CONCLUSIE VAN ADVOCAAT‑GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 20 november 2003 (1)
Zaak C‑159/02
Turner
[Verzoek van het House of Lords (Verenigd Koninkrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Executieverdrag – Rechterlijk verbod om rechtsvordering in te stellen (‚anti-suit injunction’) – Verenigbaarheid”
Inleiding
1. Met deze prejudiciële vraag wil het House of Lords (Verenigd Koninkrijk) alle twijfel wegnemen over de geldigheid, wat het Verdrag van 27 september 1968(2) betreft, van de zogenaamde „anti-suit injunctions”. Dit zijn rechterlijke bevelen waarbij een partij het verbod wordt opgelegd voor een ander, zelfs een buitenlands, gerecht een rechtsvordering in te stellen of voort te zetten, en niet‑naleving van dit verbod levert een „contempt of court” op. In casu heeft het bevel tot doel te voorkomen dat een partij de procedure misbruikt door vexatoire gedingen in te stellen.
De feiten van het hoofdgeding
2. Op basis van de uiteenzetting van Lord Hobhouse of Woodborough in de verwijzingsbeschikking kunnen de aan het geding ten grondslag liggende feiten worden samengevat als volgt.
3. G. P. Turner, die de Britse nationaliteit bezit en als Engels solicitor praktijk mag uitoefenen, was als juridisch adviseur van een groep vennootschappen in dienst van een van de vennootschappen van de groep.
De groep, Chequepoint Group genaamd, werd bestuurd door Grovit en bestond uit verschillende vennootschappen die in diverse landen waren gevestigd, waaronder, naast de in Hongkong gevestigde vennootschap China Security Ltd, die Turner in dienst had genomen, de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap Harada Ltd (hierna: „Harada”) en het in Spanje gevestigde Changepoint SA (hierna: „Changepoint”).
Als adviseur verleende Turner zijn medewerking bij en verstrekte hij advies over onroerendgoedzaken en commerciële aangelegenheden, vertegenwoordigde hij de groep in rechte in het Verenigd Koninkrijk en verrichte hij andere juridische werkzaamheden voor de groep.
4. Turner werkte in Londen. In mei 1997 werd zijn kantoor, op zijn verzoek en met goedkeuring van zijn werkgever, evenwel verplaatst naar Madrid. In november van dat jaar kwam hij onder dezelfde arbeidsvoorwaarden op de loonlijst van Harada Ltd. Zijn taak bleef dus ongewijzigd.
5. Na 35 dagen in Madrid te hebben gewerkt, nam Turner ontslag bij Harada en in maart 1998 daagde hij Harada voor het Employment Tribunal te Londen, de ter zake bevoegde rechter in eerste aanleg. Hij stelde dat hij het slachtoffer was geworden van pogingen om hem bij onwettige praktijken inzake aftrekken voor sociale zekerheid te betrekken. Deze pogingen kwamen volgens hem neer op onrechtmatig ontslag.
6. Het Employment Tribunal verwierp Harada’s exceptie van onbevoegdheid. Het vonnis werd in hoger beroep bevestigd.
Ten slotte kende het Employment Tribunal Turner een schadevergoeding toe.
7. Intussen hadden Changepoint en Harada Turner in juli 1998 voor een rechter in eerste aanleg te Madrid gedaagd. Zij vorderden vergoeding van de schade die zij door Turners beroepspraktijken zouden hebben geleden.
Het verzoekschrift werd omstreeks 15 december 1998 aan Turner betekend, maar hij weigerde de betekening in ontvangst te nemen.
In het vervolgens geregulariseerde verzoekschrift werd van hem een aanzienlijke schadevergoeding gevorderd (meer dan 85 miljoen ESP) wegens tekortkomingen bij de aan Changepoint SA op basis van de overeenkomst verschuldigde diensten. Zij stelden zeven gevallen waarin Turner zijn verplichtingen niet naar behoren was nagekomen, en voorts verklaarden zij dat hij zonder geldige reden of voorafgaand bericht was weggebleven van het kantoor te Madrid en vervolgens een ongefundeerde vordering in het Verenigd Koninkrijk had ingesteld waarbij hij de Engelse rechter niet de waarheid vertelde.
8. Turner verscheen niet voor de Spaanse rechter. Op 18 december 1998 verzocht hij de High Court in Londen(3) om Grovit, Harada en Changepoint te verbieden de procedure in Spanje voort te zetten. Op 22 december wees de High Court zijn verzoek toe bij wege van een interlocutoir bevel.
In februari 1999 weigerde de High Court dit bevel te verlengen, waarop Turner op 28 mei hoger beroep instelde bij de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) (Verenigd Koninkrijk) die op 28 mei een rechterlijk bevel gaf waarbij verweerders, tezamen of afzonderlijk, werd gelast:
1) onverwijld al het nodige te doen om de vorderingen tegen eiser in de door een of meer van de verweerders bij de rechtbank van eerste aanleg te Madrid onder nr. 67 in zaak 70/98 ingeleide procedures te staken of te doen staken;
2) niets te doen in het kader van de door een of meer van de verweerders bij de rechtbank van eerste aanleg te Madrid onder nr. 67 in zaak 70/98 ingeleide procedure, behoudens om punt 3.1 van de onderhavige beschikking na te leven;
3) geen (uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende) procedure of nieuwe procedure in Spanje of elders tegen eiser (in verband met zijn arbeidsovereenkomst) door iemand anders (waaronder een al dan niet rechtstreeks door de verweerders gecontroleerde vennootschap of enige vennootschap binnen of verbonden met Chequepoint en, wat de eerste verweerder betreft, elke vennootschap waarvan hij bestuurder is) te laten instellen of voortzetten, behalve wat de procedure in Engeland en Wales betreft.
9. De Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) stelde zich op het standpunt dat de in Madrid ingestelde procedure alleen tot doel had een partij te intimideren en onder druk te zetten. De Court achtte zich dus bevoegd Changepoint en Harada bij rechterlijk bevel te verbieden de procedure in het buitenland voort te zetten. Uit de beslissing van de Court of Appeal kan impliciet worden afgeleid dat de Court verder misbruik door verweerders verwachtte indien geen verbod werd vastgesteld.
10. Changepoint en Harada stelden hogere voorziening in bij het House of Lords.
I – Nationaal recht
11. Gerechtelijke verboden zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, vinden thans hun rechtsgrondslag in section 37, lid 1, van de Supreme Court, Act 1981, die in algemene termen stelt:
„De High Court kan bij (interlocutoire of definitieve) beschikking een rechterlijk bevel uitvaardigen […] in alle gevallen waarin de Court zulks gerechtvaardigd en aangewezen acht.”
De Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) heeft vergelijkbare bevoegdheden in hogere beroepen tegen een beslissing van de High Court.
12. De nationale rechtspraak beperkt de gevallen waarin dergelijke rechterlijke bevelen kunnen worden gegeven. Aangetoond moet worden dat de partij tegen wie zij worden gegeven, zich onrechtmatig gedraagt en dat de eiser een rechtmatig belang heeft om dat gedrag te willen tegengaan.
13. Deze bescherming staat slachtoffers van misbruik van procedure ten dienste, dat wil zeggen zij die aan onrechtmatig gedrag worden blootgesteld doordat tegen hen in Engeland, Wales of het buitenland vexatoire of onbillijke gedingen worden ingesteld.
De prejudiciële vraag
14. Bij beschikking van 13 december 2001 heeft het House of Lords het Hof krachtens artikel 3, lid 1, van het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging van het Executieverdrag, de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Verzet het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (waartoe het Verenigd Koninkrijk nadien is toegetreden) zich ertegen dat een gerechtelijk verbod wordt uitgevaardigd tegen verweerders die dreigen voor een gerecht van een andere staat die partij is bij het Executieverdrag een rechtsvordering in te stellen of voort te zetten, wanneer die verweerders te kwader trouw handelen met het doel een voor de Engelse gerechten regelmatig ingestelde procedure te frustreren of obstrueren?”
Beoordeling door het House of Lords
15. Volgens de verwijzingsbeschikking wil de Court of Appeal bij de uitoefening van haar bevoegdheid in de onderhavige zaak niet de bevoegdheid van een buitenlandse rechter afbakenen, maar is de grond voor haar optreden het feit dat de geadresseerde van het rechterlijk bevel in personam aan de bevoegdheid van de Engelse gerechten is onderworpen. Het gerechtelijk verbod is dan ook alleen gericht tot de partij die verschijnt voor de rechter van wie het afkomstig is, en niet tot de buitenlandse rechter.
Het bewijs dat gerechtelijke verboden geen beoordeling van de bevoegdheid van een rechter van een ander land inhouden, wordt gevormd door de omstandigheid dat zij gewoonlijk worden vastgesteld wanneer de buitenlandse rechter zijn bevoegdheid in een zaak heeft uitgeoefend of wil uitoefenen.
Aangezien dergelijke bevelen de buitenlandse rechter indirect raken, moet de bevoegdheid omzichtig en alleen voorzover vereist voor een goede rechtsbedeling worden uitgeoefend.
16. Dienovereenkomstig moet ook een bij een Engelse rechter aanhangige procedure worden geschorst wanneer de voortzetting ervan door een van de partijen onrechtmatig zou zijn.
Ook al kan uit het voorgaande worden afgeleid dat het rechterlijk bevel niet berust op de overweging dat de vordering voor een ongeschikt forum is ingesteld (leer van het forum non conveniens), het House of Lords gaat ervan uit dat de vraag of de buitenlandse rechter de geschikte rechter is, relevant is om het onrechtmatig gedrag vast te stellen en te beslissen of het opportuun is bij wege van voorlopige maatregel een rechterlijk bevel te geven.
17. Degene die om een rechterlijk bevel verzoekt, moet volgens het House of Lords een legitiem belang hebben, vergelijkbaar met een contractueel recht, om niet voor een bepaalde rechter te worden gedaagd (bijvoorbeeld krachtens een beding tot aanwijzing van een bevoegde rechter of een arbitragebeding).
18. De belangrijkste omstandigheden op grond waarvan de Court of Appeal, gelet op het Engels recht, het rechterlijke bevel heeft gegeven, waren:
a) eiser is partij bij een in het Verenigd Koninkrijk aanhangig geding;
b) verweerders hebben te kwader trouw voor een andere rechter een vordering tegen eiser ingesteld met het doel deze procedure voort te zetten om de in Engeland aanhangige procedure te frustreren of te obstrueren;
c) volgens de rechter is het ter bescherming van het legitieme belang van eiser in de Engelse procedure noodzakelijk verweerders een gerechtelijk verbod op te leggen.
19. Overigens verbiedt geen enkele bepaling van het Executieverdrag dergelijke bevelen. Integendeel, zij dragen daadwerkelijk bij tot de verwezenlijking van een van de doelstellingen ervan, namelijk het gevaar te beperken dat onverenigbare rechterlijke beslissingen worden vastgesteld.
20. Voorts, aldus de verwijzingsbeschikking, dient de Engelse – en niet de Spaanse – rechter na analyse van de informatie waarover hij beschikt, te beslissen of de in het buitenland gevoerde procedure een risico kan vormen voor het normale verloop van het voor hem aanhangige geding.
21. Ten slotte ontkent het House of Lords dat de omstandigheid dat niet alle rechters van landen die partij zijn bij het Executieverdrag, gerechtelijke verboden kunnen uitvaardigen, in strijd is met het beginsel van gelijkheid van deze rechterlijke instanties. Volgens het House of Lords beoogt het Executieverdrag geen eenvormigheid, maar wil het duidelijke regels inzake internationale rechterlijke bevoegdheid vaststellen.
22. Bijgevolg zou het House of Lords, indien het over de uitlegging alleen had te beslissen, niet concluderen tot onverenigbaarheid met het Executieverdrag.
Procesverloop voor het Hof
23. Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 30 april 2002 ter griffie van het Hof ingekomen. Op 9 september 2003 vond een openbare terechtzitting plaats.
24. Verweerders in het hoofdgeding, de Britse, de Duitse en de Italiaanse regering alsook de Commissie van de Europese Gemeenschappen hebben mondelinge opmerkingen gemaakt.
Analyse van de prejudiciële vraag
25. Volgens verweerders in het hoofdgeding, de Duitse en de Italiaanse regering alsook de Commissie zijn de hier in het geding zijnde rechterlijke bevelen onverenigbaar met het Executieverdrag. Alleen de Britse regering deelt het standpunt van de verwijzende rechter, die deze verenigbaar acht.
26. Deze rechterlijke bevelen gaan terug tot de 15de eeuw, ofschoon hun betekenis, die steeds met het begrip „equity” was verbonden en is ingegeven door de opvattingen van de „common law”‑rechters, is veranderd. Volgens de Britse regering zijn anti-suit injunctions (dat wil zeggen een gerechtelijk verbod om een procedure in te leiden of voort te zetten) niet gericht tot de rechter van een andere lidstaat, maar tot een persoon die is onderworpen aan de bevoegdheid van het gerecht dat het uitvaardigt. Met het House of Lords is zij derhalve van mening dat de naam ervan misleidend is en zij geeft er de voorkeur aan te spreken van „restraining orders” (beperkende bevelen of bevelen om niet te doen). Deze houden dus – volgens de Britse regering – geen beslissing van een Engelse rechter in over de bevoegdheid van een buitenlandse rechter, maar vormen een procedurele maatregel, zoals de maatregel die het Hof in de zaak van Uden(4) heeft goedgekeurd. Het Executieverdrag beperkt niet de maatregelen die een rechter kan nemen ter bescherming van het voorwerp van een voor hem aanhangig geding.
27. In casu moest worden voorkomen dat het onderzoek van de door Turner ingestelde vordering werd verstoord door een groot aantal maatregelen waarmee verweerders de procedure probeerden te obstrueren.
28. Volgens de Britse regering kan alleen een Engelse rechter zich uitspreken over de noodzaak de integriteit van een in Engeland aanhangige procedure te verzekeren.
29. Ten slotte wijst zij erop dat dergelijke rechterlijke bevelen bijdragen tot de verwezenlijking van een van de doelstellingen van het Executieverdrag, namelijk de vermindering van het aantal voor eenzelfde geschil bevoegde rechters.
30. De in de onderhavige prejudiciële procedure aangevoerde argumenten tegen de verenigbaarheid van deze rechterlijke bevelen met het Executieverdrag gaan uit van de gedachte dat een van de pijlers van dit internationale instrument het wederzijds vertrouwen tussen de verschillende nationale rechtsordes is, waaraan de Engelse gerechtelijke verboden afbreuk zouden doen.
31. Deze vaststelling lijkt mij beslissend.(5) De Europese rechterlijke samenwerking, waarin het Executieverdrag een belangrijke mijlpaal is, is doordrongen van het concept van wederzijds vertrouwen, hetgeen veronderstelt dat elk land erkent dat andere rechtsordes onafhankelijk, maar in harmonie, een eigen bijdrage ter verwezenlijking van de gestelde integratiedoelstellingen kunnen hebben.(6) Afgezien van de aan het Hof opgedragen uitleggingstaak, is geen hogere toezichthoudende instantie in het leven geroepen en zeker is niet aan de autoriteiten van een bepaalde staat het recht gegeven om zich bevoegd te verklaren om de moeilijkheden op te lossen die het Europese initiatief zelf uit de weg wil ruimen.
32. Het zou tegen deze geest indruisen, indien een rechterlijke instantie van een lidstaat, zij het indirect, de bevoegdheid van een rechter van een verdragsluitende staat om van een bepaalde procedure kennis te nemen, zou kunnen beïnvloeden.(7)
33. Ook is het inherent aan het beginsel van wederzijds vertrouwen, dat de vragen die bepalend zijn voor de bevoegdheid van de rechters van een land, volgens uniforme regels worden opgelost of, hetgeen op hetzelfde neerkomt, dat elke rechter zich daartoe op voet van gelijkheid met de andere rechters bevindt.
Om die reden is de stelling dat het Executieverdrag nergens uitdrukkelijk rechterlijke handelingen als de onderhavige verbiedt, niet overtuigend. Dit verdrag beoogt een volledig systeem te bieden, zodat de vraag rijst of een maatregel die de werkingssfeer ervan beïnvloedt, strookt met de daarbij ingevoerde gemeenschappelijke regeling. De vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
Rechtsvergelijking leert dat alleen de „common law”‑rechtssystemen dit soort rechterlijke bevelen kennen. Een dergelijk gebrek aan evenwicht gaat in tegen het systeem van het Executieverdrag, dat geen enkele regeling kent om een conflict tussen een „gerechtelijk verbod” van een Engelse rechter wegens misbruik van een buitenlandse procedure en een eventuele afwijkende beoordeling van de Spaanse rechter op te lossen. Het is moeilijk te aanvaarden dat een land dat een dergelijk verbod uitvaardigt, aan de daardoor beschermde bevoegdheid eenzijdig een exclusief karakter zou kunnen geven. Indien alle Europese rechters zich een dergelijke bevoegdheid aanmatigden, zou chaos het gevolg zijn. Indien alleen de Engelse rechters deze bevoegdheid zouden gebruiken, zouden zij zelfstandig een distributieve functie uitoefenen waarvoor het Executieverdrag minder soepele, maar objectievere criteria geeft die voor iedereen gelijkelijk gelden.(8)
Evenmin bevat dit verdrag een regel om de situatie op te lossen waarin twee rechters van verschillende landen die deze maatregelen toestaan, tegenstrijdige rechterlijke bevelen geven(9), hoewel de situatie zich heeft voorgedaan tussen verschillende landen van de „common law”‑familie. Het typische voorbeeld is de zaak Laker Airways, waarin er een conflict was tussen verschillende Engelse en Noord-Amerikaanse gerechten.(10)
34. De Britse regering, die het House of Lords volgt, beklemtoont uiteraard dat de betrokken bevelen niet de bevoegdheid van de Spaanse rechter betreffen: zij zijn alleen gericht tot de partij die een geding heeft ingesteld met de enige bedoeling het verloop van een ander bij een andere rechter aanhangig geding te obstrueren.
Die analyse is formeel correct. Het aan een partij opgelegde verbod om op straffe van sanctiemaatregelen een geding voor een bepaalde rechter voort te zetten heeft evenwel onmiskenbaar tot gevolg dat deze rechter alle bevoegdheid voor de beslechting van het geschil wordt ontnomen, hetgeen een directe inmenging in de soevereiniteit van zijn rechterlijke bevoegdheid is. Ofschoon de Engelse rechtsleer deze gedachte enige tijd heeft gevolgd, erkennen de recentere auteurs dat dit argument niet meer opgaat(11), omdat een gerecht pas van een geschil kennis kan nemen, nadat de eiser de vordering heeft ingesteld. Indien de eiser deze mogelijkheid wordt ontnomen, is er sprake van een inmenging in de bevoegdheid van de buitenlandse rechter, aangezien deze de zaak niet mag onderzoeken of beslechten. De Amerikaanse rechtsleer(12) en rechtspraak(13) hebben erkend dat het onderscheid tussen een bevel aan de partij in personam en een bevel aan de buitenlandse rechters stellig gekunsteld is.
35. De gerechtelijke verboden hebben soortgelijke gevolgen als het beginsel van het forum non conveniens, op basis waarvan een gerecht zich onbevoegd kan verklaren wanneer het geding voor een ongeschikt forum is gebracht. Ofschoon de gerechtelijke verboden zich tot de partijen en niet tot de rechter richten, houden zij dus ook een zekere beoordeling over de juistheid van de instelling van een rechtsvordering bij een bepaalde rechter in. Op enkele uitzonderingen na, die niet van belang zijn voor de onderhavige zaak, kan volgens het Executieverdrag de bevoegdheid van een gerecht niet door een gerecht van een verdragsluitende staat worden getoetst.(14)
36. Ofschoon het in artikel 26 van het Executieverdrag ingevoerde systeem volgens hetwelk de in een verdragsluitende staat gegeven beslissingen in de overige verdragsluitende staten worden erkend, zonder dat er enige procedure moet worden ingeleid, een uitzondering inzake de openbare orde kent (artikel 27, punt 1), sluit dit systeem bovendien uitdrukkelijk de toetsing van de bevoegdheid van de werkingssfeer daarvan uit (artikel 28), zodat de paradoxale situatie zou kunnen ontstaan dat een rechter die een „anti-suit injunction” heeft gegeven, aan een in weerwil van zijn uitdrukkelijk verbod vastgestelde beslissing het exequatur moet verlenen. De Engelse rechter zal op een bepaald moment de bevoegdheid van de buitenlandse rechter moeten toetsen alvorens een rechterlijk bevel te geven, hetgeen duidelijk in strijd is met de letter, de geest en het doel van het Executieverdrag.
37. Ten slotte wordt gesteld dat gerechtelijke verboden procedurele maatregelen zijn waarop het betrokken internationale verdrag geen betrekking heeft. Deze maatregelen zouden voorlopige of conservatoire maatregelen zijn, die ongetwijfeld verenigbaar zijn met het Europese systeem.
Weliswaar bevat het Executieverdrag nauwelijks bepalingen inzake procedures zodat de verdragsluitende staten de voor hun gerechten ingeleide procedures vrij kunnen regelen, maar zij moeten er wel voor zorgen dat de aldus vastgestelde bepalingen niet in strijd zijn met de filosofie van het verdrag. Met andere woorden, de wetgevende autonomie waarover de staten op het gebied van de procedure beschikken, vindt haar grenzen in de omstandigheid dat het algemene stelsel van het verdrag in acht moet worden genomen.(15)
II – Conclusie
38. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vragen van het House of Lords te beantwoorden als volgt:
„Het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken verzet zich ertegen, dat de gerechten van een verdragsluitende staat partijen een gerechtelijk verbod opleggen om een rechtsvordering in te stellen of voort te zetten voor gerechten van andere verdragsluitende staten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „Executieverdrag”) waarvan de geconsolideerde versie die hier relevant is, is gepubliceerd in PB 1990, C 189, blz. 2.
3 – Hogere rechterlijke instantie bevoegd voor het geven van rechterlijke bevelen (zie hierna onder punt 11).
4 – Arrest van 17 november 1998 (C‑391/95, Jurispr. blz. I‑7091).
5 – Dit is ook de mening van de heersende rechtsleer. Zie Dohm, C., Die Einrede ausländischer Rechtshängigkeit im deutschen internationalen Zivilprozeßrecht, Berlijn, 1996, blz. 207; Jasper, D., Forum Shopping in England und Deutschland, Berlijn, 1990, blz. 90, alsook Jayme, E., en Kohler, C., „Europäisches Kollisionsrecht 1994: Quellenpluralismus und offene Kontraste”, Praxis des internationalen Privat und Verfahrensrechts (IPrax), 1994, blz. 405, in het bijzonder blz. 412.
6 – Dit wordt geïllustreerd door de zestiende overweging van de considerans van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1): „Op grond van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling is het gewettigd de in een lidstaat gegeven beslissingen van rechtswege te erkennen zonder dat daarvoor, behoudens bij betwisting, nog een procedure moet worden gevolgd.” De zeventiende overweging van de considerans voegt daaraan toe: „Eveneens op grond van dit wederzijds vertrouwen moet de procedure om een in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren, doeltreffend en snel zijn. De verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing moet daarom vrijwel automatisch, zonder dat het gerecht ambtshalve een van de in deze verordening genoemde gronden voor niet-uitvoering kan aanvoeren, worden afgegeven, na een eenvoudige formele controle van de overgelegde documenten.”
7 – Deze situatie zou ook in strijd zijn met het subjectief recht van een partij bij het verdrag om de rechterlijke instantie aan te wijzen. Zie in die zin, Kropholler, J., Europäisches Zivilprozeßrecht, 7de druk, Heidelberg, 2002, blz. 345, 396 e.v.
8 – Muir-Watt, H., „Des conceptions divergentes du droit fondamental d'accéder à la justice dans l'espace conventionnel européen”, Revue générale des procédures, nr 4, oktober/december 1999, blz. 761
9 – Zie in dezelfde zin, Hau, W., „Zum Verhältnis von Art. 21 zu Art. 22 EuGVÜ”, IPrax, 1996, blz. 44, inzonderheid blz. 48, en Hartley, T. C., „Antisuit Injunctions and the Brussels Jurisdiction and Judgments Convention”, International and Comparative Law Quarterly, januari 2000, deel. 49, I, blz. 171; ofschoon deze auteur de rechterlijke bevelen met klem verdedigt, erkent hij uitdrukkelijk dat de regels van het Executieverdrag hun eigen toepassingsmechanisme hebben waarvan de betrokken maatregelen geen deel uitmaken.
10 – Zie Hartley, T. C., „Comity and the Use of Antisuit Injunctions in International Litigation”, American Journal of Comparative Law, deel. 35, zomer 1987, blz. 496 e.v.
11 – Jackson, D. C., Enforcement of Maritime Claims, LLP, 3de uitgave, 2000, geeft toe dat „[i]t is, however, now recognised that it does reflect indirect interference in the power of the relevant foreign court”.
12 – Bermann, G. A., „The Use of Antisuit Injunction in International Litigation”, Columbia Journal of Transnational Law, deel. 28, 1990, blz. 630 en 631.
13 – In de zaak Peck v. Jennes, 48 U.S. (7 How.), blz. 612, 624 en 625, aangehaald door Collins, L., Essays in International Litigation on the Conflict of Laws, Clarendon Press, 1994, blz. 112, staat te lezen dat, „[...] as the Supreme Court held over a century ago, there is no difference between addressing an injunction to the parties and addressing it to the foreign court itself”.
14 – Arrest van 27 juni 1991, Overseas Union Insurance e.a. (C351/89, Jurispr. blz. I‑3317, punt 24).
15 – Arrest van 15 mei 1990, Hagen (C365/88, Jurispr. blz. I‑1845, punt 20).
Full & Egal Universal Law Academy