CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 22 januari 2004(1)
Zaak C-173/02
Koninkrijk Spanje
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„”
1. In de onderhavige zaak komt Spanje op tegen beschikking 2002/411/EG van de Commissie (2) , waarin deze Spaanse staatssteun aan melkproducenten in Asturië onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart.
2. De betrokken steun bestond in een rentesubsidie op leningen en beoogde melkproducenten in de gelegenheid te stellen extra melkquota te verwerven. De Commissie beschouwde dit als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt op grond dat inbreuk werd gemaakt op de relevante regels van gemeenschapsrecht betreffende de gemeenschappelijke marktordening voor melk en zuivelproducten. Volgens de Commissie was de steun niet uitdrukkelijk voorzien in verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten (3) , en ging hij ook in tegen de doelstellingen van die wetgeving.
3. In deze zaak rijst dus de vraag of, en in welke omstandigheden, een lidstaat voor de herverdeling van melkquota andere maatregelen mag treffen dan die welke uitdrukkelijk in het gemeenschapsrecht zijn voorzien.
Rechtskader
4. Ingevolge artikel 36 EG zijn de verdragsregels betreffende steunmaatregelen van de staten (de artikelen 87 EG, 88 EG en 89 EG) op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten slechts in zoverre van toepassing, als door de Raad bepaald in wetgeving die het gemeenschappelijk landbouwbeleid tot stand brengt en uitvoert.
5. De gemeenschappelijke ordening van de markt voor melk en zuivelproducten is tot stand gebracht door verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad. (4) Artikel 37 daarvan bepaalt dat de regels betreffende steunmaatregelen van de staten van toepassing zijn op de bedoelde producten, „behoudens andersluidende bepalingen” in deze verordening.
6. Het stelsel van extra heffingen in de sector melk en zuivelproducten is thans geregeld in verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad (hierna: „verordening”). (5) De eerste overweging van de considerans beschrijft de geschiedenis van het stelsel en zet uiteen dat het ertoe strekt „het gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod voor melk en zuivelproducten en de daaruit voortvloeiende structurele overschotten te verkleinen”.
7. Volgens de zestiende overweging moet „met het oog op verdere herstructurering van de zuivelproductie en verbetering van het milieu, […] worden voorzien in een aantal afwijkingen van het beginsel van de koppeling tussen de referentiehoeveelheid en het bedrijf, alsmede in het recht voor de lidstaten om nationale herstructureringsprogramma’s te kunnen blijven opzetten en te zorgen voor een zekere mobiliteit van de referentiehoeveelheden binnen een gegeven geografisch kader en volgens objectieve criteria”.
8. Artikel 5 van de verordening luidt:
„De lidstaten mogen binnen de in artikel 3 bedoelde totalen, hoeveelheden in de nationale reserve storten na een lineaire verlaging van alle individuele referentiehoeveelheden, ten einde op basis van met de Commissie overeengekomen objectieve criteria aan bepaalde producenten extra of specifieke hoeveelheden toe te kennen.”
9. Artikel 8 van de verordening bepaalt, voorzover relevant:
„Om de herstructurering van de melkproductie op nationaal of regionaal niveau dan wel per ophaalgebied tot een goed einde te brengen of de milieusituatie te verbeteren, kunnen de lidstaten op de wijze die zij bepalen en met inachtneming van de legitieme belangen van de partijen, een of meer van de volgende maatregelen nemen:
– aan producenten die zich ertoe verbinden de melkproductie geheel of gedeeltelijk definitief te staken, een vergoeding toekennen die in een of meer jaarlijkse tranches wordt betaald, en de aldus vrijgekomen referentiehoeveelheden aan de nationale reserve toevoegen;
– aan de hand van objectieve criteria bepalen op welke voorwaarden producenten aan het begin van een tijdvak van twaalf maanden van de bevoegde autoriteit of van de door haar aangewezen instantie tegen voorafgaande betaling de herverdeling van referentiehoeveelheden kunnen verkrijgen die aan het einde van het voorgaande tijdvak van twaalf maanden definitief door andere producenten zijn vrijgemaakt tegen betaling in een of meer jaarlijkse tranches van een vergoeding die gelijk is aan de bovengenoemde betaling;
[…]”
10. De Commissie heeft communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouwsector (hierna: „richtsnoeren”) vastgesteld, die zij wil toepassen bij de beoordeling van steunmaatregelen.
11. In punt 3.2 van de richtsnoeren stelt de Commissie:
„Hoewel de artikelen 87 [EG] tot [en met] 89 [EG] volledig van toepassing zijn op de sectoren die onder een gemeenschappelijke marktordening vallen, blijft deze toepassing ondergeschikt aan het bepaalde in de betrokken verordeningen. Met andere woorden, een beroep door een lidstaat op de artikelen 87 tot [en met] 89 kan geen voorrang hebben boven de verordening houdende ordening van de betrokken marktsector. Bijgevolg kan de Commissie in geen geval steun goedkeuren die met de bepalingen inzake een gemeenschappelijke marktordening onverenigbaar is of die een belemmering voor het naar behoren functioneren van een gemeenschappelijke marktordening zou vormen.”
12. Punt 3.5 van de richtsnoeren luidt:
„Om als met de gemeenschappelijke markt verenigbaar te kunnen worden beschouwd moeten steunmaatregelen een stimulerend element inhouden of een tegenprestatie van de begunstigde vergen. Tenzij communautaire voorschriften of deze richtsnoeren uitdrukkelijk in uitzonderingen voorzien, wordt eenzijdige staatssteun die louter bedoeld is om de financiële situatie van producenten te verbeteren maar op geen enkele wijze tot de ontwikkeling van de sector bijdraagt, en vooral steun die uitsluitend op grond van prijzen, hoeveelheden, productie-eenheden of eenheden van de productiemiddelen wordt toegekend, als exploitatiesteun beschouwd die met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar is. Bovendien zal dergelijke steun alleen al door zijn aard waarschijnlijk een verstorende factor zijn voor de mechanismen van de gemeenschappelijke marktordeningen.”
13. In punt 4.1.1.6 van de richtsnoeren verklaart de Commissie dat „[s]teun voor de aankoop van productierechten niet [mag] worden toegekend, behalve in overeenstemming met de specifieke bepalingen van de betrokken gemeenschappelijke marktordening en met de in de artikelen 87 tot [en met] 89 van het Verdrag neergelegde beginselen.”
Feiten en bestreden beschikking
14. In het melkprijsjaar 1998/1999 hebben de autoriteiten van de Spaanse regio Asturië steun toegekend voor de verwerving van melkquota (hierna: „steun” of „litigieuze steun”). Begunstigden waren de koemelkproducenten die als prioritair werden beschouwd met het oog op de toewijzing van referentiehoeveelheden uit de nationale reserve. De steun bestond in een rentesubsidie op leningen die waren aangegaan om melkquota van andere producenten te verwerven.
15. De Commissie heeft pas toen de steunmaatregel reeds van toepassing was, naar aanleiding van een klacht over het bestaan ervan vernomen. Spanje heeft de uitkering van de steun op 31 december 1998 geschorst, terwijl de Commissie de maatregel onderzocht. Op 12 maart 2002 heeft de Commissie een beschikking gegeven (hierna: „bestreden beschikking”) (6) , volgens welke de steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.
16. Volgens de bestreden beschikking viel de steun onder artikel 87, lid 1, EG (7) , waren de in artikel 87, lid 2, EG voorziene afwijkingen duidelijk niet van toepassing (8) en kwam de steun niet in aanmerking voor een afwijking op grond van artikel 87, lid 3, EG omdat hij onverenigbaar was met de regels betreffende de gemeenschappelijke ordening van de markt voor melk en zuivelproducten. (9)
17. De gemeenschappelijke marktordening vormt een volledig en afgerond stelsel, dat de lidstaten geen ruimte laat om maatregelen te nemen die daarvan kunnen afwijken of ermee in strijd zijn. (10) De artikelen 5 en 8 van de verordening stellen de lidstaten voldoende specifieke middelen ter beschikking om een herstructurering en een grotere doeltreffendheid van de productiestructuren te bevorderen. (11) Geen van beide bepalingen kan aldus worden uitgelegd dat de steun is toegestaan.
18. De in het kader van de steun overgedragen referentiehoeveelheden kwamen niet uit de nationale reserve, zoals vereist door artikel 5. Zij waren evenmin verkregen na een lineaire verlaging van de referentiehoeveelheden, noch van producenten die gedurende een periode van twaalf maanden geen melk of andere zuivelproducten in de handel hadden gebracht. (12)
19. Wat artikel 8 betreft, waren de ten gevolge van de steun overgedragen referentiehoeveelheden niet overeenkomstig artikel 8, eerste streepje, door de staat verkregen tegen betaling van een vergoeding, en waren zij evenmin door de bevoegde autoriteit of een andere aangewezen instantie aan de ontvangers overgedragen, zoals vereist door artikel 8, tweede streepje. Bovendien was het door de ontvangers betaalde bedrag niet gelijk aan het aan de overdragers betaalde bedrag. (13)
20. De steun was dus in strijd met de bepalingen betreffende de gemeenschappelijke ordening van de markt voor melk en zuivelproducten, en kon, gelet op punt 4.1.1.6 van de richtsnoeren (14) , in geen geval door de Commissie worden goedgekeurd in het kader van artikel 88, lid 3, EG. (15)
21. Volgens de Commissie was de vraag of de steun strookte met de doelstellingen van de relevante regels van gemeenschapsrecht van geen belang. Zodra de Gemeenschap voor een bepaalde sector een gemeenschappelijke marktordening tot stand heeft gebracht, staat het aan de Gemeenschap om problemen in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid op te lossen. De lidstaten dienen zich dus te onthouden van eenzijdige maatregelen, zelfs indien deze in overeenstemming zijn met het gemeenschappelijke landbouwbeleid. (16)
22. De Commissie was hoe dan ook van oordeel dat de steun kon leiden tot een stijging van de prijs van melkquota en dus de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening kon verstoren. Een verkoper van quota kon rekening houden met de extra middelen die de verwerver wegens de steun ter beschikking had, en de prijs verhogen. (17)
Procesverloop en middelen van partijen
23. Spanje verzoekt om nietigverklaring van de bestreden beschikking. De Commissie vraagt het Hof het beroep ongegrond te verklaren. Er heeft geen terechtzitting plaatsgevonden aangezien geen van beide partijen daarom had verzocht.
24. De Spaanse regering draagt drie middelen voor ten betoge dat de Commissie in de bestreden beschikking ten onrechte heeft geoordeeld dat de litigieuze steun onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt.
25. In de eerste plaats hebben de regels van gemeenschapsrecht betreffende de gemeenschappelijke marktordening voorrang op die inzake staatssteun. De verenigbaarheid van de litigieuze steun met de gemeenschappelijke markt hangt dus af van de verenigbaarheid ervan met de verordening.
26. In de tweede plaats hoeft bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de steun met de verordening niet te worden aangetoond dat hij uitdrukkelijk wordt toegestaan door deze verordening. Het volstaat aan te tonen dat de steun in overeenstemming is met de doelstellingen van de verordening en niet indruist tegen een van de andere regels of beginselen van gemeenschapsrecht. En dat is inderdaad het geval.
27. In de derde plaats brengt de litigieuze steun, anders dan in de bestreden beschikking is gesteld, geen gevolgen mee die indruisen tegen de doelstellingen van de verordening en dus de goede werking van de gemeenschappelijke ordening van de markt voor melk en zuivelproducten dreigen te verstoren.
28. Wat betreft het eerste middel van de Spaanse regering, is de Commissie het ermee eens dat de onderhavige zaak draait om de vraag of de regels betreffende de gemeenschappelijke ordening van de zuivelmarkt de steun toestaan. Aangezien deze vraag derhalve niet nader hoeft te worden onderzocht, zal ik de rest van deze conclusie wijden aan de twee resterende middelen van de Spaanse regering.
Moet de verordening de litigieuze steun uitdrukkelijk toestaan?
29. Spanje betoogt dat volgens de rechtspraak van het Hof, lidstaten eenzijdige maatregelen mogen nemen die niet uitdrukkelijk zijn voorzien in de regels van gemeenschapsrecht betreffende de gemeenschappelijke ordening van een landbouwmarkt, mits deze maatregelen in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de Gemeenschap en niet anderszins indruisen tegen een van de regels of beginselen van gemeenschapsrecht. De Commissie heeft dus ten onrechte geoordeeld dat de litigieuze steun onverenigbaar was met de verordening, enkel op grond dat hij daarin niet uitdrukkelijk was voorzien.
30. Zo heeft het Hof in het arrest Pigs and Bacon (18) verklaard dat „wanneer de Gemeenschap […] een regeling voor de totstandkoming van een gemeenschappelijke ordening der markten in een bepaalde sector heeft vastgesteld, de lidstaten zich dienen te onthouden van elke maatregel met de strekking daarvan af te wijken of er inbreuk op te maken”. (19) Het Hof gaat niet zo ver te stellen dat de lidstaten geen enkele eenzijdige maatregel mogen nemen.
31. In de arresten Italië/Commissie (20) , Commissie/Frankrijk (21) en Zoni (22) lijkt het Hof een ruimer verbod op te leggen. In elk van deze zaken wordt verklaard dat wanneer de Gemeenschap voor een bepaalde sector een gemeenschappelijke marktordening tot stand heeft gebracht, de lidstaten zich van elke eenzijdige maatregel dienen te onthouden, zelfs indien deze het gemeenschappelijke beleid van de Gemeenschap kan ondersteunen. Het staat dan aan de Gemeenschap en niet aan een lidstaat, om problemen op te lossen. (23)
32. De Spaanse regering geeft aan de uitspraken in deze drie zaken echter een engere uitlegging. In het arrest Italië/Commissie beschouwde het Hof de nationale maatregel als onverenigbaar met het gemeenschapsrecht, omdat hij de facto in strijd was met de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening. In de twee andere zaken waren de in geding zijnde maatregelen een belemmering voor het vrije verkeer van goederen en dus onverenigbaar met een van de andere regels of beginselen van gemeenschapsrecht.
33. In repliek beroept de Spaanse regering zich tot verdere staving van het middel op het arrest van het Hof in de zaak Mulligan e.a. (24) , dat na de instelling van het beroep van Spanje is uitgesproken. In deze zaak had de High Court (Ierland) het Hof prejudiciële vragen gesteld over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een zogenaamd „clawback” stelsel (inhoudingsstelsel), volgens hetwelk bij de verkoop van een melkbedrijf 20 % van het melkquotum niet meeging met het bedrijf, maar werd toegevoegd aan de Ierse nationale reserve. De vraag die relevant is voor de onderhavige zaak, betrof de verenigbaarheid van het stelsel met de verordening. De Spaanse regering legt het arrest aldus uit dat het Hof heeft geoordeeld dat het stelsel weliswaar niet uitdrukkelijk werd toegestaan door de verordening, maar niettemin verenigbaar was met de doelstellingen ervan en dus mocht worden gehandhaafd.
34. Volgens Spanje droeg de thans aan de orde zijnde steun duidelijk bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de artikelen 5 en 8 van de verordening. Met de steun werd herstructurering van de zuivelproductie beoogd, een doelstelling die uitdrukkelijk is erkend in de zestiende overweging van de considerans van de richtlijn. Hiertoe werden objectieve criteria gehanteerd. De steun was evenmin onverenigbaar met een van de andere regels of beginselen van gemeenschapsrecht. Er bestond dus geen grondslag voor betwisting.
35. Spanje is van mening dat het geen zin heeft een maatregel als de litigieuze steun te verbieden. De lidstaten mogen de producenten krachtens de richtlijn kosteloos quota toekennen. Ingevolge artikel 8, tweede streepje, kunnen zij de producenten ook quota toekennen tegen een niet-gesubsidieerde prijs. De litigieuze steunmaatregel was in zoverre een tussenoplossing. De regionale autoriteiten van Asturië hebben voor deze maatregel gekozen omdat zij niet over voldoende middelen beschikten om quota te verkrijgen voor kosteloze verdeling, maar zich ervan bewust waren dat prioritaire producenten zich geen niet-gesubsidieerde overdrachten konden veroorloven. De gekozen oplossing beantwoordde aan de door de Gemeenschap nagestreefde doelstelling van herstructurering, terwijl zij geen onbetaalbare last vormde voor de schatkist. Zij strookte ook beter met punt 3.5 van de richtsnoeren dan de in de verordening opgenomen mogelijkheden, daar zij enerzijds een voor de producenten stimulerend element bevatte, en hun anderzijds een bepaalde tegenprestatie oplegde.
36. De argumenten van de Spaanse regering kunnen mij niet overtuigen.
37. Het algemene uitgangspunt dient te zijn dat wanneer de Gemeenschap in een bepaald domein een regeling vaststelt die deel uitmaakt van een gemeenschappelijke ordening van een landbouwmarkt, de lidstaten geen eenzijdige maatregelen mogen nemen ter aanvulling van deze regeling, behalve indien dit is toegestaan. Het verbod op eenzijdige maatregelen strekt zich ook uit tot maatregelen die beogen bij te dragen tot de verwezenlijking van de door de communautaire wetgever nagestreefde doelstellingen.
38. In bepaalde omstandigheden zal een lidstaat bijgevolg een bepaalde oplossing moeten kiezen omdat de Gemeenschap daaraan voorrang verleent, ook al kunnen dezelfde doelstellingen worden verwezenlijkt op een wijze die de lidstaat in zijn situatie geschikter acht.
39. Anders zouden de lidstaten de gemeenschappelijke marktordening voor een bepaalde sector kunnen aanvullen met een aantal eenzijdige initiatieven die zijn gebaseerd op hun eigen beoordeling van de communautaire doelstellingen. De uitlegging van deze doelstellingen kan verschillen. Bovendien moet in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid vaak een evenwicht wordt gezocht tussen diverse tegenstrijdige doelstellingen. De Commissie merkt terecht op dat de kans dus reëel is dat nationale maatregelen de eenvormige doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht in gevaar brengen.
40. Volgens mij strookt deze benadering volledig met het arrest Mulligan e.a. Daarin heeft het Hof expliciet gesteld dat een clawbackstelsel zoals aldaar in geding, werd toegestaan door artikel 7, lid 1, van de verordening. (25) Het bevestigde vervolgens dat „deze uitlegging” niet in strijd was met het bijzondere doel dat de communautaire wetgever voor ogen stond. (26) De Spaanse regering stelt bijgevolg ten onrechte dat het Hof een nationale maatregel die niet uitdrukkelijk werd voorzien in het gemeenschapsrecht, toelaatbaar heeft geacht.
41. In het kader van de gemeenschappelijke ordening van een landbouwmarkt verleent het gemeenschapsrecht de lidstaten vaak een aanzienlijke beoordelingsmarge. Zo kan hun in uitermate ruime bewoordingen het recht worden verleend om op te treden. Het is niet uitgesloten dat zij uit een aantal specifieke mogelijkheden kunnen kiezen. Ook kan het voorkomen, dat zij de wijze van toepassing van een bepaalde regel moeten of mogen bepalen. Indien dit niet het geval is, kunnen de lidstaten echter niet op eigen initiatief maatregelen nemen ter aanvulling van de toepasselijke regels van gemeenschapsrecht.
42. In repliek wijst de Spaanse regering erop dat de lidstaten overeenkomstig artikel 8 van de verordening „op de wijze die zij bepalen en met inachtneming van de legitieme belangen van de partijen, een of meer van de volgende maatregelen [kunnen] nemen”. Volgens deze regering kent artikel 8 de lidstaten dus uitdrukkelijk een beoordelingsmarge toe om de in dit artikel bepaalde keuzemogelijkheden aan te vullen.
43. Ik ben het hier niet mee eens. Artikel 8 ondersteunt juist de door mij voorgestane uitlegging.
44. De uitdrukking „een of meer van de volgende maatregelen” betekent dat de lidstaten een of meer van de opgesomde maatregelen mogen nemen of combineren. Zij mogen echter geen nieuwe maatregelen uitwerken. Ook de door de lidstaten te bepalen „wijze [waarop]” moet dienen ter uitvoering van een of meer van de opgesomde maatregelen.
45. Ik ben daarom van mening dat het tweede middel van de Spaanse regering moet worden afgewezen en dat het beroep moet worden verworpen. Steun zoals die thans in geding is, wordt niet toegestaan door de verordening en is dus onrechtmatig krachtens de regels van gemeenschapsrecht betreffende de gemeenschappelijke ordening van de markt voor melk en zuivelproducten. Reeds op deze grond heeft de Commissie terecht geoordeeld dat de litigieuze steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.
Brengt de litigieuze steun de gemeenschappelijke ordening van de markt voor melk en zuivelproducten in gevaar?
46. De Commissie heeft in de bestreden beschikking ook geoordeeld dat de litigieuze steun de gemeenschappelijke ordening van de markt voor melk en zuivelproducten in gevaar bracht. Dit oordeel vormt een zelfstandige grondslag van de bestreden beschikking, zodat het door de Spaanse regering zal moeten worden weerlegd, ook ingeval het vorige middel mocht slagen.
47. In de bestreden beschikking wordt uitdrukkelijk gewezen op het gevaar dat de steun de prijs van melkquota doet stijgen. Zoals de Commissie opmerkt, zou dit indruisen tegen een wezenlijke doelstelling van de verordening, namelijk verhinderen dat quota worden aangewend „niet om melk te produceren of in de handel te brengen, maar om hieruit een louter financieel voordeel te halen door de handelswaarde van deze referentiehoeveelheden te gelde te maken”. (27)
48. De Spaanse regering antwoordt dat de litigieuze steun bedoeld was om prioritaire producenten die hiertoe anders niet over voldoende middelen zouden beschikken, in de gelegenheid te stellen quota te verwerven. Anders dan in de bestreden beschikking wordt verklaard, konden de verkopers hun prijs niet met het bedrag van de subsidie verhogen, aangezien de prioritaire producenten niet meer in staat zouden zijn te betalen.
49. Dit argument kan mij niet overtuigen.
50. Zoals de Commissie betoogt en in de bestreden beschikking wordt vastgesteld, moet worden aangenomen dat een grotere koopkracht van de kopers en dus een grotere vraag naar melkquota in elk geval een zekere opwaartse druk op de prijs van deze quota tot gevolg zou hebben.
51. De Spaanse regering voert in repliek nog twee andere argumenten aan ten betoge dat de litigieuze steun niet kon leiden tot een stijging van de prijs van melkquota.
52. Spanje verwijst in de eerste plaats naar diverse bepalingen van real decreto 1486/1998 van 10 juli betreffende de modernisering en de verbetering van het concurrentievermogen in de zuivelsector. (28) Om te verhinderen dat quota handelsgoederen worden en duurder worden, stellen deze bepalingen voorwaarden voor de overdracht van melkquota in Spanje. Gelet op deze bepalingen kon de litigieuze steun niet tot de in de bestreden beschikking gestelde nadelige gevolgen leiden.
53. In de tweede plaats zouden de regionale autoriteiten de steun de facto slechts hebben toegekend voor transacties die een bepaalde maximumaankoopprijs niet overschreden, welke prijs was vastgesteld op het niveau van de vergoeding die overeenkomstig artikel 8, tweede streepje, door de Spaanse staat was goedgekeurd.
54. Volgens de Commissie zijn deze twee argumenten in een te laat stadium van de procedure aangevoerd en dus ontoelaatbaar. De Spaanse regering heeft deze argumenten niet vermeld tijdens het aan de bestreden beschikking voorafgegane onderzoek van de Commissie. Zij worden thans voor het eerst in repliek aangevoerd.
55. De argumenten van de Spaanse regering betreffende real decreto 1486/1998 en de vaststelling van een maximumprijs als voorwaarde voor de litigieuze steun, kunnen mijns inziens niet worden aanvaard.
56. Het moet worden betwijfeld of een lidstaat tegen een beschikking van de Commissie betreffende staatssteun kan opkomen op grond dat de Commissie heeft verzuimd een aspect van de steun in aanmerking te nemen, als de lidstaat zelf heeft nagelaten op dit aspect te wijzen.
57. In ieder geval bepaalt artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat in de loop van het geding geen nieuwe middelen mogen worden voorgedragen, behalve indien zij steunen op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Aangezien het argument van de Commissie betreffende de invloed van de litigieuze maatregel op de prijs van quota is opgenomen in de bestreden beschikking, was Spanje er vóór de aanvang van de onderhavige procedure mee bekend. Ingevolge artikel 42, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kunnen de partijen weliswaar in repliek nog aanbieden hun stellingen nader te bewijzen, maar zij dienen hun vertraging te motiveren. De Spaanse regering geeft in casu geen motivering.
58. Het tweede argument van de Spaanse regering is onvoldoende uitgewerkt, en kan dus niet worden aanvaard. De Spaanse regering doet geen enkele poging om nader aan te geven, welke algemene maatregelen zij heeft getroffen om de litigieuze steun te beperken tot transacties die een bepaalde maximumprijs niet overschrijden. Bijgevolg kan de Commissie onmogelijk een passend antwoord geven op het argument van de Spaanse regering en kan het Hof dit argument evenmin beoordelen.
59. Partijen zijn voorts ingegaan op de vraag, of de litigieuze steun de prijs van melk en zuivelproducten kon beïnvloeden. Deze kwestie wordt echter in de bestreden beschikking niet uitdrukkelijk behandeld en zij is volgens mij voor de beoordeling van de geldigheid van de beschikking niet van belang.
60. Ik concludeer dan ook dat de Spaanse regering er niet in is geslaagd aan te tonen dat de Commissie ten onrechte heeft geoordeeld dat de litigieuze steun een doelstelling van de gemeenschappelijke ordening van de markt voor melk en zuivelproducten in gevaar bracht. Bijgevolg kan de bestreden beschikking niet als ongeldig worden beschouwd, zelfs al zou steun als de thans in geding zijnde, anders dan hiervóór door mij is vastgesteld (29) , niet onrechtmatig zijn op grond dat hij niet is toegestaan door de verordening.
Conclusie
61. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
1) het beroep ongegrond te verklaren;
2) Spanje te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Van 12 maart 2002 met betrekking tot de door Spanje toegekende staatssteun ten gunste van als prioritair aangemerkte producenten van koemelk (PB L 144, blz. 49).
3 – PB L 405, blz. 1.
4 – Van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (PB L 160, blz. 48).
5 – Zie voetnoot 3.
6 – Zie voetnoot 2.
7 – Punten 19 tot en met 25.
8 – Punt 27.
9 – Punten 29 tot en met 48.
10 – Punt 38, waarin wordt verwezen naar het arrest van 26 juni 1979, Pigs and Bacon (177/78, Jurispr. blz. 2161).
11 – Punt 37.
12 – Punt 36.
13 – Punt 37.
14 – Aangehaald in punt 47.
15 – Punten 40 en 41.
16 – Punt 45, waarin wordt verwezen naar het arrest van 6 november 1990, Italië/Commissie (C‑86/89, Jurispr. blz. I-3891).
17 – Punten 43 en 46.
18 – Zie voetnoot 10.
19 – Punt 14.
20 – Zie voetnoot 16.
21 – Arrest van 23 februari 1988 (216/84, Jurispr. blz. 793).
22 – Arrest van 14 juli 1988 (90/86, Jurispr. blz. 4285).
23 – Arresten Italië/Commissie, aangehaald in voetnoot 16, punt 19, Commissie/Frankrijk, aangehaald in voetnoot 21, punt 18, en Zoni, aangehaald in voetnoot 22, punt 26.
24 – Van 20 juni 2002 (C-313/99, Jurispr. blz. I-5719).
25 – Zie punt 29. Advocaat-generaal Geelhoed heeft ook in die zin geconcludeerd (zie punt 71 van zijn conclusie).
26 – Punt 30.
27 – Arrest Mulligan e.a., aangehaald in voetnoot 24, punt 30.
28 – Real Decreto 1486/1998 de 10.07.1998 sobre modernización y mejora de la competitividad del sector lácteo (BOE 165 van 11 juli 1998, blz. 2328).
29 – Punten 36 tot en met 45.
Full & Egal Universal Law Academy