CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 6 mei 2004 (1)
Zaak C‑183/02 P
Daewoo Electronics Manufacturing España SA
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
Zaak C‑186/02 P
Ramondín SA en Ramondín Cápsulas SA
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
Zaak C‑187/02 P
Territorio Histórico de Álava – Diputación Foral de Álava
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
Zaak C‑188/02 P
Territorio Histórico de Álava –Diputación Foral de Álava
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Staatssteun – Fiscale maatregelen – Selectief karakter – Misbruik van bevoegdheid – Vertrouwensbeginsel”
I – Inleiding
1. In de jaren 90 hebben de Comunidad Autónoma del País Vasco (hierna: „Baskenland”) en het Territorio Histórico de Álava (hierna: „Álava”), een autonome publiekrechtelijke rechtspersoon met wetgevende bevoegdheid op fiscaal terrein, door subsidies en belastingvoordelen de oprichting van twee industriële vestigingen in Álava gestimuleerd.
2. Daewoo Electronics Manufacturing España SA (hierna: „Demesa”) vestigde een koelkastenfabriek in Álava. Ramondín SA(2), respectievelijk Ramondín Cápsulas SA, vestigde zich daar ook met een fabriek voor de vervaardiging van afsluitdoppen voor wijn en mousserende wijn.
3. In beide gevallen wraakte de Commissie de stimuleringsmaatregelen als onrechtmatige staatssteun en gelastte zij de betrokkenen de steun terug te vorderen.(3) Bij arrest van 6 maart 2002(4) heeft het Gerecht de beschikking betreffende de bevoordeling van Demesa ten dele vernietigd. Bij een arrest van diezelfde dag verwierp het de beroepen tot nietigverklaring van de beschikking betreffende de maatregelen ten gunste van Ramondín.(5)
4. Met de onderhavige vier hogere voorzieningen keren de begunstigde ondernemingen en Álava zich tegen deze arresten voorzover de gewraakte beschikkingen daarbij niet nietig zijn verklaard. In alle vier zaken gaat het om de beoordeling van een door Álava verleend belastingkrediet gelijk aan 45 % van het bedrag dat bij de vestiging van een bedrijf is geïnvesteerd. In de zaken C‑186/02 P en C‑188/02 P, die betrekking hebben op de steun voor Ramondín, gaat het daarnaast nog om de rechtmatigheid van een vermindering van de belastinggrondslag voor pas opgerichte vennootschappen.
5. Hoewel de zaken voor het Hof tot nu toe niet zijn gevoegd, ligt het voor de hand om de hogere voorzieningen gezamenlijk in één conclusie te behandelen omdat in alle gevallen overwegend dezelfde rechtsvragen aan de orde zijn. In essentie gaat het vooral om de vragen of de Commissie en het Gerecht de door Álava toegekende belastingvoordelen terecht als staatssteun hebben aangemerkt, of de Commissie de haar toegekende bevoegdheid heeft misbruikt en of zij het vertrouwensbeginsel heeft miskend.
II – De litigieuze belastingvoordelen
6. In punt 8 van het arrest Demesa en punt 4 van het arrest Ramondín geeft het Gerecht de in Álava geldende regeling inzake het belastingkrediet van 45 % van het investeringsvolume als volgt weer:
„De zesde aanvullende bepaling van Norma Foral 22/1994 van 20 december 1994 houdende uitvoering van de begroting van het Territorio Histórico de Álava voor het jaar 1995 [Boletín Oficial del Territorio Histórico de Álava (hierna: „BOTHA”) nr. 5 van 13 januari 1995] luidt als volgt:
‚Tussen 1 januari 1995 en 31 december 1995 gedane investeringen in nieuwe materiële vaste activa, die 2 500 miljoen Spaanse peseta’s (ESP) overschrijden volgens het besluit van de Diputación Foral van Álava, komen in aanmerking voor het belastingkrediet van 45 % van het bedrag van de investering zoals vastgesteld door de Diputación Foral van Álava, dat wordt verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting.
De aftrekken die niet worden toegepast omdat onvoldoende belasting verschuldigd is, kunnen worden toegepast gedurende de negen jaar volgende op dat waarin het besluit van de Diputación Foral van Álava is goedgekeurd.
In dit besluit van de Diputación Foral van Álava worden tevens de termijnen en de maximumbedragen vastgelegd die in de afzonderlijke gevallen van toepassing zijn.
De in het kader van deze bepaling toegestane voordelen zijn onverenigbaar met elk ander, op dezelfde investering van toepassing zijnde belastingvoordeel.
De Diputación Foral van Álava stelt tevens de duur van het investeringsproces vast, dat zich ook kan uitstrekken over investeringen die zijn gedaan in de fase van voorbereiding van het project waarop de investeringen betrekking hebben.’”
7. Verder voorziet artikel 26 van Norma Foral 24/1996 van 5 juli 1996 (BOTHA nr. 90 van 9 augustus 1996) onder bepaalde voorwaarden in een voor een aantal jaren geldende gestaffelde verlaging van de belastinggrondslag.(6)
III – Feiten en procesverloop in de zaken C‑183/02-P en C‑187/02 P (Demesa)
A – Feiten, administratieve procedure en beschikking van de Commissie
8. Voorzover hier van belang kunnen de feiten en de procedure tot aan de vaststelling van de beschikking van de Commissie worden samengevat als volgt(7):
9. Op 13 maart 1996 ondertekenden de Baskische autoriteiten en Daewoo Electronics Co. Ltd (de moedermaatschappij van Demesa) een samenwerkingsovereenkomst, waarbij Daewoo Electronics zich verbond om in Baskenland een koelkastenfabriek te vestigen. Als tegenprestatie verbonden de Baskische autoriteiten zich ertoe, dit project met een reeks subsidies te steunen. Er zouden investeringen voor een bedrag van 11 835 600 000 ESP (ongeveer 71 miljoen euro) worden gemaakt en 745 arbeidsplaatsen worden gecreëerd. In november 1996 begon Demesa met de bouw van de fabriek.
10. Afgezien van de door Baskenland toegekende subsidies, waarop het in het kader van de hogere voorziening niet meer aankomt, kende Álava Demesa bij beschikking nr. 737/1997 van 21 oktober 1997 overeenkomstig Norma Foral 22/1994 een belastingkrediet toe van 45 % van het investeringsbedrag.
11. Nadat de Commissie in juni 1996 klachten had ontvangen van een aantal verenigingen van fabrikanten van huishoudelijke apparaten, leidde zij een administratieve procedure in, die op 24 februari 1999 uitmondde in de uitvaardiging van beschikking 1999/718/EG.(8)
12. In artikel 1, sub d, van de beschikking stelde de Commissie vast dat het belastingkrediet van 45 % een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun is. Op grond van artikel 2, lid 1, sub b, moet Spanje de nodige maatregelen treffen om de voordelen in te trekken die de begunstigde door het krediet had verkregen.
B – Arrest van het Gerecht
13. In de punten 144 tot en met 170 van het arrest Demesa verwerpt het Gerecht de tegen de voornoemde bepalingen van de beschikking aangevoerde middelen. Het stelt in het bijzonder, dat de Commissie de belastingmaatregel terecht als selectief heeft aangemerkt, aangezien de autoriteiten van Álava voor de beslissing om het belastingkrediet toe te kennen, over een zekere beleidsvrijheid beschikken en aangezien de maatregel enkel grote ondernemingen bevoordeelt, die investeringen van meer dan 2,5 miljard ESP kunnen maken. Voorts verklaart het Gerecht dat de maatregel niet met een beroep op de aard en de opzet van het belastingstelsel kan worden gerechtvaardigd.
14. In de punten 233 tot en met 239 stelt het Gerecht vast, dat de begunstigden zich in verband met de toekenning van het belastingkrediet niet met succes op het vertrouwensbeginsel kunnen beroepen.
C – Hogere voorzieningen en procedure voor het Hof
15. Demesa (zaak C‑183/02 P) en Álava (zaak C‑187/02 P) hebben beide op 16 mei 2002 hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht. Bij beschikking van 23 oktober 2003 heeft het Hof Baskenland toegelaten om te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van Álava in zaak C‑187/02 P. In de zaken C‑183/02 P en C‑187/02 P vorderen rekwiranten:
1) vernietiging van het arrest van het Gerecht van 6 maart 2002 in de gevoegde zaken T‑127/99, T‑129/99 en T‑148/99;
2) toewijzing van de in eerste aanleg gedane vorderingen en in het bijzonder nietigverklaring van de artikelen 1, sub d, en 2 van de beschikking van de Commissie van 24 februari 1999;
3) subsidiair terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht;
4) verwijzing van de Commissie in de kosten van het geding.
16. Baskenland vordert in zaak C‑187/02 P
1) vernietiging van het arrest van het Gerecht van 6 maart 2002 voorzover dit vaststelt dat het belastingkrediet van 45 % van het bedrag van de investeringen als bedoeld in Norma Foral 22/1994 van Álava een staatssteun is in de zin van artikel 87;
2) verwijzing van de Commissie in de kosten van het geding.
17. De Commissie vordert in de zaken C‑183/02 P en C‑ 187/02 P
1) afwijzing van de hogere voorziening;
2) verwijzing van rekwiranten in de kosten van het geding.
18. Aanvankelijk voerde Demesa voor haar hogere voorziening drie middelen aan, te weten dat het Gerecht: 1) het belastingkrediet ten onrechte als staatssteun had aangemerkt; 2) het belastingkrediet ten onrechte als een nieuwe steunmaatregel had aangemerkt en 3) ten onrechte had geweigerd het vertrouwensbeginsel toe te passen. Bij schrijven van 20 februari 2004 heeft Demesa het eerste middel ten dele en het tweede volledig ingetrokken.
19. Ook Álava heeft zich aanvankelijk op de door Demesa in haar eerste en tweede rechtsmiddel aangevoerde onjuiste rechtsopvattingen beroepen en heeft deze middelen vervolgens bij schrijven van 20 februari 2004 in dezelfde omvang als Demesa ingetrokken. Daarnaast doet Álava zijn hogere voorziening steunen op de grond dat het arrest, wat betreft de beoordeling van het gestelde misbruik van bevoegdheid van de Commissie, onvoldoende met redenen is omkleed.
IV – Feiten en procesverloop in de zaken C‑186/02 P en C‑188/02 P (Ramondín)
A – Feiten, administratieve procedure en beschikking van de Commissie(9)
20. In 1997 besloot Ramondín om haar industriële installaties voor de vervaardiging van afsluitdoppen voor flessen over te brengen van Logroño (Comunidad Autónoma de La Rioja; hierna: „La Rioja”) naar Laguardia in Álava. Bij beschikking nr. 738/1997 kende Álava Ramondín een belastingkrediet toe dat overeenkwam met 45 % van het bedrag van de investeringen die Ramondín voor de vestiging in Álava had gemaakt. Bovendien kwam Ramondín als nieuw opgerichte onderneming in het genot van de verlaging van de belastinggrondslag.
21. Naar aanleiding van een klacht van La Rioja over deze stimuleringsmaatregelen leidde de Commissie een administratieve procedure in, die op 22 december 1999 uitmondde in de uitvaardiging van beschikking 2000/795/EG.(10)
22. In artikel 2, sub a en b, van de beschikking verklaarde de Commissie de steun die aan Ramondín was verleend in de vorm van een verlaging van de belastinggrondslag, geheel, en in de vorm van een belastingkrediet ten belope van 45 % van het investeringsbedrag, ten dele, in strijd met de gemeenschappelijke markt. Op grond van artikel 3, lid 1, van de beschikking is Spanje verplicht de steun terug te vorderen.
B – Arrest van het Gerecht
23. Het Gerecht verwierp de beroepen van Ramondín en Álava. In de punten 23 tot en met 26 van het arrest motiveert het zijn beslissing, net zoals in de geciteerde passage van het arrest Demesa, met de overweging dat de Commissie het belastingkrediet terecht als een maatregel met selectief karakter heeft aangemerkt die niet met een beroep op de aard en de opzet van het belastingstelsel kan worden gerechtvaardigd.
24. Verder verwierp het Gerecht (punten 84 en 85 van het arrest) het middel inhoudende dat de Commissie zich schuldig had gemaakt aan misbruik van bevoegdheid door de maatregel te beoordelen in het kader van het toezicht op steunmaatregelen, in plaats van op grond van de artikelen 96 en 97 EG harmoniseringsmaatregelen voor te stellen.
C – Hogere voorziening en procedure voor het Hof
25. Ramondín (C‑186/02 P) en Álava (C‑188/02 P) hebben op 15 respectievelijk 16 mei 2002 hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht. Bij beschikking van 6 maart 2003 heeft het Hof La Rioja toegelaten om te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie in de zaken C‑186/02 P en C‑188/02 P. In de zaken C‑186/02 P en 188/02 P vorderen rekwiranten
1) vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 6 maart 2002 in de gevoegde zaken T‑92/00 en T‑103/00;
2) nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 22 december 1999 voorzover zij daarin de in de Normas Forales 22/1994 en 24/1996 voorziene belastingsteun ten gunste van Ramondín SA en Ramondín Cápsulas SA onverenigbaar heeft verklaard met de gemeenschappelijke markt en Spanje heeft verplicht ze terug te vorderen;
3) verwijzing van de Commissie in de kosten van het geding.
26. De Commissie vordert in de zaken C‑186/02 P en C‑188/02 P evenals La Rioja
1) afwijzing van de hogere voorziening;
2) verwijzing van rekwiranten in de kosten van het geding.
27. Bij schrijven van 18 februari 2004 heeft Ramondín drie van de oorspronkelijke middelen ingetrokken. Zij handhaaft enkel de grief dat de Commissie zich schuldig zou hebben gemaakt aan misbruik van bevoegdheid door in het kader van het toezicht op steunmaatregelen de facto het belastingrecht te harmoniseren.
28. Na de mededeling bij schrijven van 20 februari, dat een deel van de middelen wordt ingetrokken, steunt de hogere voorziening van Álava in zaak C‑188/02 P op dezelfde gronden als die welke ook in zaak C‑187/02 P zijn gehandhaafd.
V – Juridische beoordeling
A – Schending van artikel 87 EG
1. Argumenten van partijen
29. In de drie zaken C‑183/02 P, C‑187/02 P en C‑188/02 P wordt telkens op grond van dezelfde argumenten gesteld, dat de Commissie en het Gerecht blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het belastingkrediet en – in de zaken C‑186/02 P en C‑188/02 P – ook de verlaging van de belastinggrondslag aan te merken als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG.
30. Aanvankelijk keerden rekwiranten zich in dit verband tegen de vaststellingen van het Gerecht met betrekking tot het selectieve karakter van de maatregelen en hun rechtvaardiging op grond van de aard en de opzet van het belastingstelsel.
31. In hun gelijkluidende intrekkingsverklaringen geven zij te kennen dat dit middel ten dele wordt ingetrokken. Achtergrond van deze gedeeltelijke intrekking is, dat de Commissie na vaststelling van de litigieuze beschikkingen nog twee beschikkingen heeft gegeven waarin zij de regelingen betreffende het belastingkrediet(11) en de verlaging van de belastinggrondslag(12) als zodanig als staatssteun heeft gekwalificeerd. Tegen deze beschikkingen zijn bij het Gerecht vier beroepen aanhangig gemaakt(13)(waaronder één door Álava). Met de gedeeltelijke intrekking willen rekwiranten voorkomen dat het Hof de steunregelingen nu reeds aan artikel 87 EG toetst, naar aanleiding van de onderhavige procedures betreffende concrete individuele steunmaatregelen. Zij willen liever dat eerst het Gerecht de litigieuze belastingvoorschriften beoordeelt in de procedures die rechtstreeks daarop betrekking hebben.
32. Rekwiranten verduidelijken dat het middel enkel in zoverre wordt gehandhaafd als de Commissie verkeerde toepassing van artikel 87 EG wordt verweten, echter in een eerder stadium dan dat waarin de maatregelen als steun worden gekwalificeerd. Het Hof zou moeten nagaan of de maatregelen als belastingrechtelijke maatregelen waarmee doelstellingen van industriebeleid worden nagestreefd, wel onder de werking van artikel 87 EG vallen.
33. Het Gerecht heeft weliswaar vastgesteld dat deze omstandigheden de maatregelen niet het karakter van steun ontnamen, maar hierbij heeft het het argument vanuit een verkeerde invalshoek bekeken, te weten in het kader van de materiële voorwaarden voor de toepassing van artikel 87 EG. Hieraan moet echter de vraag voorafgaan of het recht betreffende staatssteun wel reeds op dergelijke belastingregelingen van toepassing was vóór de vaststelling van de conclusies van de Raad (Ecofin) van 1 december 1997(14) en de mededeling van de Commissie van 10 december 1998 over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen.(15)
34. De Commissie en La Rioja stellen zich in hun opmerkingen over de gedeeltelijke intrekking op het standpunt, dat rekwiranten hun argumenten enkel anders hebben geformuleerd. Volgens hen is het niet nodig dat het Gerecht zich eerst over de kwalificatie van de steunregeling uitspreekt. Rekwiranten proberen de beslissing over de kernvraag zolang mogelijk uit te stellen. Het Hof moet nu op dit punt beslissen, zodat met zijn opvatting rekening kan worden gehouden in de bij het Gerecht aanhangige procedures, waarvan de behandeling is geschorst totdat het Hof in de onderhavige zaken uitspraak zal hebben gedaan.
2. Beoordeling
35. De uiteenzettingen van rekwiranten met betrekking tot hun gedeeltelijke intrekking zijn allesbehalve duidelijk. Dit geldt in het bijzonder voor de aanvullende toelichtingen van de vertegenwoordiger van Álava tijdens de mondelinge behandelingen. Voorzover ik kan nagaan keren zij zich echter niet meer tegen de vaststelling van het Gerecht dat er bij het belastingkrediet en de verlaging van de belastinggrondslag sprake is van selectieve maatregelen, dat wil zeggen maatregelen ten gunste van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties in de zin van artikel 87, lid 1, EG die niet door de aard of de opzet van het belastingstelsel worden gerechtvaardigd.
36. Weliswaar heeft de vertegenwoordiger van Álava tijdens de mondelinge behandelingen telkens weer verwezen naar een passage in het verzoekschrift in hogere voorziening, die verband houdt met de opmerkingen over het selectieve karakter van de maatregel. Daarin wordt beklemtoond, dat de minimuminvestering die voorwaarde is voor de toekenning van het belastingkrediet, een objectief criterium is dat de uitdrukking vormt van een bepaalde economische beleidsbeslissing. Dit argument wordt echter door de gedeeltelijke intrekking in een geheel nieuwe context geplaatst. Thans moet hiermee worden bewezen, dat belastingrechtelijke maatregelen die een doel van economisch beleid nastreven, van meet af aan niet onder de werking van artikel 87 EG vallen.
37. Dat rekwiranten in hogere voorziening in de onderhavige procedures niet meer willen ingaan op de vraag of de steunregelingen selectief zijn, komt ook tot uitdrukking in hun opmerking dat hieraan logisch de toetsing voorafgaat van de steunregeling aan artikel 87 EG in de procedures voor het Gerecht die daarop rechtstreeks betrekking hebben.
38. Het Hof is aan deze partijwil gebonden en kan in de onderhavige zaken niet meer toetsen of het Gerecht in zijn arresten en de Commissie in haar beschikkingen de maatregel terecht als selectieve maatregel heeft gekwalificeerd.
39. Het moge om redenen van proceseconomie te betreuren zijn dat deze rechtsvraag, die voor een groot aantal bij het Gerecht aanhangige procedures een voorvraag is, niet nu reeds definitief kan worden beantwoord, maar het procesrecht geeft het Hof geen speelruimte om de intrekking van een rechtsmiddel al dan niet toe te laten. Volgens artikel 118 juncto artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering heeft (de volledige) afstand van instantie automatisch de doorhaling van de zaak ten gevolge. Past men deze regeling toe op een gedeeltelijke intrekking, dan volgt hieruit mutatis mutandis dat het Hof over de ingetrokken delen evenmin ten gronde mag beslissen. Dit is een uiting van het beginsel van de partijautonomie.
40. Enkel omwille van de volledigheid wijs ik er nog op, dat deze wijziging in de procedure, anders dan de Commissie suggereert, niet leidt tot een vertraging bij de verwezenlijking van het gemeenschapsrecht inzake staatssteun. Tenzij een van de andere middelen slaagt, worden de litigieuze beschikkingen immers definitief met het arrest van het Hof, voorzover het Gerecht ze niet nietig heeft verklaard. De steun waarop zij betrekking hebben, moet in ieder geval worden terugbetaald, zelfs indien in andere procedures voor het Gerecht zou komen vast te staan dat de toegepaste belastingregelingen inderdaad geen steun bevatten.(16) Daar beroepen bij de gemeenschapsrechter geen schorsende werking hebben, moeten alle beschikkingen waarin de Commissie terugvordering van steun gelast, hoe dan ook, ongeacht enig beroep, meteen worden nagekomen, tenzij de opschorting van de tenuitvoerlegging door de rechter is gelast.
41. Rest de vraag of het deel van dit middel, dat rekwiranten blijkens hun intrekkingsverklaring handhaven, inderdaad reeds voorwerp was van de procedure voor het Gerecht of dat het een niet-ontvankelijk nieuw middel is.
42. Volgens vaste rechtspraak zijn de bevoegdheden van het Hof in het kader van de hogere voorzieningsprocedure namelijk beperkt tot de beoordeling van de rechtsbeslissing ten aanzien van de in eerste aanleg voorgedragen middelen.(17) Zou een partij voor het Hof voor het eerst een middel kunnen aanvoeren dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, dan zou het Hof zich uiteindelijk kunnen bezighouden met een juridisch conflict dat verder reikt dan dat waarover het Gerecht moet beslissen.
43. Rekwiranten hebben reeds in eerste aanleg gesteld dat er bij de gewraakte regelingen sprake was van belastingrechtelijke bepalingen die uiting gaven aan een economische beleidsbeslissing, en hebben hun beroep voorts doen steunen op de overweging dat de maatregelen in ieder geval op grond van de aard en de opzet van het belastingstelsel gerechtvaardigd waren.
44. In beide aangevochten arresten gaat het Gerecht in op de overwegingen van economisch beleid die aan de regelingen van Álava ten grondslag zouden liggen. Het evalueert deze echter, in navolging van verzoekers, in het kader van de beoordeling van de selectiviteit van de regelingen (zie punt 51 van het arrest Ramondín) respectievelijk van de rechtvaardiging op grond van de aard of de opzet van het belastingstelsel (punten 167 en 168 van het arrest Demesa).
45. In geen van de procedures in eerste aanleg hebben verzoekers echter beweerd dat de fiscale regelingen als zodanig al niet onder de werking van het recht inzake staatssteun vielen. Ook de stelling dat artikel 87 EG pas sinds de conclusies van de Raad van 1 december 1997 en de bekendmaking van de aangehaalde mededeling van de Commissie op belastingrechtelijke bepalingen van toepassing is, is voor het Gerecht nooit opgeworpen, maar pas voor het eerst in de verklaringen met betrekking tot de gedeeltelijke intrekking van de hogere voorzieningen.
46. Met hun intrekkingsverklaringen beperken rekwiranten hun hogere voorzieningen dus niet tot bepaalde reeds voorgedragen aspecten van het middel betreffende schending van artikel 87 EG, maar dragen zij voor het Hof een nieuw middel voor.
47. In de vorm die het door de intrekkingsverklaringen heeft gekregen, moet het middel betreffende schending van artikel 87 EG dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
48. Subsidiair wijs ik erop, dat het middel, zelfs indien ontvankelijk, in casu niet zou kunnen slagen.
49. Volgens vaste rechtspraak omvat het begrip staatssteun niet alleen positieve subsidies, dat wil zeggen betalingen, maar ook maatregelen die in verschillende vorm verlichting brengen in de lasten die normaliter op een onderneming drukken.(18)
50. Dergelijke overheidsgunsten zijn niet deswege van meet af aan van de werking van de bepalingen inzake steunmaatregelen uitgezonderd, omdat zij moeten worden gerekend tot de sector van het economisch beleid(19) of de fiscale wetgeving. In het bijzonder in het arrest Banco Exterior de España(20), dat in 1994 is gewezen, dat wil zeggen voor de toekenning van belastingvoordelen aan Demesa en Ramondín, heeft het Hof er geen twijfel aan laten bestaan dat belastingrechtelijke regelingen staatssteun konden inhouden. Het overwoog in dat arrest dat „een maatregel waarbij de overheid aan bepaalde ondernemingen een belastingvrijstelling verleent die, hoewel in dat kader geen staatsmiddelen worden overgedragen, de financiële situatie van de begunstigden verbetert ten opzichte van de andere belastingplichtigen, [...] als een steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag [thans artikel 87 EG] is aan te merken”.
51. Voor de toepassing van artikel 87 EG op nationale belastingwetgeving zijn ook geen nadere handelingen van de Raad of de Commissie vereist. Dat de Commissie mogelijkerwijs pas op een bepaald moment is begonnen om fiscale bepalingen systematisch aan artikel 87 te toetsen, neemt niet weg dat zij ook belastingvoordelen die vóór die datum zijn toegekend, aan de criteria van dat artikel kan toetsen.(21)
B – Misbruik van bevoegdheid
1. Ontvankelijkheid van het middel
52. Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening (zaak C‑186/02 P) stelt Ramondín dat het Gerecht de grief betreffende misbruik van bevoegdheid ten onrechte heeft verworpen. Álava draagt hetzelfde middel zowel in zaak C‑187/02 P als in zaak C‑188/02 P voor en verwijt het Gerecht bovendien dat het zijn arresten in dit verband onvoldoende met redenen heeft omkleed.
53. In dit verband zij vooraf opgemerkt dat Álava deze grieven in zaak T‑127/99 in eerste aanleg niet heeft voorgedragen en dat het Gerecht er bijgevolg in de zaak Demesa ook niet op is ingegaan. Daarom moet het desbetreffende middel in zaak C‑187/02/P om de in punt 42 uiteengezette redenen niet‑ontvankelijk worden verklaard.
54. In zaak T‑92/00 heeft Álava de desbetreffende grief pas in dupliek aangevoerd. Ramondín heeft zijn beroep (zaak T‑103/00) echter van meet af aan op misbruik van bevoegdheid doen steunen, en het Gerecht heeft deze grief in het arrest Ramondín behandeld nadat beide zaken waren gevoegd. Bijgevolg kan Álava in de hogere voorziening in zaak C‑188/02 P, die zich tegen het arrest in de gevoegde zaken T‑92/00 en T‑103/00 keert, opkomen tegen de vaststellingen van het Gerecht met betrekking tot deze grief, zonder dat daardoor het voorwerp van het geding wordt verruimd ten opzichte van dat in eerste aanleg.
2. Argumenten van partijen
55. In de zaken C‑186/02 P en C‑188/02 P stellen rekwiranten, dat het de Commissie in werkelijkheid niet zozeer te doen was om een vervalsing van de mededinging tussen ondernemers op te heffen, maar dat zij de verschillen in de nationale belastingstelsels wilde wegharmoniseren. De relevante rechtsgrondslag voor belastingharmonisatie – de artikelen 96 EG en 97 EG – verlangt hiervoor echter een optreden van de Raad, waartoe deze kennelijk niet bereid is. Het Gerecht zou in punt 85 van het arrest Ramondín ten onrechte hebben vastgesteld dat verzoekers geen aanknopingspunten hadden verstrekt voor de conclusie dat de Commissie inderdaad met haar beschikking een ongeoorloofd doel had nagestreefd. Het is slechts oppervlakkig ingegaan op de argumenten van Álava voor de aanwezigheid van misbruik van bevoegdheid.
56. De Commissie meent met La Rioja dat rekwiranten geen objectieve aanknopingspunten hebben verstrekt voor de stelling dat de Commissie haar bevoegdheden voor andere dan de aangegeven doeleinden heeft gebruikt. Hun stellingen berustten volgens hen op pure speculatie. Ook is niet duidelijk in welk opzicht de beschikking van de Commissie gericht is op een harmonisering van de belastingstelsels.
3. Beoordeling
57. Zoals het Gerecht in punt 84 van het arrest Ramondín terecht opmerkt, is een beschikking enkel nietig wegens misbruik van bevoegdheid wanneer zij, op basis van objectieve, relevante en onderling overeenstemmende gegevens, voor andere dan de aangegeven doeleinden blijkt te zijn vastgesteld.(22)
58. Deze rechtsopvatting vechten rekwiranten ook helemaal niet aan. Anders dan het Gerecht in zijn vaststellingen, menen zij echter dergelijke aanwijzingen te hebben verstrekt. Of in eerste aanleg aanwijzingen voor het bestaan van misbruik van bevoegdheid zijn verstrekt, is echter een feitelijke vraag, tot beoordeling waarvan het Hof ingevolge artikel 225 EG juncto artikel 58, lid 1, van het Statuut niet bevoegd is.(23) Dit onderdeel van het middel moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
59. Daarnaast verwijt Álava het Gerecht, het arrest Ramondín onvoldoende met redenen te hebben omkleed. Het Gerecht zou slechts oppervlakkig zijn ingegaan op de gronden waarop de Commissie zich heeft beroepen in haar beschikking 93/337/EEG van 10 mei 1993(24) en in de procedure in de zaak Juntas Generales de Guipúzcoa e.a.(25)
60. In punt 87 van het arrest-Ramondín heeft het Gerecht de verwerping van dit argument echter voldoende met redenen omkleed. Tot een nadere motivering was het reeds deswege niet verplicht, omdat de overwegingen van de Commissie waarnaar Álava verwijst, in geen enkel direct verband staan met de uitvaardiging van de litigieuze beschikking. Beschikking 93/337 ging over een Baskische belastingsteunregeling waarop ook het verzoek om een prejudiciële beslissing in de zaak Juntas Generales de Guipúzcoa e.a. betrekking had.
61. Het middel betreffende onjuiste beoordeling van het misbruik van bevoegdheid moet daarom in zijn geheel worden verworpen.
C – Schending van het vertrouwensbeginsel
62. In zaak C‑183/02 P verwijt Demesa het Gerecht, ten onrechte het middel betreffende schending van het vertrouwensbeginsel te hebben verworpen. Zij is bekend met de vaste rechtspraak volgens welke een ontvanger van steun zich niet op een gewettigd vertrouwen kan beroepen indien de steunmaatregel niet overeenkomstig artikel 88 EG bij de Commissie is aangemeld, maar volgens haar moet in casu worden bedacht dat de classificatie van het belastingkrediet als staatssteun zelfs voor een behoedzaam ondernemer niet te voorzien was geweest. Dit blijkt enerzijds uit het feit dat de vraag of de maatregel selectief is, zeer omstreden is. Anderzijds heeft de Commissie beschikking 93/337 betreffende de Baskische steunregeling(26) in eerste instantie gebaseerd op schending van de vrijheid van vestiging en niet op schending van artikel 87 EG. Overigens heeft de Commissie daarna niets ondernomen, hoewel zij op de hoogte was van de litigieuze belastingregelingen.
63. Daarentegen meent de Commissie dat er talrijke aanwijzingen waren dat de litigieuze regelingen als selectieve maatregelen moesten worden aangemerkt. Zo waren bijvoorbeeld soortgelijke regelingen in beschikking 93/337 als onrechtmatige overheidssteun geclassificeerd. Een vermeend stilzitten is volgens haar niet van belang wanneer de steunmaatregelen niet zijn aangemeld.
64. Zoals het Gerecht terecht heeft vastgesteld, kan de ontvanger van steun slechts een gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van de steun hebben wanneer deze met inachtneming van de procedure van artikel 88 EG is vastgesteld.(27)
65. De in artikel 88, lid 3, EG neergelegde verplichting om steunmaatregelen aan te melden, is juist ook bedoeld om eventuele twijfels aan het steunkarakter van een maatregel weg te nemen. Komt de lidstaat zijn aanmeldingsverplichting niet na, dan kan degene die de steun ontvangt, zich bij terugvordering van een onrechtmatige steun, niet met een beroep op zijn rechtens onjuiste uitlegging van artikel 87 EG op het vertrouwensbeginsel beroepen.
66. Van een beschermenswaardig vertrouwen kan hooguit sprake zijn wanneer de begunstigde op grond van concrete feiten of opmerkingen van de Commissie ervan uit mocht gaan dat een voordeel dat hem door overheidsinstanties was toegekend, niet als een steunmaatregel moest worden beschouwd.(28)
67. De constateringen van de Commissie in beschikking 93/337 vormen geen dergelijke omstandigheid. Want enerzijds had de beschikking niet rechtstreeks betrekking op de door Álava uitgevaardigde regelingen en anderzijds kwam de Commissie, zoals het Gerecht in punt 237 van het arrest Demesa terecht aanvoert, in de beschikking tot de conclusie dat de Baskische bepalingen regelingen bevatten over staatssteun in de zin van artikel 87 EG.
68. Ten slotte kan ook het vermeende stilzitten van de Commissie geen gewettigd vertrouwen opwekken. In zoverre kan worden volstaan met de opmerking, dat de regelingen waar het hier om gaat, pas zijn ingevoerd bij Norma Foral 22/1994 van 20 december 1994 (gepubliceerd op 13 januari 1995). De hierop gebaseerde beschikking van Álava over de toekenning van een belastingkrediet aan Demesa is op 21 oktober 1997 vastgesteld. De Commissie heeft de litigieuze beschikking op 24 februari 1999 uitgevaardigd. Demesa heeft niet duidelijk gemaakt, in welk van deze tijdvakken de Commissie overbodig lang heeft stilgezeten hoewel ze op de hoogte was van de steunmaatregelen.
69. Het middel betreffende schending van het vertrouwensbeginsel moet daarom worden verworpen.
VI – Kosten
70. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij in de kosten van het geding te worden verwezen.
71. Op grond van artikel 69, lid 4, derde alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat volgens artikel 118 van dit Reglement eveneens van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, kan het Hof bepalen dat andere interveniënten dan lidstaten of instellingen hun eigen kosten dragen. Op grond hiervan dienen Baskenland in zaak C‑187/02 P en La Rioja in de zaken C‑186/02 P en C‑188/02 P in de eigen kosten te worden verwezen.
VII – Conclusie
72. Concluderend geef ik het Hof in overweging om:
– in zaak C‑183/02 P (Demesa/Commissie)
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) Daewoo Electronics Manufacturing España SA in de kosten te verwijzen;
– in zaak C‑186/02 P (Ramondín SA e.a./Commissie)
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) Ramondín SA en Ramondín Cápsulas SA in de kosten te verwijzen;
3) te bepalen dat de Comunidad Autónoma de La Rioja de eigen kosten draagt;
– in zaak C‑187/02 P (Territorio Histórico de Álava – Diputación Foral de Álava/Commissie)
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) Territorio Histórico de Álava – Diputación Foral de Álava in de kosten te verwijzen;
3) te bepalen dat de Comunidad Autónoma del País Vasco de eigen kosten draagt;
– in zaak C‑188/02 P (Territorio Histórico de Álava – Diputación Foral de Álava/Commissie)
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) Territorio Histórico de Álava – Diputación Foral de Álava in de kosten te verwijzen;
3) te bepalen dat de Comunidad Autónoma de La Rioja de eigen kosten draagt.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – De oorspronkelijk in de Comunidad Autónoma de La Rioja gevestigde Ramondín SA richtte Ramondín Cápsulas SA op, met zetel in Laguardia (Álava), en droeg haar werkzaamheden aan deze vennootschap over. In de rest van deze conclusie worden deze twee vennootschappen tezamen aangeduid als Ramondín.
3 – Beschikking 1999/718/EG van de Commissie van 24 februari 1999 betreffende steunmaatregelen van Spanje ten gunste van Daewoo Electronics Manufacturing España SA (Demesa) (PB L 292, blz. 1), en beschikking 2000/795/EG van de Commissie van 22 december 1999 betreffende steunmaatregelen van Spanje ten gunste van Ramondín SA en Ramondín Cápsulas SA (PB L 318, blz. 36).
4 – Deputación Foral de Álava e.a./Commissie (gevoegde zaken T‑127/99, T‑129/99 en T‑148/99, Jurispr. blz. II‑1275; hierna: „arrest Demesa”).
5 – Arrest van 6 maart 2002, Diputación Foral de Álava e.a./Commissie (gevoegde zaken T‑92/00 en T‑103/00, Jurispr. blz. II‑1385; hierna: „arrest Ramondín”).
6 – Zie voor nadere gegevens punt 6 van het arrest.
7 – Zie voor de details de punten 11‑29 van het arrest Demesa (aangehaald in voetnoot 4).
8 – Aangehaald in voetnoot 3.
9 – Zie voor details ook de punten 7‑13 van het in voetnoot 5 aangehaalde arrest Ramondín.
10 Aangehaald in voetnoot 3.
11 – Beschikking 2002/820/EG van de Commissie van 11 juli 2001 inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van ondernemingen in Álava in de vorm van een belastingkrediet van 45% van de investeringen ten uitvoer is gelegd [Kennisgeving geschied onder nummer C(2001) 1759] (PB L 296, blz. 1).
12 – Beschikking 2002/892/EG van de Commissie van 11 juli 2001 betreffende de door Spanje ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Álava (Spanje) [Kennisgeving geschied onder nummer C(2001) 1760] (PB L 314, blz. 1).
13 – Zaken T‑227/01 (Diputación Foral de Álava e.a./Commissie) en T‑265/01 (Confederación Empresarial Vasca/Commissie) betreffende beschikking 2002/820, en zaken T‑230/01 (Diputación Foral de Álava e.a./Commissie) en T‑267/01 (Confederación Empresarial Vasca/Commissie) betreffende beschikking 2002/892. Daarnaast zijn er talrijke procedures aanhangig over soortgelijke regelingen in andere Spaanse regio’s. Afgezien daarvan heeft de Commissie voor het Hof tegen Spanje procedures ex artikel 226 EG aanhangig gemaakt wegens niet-nakoming van de beschikkingen 2002/820 en 2002/892 (zaken C‑485/03 en C‑488/03).
14 – Conclusies van de Raad (Ecofin) van 1 december 1997 inzake het belastingbeleid – Resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de lidstaten in het kader van de Raad bijeen, van 1 december 1997 betreffende een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen – Belastingregeling voor spaargelden (PB 1998, C 2, blz. 1). Zie in het bijzonder de resolutie betreffende een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen in bijlage 1, sub J.
15 – PB C 384, blz. 3.
16 – Daarom valt ook niet goed te begrijpen wat de gedachte is achter de gedeeltelijke intrekking van de hogere voorziening.
17 – Zie onder meer arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C‑136/92 P, Jurispr. blz. I‑1981, punt 59); 28 mei 1998, Deere/Commissie (C‑7/95 P, Jurispr. blz. I‑3111, punt 62), en 7 november 2002, Glencore Grain e.a./Commissie (C‑24/01 P en C‑25/01 P, Jurispr. blz. I‑10119, punt 62).
18 – Arresten van 23 februari 1961, De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg/Hoge Autoriteit (30/59, Jurispr. blz. 3, 40); 1 december 1998, Ecotrade (C‑200/97, Jurispr. blz. I‑7907, punt 34), en 8 november 2001, Adria-Wien Pipeline en Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke (C‑143/99, Jurispr. blz. I‑8365, punt 38).
19 – Arrest van 24 februari 1987, Deufil/Commissie (310/85, Jurispr. blz. 901, punt 8).
20 – Arrest van 15 maart 1994, Banco Exterior de España (C‑387/92 Jurispr. blz. I‑877, punt 14). Later bevestigd in arrest van 19 mei 1999, Italië/Commissie (C‑6/97, Jurispr. blz. I‑2981, punt 16).
21 – De Commissie heeft in ieder geval reeds in 1963, in antwoord op een parlementaire vraag van de heer Burbacher te kennen gegeven, dat vrijstellingen van belastingen en heffingen potentieel steunmaatregelen zijn (PB. 1963, nr. 125, blz. 2235).
22 – Arresten van 21 juni 1984, Lux/Rekenkamer (69/83, Jurispr. blz. 2447, punt 30), en 22 november 2001, Nederland/Raad (C‑110/97, Jurispr. blz. I‑8763, punt 137).
23 – Arrest van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie (C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 24), en het reeds geciteerde arrest Glencore Grain e.a. (aangehaald in voetnoot 17, punt 65).
24 – Beschikking betreffende een belastingsteunregeling voor investeringen in Baskenland (PB L 134, blz. 25).
25 – Zie conclusie van advocaat-generaal Saggio van 1 juli 1999 in die procedure (beschikking van 16 februari 2000, C‑400/97, C‑401/97 en C‑402/92; Jurispr. blz. I‑1073, I‑1074). Tot een beslissing van het Hof is het in die zaak niet meer gekomen daar het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingetrokken nadat de vordering in het hoofdgeding was ingetrokken.
26 – Aangehaald in voetnoot 24.
27 – Arresten van 20 september 1990, Commissie/Duitsland (C‑5/89, Jurispr. blz. I‑3437, punt 14), 14 januari 1997, Spanje/Commissie, (C‑169/95, Jurispr. blz. I‑135, punt 51), en 20 maart 1997, Alcan Duitsland (C‑24/95, Jurispr. blz. I‑1591, punt 25).
28 – Zie het uitzonderlijke geval dat ten grondslag lag aan het arrest van 24 november 1987, RSV/Commissie, (2233/85, Jurispr. blz. 4617).
Full & Egal Universal Law Academy