CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 8 mei 2003 (1)
Zaak C-170/02 P
Schlüsselverlag J. S. Moser GmbH
J. Wimmer Medien GmbH & Co. KG
Styria Medien AG
Zeitungs- und Verlags-Gesellschaft mbH
Eugen Ruß Vorarlberger Zeitungsverlag und Druckerei GmbH
Die Presse Verlags-Gesellschaft mbH
Salzburger Nachrichten Verlags-Gesellschaft mbH & Co. KG
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Beroep wegens nalaten van de Commissie – Hogere voorziening – Mededinging – Klacht – Concentratie tussen ondernemingen in de mediasector in Oostenrijk”
I ─ Inleiding
1. In deze hogere voorziening verzoeken Schlüsselverlag J.-S.-Moser GmbH e.a. (hierna: Schlüsselverlag e.a. of rekwiranten) om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) dat op 11 maart 2002 is gewezen in de zaak T-3/02 (hierna: bestreden beschikking) (2) . In deze beschikking heeft het Gerecht het beroep wegens nalaten, strekkende tot vaststelling dat de Commissie onrechtmatig heeft verzuimd een beschikking te geven over de verenigbaarheid van een concentratie met de gemeenschappelijke markt, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
II ─ De toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht
2. Volgens artikel 1, lid 2, van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (3) (hierna: verordening nr. 4064/89) geldt: Een concentratie heeft voor de toepassing van deze verordening van communautaire dimensie wanneer
a) de totale omzet die over de gehele wereld door alle betrokken ondernemingen te samen is behaald, meer dan vijf miljard euro en
b) de totale omzet die, elk afzonderlijk, in de Gemeenschap door ten minste twee der betrokken ondernemingen is behaald, meer dan 250 miljoen euro bedraagt, tenzij elk van de betrokken ondernemingen meer dat twee derde van haar totale omzet binnen de Gemeenschap in een en dezelfde lidstaat behaalt.
3. Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 4064/89 bepaalt:Concentraties van communautaire dimensie in de zin van deze verordening moeten bij de Commissie worden aangemeld binnen een week na de sluiting van de overeenkomst, de openbaarmaking van het aanbod tot aankoop of ruil of de verwerving van een zeggenschapsdeelneming. De termijn vangt aan zodra een van deze handelingen heeft plaatsgevonden.
4. Artikel 6, lid 1, van deze verordening luidt: De Commissie onderzoekt de aanmelding meteen na ontvangst.
a) Indien zij tot de conclusie komt dat de aangemelde concentratie niet binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt, stelt zij dat bij beschikking vast.
b) Indien zij constateert dat de aangemelde concentratie weliswaar binnen het toepassingsgebied van de verordening valt, maar er geen ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt, besluit zij zich er niet tegen te verzetten en verklaart zij haar verenigbaar met de gemeenschappelijke markt. [...]
c) Indien de Commissie constateert dat de aangemelde concentratie binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt en er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt, beslist zij de procedure in te leiden, onverminderd het bepaalde in lid 1 bis.
5. Artikel 21 van de verordening nr. 4064/89 bepaalt dat onder voorbehoud van het toezicht door het Hof van Justitie uitsluitend de Commissie bevoegd is de in deze verordening bedoelde beschikkingen te geven.
III ─ Feiten en procedure in eerste aanleg
6. Bij arrest van 26 januari 2001 keurde het Oberlandesgericht Wien, volgens de Oostenrijkse mededingingswetgeving de bevoegde instantie ter zake, de voorgenomen overname van Kurier-Magazine Verlags GmbH, behorend tot Zeitschriften Verlagsbeteiligungs-Aktiengesellschaft, door Verlagsgruppe News GmbH, die zou worden beheerst door het Bertelsmann-concern, goed.
7. Bij brief van 25 mei 2001 dienden Schlüsselverlag e.a., alle actief in de Oostenrijkse perssector, bij de Commissie een klacht in betreffende deze overname. In hun klacht stelden zij dat de concentratie een communautaire dimensie had in de zin van verordening nr. 4064/89 en dat derhalve de concentratie had moeten worden aangemeld bij de Commissie, die zich had moeten uitspreken over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt.
8. Bij brief van 12 juli 2001 deelde de directeur van de Task Force Concentratiecontrole, een onderdeel van het directoraat-generaal Mededinging, hun mede, dat, aangezien Kurier-Magazine Verlags GmbH een omzet van minder dan 250 miljoen euro per jaar behaalde, de in artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 4064/89 genoemde drempels niet waren bereikt.
9. Als reactie op de brief van 7 augustus 2001, waarin Schlüsselverlag e.a. dit standpunt bestreden, verklaarde de directeur van de Task Force Concentratiecontrole bij brief van 3 september 2001 dat zijn directie deze mening van Schlüsselverlag e.a. niet deelde, en bevestigde hij dat de concentratie geen communautaire dimensie had.
10. Bij brief van 11 september 2001 nodigden Schlüsselverlag e.a. de Commissie overeenkomstig artikel 232, tweede alinea, EG uit om formeel haar standpunt te bepalen over het al dan niet inleiden van een verificatieprocedure op grond van verordening nr. 4064/89.
11. Bij brief van 7 november 2001 bevestigde de directeur van de Task Force Concentratiecontrole de ontvangst van deze brief en antwoordde dat zijn diensten, om redenen genoemd in de brief van 12 juli 2001, niet voornemens waren een nieuw onderzoek in te stellen. Bovendien wees hij erop dat de Commissie, bij gebreke aan een bevoegdheid op grond van de verordening inzake concentratiecontrole, ter zake geen besluit kon nemen.
12. Op 10 januari 2002 hebben Schlüsselverlag e.a. een beroep wegens nalaten ingesteld. Zij vorderden vast te stellen dat de Commissie, door niet te beslissen op de klacht van verzoeksters inzake de totstandkoming van een concentratie van communautaire dimensie, aangemeld op nationaal niveau en goedgekeurd bij arrest van 26 januari 2001 van het Oberlandesgericht Wien, de krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichting niet is nagekomen; subsidiair, vast te stellen dat de Commissie heeft nagelaten de bij de concentratie betrokken vennootschappen te verzoeken deze concentratie bij haar aan te melden; en tot slot de Commissie in de kosten te verwijzen.
13. Het Gerecht achtte zich op basis van de processtukken voldoende geïnformeerd en besloot om met toepassing van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering het beroep zonder verdere behandeling als kennelijk niet-ontvankelijk te verwerpen.
14. Het Gerecht stelde vast dat de brief van 7 november 2001 van de directeur van de Task Force Concentratiecontrole het antwoord van de Commissie vormt op de ingebrekestelling van 11 september 2001. Voorts stelde het vast dat deze brief een duidelijke standpuntbepaling bevat naar aanleiding van de ingebrekestelling. Het Gerecht overweegt in punt 26 van de bestreden beschikking dat niet staande gehouden kan worden dat de brief van 7 november 2001 enkel het standpunt van de Task Force Concentratiecontrole weergeeft, en niet dat van de Commissie. Het Gerecht oordeelt dat de brieven van 12 juli en 3 september 2001 dan wel aangeven dat zij het standpunt van het directoraat-generaal Mededinging weergeven en de Commissie niet kunnen binden; in de brief van 7 november 2001 komt een dergelijke verklaring echter niet meer voor, zodat deze brief als standpuntbepaling van de Commissie moet worden aangemerkt.
IV ─ Hogere voorziening
15. Op 7 mei 2002 is door Schlüsselverlag e.a. hogere voorziening ingesteld. Hierbij verzoeken zij vernietiging van de bestreden beschikking en toewijzing van de vordering in eerste aanleg; subsidiair vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing van de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg; in elk geval de Commissie te verwijzing in de kosten.
16. De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van Schlüsselverlag e.a. in de kosten.
V ─ Middelen
17. Rekwiranten stellen twee middelen voor, te weten 1) onvolledige vaststelling van de feiten en 2) onjuiste beoordeling van de brief van 7 november 2001.
Het eerste middel: onvolledige vaststelling van de feiten
18. Met het eerste middel betogen Schlüsselverlag e.a. dat het Gerecht zijn beoordeling in rechte heeft gebaseerd op de verklaring van de Commissie, dat de brieven van 12 juli 2001 en 3 september 2001 de opvatting weergeven van het directoraat-generaal Mededinging en de Commissie niet kunnen binden, zonder evenwel de inhoud van die verklaring op te nemen in de vaststelling van de feiten.
19. De Commissie meent dat dit middel niet-ontvankelijk is, dan wel dat dit middel ongegrond is, omdat de in de bestreden beschikking vastgestelde feiten toereikend zijn om de juridische beoordeling van het Gerecht te toetsen.
Beoordeling
20. Ik deel de opvatting van de Commissie. Ten eerste, zoals ook door de Commissie opgemerkt, is het vaste rechtspraak dat krachtens artikel 225 EG en artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG een hogere voorziening slechts kan worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling.
21. Ten tweede, voorzover Schlüsselverlag e.a. met dit middel willen betogen dat de weergave van de feiten zo onvolledig is dat daardoor geen rechterlijke toetsing mogelijk zou zijn op de juridische beoordeling van het Gerecht, faalt dit middel. Immers uit de punten 1 tot en met 7 van de bestreden beschikking, gelezen in samenhang met punt 26, blijkt overduidelijk dat de brieven van 12 juli en 3 september 2001, in tegenstelling tot de brief van 7 november 2001, wel een voorbehoud maakten in die zin dat zij slechts de mening weergaven van het directoraat-generaal Mededinging. Het feit dat deze passages bij de samenvatting van deze eerdere brieven niet expliciet onder de feiten zijn weergegeven doet daaraan niet af.
Tweede middel: onjuiste juridische beoordeling van de brief van de directeur van de Task Force Concentratiecontrole van 7 november 2001
22. Schlüsselverlag e.a. menen dat de brief van 7 november 2001 slechts afkomstig is van de directeur van de Task Force Concentratiecontrole en dat die brief de Commissie als instelling juridisch niet kan binden. Het Gerecht heeft derhalve in rechte gedwaald door te menen dat in die brief de Commissie een standpunt heeft ingenomen in de zin van artikel 232, tweede alinea, EG en dat derhalve het nalaten zou zijn opgehouden te bestaan.
23. Schlüsselverlag e.a. wijzen erop dat de directeur in deze brief expliciet heeft verwezen naar de brieven van 12 juli 2001 en 3 september 2001. In deze brieven staat vermeld dat zijn dienst niet het voornemen had een onderzoek in te stellen. In die eerdere brieven heeft de directeur ook expliciet aangegeven dat het ingenomen juridische standpunt enkel de mening van het directoraal-generaal Mededinging weergeeft en hij de Commissie niet bindt.
24. De uitlegging van het Gerecht, dat de brief van 7 november 2001 als bezwarende handeling aan de Commissie kan worden toegerekend, omdat er daarbij in tegenstelling tot de twee vorige brieven geen sprake van is dat de Commissie er niet door is gebonden, lijkt willekeurig en druist in tegen het beginsel van goede trouw en derhalve tegen algemene beginselen van gemeenschapsrecht.
25. Tevens wijzen zij erop dat deze procedure niet te vergelijken is met de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Air France/Commissie (4) , waarin een persbericht door een woordvoerder van het directoraat-generaal Mededinging als een beschikking op naam van de Commissie werd aangemerkt.
26. De Commissie meent dat, los van de vraag of in de brief van 7 november 2001 nu wel of niet een voorbehoud is gemaakt ten aanzien van de juridische gebondenheid van de inhoud van de brief voor de Commissie, het beroep wegens nalaten niet-ontvankelijk is. Zij merkt op dat zij in deze brief er ook op heeft gewezen dat er hoe dan ook geen beschikking genomen had kunnen worden wegens het ontbreken van een rechtsbasis daarvoor, hetgeen volgens de Commissie impliceert dat het ook niet mogelijk is vast te stellen dat sprake is van een nalaten. (5)
27. In de eerste plaats zou het beroep wegens nalaten niet-ontvankelijk verklaard moeten worden omdat er geen rechtsbasis aanwezig is voor een afwijzende beschikking naar aanleiding van een klacht. In dat verband merkt de Commissie op dat anders dan het geval is onder verordening nr. 17 (6) en de daarop gebaseerde verordening nr. 2842/98 (7) , in het bijzonder artikel 6 daarvan, verordening nr. 4064/89 en verordening nr. 447/98 (8) niet voorzien in een klachtprocedure. (9) Bovendien zou een langdurige klachtprocedure haaks staan op het hoofddoel van de verordening, namelijk het waarborgen van een doeltreffend onderzoek en rechtszekerheid voor de ondernemingen waarop de verordening van toepassing is.
28. Ten tweede merkt de Commissie op dat zelfs indien de brief van 25 mei 2001 als een verzoek wordt opgevat, dat ertoe strekt dat zij de bij de concentratie betrokken ondernemingen zou gelasten hun transactie bij haar aan te melden en deze vervolgens te onderzoeken, het beroep wegens nalaten niet-ontvankelijk is. In dat verband betoogt de Commissie dat er op grond van verordening nr. 4064/89 voor haar geen verplichting bestaat om op verzoek van een derde een aanmelding te forceren, de aangemelde transactie vervolgens te onderzoeken en een beschikking op grond van artikel 6, lid 1, sub a, van de verordening jegens de aanmeldende partijen te richten, zodat derden deze beschikking juridisch kunnen aanvechten. In een dergelijke verplichting zou de gemeenschapswetgever bewust niet hebben voorzien. Ten eerste veronderstelt een beschikking te nemen op basis van artikel 6, lid 1, sub a, van verordening nr. 4064/89 een voorafgaande aanmelding door partijen. Ten tweede zou een via een derde geïnitieerde aanmelding, die uiteindelijk resulteert in een beschikking ex artikel 6, lid 1, sub a, van verordening nr. 4064/89, het in die verordening verankerde one-stop shop-beginsel, dat voorziet in een duidelijke bevoegdheidsverdeling tussen de Commissie en een nationale mededingingsautoriteit, miskennen. Zij kan ertoe leiden dat er parallelle procedures gevoerd moeten worden. De bij de concentratie betrokken partijen zouden dan pas rechtszekerheid krijgen nadat zowel de nationale als de communautaire procedure doorlopen is.
29. Ten derde merkt de Commissie op dat zelfs al zouden rekwiranten erin slagen om via een beroep wegens nalaten de Commissie te dwingen om een genomen beslissing van een nationale mededingingsautoriteit te toetsen middels een (voorbereidende) beschikking waarin partijen worden verzocht hun transactie aan te melden, het daarop volgende onderzoek, en uiteindelijk een beschikking ex artikel 6, lid 1, sub a, van de verordening, hun rechtspositie daardoor niet verandert. Zij hebben geen aanspraak te bewerkstelligen dat de ene toezichthouder in plaats van de andere over een concentratie tussen derden beslist. Op hun rechtspositie kan dat geen invloed hebben, omdat er niet van uitgegaan kan worden dat de ene mededingingsautoriteit strengere maatstaven hanteert dan de andere. Bovendien moet de rechtsbescherming van derden in de eerste plaats door rechtsmiddelen tegen de beschikking van de desbetreffende nationale autoriteit veilig worden gesteld. Dat kennelijk onder het nationale recht bepaalde beroepswegen voor hen niet openstaan kan daarbij niet doorslaggevend zijn. (10)
30. Tot slot merkt de Commissie op dat rekwiranten pas vier maanden na de door de bevoegde nationale autoriteit genomen inhoudelijke beslissing een verzoek bij de Commissie hebben ingediend. Ervan uitgaande dat zij van de nationale procedure op de hoogte waren en pas vier maanden nadat hen bekend was dat de nationale autoriteit zich ter zake bevoegd achtte, is hun interventie, zeker in het kader van concentratiecontrole, tardief.
31. De Commissie meent dat indien het Hof haar opvattingen niet mocht delen de hogere voorziening als niet-ontvankelijk verworpen dient te worden, omdat de Commissie in haar brief van 7 november 2001 haar standpunt heeft bepaald.
Beoordeling
32. Alvorens ik inga op het tweede middel van Schlüsselverlag e.a. ga ik eerst in op de opmerkingen die door de Commissie zijn gemaakt.
33. Enerzijds is het de vraag of de argumenten van de Commissie, die zich niet tegen het dispositief van de bestreden beschikking richten, maar wel tegen de grond waarop het Gerecht tot dit oordeel is gekomen, ontvankelijk zijn. Anderzijds heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg zijn beslissing genomen zonder de behandeling voort te zetten, zodat de Commissie niet de gelegenheid heeft gehad al haar opmerkingen te maken, dan wel toe te lichten. Bovendien sluit een en ander niet uit dat ambtshalve nagegaan kan worden of een van de argumenten van de Commissie doel treft. Derhalve meen ik dat op deze argumenten ingegaan dient te worden.
34. Ik merk op dat de eerste drie door de Commissie aangevoerde argumenten in wezen neerkomen op haar bevoegdheden c.q. haar verplichtingen naar aanleiding van een klacht in het kader van de concentratiecontrole.
35. De Commissie stelt, kort samengevat, dat er geen rechtsbasis bestaat voor een afwijzend verzoek, dat zij niet verplicht is naar aanleiding van een verzoek van derden op te treden en dat, mochten die erin slagen om via een beroep wegens nalaten de Commissie tot handelen te bewegen, hun rechtspositie daardoor niet wordt geraakt.
36. In dit verband zij opgemerkt dat de gemeenschapswetgever op communautair niveau heeft gekozen voor een preventief concentratietoezicht door een verplichte melding vooraf en met inachtneming van een wachtperiode alvorens de concentratie tot stand mag worden gebracht, met een mogelijke geldboete bij niet-naleving van deze voorschriften.
37. Voor concentraties met een zekere omvang, dat wil zeggen de concentraties die de in artikel 1 van de verordening genoemde omzetdrempels overschrijden, de zogenoemde concentraties van communautaire dimensie, is de Commissie exclusief bevoegd. Op deze concentraties mogen de lidstaten hun nationale mededingingswetgeving niet toepassen. Dit laatste impliceert een strikte bevoegdheidsverdeling tussen de Commissie enerzijds en de nationale mededingingsautoriteiten anderzijds wat betreft het concentratietoezicht.
38. Voorst wordt verordening nr. 4064/89 gekenmerkt door versnelde procedures, onder andere om de betrokken marktdeelnemers zo snel mogelijk uitsluitsel en dus rechtszekerheid te verschaffen.
39. In casu gaat het om de vraag of rekwiranten ontvankelijk zijn in hun beroep wegens nalaten. De eerste drie argumenten van de Commissie overtuigen mij niet. Soortgelijke argumenten heeft zij in de zaak Air France/Commissie (11) voor het Gerecht ook reeds aangevoerd. Het Gerecht heeft deze terecht van de hand gewezen. Dat het daar ging om de ontvankelijkheidsvraag in het kader van een beroep tot nietigverklaring doet daaraan niet af.
40. Ten eerste kunnen derden er belang bij hebben dat de Commissie nagaat of de concentratie al dan niet een communautaire dimensie heeft. Een dergelijk oordeel van de Commissie roept een aantal rechtsgevolgen in het leven, zowel voor de bij de concentratie betrokken ondernemingen, als voor de lidstaten, en ook voor derden, zoals de rechtstreekse concurrenten van de bij de concentratie betrokken partijen. Deze derden kunnen door een dergelijke beslissing rechtstreeks en individueel geraakt zijn. (12)
41. Het betoog van de Commissie, dat verordening nr. 4064/89 geen formele klachtprocedure kent, zodat er geen rechtsbasis is voor een afwijzing van een klacht en dat de vaststelling van het ontbreken van een communautaire dimensie van een bepaalde concentratie enkel kan plaatsvinden op basis van een aanmelding door de bij de concentratie betrokken ondernemingen, faalt.
42. Uit het feit dat verordening nr. 4064/89 de Commissie de bevoegdheid geeft bepaalde concentraties te beoordelen volgt dat zij ook bevoegd is om haar eigen bevoegdheid ten aanzien van een bepaalde concentratie te onderzoeken. Zij kan dit zowel doen naar aanleiding van de melding door de bij de concentratie betrokken ondernemingen, als ook ambtshalve of naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van derden. Voor het nemen van een beschikking ter zake is derhalve een daaraan voorafgaande melding niet vereist.
43. Het feit dat verordening nr. 4064/89 geen klachtenprocedure kent doet daaraan niet af. Als rechtstreeks belanghebbende hebben derden de bevoegdheid bij de Commissie een verzoek in te dienen om na te gaan of een bepaalde concentratie van communautaire dimensie is. Indien de Commissie van oordeel is dat een bepaalde concentratie geen communautaire dimensie heeft kan zij dat bij beschikking vaststellen. Zoals het Gerecht ook heeft opgemerkt in het hierboven reeds aangehaalde arrest Air France/Commissie kunnen derden in dat geval een beroep tot nietigverklaring instellen tegen deze beschikking, ofwel, indien de Commissie niet ingaat op hun verzoek, een beroep wegens nalaten instellen.
44. Zwaarder wegend acht ik het argument dat de Commissie ontleent aan het gegeven dat rekwiranten hun verzoek pas vier maanden nadat de nationale bevoegde instantie een besluit had genomen bij de Commissie hebben ingediend.
45. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de uitnodiging tot handelen moet worden gedaan binnen een redelijke termijn nadat is gebleken dat de instelling niet bereid is tot handelen of geen aanstalten maakt tot handelen. Wat redelijk is hangt af van het concrete geval. Uit de rechtspraak blijkt in elk geval dat te lang wachten tot gevolg kan hebben dat het vervolgens ingestelde beroep tot nalaten niet-ontvankelijk wordt verklaard. (13)
46. In casu heeft de daartoe bevoegde nationale autoriteit op 26 januari 2001 uitspraak gedaan. Het verzoek aan de Commissie dateert van 25 mei 2001. Volgens de Commissie hadden rekwiranten al tijdens de nationale procedure de bevoegdheidsvraag aan de orde moeten stellen of zo snel mogelijk daarna, maar niet vier maanden later. In dat verband wijst de Commissie erop dat een dergelijke lange termijn indruist tegen het doel van concentratietoezicht, namelijk doelmatig toezicht en rechtszekerheid. Daardoor zouden rekwiranten hun recht hebben verwerkt.
47. Het betreft hier niet zozeer of de uitnodiging, die dateert van 11 september 2001 tardief is, maar of het op 25 mei 2001 ingediende verzoek door Schlüsselverlag e.a. op zich al niet te laat is met als gevolg dat een beroep wegens nalaten niet-ontvankelijk is. Ik heb begrip voor het standpunt van de Commissie. Daarbij is van belang dat de algemene opzet van verordening nr. 4064/89 zich kenmerkt door het vereiste van snelheid (strikte termijnen) en rechtszekerheid voor de marktdeelnemers. Dat betreft mijns inziens niet enkel de procedures naar aanleiding van een aanmelding, maar ook een verzoek van een derde die meent dat een concentratie een communautaire dimensie heeft en dat de Commissie deze derhalve dient te onderzoeken. Dit vereist dat een dergelijk verzoek door een derde binnen een redelijke termijn moet worden gedaan. Dit geldt temeer als er reeds een nationale procedure is geïnitieerd. Wat redelijk is kan van geval tot geval verschillen. In casu hebben rekwiranten echter vier maanden gewacht de vermeende bevoegdheid van de Commissie en dus de onbevoegdheid van de Oostenrijkse autoriteit aan de orde te stellen. Ervan uitgaande dat rekwiranten, zo zij al geen kennis hadden van de op handen zijnde concentratie en het onderzoek daarnaar door de nationale autoriteit, zij in elk geval spoedig na de uitspraak van die autoriteit daarvan op de hoogte waren, is een dergelijke termijn niet redelijk te noemen. Op deze grond had het Gerecht het beroep wegens nalaten niet-ontvankelijk kunnen verklaren.
48. Voor de geldigheid van de bestreden beschikking maakt dat echter niet uit, omdat het door rekwiranten bij het Gerecht ingestelde beroep hoe dan ook niet-ontvankelijk was. Het Gerecht kon op goede gronden uit de brief van 7 november 2001 afleiden ─ nu in deze brief geen voorbehoud meer werd gemaakt ─ dat deze brief de Commissie was toe te rekenen en dat deze brief een standpuntbepaling in de zin van artikel 232, tweede alinea, EG bevatte. Het feit dat in die brief wordt verwezen naar de brief van 12 juli 2001, waarin wel dat voorbehoud wordt gemaakt, doet daar niet aan af. De gemaakte verwijzing in de brief van 7 november 2001 beperkt zich immers tot de niet-toepasselijkheid van verordening nr. 4064/89 vanwege de niet behaalde omzetdrempels als bedoeld in artikel 1, lid 2, van die verordening. Ik acht dan ook het tweede door rekwiranten aangevoerde middel ongegrond.
VI ─ Conclusie
49. Op grond van het voorgaande, geef ik het Hof het volgende in overweging:
1) De hogere voorziening af te wijzen.
2) Rekwiranten in de kosten te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Nederlands.
2 – Schlüsselverlag e.a./Commissie, Jurispr. blz. II-1473.
3 – PB L 395, blz. 1, gerectificeerd bij PB L 257, blz. 13 en nadien gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1310/97 van de Raad van 30 juni 1997 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 4064/89 (PB L 180, blz. 1).
4 – Arrest van het Gerecht van 24 maart 1994, T-3/93, Jurispr. blz. II-121.
5 – De Commissie wijst in dat verband op het arrest van 14 februari 1989, Star Fruit (247/87, Jurispr. blz. 291).
6 – PB 13 van 21 februari 1962, blz. 204/62.
7 – Verordening (EG) nr. 2842/98 van de Commissie van 22 december 1998 betreffende het horen van belanghebbenden en derden in bepaalde procedures op grond van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag (PB L 354, blz. 18).
8 – Verordening (EG) nr. 447/89 van de Commissie van 1 maart 1998 betreffende de aanmelding, de termijnen en het horen van betrokkenen en derden overeenkomstig verordening (EEG) nr. 4064/89 (PB L 61, blz. 1).
9 – De Commissie verwijst hierbij naar het arrest van het Gerecht van 27 november 1997, Kaysersberg SA/Commissie (T-290/94, Jurispr. blz. II-2137). In dat arrest is uitgemaakt dat de rechten van derden in het kader van verordening nr. 4064/89 niet analoog zijn aan die van klagers in het kader van verordening nr. 17.
10 – De Commissie verwijst in dit verband naar het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 5 juni 1996, Kahn Scheepvaart BV/Commissie (T-398/94, Jurispr. blz. II-477, punt 50), en naar het arrest van het Hof van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C-50/00 P, Jurispr. blz. I-6677).
11 – Aangehaald in voetnoot 4.
12 – Arresten van 26 november 1996 T.-Port (C-68/95, Jurispr. blz. I-6065); van 25 oktober 1977, Metro (26/76, Jurispr. blz. 1875); 19 mei 1992, Cook (C-198/91, Jurispr. blz. I-2489), en van 24 maart 1994, Air France/Commissie, T-3/93, aangehaald in voetnoot 4.
13 – Arrest van 6 juli 1971, Nederland/Commissie (59/70, Jurispr. blz. 639, punten 15-19).
Full & Egal Universal Law Academy