bijlage II geldt ten eerste voor alle soorten die zonder strenge handelsvoorschriften met uitsterven bedreigd zouden kunnen worden, en ten tweede voor andere soorten die aan een strenge regeling moeten worden onderworpen.
4. Artikel XIV, lid 1, bepaalt dat de CITES-overeenkomst op geen enkele wijze van invloed is op het recht van verdragspartijen om strengere binnenlandse maatregelen te nemen, wat betreft de voorwaarden waaraan de handel, het in bezit nemen, het in bezit hebben of het vervoer van specimens van in de bijlagen I, II en III opgenomen soorten moeten voldoen, welke maatregelen kunnen worden uitgebreid tot een volledig verbod.
5. Artikel VII, dat uitzonderingen en andere bijzondere voorzieningen bevat, bepaalt in lid 2 dat de artikelen III, IV en V, dat wil zeggen de handelsvoorschriften, niet van toepassing zijn op een specimen waarvoor de administratieve instantie een certificaat afgeeft, waarin wordt vastgesteld dat dit specimen is verkregen voordat de bepalingen van de CITES-overeenkomst daarop van toepassing waren.
6. In verband met problemen van uitlegging is resolutie 5.11 vastgesteld, die de aanbeveling bevat, dat het tijdstip van verkrijging van een specimen voor levende of dode dieren het tijdstip is waarop deze oorspronkelijk aan hun habitat zijn onttrokken. Voor delen of producten van een beschermd specimen is bepalend het tijdstip waarop deze in iemands bezit zijn gekomen.
B ─ Gemeenschapsrecht
1. Verordening nr. 338/97
7. Verordening nr. 338/997 heeft, luidens artikel 1, met name ten doel in het wild levende diersoorten te beschermen en in stand te houden door de controle op het desbetreffende handelsverkeer.
8. Onder verordening nr. 338/97 vallen, volgens artikel 3 ervan, onder meer de in bijlage I opgenomen soorten. Daaronder bevinden zich ook de soorten die in casu aan de orde zijn.
9. Artikel 2 van verordening nr. 338/97 bevat met name de volgende wettelijke definities:
m) overwegend commerciële doeleinden: alle doeleinden waarvan de niet-commerciële aspecten niet duidelijk de overhand hebben; [...]
p) verkoop: alle vormen van verkoop. Voor de toepassing van deze verordening worden huur, ruil of uitwisseling gelijkgesteld met verkoop; uitdrukkingen van dezelfde strekking worden in dezelfde zin geïnterpreteerd; [...]
u) handel: het binnenbrengen in de Gemeenschap met inbegrip van de aanvoer vanuit zee, de uitvoer en wederuitvoer vanuit de Gemeenschap en het gebruik, het vervoer en de overdracht van eigendom, in de Gemeenschap of in een lidstaat, van specimens waarop de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn; [...]
w) meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte specimens: specimens die meer dan 50 jaar vóór de inwerkingtreding van deze verordening ter vervaardiging van juwelen, decoratie, kunstvoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of muziekinstrumenten zijn gebracht in een toestand die grondig verschilt van hun natuurlijke ruwe staat en waarvan ten genoegen van de administratieve instantie van de betrokken lidstaat is aangetoond dat zij onder die voorwaarden zijn verworven. Dergelijke specimens gelden enkel als bewerkt indien zij duidelijk passen in een van de genoemde categorieën en indien zij de beoogde functie kunnen vervullen zonder dat daarvoor nog snijwerk, bewerking of verdere afwerking nodig [is]; [...].
10. Artikel 8, dat bepalingen betreffende de controle op handelsactiviteiten bevat, luidt als volgt:
1. De aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van specimens van de in bijlage A genoemde soorten, is verboden.[...]
3. In overeenstemming met de voorschriften van andere gemeenschapswetgeving betreffende de instandhouding van wilde fauna en flora kan per geval ontheffing van de in lid 1 genoemde verbodsbepalingen worden verleend door afgifte van een daartoe strekkend certificaat door een administratieve instantie van de lidstaat waarin de specimens zich bevinden, indien de specimens:
a) werden verkregen of werden binnengebracht voordat de bepalingen betreffende de soorten als genoemd in bijlage I bij de Overeenkomst of in bijlage C 1 bij verordening (EEG) nr. 3626/82 of in bijlage A bij de onderhavige verordening, van toepassing werden op die specimens;
of
b) bewerkte specimens zijn die meer dan 50 jaar geleden zijn verkregen;
of[...].
11. Overeenkomstig artikel 8, lid 4, is de Commissie bevoegd, algemene ontheffingen van de verbodsbepalingen van lid 1 op basis van de voorwaarden van lid 3 vast te stellen, alsmede algemene ontheffingen met betrekking tot de soorten die overeenkomstig artikel 3, lid 1, sub b-ii, in bijlage A zijn opgenomen. Dergelijke afwijkingen moeten in overeenstemming zijn met de voorschriften van andere gemeenschapswetgeving inzake de instandhouding van wilde fauna en flora.
2. De uitvoeringsbepalingen
a) Verordening nr. 939/97
12. Verordening (EG) nr. 939/97 van de Commissie van 26 mei 1997 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 338/97 (3) , stelt de gedetailleerde voorwaarden en criteria vast voor de aanvragen voor vergunningen en certificaten en voor de afgifte, de geldigheid en het gebruik van deze documenten. Bijzondere bepalingen gelden voor in gevangenschap geboren en gefokte of kunstmatig gekweekte specimens.
13. Artikel 1 van verordening (EG) nr. 939/97 definieert het begrip datum van verwerving als volgt: de datum waarop een specimen aan de natuur werd onttrokken, in gevangenschap werd geboren of kunstmatig werd gekweekt.
14. Artikel 20, lid 3, bevat de bepalingen betreffende de afgifte van een certificaat voor de in artikel 8, lid 3, van verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden. Het bevat echter geen voorschriften aangaande de in artikel 8, lid 3, genoemde ontheffing voor bewerkte specimens die meer dan 50 jaar geleden zijn verkregen.
15. Artikel 32 van verordening nr. 939/97 voorziet met name in de navolgende ontheffingen: De verbodsbepalingen van artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 338/97 en het bepaalde in artikel 8, lid 3, van deze verordening dat ontheffingen daarvan geval voor geval worden verleend door de afgifte van een certificaat, zijn niet van toepassing op:[...]
d) meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte specimens als omschreven in artikel 2, sub w, van verordening (EG) nr. 338/97.
b) Verordening nr. 1808/2001
16. Verordening nr. 939/97 is vervangen door verordening (EG) nr. 1808/2001 van de Commissie van 30 augustus 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 338/97 (4) , die in september 2001 in werking is getreden.
17. De vijfde overweging van de considerans luidt:Om te garanderen dat algemene afwijkingen van de verbodsbepalingen inzake interne handelsactiviteiten van artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 338/97 eenvormig worden toegepast, moeten voorwaarden en criteria worden vastgesteld ten aanzien van de omschrijving daarvan.
18. Anders dan artikel 29, lid 2, van verordening nr. 939/97 bepaalt artikel 29, lid 1, van verordening nr. 1808/2001:De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder a) tot en met c), van verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie aantoont dat aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan.
19. Anders dan artikel 32 van verordening nr. 939/97 bepaalt artikel 32 van verordening nr. 1808/2001 dat in de daar genoemde gevallen geen certificaat vereist is.
C ─ Nationaal recht
20. De Zweedse wet (SFS 1994, nr. 1818) houdende maatregelen inzake beschermde dier- en plantensoorten bepaalt in § 8a dat de hiernavolgende, opzettelijk of uit nalatigheid begane, inbreuken op verordening nr. 338/97 met een geldboete of gevangenisstraf worden bestraft: de invoer, de uitvoer of de wederuitvoer in of uit Zweden, de handel in kunstmatig gekweekte planten, alsmede het transport, de doorvoer, de aankoop, de verkoop of andere handelstransacties. Zij bevat ook bepalingen waarmee de zwaarte van de inbreuk kan worden beoordeeld. Er is geen sanctie voorzien voor lichte inbreuken.
21. De wet van 1994 is met ingang van 1 januari 1999 ingetrokken (SFS 1998, nr. 808 en 1998, nr. 811).
III ─ Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
22. Jan Nilsson (hierna: Nilsson) had in door zijn onderneming Tyringe Förmedlingscentral gebruikte ruimten een aantal opgezette specimens van vogelsoorten en een opgezette bruine beer, die alle zijn opgenomen in bijlage A bij verordening nr. 338/97.
23. Nilsson heeft in augustus 1998 in Tyringe opzettelijk of uit nalatigheid de volgende opgezette dode specimens illegaal gekocht, hoewel deze soorten in bijlage A bij verordening nr. 338/97 zijn vermeld: 2 sperwers, 2 boomvalken, 2 blauwe kiekendieven, 1 Oeraluil, 4 bosuilen, 1 havik, 2 torenvalken, 1 sneeuwuil, 1 sperweruil, 1 velduil, 1 kerkuil, 1 bruine kiekendief, 4 buizerds, 1 ransuil, 1 kraanvogel, 1 steenarend en 1 zeearend. Het gaat hier om een ernstig vergrijp, aangezien de daad betrekking had op bedreigde en zeldzame soorten en van aanzienlijke omvang was.
24. Nilsson heeft in juli 1998 in Tyringe opzettelijk of uit nalatigheid een opgezette dode bruine beer illegaal gekocht, hoewel deze soort is opgenomen in bijlage A bij verordening nr. 338/97. Het gaat hier om een ernstig vergrijp, aangezien de daad betrekking had op een specimen van een bedreigde en zeldzame soort en tezamen met de dode dieren van punt 1 van de tenlastelegging van aanzienlijke omvang was.
25. De bij Nilsson in beslag genomen opgestelde dieren waren opgezette specimens.
26. Het openbaar ministerie heeft tegen Nilsson een strafrechtelijke vervolging ingesteld bij de Hässleholms tingsrätt wegens een ernstige overtreding van de wet houdende maatregelen inzake beschermde dier- en plantensoorten en het milieuwetboek (miljöbalken). Nilsson heeft bestreden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
27. De Hässleholms tingsrätt heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof overeenkomstig artikel 234 EG verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
1) Vallen opgezette dieren die in bijlage A [van verordening nr. 338/97] worden vermeld, onder het begrip bewerkte specimens?
2) Hoe moet het begrip verkregen in artikel 8, lid 3, van verordening nr. 338/97 worden uitgelegd?
3) Moet het de huidige eigenaar zijn die de specimens meer dan 50 jaar geleden heeft verkregen?
4) Houdt de ontheffingsbepaling van artikel 32 van verordening nr. 1808/2001 in, dat geen beoordeling door een administratieve instantie ingevolge artikel 2, sub w, van verordening nr. 338/97 vereist is?
III ─ De eerste prejudiciële vraag
A ─ Voornaamste argumenten van de deelnemers aan de procedure
28.
De Italiaanse regering voert aan dat het, ingevolge de wettelijke definitie van bewerkte specimens in de zin van artikel 2, sub w, van verordening nr. 338/97, hierbij voornamelijk aankomt op de factor arbeid. Omdat die bepaling een aanzienlijke wijziging van de natuurlijke ruwe staat vooronderstelt, hetgeen juist niet het geval is bij het opzetten van dieren, moeten opgezette dieren niet als bewerkte specimens worden beschouwd en vallen zij dus niet onder voormeld artikel 2, sub w.
29.
De Commissie wijst er om te beginnen op, dat bijlage A bij verordening nr. 338/97 omvangrijker is dan de overeenkomstige bijlage bij de internationaal publiekrechtelijke Overeenkomst (de CITES-overeenkomst) die de verordening ten uitvoer legt.
30. Uitgaande van de wettelijke definitie van artikel 2, sub w, van verordening nr. 338/97, komt de Commissie tot de conclusie dat opgezette dieren als bewerkte specimens beschouwd moeten worden, wanneer zij juwelen, decoratie, kunstvoorwerpen of gebruiksvoorwerpen zijn, zonder dat daarvoor nog een verdere bewerking nodig is.
B ─ Beoordeling
31. Voor de juridische kwalificatie van opgezette dieren moet worden uitgegaan van de wettelijke definitie van artikel 2, sub w, van verordening nr. 338/97. Deze bepaling geeft aan wat onder bewerkte specimens moet worden verstaan.
32. De eerste voorwaarde die deze bepaling meebrengt, is dat de natuurlijke ruwe staat van het specimen aanzienlijk moet zijn gewijzigd.
33. Zoals de Commissie terecht stelt, moeten opgezette dieren als bewerkt worden beschouwd, daar hun toestand is gewijzigd ten opzichte van hun staat als dood of levend dier, dat wil zeggen ten opzichte van hun natuurlijke staat, waar de verordening van uitgaat.
34. Verder is ook aan de voorwaarde voldaan, dat het om een aanzienlijke wijziging moet gaan. De in het kader van het prepareren van dieren verrichte handelingen en het daarmee bereikte resultaat kunnen namelijk worden aangemerkt als het aanbrengen van een aanzienlijke wijziging. Dit geldt zowel voor de klassieke opzetting, waarbij de huid wordt losgemaakt, gelooid en gevuld, als bij de moderne methoden van taxidermie. Hierbij wordt de huid losgemaakt, gereinigd en gelooid. Van het binnenste van het lichaam wordt een model gemaakt waarover de huid wordt gespannen. Bepaalde lichaamsdelen, zoals de ogen of de klauwen, worden door kunstmatige delen vervangen.
35. Daarom moeten de voor het prepareren van dieren gebruikte technieken worden aangemerkt als het aanbrengen van een aanzienlijke wijziging in de staat van de specimens.
36. Het feit dat het opzetten zo veel mogelijk het natuurlijke voorkomen van dieren beoogt te behouden, doet aan deze conclusie niet af. De vraag of er sprake is geweest van een aanzienlijke wijziging in de zin van artikel 2, sub w, van verordening nr. 338/97 hangt namelijk niet af van het uiterlijk van het exemplaar, maar van de vraag of de algemene staat ervan is gewijzigd.
37. De tweede in artikel 2, sub w, genoemde voorwaarde betreft het doel van de wijziging, die volgens de limitatieve opsomming van het artikel bestaat in de vervaardiging van juwelen, decoratie, kunstvoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of muziekinstrumenten. Naar gelang het doel van de verwerking kan bij opgezette dieren, voor ieder specimen, elk van deze mogelijkheden in aanmerking komen.
38. Ten slotte gelden alleen die specimens als bewerkt, welke duidelijk passen in een van de genoemde categorieën en de beoogde functie kunnen vervullen zonder dat daarvoor nog snijwerk, bewerking of verdere afwerking nodig is.
39. Op de verdere voorwaarden van artikel 2, sub w, namelijk dat het alleen gaat om specimens waarvan de toestand meer dan 50 jaar vóór de inwerkingtreding van de verordening aanzienlijk is gewijzigd en waarvan ten genoegen van de administratieve instantie van de betrokken lidstaat is aangetoond dat zij onder die voorwaarden zijn verworven, zal in het kader van de derde en de vierde prejudiciële vraag worden ingegaan.
40. Bijgevolg dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat de artikelen 2, sub w, en 8, lid 3, sub b, van verordening nr. 338/98 aldus moeten worden uitgelegd, dat opgezette dieren die in bijlage A van deze verordening zijn vermeld, als bewerkte specimens kunnen worden aangemerkt, voorzover daarvoor geen snijwerk, bewerking of verdere afwerking nodig is.
IV ─ Tweede prejudiciële vraag
A ─ Voornaamste argumenten van de deelnemers aan de procedure
41. Volgens de Italiaanse regering behoeven de andere vragen niet te worden beantwoord, aangezien de eerste prejudiciële vraag ontkennend beantwoord moet worden.
42. De Commissie , die de tweede en de derde prejudiciële vraag gezamenlijk behandelt, baseert zich op de resolutie over de uitvoering van de CITES-overeenkomst, de definities van artikel 2 van verordening nr. 338/97, het handelsverbod van artikel 8, lid 3, van diezelfde verordening, en verordening nr. 939/97.
43. Volgens de Commissie is er sprake van verkrijgen in de zin van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 338/97, wanneer er een bezitsverkrijging heeft plaatsgevonden met het oogmerk om het goed voor zichzelf te houden, ongeacht of zij door de huidige bezitter of een vorige is geschied. Daaronder valt ook het (ver)erven, schenken of onttrekken aan de natuur.
B ─ Beoordeling
44. Voor de uitlegging van het begrip verkrijgen in de zin van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 338/97 moet worden uitgegaan van de systematiek van deze verordening.
45. Het in verordening nr. 338/97 vervatte stelsel is gegrondvest op het verbod van artikel 8, lid 1, dat geldt voor specimens van de in bijlage A genoemde soorten. Ingevolge dat artikel wordt een aantal handelingen verboden, te weten de aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop.
46. Artikel 8, lid 3, sub b, voorziet in een ontheffing van dit verbod voor bewerkte specimens die meer dan 50 jaar geleden zijn verkregen. De wettelijke definitie van dergelijke bewerkte specimens staat in artikel 2, sub w, van die verordening.
47. Geen van deze drie bepalingen bevat echter een definitie van het begrip verkrijgen. Artikel 2, sub w, verwijst voor de verkrijging weliswaar naar de periode van 50 jaar, maar geeft geen nadere definitie van de term verkregen.
48. Een nauwkeuriger voorschrift omtrent het verkrijgen staat in artikel 1, sub a, van verordening nr. 939/97. Volgens dat artikel geldt als datum van verwerving met name de datum waarop een specimen aan de natuur werd onttrokken, in gevangenschap werd geboren of kunstmatig werd gekweekt.
49. Geen van deze drie mogelijkheden kan evenwel in casu van toepassing zijn. Opgezette dieren worden immers niet als bewerkte specimens aan de natuur onttrokken. Dit kan dus niet het tijdstip van het verkrijgen van opgezette dieren zijn.
50. Het tijdstip van onttrekking aan de natuur is weliswaar ook van belang voor opgezette dieren, daar deze specimens aan de natuur kunnen zijn onttrokken, voordat zij werden bewerkt.
51. Uit verordening nr. 338/97 komt derhalve, wat het verkrijgen betreft, de navolgende systematiek naar voren:Het eerste tijdstip waarop een verkrijging kan plaatsvinden, is de datum waarop het specimen aan de natuur wordt onttrokken.Het tweede tijdstip waarop een verkrijging kan plaatsvinden, is bij een opgezet dier de verkrijging overeenkomstig artikel 8, lid 3, sub b.Daarbij komt voor opgezette dieren nog het tijdstip van de aanzienlijke wijziging in de zin van artikel 2, sub w. Dit tijdstip ligt tussen de onttrekking van het dier aan de natuur en de verkrijging van het dan al bewerkte, dat wil zeggen opgezette dier.Bij opgezette dieren kan een ─ in de zin van artikel 8, lid 1, verboden ─ verwerving dus pas plaatsvinden nà de onttrekking aan de natuur en de daarop volgende bewerking.
52. Een verwerving in de zin van artikel 8, lid 1, onderscheidt zich daarom van een verkrijging in de zin van artikel 8, lid 3, sub b, van verordening nr. 338/97 ten eerste wat het tijdstip ervan betreft.
53. Het tweede verschil is het feit dat het bij de ontheffing van de artikelen 8, lid 3, sub b, en 2, sub w, van verordening nr. 338/97 alleen gaat om het verkrijgen, terwijl het verbod van artikel 8, lid 1, de verkrijging slechts als een van verschillende verboden handelingen noemt. Daarbij is ─ wat de verwerving in de zin van artikel 8, lid 1 betreft ─ alleen de verwerving voor commerciële doeleinden verboden.
54. Omdat de betekenis van de in de artikelen 8, lid 3, sub b, en artikel 2, sub w, van verordening nr. 338/97 gebruikte term verkregen niet specifiek wordt aangegeven, dient de in deze artikelen gebruikte term verkregen ruim te worden uitgelegd.
55. Omdat de reikwijdte van een ontheffingsbepaling echter niet verder kan gaan dan de bepaling waarvan ontheffing wordt verleend, kunnen de artikelen 8, lid 3, sub b, en 2, sub w, niet meer handelingen toelaten dan er ingevolge artikel 8, lid 1, verboden zijn.
56. Zoals uit de opsomming van de in artikel 8, lid 1, verboden handelingen volgt, is het in iemands bezit komen beslissend. Eigendomsverkrijging is daarbij niet noodzakelijk en ook het enkele houderschap is niet voldoende.
57. Onder het begrip verkrijgen in de zin van de artikelen 8, lid 3, sub b, en 2, sub w, van verordening nr. 338/97 vallen alle wijzen van eigendomsverkrijging. Voor de lidstaten die een onderscheid maken tussen de onderliggende obligatoire rechtsgrond en het goederenrechtelijke aspect, is een bepaalde titel niet van belang. Daarom heeft het ook betrekking op de verkrijging krachtens erfrecht, als erfenis of als legaat, dan wel door middel van schenking. Daarbij komt bijvoorbeeld ook nog koop en ruil.
58. Ook het in bezit hebben en tentoonstellen, dat ingevolge artikel 8, lid 1, is verboden, zou krachtens artikel 8, lid 3, zijn toegestaan, indien het al voor het begin van de termijn van 50 jaar was aangevangen.
59. Dat de gemeenschapswetgever in het algemeen geen strenge eisen heeft willen stellen aan het verkrijgen, blijkt ook uit een vergelijking met het oorspronkelijke voorstel van de Commissie (5) , waarin nog een rechtmatige verkrijging als vereiste gold.
60. Op de tweede prejudiciële vraag dient dan ook te worden geantwoord dat artikel 8, lid 3, sub b, van verordening nr. 338/97 aldus moet worden uitgelegd, dat er geen bepaalde wijze van verkrijging wordt verlangd, doch iedere bezitsverkrijging voldoende is.
V ─ Derde prejudiciële vraag
A ─ Voornaamste argumenten van de deelnemers aan de procedure
61. Volgens de Italiaanse regering behoeven de andere vragen niet te worden beantwoord, aangezien de eerste prejudiciële vraag ontkennend beantwoord moet worden.
62.
De Commissie behandelt de derde prejudiciële vraag tezamen met de tweede, en acht het irrelevant of het de huidige of een eerdere eigenaar is die het bezit heeft verkregen.
63. Met betrekking tot de 50 jaren die moeten zijn verlopen vanaf het tijdstip van verkrijging, voert de Commissie aan, dat deze termijn volgens de CITES-overeenkomst moet worden berekend vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst, dat wil zeggen vanaf 1 juli 1975. Volgens verordening nr. 338/97 moet daarentegen worden uitgegaan van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening, hetgeen, teruggerekend, neerkomt op 3 maart 1947.
B ─ Beoordeling
64. De derde prejudiciële vraag betreft het probleem, wie van de ontheffing van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 338/97 profijt trekt, dat wil zeggen, wie het specimen moet hebben verkregen. In het bijzonder rijst de vraag, of alleen de huidige eigenaar dan wel ook een eerdere eigenaar het specimen in de zin van de bepaling kan hebben verkregen.
65. De wettelijke definitie van de datum van verwerving in artikel 1 van verordening nr. 939/97, volgens welke het tijdstip relevant is waarop het specimen aan de natuur is onttrokken, komt, zoals in het kader van de tweede prejudiciële vraag al bleek, voor opgezette dieren niet in aanmerking.
66. Er moet worden uitgegaan van de definitie in artikel 2, sub w, van verordening nr. 338/97, van meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte specimens. Volgens die definitie gaat het om specimens die meer dan 50 jaar vóór de inwerkingtreding van deze verordening [...] zijn gebracht in een toestand die grondig verschilt van hun natuurlijke ruwe staat en waarvan ten genoegen van de administratieve instantie van de betrokken lidstaat is aangetoond dat zij onder die voorwaarden zijn verworven . (6)
67. Dit betekent dat de ontheffing van artikel 8, lid 3, sub b, van verordening nr. 338/97 alleen aan de orde is, wanneer de termijn van 50 jaar is verstreken ten opzichte van twee gebeurtenissen, namelijk de aanzienlijke wijziging en de verkrijging.
68. Verder moet worden benadrukt, dat de in deze bepaling voorziene 50-jaarstermijn niet steeds vanaf het tijdstip van de laatste verkrijging moet zijn verstreken. Integendeel, het tijdstip wordt niet voor iedere verkrijging afzonderlijk berekend, wat zou neerkomen op het vereiste van een minimale bezitsduur, maar er is een voor alle gevallen geldende peildatum, 3 maart 1947. De aanzienlijke wijziging en de verkrijging moeten daarvoor liggen.
69. Weliswaar betekent dit niet dat iedere verkrijging van een opgezet dier moet plaatsvinden vóór de peildatum, maar dat moet wel het geval zijn bij de eerste verkrijging. De ontheffing geldt dus ook voor specimens die voor het eerst zijn verkregen vóór 3 maart 1947, doch die daarna opnieuw zijn verkregen.
70. Specimens die voor het eerst vóór 3 maart 1947 zijn verkregen, vallen dus niet onder het verbod van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 338/97. Zijn zij vóór die datum gekocht, geërfd of op een andere wijze ─ in de zin van het voorgestelde antwoord op de eerste prejudiciële vraag ─ voor het eerst verkregen, dan kunnen zij ook na die datum opnieuw worden verkregen.
71. Zou men artikel 2, sub w, van verordening nr. 338/97 daarentegen aldus uitleggen, dat iedere verkrijging vóór de peildatum moet liggen, dan had dat ten gevolge dat oude objecten na de peildatum helemaal niet meer verkregen zouden kunnen worden.
72. Ingeval de ontheffing van artikel 8, lid 3, niet van toepassing is, geldt namelijk het verbod van artikel 8, lid 1. Daardoor zouden de meer dan 50 jaar geleden opgezette dieren niet alleen aan het handelsverkeer worden onttrokken, maar zou ook ieder bezit door een verdere verkrijger worden verboden. Een dergelijk verbod zou dus ook personen treffen die het object alleen maar geërfd hebben of aan wie het geschonken is.
73. Zoals de Commissie terecht stelt, staat het aan de nationale instanties om de datum van met name de eerste verkrijging vast te stellen en aan te tonen.
74. Op de derde prejudiciële vraag dient daarom te worden geantwoord dat de artikelen 2, sub w, en 8, lid 3, sub b, van verordening nr. 338/97 aldus dienen te worden uitgelegd, dat zij niet alleen betrekking hebben op de bezitter die het bewerkte specimen meer dan 50 jaar voor de inwerkingtreding van de verordening heeft verkregen.
VI ─ Vierde prejudiciële vraag
A ─ Voornaamste argumenten van de deelnemers aan de procedure
75. Volgens de Italiaanse regering behoeven de andere vragen niet te worden beantwoord, aangezien de eerste prejudiciële vraag ontkennend beantwoord moet worden.
76. Volgens de Commissie heeft artikel 32 van verordening nr. 1808/2001, volgens hetwelk in bepaalde gevallen geen certificaat is vereist, een wijziging aangebracht in artikel 8, lid 3, van verordening nr. 338/97, die nog wel in de afgifte van een certificaat voorzag. Artikel 32 van verordening nr. 1808/2001 en artikel 2, sub w, van verordening nr. 338/97 zijn niet met elkaar in strijd, daar deze laatste bepaling alleen maar vereist dat ten genoegen van de administratieve instantie moet zijn aangetoond dat de specimens onder bepaalde voorwaarden zijn verworven. Verder wijst de Commissie op artikel 29 van verordening nr. 1808/2001.
B ─ Beoordeling
77. Om te beginnen moet erop worden gewezen dat verordening nr. 1808/2001, ingevolge artikel 45, in werking is getreden op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
78. De feiten van het hoofdgeding betreffen evenwel gebeurtenissen die zich al in juli en augustus 1998 hebben voorgedaan.
79. In het hoofdgeding is dus verordening nr. 939/97 nog van toepassing. Deze bepaalt in artikel 32 dat de voorwaarde volgens welke de ontheffing slechts wordt verleend door afgifte van een certificaat, niet van toepassing is op meer dan 50 jaar geleden verkregen specimens als omschreven in artikel 2, sub w, van verordening nr. 338/97.
80. De ontheffingsbepaling van artikel 32 van verordening nr. 1808/2001 respectievelijk verordening nr. 939/97 wijzigt dus artikel 8, lid 3, van verordening nr. 338/97 in die zin, dat een certificaat niet meer vereist is voor meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte specimens als omschreven in artikel 2, sub w, van verordening nr. 338/97.
81. Dit voorschrift doet niet af aan het bepaalde in artikel 2, sub w, van verordening nr. 338/97. De in dat artikel gestelde voorwaarde, dat ten genoegen van de administratieve instantie is aangetoond dat het specimen onder de voorwaarden van de verordening is verworven, blijft dan ook gelden. De administratieve instantie kan dus controle blijven uitoefenen. Dit in artikel 2, sub w, vereiste aantonen is zelfs een voorwaarde voor de toepassing van de ontheffing van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 338/97.
82. Ten genoegen van de administratieve instantie moet dus altijd kunnen worden aangetoond dat de betrokken specimens onder de in artikel 2, sub w, gestelde voorwaarden zijn verworven. Deze verplichting tegenover de administratieve instantie ligt bij degene die zich op de ontheffing beroept. In dit verband wijst de Commissie terecht op artikel 29, lid 1, van verordening nr. 1808/2001. Deze bepaling voorziet er namelijk in, dat de in casu aan de orde zijnde ontheffing van artikel 8, lid 3, sub b, van verordening nr. 338/97 slechts wordt verleend, indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde instantie aantoont dat aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan.
83. Op de vierde prejudiciële vraag dient dus te worden geantwoord dat artikel 32 van verordening nr. 1808/2001 en artikel 32 van verordening nr. 939/97 aldus moeten worden uitgelegd, dat de ontheffing van de artikelen 8, lid 3, en 2, sub w, van verordening nr. 338/97 weliswaar niet de afgifte van een certificaat als voorwaarde stelt, doch wel dat ten genoegen van de administratieve instanties is aangetoond dat het betrokken specimen onder de in artikel 2, sub w, van verordening nr. 338/97 genoemde omstandigheden is verworven.
VIII ─ Conclusie
84. Bijgevolg stel ik het Hof voor, de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
1. De artikelen 2, sub w, en 8, lid 3, sub b, van verordening nr. 338/98 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, moeten aldus worden uitgelegd, dat opgezette dieren die in bijlage A van deze verordening zijn vermeld, als bewerkte specimens kunnen worden aangemerkt, voorzover daarvoor geen snijwerk, bewerking of verdere afwerking nodig is.
2. Artikel 8, lid 3, sub b, van verordening nr. 338/97 moet aldus worden uitgelegd, dat er geen bepaalde wijze van verkrijging wordt verlangd, doch iedere bezitsverkrijging voldoende is.
3. De artikelen 2, sub w, en 8, lid 3, sub b, van verordening nr. 338/97 dienen aldus te worden uitgelegd, dat zij niet alleen betrekking hebben op de bezitter die het bewerkte specimen meer dan 50 jaar voor de inwerkingtreding van de verordening heeft verkregen.
4. Artikel 32 van verordening nr. 939/97 van de Commissie van 26 mei 1997 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 338/97, en artikel 32 van verordening (EG) nr. 1808/2001 van de Commissie van 30 augustus 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 338/97, moeten aldus worden uitgelegd, dat de ontheffing van de artikelen 8, lid 3, en 2, sub w, van verordening nr. 338/97 weliswaar niet de afgifte van een certificaat als voorwaarde stelt, doch wel dat ten genoegen van de administratieve instanties is aangetoond dat het betrokken specimen onder de in artikel 2, sub w, van verordening nr. 338/97 genoemde omstandigheden is verworven.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 61, blz. 1.
3 – PB L 140, blz. 9.
4 – PB L 250, blz. 1.
5 – Zie de artikelen 2, sub a, en 18, sub b, van het voorstel voor een verordening (EEG) van de Raad van 11 november 1991 houdende bepalingen inzake het bezit van en de handel in specimens van in het wild levende dier- en plantensoorten (PB 1992, C 26, blz. 1).
6 – Cursivering van mij.
Full & Egal Universal Law Academy