CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 6 november 2003 (1)
Zaak C-209/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Republiek Oostenrijk
„Niet-nakoming – Richtlijn 92/43/EEG – Instandhouding van natuurlijke habitats – Wilde flora en fauna – Leefruimte van kwartelkoning – Speciale beschermingszone – Project zonder verband met beheer van gebied – Beoordeling van gevolgen voor gebied – Ontbreken van garantie dat project geen afbreuk doet aan natuurlijke kenmerken van gebied”
1. Met het onderhavige beroep verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk, door een project tot uitbreiding van een golfterrein in de gemeente Wörschach in de deelstaat Stiermarken goed te keuren, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor de habitat van de kwartelkoning (crex crex) (2) in de in deze gemeente gelegen aangewezen speciale beschermingszone (3) , in de zin van artikel 4 van richtlijn 79/409/EEG van de Raad (4) , de krachtens artikel 6, leden 3 en 4, juncto artikel 7 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad (5) , op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. De Commissie verzoekt eveneens dat de Republiek Oostenrijk in de kosten wordt verwezen.
I ─ Rechtskader
2. Artikel 4, lid 1, van de vogelrichtlijn 79/409/EEG bepaalt dat voor de leefgebieden van de in bijlage I vermelde soorten worden speciale beschermingsmaatregelen getroffen, opdat deze soorten daar waar zij nu voorkomen, kunnen voortbestaan en zich kunnen voortplanten. Dit artikel legt de lidstaten de verplichting op om met name de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten meest geschikte gebieden als speciale beschermingszones aan te wijzen.
3. De kwartelkoning komt voor in bijlage I van de vogelrichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 85/411/EEG van de Commissie. (6)
4. Artikel 4, lid 4, van de vogelrichtlijn bepaalt:De lidstaten nemen passende maatregelen om vervuiling en verslechtering van de woongebieden in de in [...] lid [...]1 [...] bedoelde beschermingszones te voorkomen, alsmede om te voorkomen dat de vogels aldaar worden gestoord, voorzover deze vervuiling, verslechtering en storing, gelet op de doelstellingen van dit artikel, van wezenlijke invloed zijn. Ook buiten deze beschermingszones zetten de lidstaten zich in om vervuiling en verslechtering van de woongebieden te voorkomen.
5. Artikel 6 van de habitatrichtlijn bepaalt: [...]2. De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voorzover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.4. Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de lidstaat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.[...]Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd.
6. Krachtens artikel 7 van de habitatrichtlijn komen de uit artikel 6, leden 2, 3 en 4, voortvloeiende verplichtingen [van deze richtlijn] [...] in de plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, lid 4, eerste volzin, van [de vogelrichtlijn], voor wat betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die richtlijn zijn aangewezen [...].
II ─ De voorgeschiedenis van het geschil, de procedure en de vorderingen van partijen
7. In haar uitspraak op het bezwaar, dat de Golf- und Landclubs Ennstal (golfclub van de vallei van de Enns) tegen het besluit van het Bezirkshauptmannschaft (Oostenrijk) van 4 december 1996 had ingediend, heeft de regering van de deelstaat Stiermarken bij beschikking van 14 mei 1999 (7) goedkeuring verleend voor de uitbreiding van het golfterrein van Weissenbach, gelegen in de gemeente Wörschach, door de aanleg van twee nieuwe banen in een als SBZ aangewezen gebied. De aldus goedgekeurde uitbreiding van het golfterrein is ondertussen ook gerealiseerd.
8. Naar aanleiding van een klacht zond de Commissie de Republiek Oostenrijk op 4 november 1999 een aanmaningsbrief. In deze brief wees zij erop dat zowel de in de klacht verstrekte gegevens als de deskundigenrapporten waarop de beschikking van 14 mei 1999 was gebaseerd , melding maakten van negatieve gevolgen, als bedoeld in artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn, die de realisatie van het betrokken uitbreidingsproject naar alle waarschijnlijkheid zou hebben voor de aanwezige kwartelkoningpopulatie. Een goedkeuring van dit project had derhalve enkel kunnen worden verleend, voorzover de voorwaarden van ditzelfde artikel 6, lid 4, vervuld waren, met name indien de realisatie van het project noodzakelijk was om dwingende redenen van groot openbaar belang en compenserende maatregelen waren genomen waarvan de Commissie op de hoogte was gesteld. Aangezien deze voorwaarden niet waren vervuld, was de Republiek Oostenrijk volgens de Commissie de op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
9. In haar schriftelijk antwoord van 12 januari 2000 stelde de Oostenrijkse regering, dat in de beschikking van 14 mei 1999 een reeks voorwaarden waren opgenomen teneinde de schadelijke gevolgen van de betreffende uitbreiding voor de kwartelkoningpopulatie te voorkomen (8) .
10. Bij brief van 27 juli 2000 bracht de Commissie een met redenen omkleed advies uit waarin zij betoogde dat blijkens het in 1998 door de heer Gepp verrichte deskundigenonderzoek, dat als beoordeling van de gevolgen in de zin van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn kan worden beschouwd, deze uitbreiding een wezenlijk risico van storing van de kwartelkoningpopulatie inhield. De Commissie trok eveneens de doeltreffendheid van de in de beschikking van 14 mei 1999 gestelde voorwaarden in twijfel. De deskundige raadde namelijk af om complexe randvoorwaarden op te leggen, die de mogelijke risicofactoren van de onderhavige uitbreiding slechts gedeeltelijk zouden beperken, en hij beschouwde deze uitbreiding als onverenigbaar met de instandhouding van de kwartelkoningpopulatie.
11. In haar met redenen omkleed advies verwees de Commissie eveneens naar een nieuwe, door de heer Schäffer verrichte studie, volgens welke bij de huidige stand van de kennis van het biologische gedrag van de kwartelkoning moest worden aangenomen dat de voor de uitbreiding bestemde oppervlaktes geheel binnen het mogelijkerwijze door deze soort gebruikte weidegebied vielen. De door de kwartelkoning gebruikte habitatstructuren zouden daardoor worden vernietigd.
12. Aan het einde van het met redenen omkleed advies gunde de Commissie de Republiek Oostenrijk een termijn van twee maanden vanaf de kennisgeving ervan om aan dit advies te voldoen.
13. Bij brief van 6 december 2000 verklaarde de Oostenrijkse regering dat de uitbreiding haars inziens geen significante gevolgen voor het gebied kon hebben in de zin van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn.
14. Bij op 4 juni 2002 ter griffie geregistreerd verzoekschrift heeft de Commissie onderhavig beroep ingesteld.
15. Bij arrest van 27 juni 2002 heeft het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) de beschikking van 14 mei 1999 nietig verklaard. Primair betoogt de Republiek Oostenrijk in haar verweerschrift dat het beroep dan ook dient te worden verworpen daar het geen doel meer dient. Secundair stelt zij dat het beroep niet gegrond is.
16. In haar repliek handhaaft de Commissie haar vorderingen uit het verzoekschrift. De Republiek Oostenrijk neemt van haar kant in haar dupliek de conclusies van haar verweerschrift over.
III ─ Argumenten van partijen
17. De Commissie betoogt dat de nietigverklaring van de beschikking van 14 mei 1999 door het Verwaltungsgerichtshof het onderhavige beroep niet zonder voorwerp maakt. Enerzijds dient een niet-nakoming te worden beoordeeld naar de situatie aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn en is de beschikking van 14 mei 1999 pas na deze datum nietig verklaard. Anderzijds is de regering van de deelstaat Stiermarken gehouden een nieuwe beschikking te geven op het beroep van de exploitant van het golfterrein tegen de beschikking van het Bezirkshauptmannschaft en kan derhalve onmogelijk definitief worden beoordeeld of deze nieuwe beschikking een situatie zal doen ontstaan die in overeenstemming is met de habitatrichtlijn.
18. Ten gronde voert de Commissie aan dat een project voor een SBZ significante gevolgen kan hebben in de zin van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn, als de realisatie van dit project de functie van deze zone bijzonder sterk kan beperken, wat een of meerdere van zijn instandhoudings- of beschermingsdoelstellingen betreft. Bovendien volstaat naar haar oordeel de loutere waarschijnlijkheid van een significante beïnvloeding van de betrokken SBZ om de goedkeuring voor de realisatie van het geplande project te weigeren.
19. De Commissie betoogt verder dat blijkens het door de heer Gepp opgestelde deskundigenrapport de betrokken uitbreiding van het golfterrein ertoe zou leiden dat een gedeelte van de voedsel- en rustgronden van de kwartelkoningpopulatie verdwijnen, alsook dat zijn habitatgebieden worden versnipperd en vernietigd. Uit het rapport bleek ook dat de in de beschikking van 14 mei 1999 opgenomen voorwaarden deze storing niet konden voorkomen. Een ander, op 26 juni 1999 door de heer Lentner opgesteld deskundigenrapport bevestigde dat die maatregelen niet doeltreffend waren. Dit was uiteindelijk ook een belangrijk motief in het arrest van het Verwaltungsgerichtshof waarbij de beschikking nietig werd verklaard.
20. Primair stelt de Oostenrijkse regering dat het arrest van het Verwaltungsgerichtshof, dat de beschikking van 14 mei 1999 nietig heeft verklaard, ex tunc werkt, zodat de beschikking van 14 mei 1999 in wezen nooit heeft bestaan. De onderhavige niet-nakomingsprocedure dient derhalve geen doel meer, aangezien zij precies deze beschikking betreft. Bovendien is het op grond van het arrest van het Verwaltungsgerichtshof verboden om op de twee betrokken nieuwe banen te spelen. De nieuwe beschikking die dient te worden gegeven na het beroep van de exploitant van het golfterrein, zal volgens de Oostenrijkse regering in overeenstemming met het gemeenschapsrecht worden gegeven en de onderhavige procedure kan geen preventief karakter hebben ten aanzien van een beschikking die nog moet worden gegeven.
21. Ten gronde verklaart de Oostenrijkse regering dat de vereisten van artikel 6 van de habitatrichtlijn zijn nageleefd. Zij voert aan dat naar aanleiding van de beoordeling van de gevolgen van het betwiste project er in de beschikking van 14 mei 1999 maatregelen zijn gelast, die elke significante bedreiging voor de kwartelkoningpopulatie hebben voorkomen. Die vaststelling wordt volgens haar bevestigd door de opmerkingen die de heer Gepp op 15 juli 2002 heeft gemaakt over zijn deskundigenrapport van 1998. Volgens de Oostenrijkse regering blijkt uit deze opmerkingen dat de Commissie dit deskundigenrapport veel te pessimistisch heeft geïnterpreteerd. De Oostenrijkse regering beklemtoont ook, dat de door de beschikking van 14 mei 1999 voorgeschreven maatregelen wel degelijk zijn uitgevoerd, zoals ook uit de in 2002 verrichte controlemaatregelen is gebleken.
IV ─ Beoordeling
A ─ Ontvankelijkheid van het beroep
22. De ontvankelijkheid van het beroep lijkt op grond van de rechtspraak van het Hof niet voor betwisting vatbaar.
23. Het is namelijk vaste rechtspraak dat het bestaan van een inbreuk moet worden beoordeeld naar de situatie waarin de betrokken lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en dat het Hof met daarna opgetreden wijzigingen geen rekening houdt (9) . Het is eveneens vaste rechtspraak, dat bij een beroep wegens niet-nakoming het onderwerp van het geschil door het met redenen omkleed advies wordt bepaald en dat voortzetting van de actie ook wanneer het verzuim na ommekomst van de in dit advies vastgestelde termijn mocht zijn opgeheven, van belang blijft, en dit met name ─ luidens een vaak gehanteerde formule ─ voor de vaststelling van de grondslag van de aansprakelijkheid die een lidstaat te dragen kan krijgen jegens hen die aan die niet-nakoming rechten ontlenen (10) . Ten slotte is het eveneens vaste rechtspraak dat de Commissie bij de uitoefening van haar aan artikel 226 EG ontleende bevoegdheden geen specifiek procesbelang behoeft aan te tonen. (11) Volgens deze rechtspraak staan de instelling en de handhaving van dit beroep voor het Hof volledig ter beoordeling van de Commissie, zonder dat het Hof zich dient uit te spreken over de wijze waarop de Commissie haar beoordelingsbevoegdheid uitoefent (12) .
24. In casu werd de nietigverklaring van de beschikking van 14 mei 1999, waar het in onderhavig geding over gaat, pas uitgesproken op 27 juni 2002. Bijgevolg was de bestreden beschikking nog steeds van kracht aan het einde van de door de Commissie in haar met redenen omkleed advies gestelde termijn van twee maanden. Bovendien is de betwiste uitbreiding ondertussen gerealiseerd. Het argument dat de nietigverklaring van de betrokken beschikking overeenkomstig het Oostenrijkse recht ex tunc werkt en deze beschikking om die reden in wezen nooit heeft bestaan, is derhalve in het licht van de aangehaalde rechtspraak niet relevant, aangezien de datum op basis waarvan het Hof moet oordelen of de aan de Republiek Oostenrijk verweten niet-nakoming al dan niet bestaat, de datum is waarop de in het met redenen omkleed advies aan deze lidstaat gestelde termijn is geëindigd. De werking ex tunc van de nietigverklaring van de beschikking van 14 mei 1999 kan met andere woorden niet het voorwerp van het onderhavige beroep doen verdwijnen, aangezien deze nietigverklaring het resultaat is van een gebeurtenis die na het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn is opgetreden, en volgens de aangehaalde rechtspraak met dergelijke wijziging geen rekening kan worden gehouden.
25. De redenen die door de Commissie zijn aangevoerd om de handhaving van dit beroep te rechtvaardigen, staan, zoals we hebben gezien, volledig ter beoordeling van haar, en het Hof kan de relevantie ervan niet nagaan.
26. Gelet op een en ander, dient het beroep ontvankelijk te worden verklaard.
B ─ Ten gronde
27. De Oostenrijkse regering betwist niet dat het terrein waarop de betrokken uitbreiding van de golfbaan is gerealiseerd, gelegen is binnen een gebied dat als SBZ is aangewezen in de zin van artikel 4 van de vogelrichtlijn en dat deze uitbreiding bijgevolg onderworpen was aan de bepalingen van de artikelen 6 en 7 van de habitatrichtlijn.
28. De inhoud van deze bepalingen staat in onderhavige zaak niet ter discussie. Luidens artikel 6, leden 3 en 4, juncto artikel 7, van de habitatrichtlijn dient voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een SBZ, maar significante gevolgen kan hebben voor deze zone, een passende beoordeling te worden gemaakt van de gevolgen voor bedoelde zone, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van deze zone. Ingeval de beoordeling van de gevolgen van het project voor het betrokken gebied negatief blijkt te zijn, kan een goedkeuring voor de uitvoering van dit project slechts om dwingende redenen van groot openbaar belang worden verleend onder de voorwaarden van artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn. Als het project niet met dergelijke redenen kan worden gerechtvaardigd, mogen de nationale instanties slechts toestemming voor het project geven nadat zij, gelet op deze beoordeling, de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van de betrokken zone niet zal aantasten.
29. In onderhavige zaak staat vast dat de betrokken uitbreiding van het golfterrein door de Oostenrijkse instanties niet werd beschouwd als een project waarvan de realisatie om dwingende redenen van groot openbaar belang in de zin van artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn kon worden gerechtvaardigd. Bedoelde instanties hebben geen enkel argument betreffende het bestaan van een dergelijk belang aangevoerd en de door artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn gestelde voorwaarden betreffende de vaststelling van compenserende maatregelen en de mededeling van deze maatregelen aan de Commissie zijn niet vervuld.
30. Overeenkomstig deze bepalingen hadden de Oostenrijkse instanties de realisatie van de uitbreiding van het golfterrein slechts geldig kunnen goedkeuren, indien zij op grond van de beoordeling van de gevolgen voor het betrokken gebied de zekerheid hadden verkregen dat deze realisatie de natuurlijke kenmerken van dit gebied niet zou aantasten. Met andere woorden, indien er, gelet op de beoordeling van de gevolgen van de betwiste uitbreiding, een aanzienlijke kans bestond dat deze uitbreiding afbreuk zou doen aan de instandhoudingsdoelstelling van een door de vogelrichtlijn beschermde soort, hadden de Oostenrijkse instanties de goedkeuring moeten weigeren.
31. Partijen zijn het er in casu over eens dat het door de heer Gepp in 1998 opgestelde deskundigenrapport, waarvan de tekst in de beschikking van 14 mei 1999 is overgenomen, als een beoordeling van de gevolgen van de betwiste uitbreiding voor het betrokken gebied in de zin van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn moet worden aangemerkt. Bijgevolg moet op grond van dit deskundigenrapport worden beoordeeld of de Republiek Oostenrijk door de goedkeuring van de betwiste uitbreiding de krachtens de artikelen 6 en 7 van de habitatrichtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, zoals de Commissie stelt.
32. Blijkens dit rapport komt een populatie kwartelkoningen voor in de SBZ waar de betwiste uitbreiding van het golfterrein moet plaatsvinden. Het rapport stelt dat de kwartelkoning als leef- en procreatieruimte een vrij groot en ongeschonden natuurgebied nodig heeft (13) en dat het gedeelte van de betrokken SBZ dat overeenkomt met zijn leefgebied, betrekkelijk klein is (14) . Tevens wordt verklaard dat de doorslaggevende voorwaarde voor de vorming van een populatie van deze vogels de aanwezigheid is van weiden van grotere, op elkaar aansluitende weidegebieden die niet door wegen worden doorkruist noch van andere bronnen van storing te lijden hebben (15) .
33. Aangaande de mogelijke gevolgen van de betwiste uitbreiding voor de in het betrokken gebied verblijvende kwartelkoningpopulatie verklaart de deskundige dat deze uitbreiding ertoe leidt dat een gedeelte van de voedsel- en rustgronden van de betrokken soort verdwijnt, de bestaande functionele verbanden als gevolg van de versnippering van de verschillende door de kwartelkoning gebruikte zones worden vernietigd en de habitatstructuren verdwijnen of worden verstoord (16) . Ook vermeldt hij als bronnen van storing de geluiden veroorzaakt door het onderhoud van de banen en door personen die buiten de banen naar golfballen zoeken, in het bijzonder wanneer deze personen niet aangelijnde honden bij zich hebben. Hij merkt op dat zelfs de storing van een weinig bereden veldweg kan volstaan om een kwartelkoningpopulatie definitief te verdrijven (17) .
34. Vervolgens antwoordt de deskundige op de vraag welke maatregelen noodzakelijk zouden zijn om de verplichtingen van de habitatrichtlijn na te kunnen leven. Voor elk van de mogelijkerwijze optredende storingen heeft hij onderzocht hoe deze konden worden verholpen. Op grond van dit onderzoek is hij tot de conclusie gekomen dat dergelijke maatregelen slechts een beperkt effect zouden hebben, moeilijk in de praktijk te brengen zouden zijn en hun doeltreffendheid op lange termijn twijfelachtig zou zijn (18) . Hij spreekt zich uit voor alternatieve oplossingen, zoals de realisatie van de betrokken twee nieuwe banen op een andere plaats (19) .
35. De deskundige komt tot de slotsom dat alle gevolgen tezamen van de aanleg van de twee golfbanen het voortbestaan in het gedrang kan brengen van de kwartelkoningpopulatie. Deze populatie, de enige die zich in de centrale Alpen kan voortplanten, zal naar zijn oordeel door de betwiste uitbreiding te maken krijgen met de drie volgende gevaren: ten eerste de verkleining van haar leefruimte, ten tweede de vernietiging en de verstoring van haar habitatstructuren en ten derde, het lawaai van de gazonmaaier en van de spelers, en dit tot op 200 m afstand van de banen (20) .
36. Met betrekking tot de maatregelen die eventueel ervoor kunnen zorgen dat deze hinder wordt verminderd, beklemtoont hij dat deze complex en moeilijk controleerbaar zijn, slechts een beperkt effect zullen hebben en dat er voor de kwartelkoningpopulatie nog altijd een niet als volkomen verwaarloosbaar te beschouwen risico zal blijven bestaan (21) .
37. Op de vraag of het project vanuit ecologisch oogpunt uitvoerbaar is, antwoordt de heer Gepp dat dit uiteindelijk afhangt van het oordeel omtrent het belang van de bescherming van de kwartelkoning. Hij voegt eraan toe dat deze volgens de deskundige van de Commissie in het belang van de Gemeenschap is (22) .
38. Gelet op al deze omstandigheden kan niet het betoog van de Oostenrijkse regering worden aanvaard, dat het deskundigenrapport van de heer Gepp door de Commissie te pessimistisch is beoordeeld aangezien enerzijds de aangevoerde hinder slechts een loutere mogelijkheid was en anderzijds de deskundige niet heeft willen stellen dat de in de beschikking van 14 mei 1999 voorgeschreven maatregelen a priori niet doeltreffend zouden zijn.
39. Wat het eerste punt van het betoog van de Oostenrijkse regering betreft, volstaat een verwijzing naar het in de beschikking van 14 mei 1999 overgenomen deskundigenrapport om vast te stellen dat de deskundige het risico op aanzienlijke hinder voor de kwartelkoningpopulatie niet als een zeer onwaarschijnlijke eventualiteit heeft voorgesteld, doch als een niet te verwaarlozen risico. Deze beoordeling wordt overigens bevestigd door het feit dat de instanties van de deelstaat Stiermarken het nodig hebben gevonden om in de beschikking van 14 mei 1999 een reeks van maatregelen op te nemen die dit risico precies dienden te voorkomen. Mijns inziens kan bijgevolg niet worden betwist dat de beoordeling van de gevolgen van het betrokken project aantoonde dat dit project een niet verwaarlozen risico van belangrijke hinder voor de kwartelkoningpopulatie tot gevolg had.
40. Met betrekking tot het tweede punt van dit betoog heb ik reeds verklaard dat wanneer een project gelet op de beoordeling van deze gevolgen significante gevolgen voor een SBZ kan hebben, de bevoegde instanties slechts een geldige goedkeuring voor dit project kunnen verlenen, nadat zij vooraf de zekerheid hebben verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de betrokken zone niet zal aantasten. De Oostenrijkse instanties dienen derhalve te bewijzen dat zij, op het ogenblik dat de beschikking van 14 mei 1999 werd gegeven, de zekerheid konden hebben dat de in deze beschikking vermelde maatregelen het door het deskundigenrapport van de heer Gepp aangetoonde risico op belangrijke hinder voor de kwartelkoningpopulatie konden opheffen. Evenwel moet worden vastgesteld dat de Oostenrijkse instanties dit bewijs niet leveren. Ofschoon de heer Gepp, zoals hiervoor reeds vermeld, niet stellig heeft uitgesloten dat maatregelen als waarin de beschikking van 14 mei 1999 voorziet, bepaalde hinderlijke gevolgen van de betwiste uitbreiding konden voorkomen, heeft hij niettemin toch een zeer uitdrukkelijk voorbehoud uitgesproken over de praktische doeltreffendheid van deze maatregelen en heeft hij beklemtoond dat zij in elk geval slechts een gedeeltelijk effect zouden hebben. Ook wil ik onderstrepen dat hij heeft aanbevolen de uitbreiding op een andere plaats te realiseren. In die omstandigheden konden de Oostenrijkse instanties, gelet op dit deskundigenrapport, onmogelijk de zekerheid hebben dat de betrokken maatregelen het voortbestaan van de natuurlijke kenmerken van het gebied konden waarborgen ingeval de betwiste uitbreiding werd uitgevoerd.
41. Uit de beschikking van 14 mei 1999 blijkt evenmin dat de Oostenrijkse instanties over andere gegevens beschikten die hen een dergelijke zekerheid konden geven.
42. Enerzijds wordt deze benadering bevestigd door het deskundigenrapport van de heer Lentner van 26 juni 1999 over de merites van het door de heer Gepp opgestelde deskundigenrapport. Blijkens dit rapport wordt het standpunt dat de in de beschikking van 14 mei 1999 voorgeschreven maatregelen het mogelijk zouden maken om de negatieve invloeden op het bestand van de kwartelkoning te voorkomen en aldus het overleven van de aanwezige populatie veilig te stellen, in genendele ondersteund door het deskundigenrapport van de heer Gepp, noch door andere rapporten of ornithologische adviezen die de overheid ter beschikking stonden (23) .
43. Anderzijds vindt deze analyse steun in het arrest van het Verwaltungsgerichtshof van 27 juni 2002. Luidens dit arrest kan de gegrondheid van het kennelijk aan de bestreden beschikking ten grondslag liggende standpunt, dat ─ althans gelet op de opgelegde bijkomende voorwaarden ─ de voorwaarden voor het verlenen van de goedkeuring vervuld waren, niet worden geverifieerd (24) .
44. Aangaande de in 2002 door de Oostenrijkse instanties in de betrokken zone verrichte controles ten slotte kan worden gesteld dat deze niet relevant zijn voor de beslechting van het geschil, aangezien ─ zoals ik reeds heb gezegd ─ in het licht van de gegevens waarover deze instanties beschikten voordat zij de beschikking van 14 mei 1999 hebben gegeven, dient te worden beoordeeld of deze instanties een voldoende zekerheid hadden verkregen dat het betwiste project de natuurlijke kenmerken van de betrokken zone niet zou aantasten.
45. Gelet op een en ander, ben ik van oordeel dat het door de Commissie tegen de Republiek Oostenrijk ingestelde beroep gegrond is. Mitsdien geef ik het Hof in overweging dit beroep toe te wijzen en te verklaren dat de Republiek Oostenrijk er de kosten van zal dienen te dragen overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.
V ─ Conclusie
46. Op grond van bovenstaande overwegingen, geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
1) Door het project tot uitbreiding van het golfterrein in de gemeente Wörschach in de deelstaat Stiermarken (Oostenrijk) goed te keuren, ondanks de negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor de habitat van de kwartelkoning (crex crex) in de in deze gemeente gelegen aangewezen speciale beschermingszone Wörschacher Moos in de zin van artikel 4 van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, is de Republiek Oostenrijk de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 6, leden 3 en 4, juncto artikel 7, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
2) De Republiek Oostenrijk wordt verwezen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – De kwartelkoning is een trekvogel die van mei tot september in Europa verblijft en overwintert in Oost-Afrika. Hij weegt 100 tot 200 g en meet 22 tot 25 cm. Hij heeft een lange hals, een korte, stompe bek en zijn veren zijn geel en grijs tot bruinachtig ( Le guide ornitho, verzameling Les guides du naturaliste, éd. Delachaux et Niestlé, 2001).
3 – Hierna: SBZ.
4 – Richtlijn van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103, blz. 1; hierna: vogelrichtlijn).
5 – Richtlijn van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7; hierna: habitatrichtlijn).
6 – Richtlijn van 25 juli 1985 tot wijziging van de vogelrichtlijn (PB L 233, blz. 33).
7 – Hierna: beschikking van 14 mei 1999.
8 – De beschikking van 14 mei 1999 voorziet in de volgende voorwaarden: de aanleg van de banen zal plaatsvinden tussen 1 september en 28 februari (periode waarin de kwartelkoning niet in het betrokken gebied verblijft); de twee nieuwe banen zullen pas worden gebruikt op het ogenblik dat in de lente de begroeiing aan de zuidkant van het golfterrein, ter hoogte van de paardenweiden, een minimumhoogte van 30 tot 50 cm zal hebben bereikt (verplaatsingen van de vogel van de sector zuid naar de sector noord van het gebied); van mei tot einde augustus is het van 18 uur tot 8 uur verboden om deze banen te gebruiken (in deze periode paraderen de mannetjes bij zonsondergang, tijdens de nacht en bij zonsopgang); er mag enkel met handmaaiers worden gemaaid, er wordt een scheiding aangeplant bestaande uit bomen en hagen om het geluid tegen te gaan en aan de zuidkant van de twee vrij te maken zones wordt een anti-geluidsmuur van 2 m hoog opgericht; lawaai en de aanwezigheid van honden worden verboden op de banen 6 en 7 en om de 50 m worden er informatieborden (geluidsoverlast) geplaatst; met uitzondering van de anti-geluidsmuren worden de banen zonder enige grondwerken aangelegd en voor het onderhoud van de banen worden zo weinig mogelijk chemische meststoffen of andere chemische producten gebruikt (bescherming van milieu en grondwater) en een persoon wordt belast met de controle op de stilte-instructies en de verbodsperiodes.
9 – Arresten van 27 november 1990, Commissie/Griekenland (C-200/88, Jurispr. blz. I-4299, punt 13), en 30 mei 2002, Commissie/Italië (C-323/01, Jurispr. blz. I-4711, punt 8). Zie voor een geval van toepassing van de habitatrichtlijn, arrest van 30 januari 2002, Commissie/Griekenland (C-103/00, Jurispr. blz. I-1147, punten 23-25).
10 – Zie bijvoorbeeld de arresten van 17 juni 1987, Commissie/Italië (154/85, Jurispr. blz. 2717, punt 6); 18 januari 1990, Commissie/Griekenland (C-287/87, Jurispr. blz. I-125, punt 9); 12 december 1990, Commissie/Frankrijk (C-263/88, Jurispr. blz. I-4611, punt 9); 30 mei 1991, Commissie/Duitsland (C-59/89, Jurispr. blz. I-2607, punt 35); 2 december 1992, Commissie/Ierland (C-280/89, Jurispr. blz. I-6185, punt 7), en 20 juni 2002, Commissie/Luxemburg (C-299/01, Jurispr. blz. I-5899, punt 11).
11 – Zie met name het arrest van 10 april 2003, Commissie/Duitsland (C-20/01 en C-28/01, Jurispr. blz. I-3609, punt 29).
12 – Arrest van 13 juni 2002, Commissie/Spanje (C-474/99, Jurispr. blz. I-5293, punt 25), en de daarin aangehaalde rechtspraak.
13 – Een eenheid kwartelkoningen, te weten een mannetje, een wijfje en een jong, heeft 3 tot 6 ha nodig. Voor de legtijd heeft een wijfje niet meer dan 3 ha nodig en tijdens het broeden maar 1 ha (beschikking van 14 mei 1999, blz. 12).
14 – Deze zone beslaat slechts 25 ha. Volgens de expert volstaat dit als leefgebied voor een kleine kwartelkoningpopulatie met hoogstens 2 of 3 mannetjes.
15 – Beschikking van 14 mei 1999, blz. 12.
16 – Idem, blz. 15 en 16.
17 – Ibidem.
18 – Idem, blz. 22.
19 – Idem, blz. 23.
20 – Beschikking van 14 mei 1999, blz. 24 en 25.
21 – Beschikking van 14 mei 1999, blz. 25.
22 – Idem.
23 – Bijlage 6 van het beroep, blz. 7.
24 – Bijlage A van het verweerschrift, blz. 33.
Full & Egal Universal Law Academy