CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
D. RUIZ-JARABO COLOMER
van 15 januari 2004 (1)
Zaak C‑216/02
Österreichischer Zuchtverband für Ponys, Kleinpferde und Spezialrassen
tegen
Burgenländische Landesregierung
[verzoek van het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Vrij verkeer van goederen – Beschikking 92/353/EEG – Intracommunautair handelsverkeer in paardachtigen – Artikel 2, lid 2, sub a – Toelatings‑ of erkenningsprocedure voor organisaties en verenigingen die stamboeken voor geregistreerde paardachtigen bijhouden of aanleggen – Rechten van bestaande organisatie of vereniging”
1. Het Oostenrijkse Verwaltungsgerichtshof heeft het Hof krachtens artikel 234 EG twee vragen gesteld betreffende de uitlegging van beschikking 92/353/EEG van de Commissie van 11 juni 1992 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van organisaties en verenigingen die stamboeken voor geregistreerde paardachtigen bijhouden of aanleggen(2), in concreto van artikel 2, lid 2, sub a, daarvan.
De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of deze bepaling een in een lidstaat officieel erkende organisatie die stamboeken voor geregistreerde paardachtigen bijhoudt, het recht verleent te verlangen dat de bevoegde autoriteiten een andere organisatie de erkenning weigeren indien deze de instandhouding van het ras in gevaar zou kunnen brengen of de goede werking of het selectie‑ of veredelingsprogramma van de bestaande organisatie zou kunnen verstoren. Hij vraagt bovendien of voornoemde bepaling zich ertegen verzet dat de bestaande organisatie in een procedure tot erkenning van een nieuwe organisatie alleen het recht heeft om te worden gehoord en niet om de erkenning voor een gerecht aan te vechten.
I – Feiten van het hoofdgeding
2. Verzoeker in het hoofdgeding, Österreichischer Zuchtverband für Ponys, Kleinpferde und Spezialrassen (hierna: „Zuchtverband für Ponys”), is in de Oostenrijkse deelstaat Burgenland sinds 14 augustus 1997 erkend als fokkersorganisatie voor Shetlandpony’s, in overeenstemming met het Burgenländische Tierzuchtgesetz (wet inzake het fokken van dieren in Burgenland; hierna: „Tierzuchtgesetz”) van 2 maart 1995.
3. In 1997 vroeg Österreichischer Shetlandponyzuchtverband (hierna: „ÖSZV”) bij de autoriteiten van Burgenland een erkenning aan als fokkersorganisatie voor Shetlandpony’s.
Zuchtverband für Ponys werd tijdens de daaropvolgende administratieve procedure gehoord. Hij verzette zich tegen de erkenning van ÖSZV, stellende dat dit de instandhouding van het ras, zijn eigen werking als bestaande organisatie en zijn selectie‑ en veredelingsprogramma in gevaar bracht. Bovendien zou de nieuwe organisatie in tegenstelling tot de Zuchtverband für Ponys niet de beginselen van het oorspronkelijke stamboek naleven.
4. Op 30 april 2001 werd ÖSZV door de autoriteiten van de deelstaat Burgenland krachtens § 9 van het Tierzuchtgesetz op grond van een bepaald programma voor een periode van tien jaar als fokkersorganisatie voor Shetlandpony’s erkend. Zuchtverband für Ponys stelde hiertegen beroep in bij het Verwaltungsgerichtshof.
5. In het hoofdgeding stellen de gedaagde autoriteiten dat Zuchtverband für Ponys niet bevoegd is om de erkenning van ÖSZV als fokkersorganisatie voor Shetlandpony’s voor het Verwaltungsgerichtshof aan te vechten, aangezien hij in de erkenningsprocedure niet de hoedanigheid van partij bezit en dus geen afdwingbaar recht heeft.
II – Oostenrijks recht
6. De erkenning van fokkersorganisaties is geregeld in § 9 van het Tierzuchtgesetz. Volgens lid 1 ervan dient de deelstaatregering enkel organisaties die aan bepaalde voorwaarden voldoen, te erkennen.
7. Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie zijn in casu de leden 3 en 5 van § 9 relevant, die het volgende bepalen:
„3) De fokkersverenigingen waarvan het materiële en geografische werkgebied geheel of gedeeltelijk overeenstemt met dat bedoeld in lid 2, punt 5, sub a, worden in het kader van de erkenningsprocedure gehoord.
[...]
5) Wanneer voor een ras reeds een of meer erkende fokkersorganisaties bestaan, weigert de deelstaatregering een nieuwe fokkersorganisatie te erkennen, indien dit de instandhouding van het ras of het zoötechnische programma van een bestaande organisatie in gevaar brengt.”
8. Het Verwaltungsgerichtshof verklaart dat het § 9, lid 3, van het Tierzuchtgesetz nog nooit heeft hoeven toepassen. Een bepaling die in het kader van een administratieve procedure aan iemand enkel het recht toekent om te worden gehoord, houdt echter volgens zijn vaste rechtspraak betreffende andere wetgeving in, dat de betrokkene niet de hoedanigheid van partij in deze administratieve procedure bezit. Dit betekent dat de betrokkene noch het recht heeft om van de administratie een beslissing in bepaalde zin te verlangen, noch het recht om de door de autoriteiten genomen beslissing voor het gerecht aan te vechten.(3)
Blijkens de verwijzingsbeschikking zou het beroep van Zuchtverband für Ponys in het hoofdgeding volgens nationaal recht moeten worden verworpen, zonder dat hoeft te worden onderzocht of de erkenning van ÖSZV als fokkersorganisatie de instandhouding van het ras of het fokprogramma van verzoeker in het hoofdgeding in gevaar brengt.
9. Om de voorgelegde vragen in het juiste rechtskader te kunnen plaatsen, heeft het Hof verschillende vragen gesteld aan de partijen in het hoofdgeding, de Oostenrijkse regering en degenen die schriftelijke opmerkingen hebben ingediend.
10. Het wenste ten eerste te vernemen of het in § 9 van het Tierzuchtgesetz gebruikte begrip „fokkersorganisatie” overeenkomt met het begrip „organisatie of vereniging die stamboeken bijhoudt of aanlegt” in de zin van artikel 2 van beschikking 92/353 en of een fokkersorganisatie voor paardachtigen voor ieder betrokken ras een stamboek of een sectie van een stamboek moet bijhouden of aanleggen om door de autoriteiten te worden erkend.
Zowel verzoeker in het hoofdgeding als de Oostenrijkse regering heeft deze vragen bevestigend beantwoord.
11. Het Hof vroeg voorts of, indien in een lidstaat voor een bepaald paardenras meerdere officieel toegelaten of erkende organisaties of verenigingen bestaan, iedere organisatie of vereniging zelfstandig een stamboek voor dit ras kan bijhouden of aanleggen, mits zij zich houdt aan de beginselen die zijn opgesteld door de organisatie of vereniging die het oorspronkelijke stamboek voor het betrokken ras bijhoudt.
Volgens verzoeker is artikel 4, lid 1, van richtlijn 90/427, dat bepaalt dat fokkersorganisaties die een erkenning of registratie aanvragen, de beginselen moeten naleven die zijn vastgesteld door de organisatie die het oorspronkelijke stamboek van het ras bijhoudt(4), niet omgezet door de Oostenrijkse wettelijke regeling ter uitvoering van deze richtlijn. Hetzelfde geldt voor artikel 2, lid 2, sub b, van beschikking 92/353. Verzoeker is dan ook van mening dat de organisatie waarvan hij de erkenning betwist, de beginselen van het betrokken stamboek niet naleeft en de dieren volgens andere criteria registreert.
ÖSZV heeft verklaard dat alle organisaties en verenigingen in de zin van artikel 2 van beschikking 92/353 verplicht zijn, voor ieder ras een eigen stamboek bij te houden. De Oostenrijkse regering en de Commissie hebben hieraan toegevoegd dat zij de beginselen van de organisatie die het oorspronkelijke stamboek bijhoudt, moeten naleven.
12. Ten slotte wenste het Hof te vernemen of, wanneer twee of meer fokkersorganisaties hetzelfde materiële en geografische werkgebied hebben, zij met elkaar om de deelname van fokkers aan hun respectieve veredelings‑, selectie‑ of instandhoudingsprogramma concurreren en of de activiteiten van deze erkende fokkersorganisaties steun genieten uit hoofde van nationale of communautaire wettelijke bepalingen.
Verzoeker heeft het eerste gedeelte van de vraag bevestigend beantwoord en zijn bezorgdheid geuit over het feit dat de erkenning van verschillende fokkersverenigingen voor een ras met een zo kleine populatie als de Shetlandpony tot gevolg heeft dat de populatie van de voor het fokken bestemde hengsten en merries dient te worden versplinterd, waardoor het gevaar van inteelt toeneemt. Met betrekking tot mogelijke bijstand heeft hij erop gewezen dat er in Oostenrijk algemene steunmaatregelen voor de landbouw zijn, die door iedere rechtspersoon kunnen worden aangevraagd.
ÖSZV heeft verklaard dat concurrentie tussen fokkersorganisaties die in één deelstaat actief zijn en die bovendien voor enige vorm van bijstand in aanmerking komen, mogelijk is.
De Oostenrijkse regering en de Commissie hebben bevestigd dat de mogelijkheid van concurrentie tussen organisaties bestaat. De Oostenrijkse regering heeft verklaard dat er geen bijstand wordt verstrekt, terwijl de Commissie heeft meegedeeld dat zij zelf krachtens punt 15 van de communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouwsector(5) steun voor deze sector, waartoe ook de paardachtigen behoren, heeft toegestaan om de instandhouding en verbetering van de genetische kwaliteit van het communautaire veebestand te ondersteunen. Deze steun kan tot 100 % van de administratieve kosten dekken die met de invoering en instandhouding van stamboeken zijn gemoeid en tot 40 % van de in aanmerking komende kosten voor investeringen in centra voor de voortplanting van dieren en voor de invoering van innovatieve foktechnieken of ‑methoden.
III – De prejudiciële vragen
13. Teneinde in het hoofdgeding uitspraak te kunnen doen, heeft het Verwaltungsgerichtshof het Hof verzocht, de volgende vragen te beantwoorden:
„1) Verleent artikel 2, lid 2, sub a, van beschikking 92/353 [...] aan een bestaande fokkersorganisatie (fokkersvereniging) een recht dat de bevoegde autoriteit de erkenning van een nieuwe fokkersorganisatie (van een nieuwe fokkersvereniging) weigert, indien de erkenning van de nieuwe fokkersorganisatie (fokkersvereniging) de instandhouding van het ras in gevaar zou brengen of de goede werking of het selectie‑ of veredelingsprogramma van een bestaande organisatie of vereniging zou kunnen verstoren?
2) Staat artikel 2, lid 2, sub a, van [...] beschikking [92/353] in de weg aan de toepassing van een nationale bepaling die
a) een bestaande fokkersorganisatie of fokkersvereniging in een procedure tot erkenning van een nieuwe fokkersorganisatie (fokkersvereniging) slechts een recht verleent om te worden gehoord door de bevoegde autoriteit, maar geen recht dat de erkenning van de nieuwe fokkersorganisatie (fokkersvereniging) wordt geweigerd omdat deze de instandhouding van het ras in gevaar zou brengen of de goede werking of het selectie‑ of veredelingsprogramma van een bestaande organisatie of vereniging zou kunnen verstoren, en
b) de bestaande organisatie of vereniging niet het recht toekent om de ondanks haar negatief advies verleende erkenning door de administratieve autoriteit voor een gerecht (Verwaltungsgerichtshof) aan te vechten?”
IV – Gemeenschapsrecht
14. Op 26 juni 1990 heeft de Raad zijn goedkeuring gehecht aan richtlijn 90/427/EEG tot vaststelling van zoötechnische en genealogische voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen(6), die beoogt, voorschriften voor de handel in paardachtigen op te stellen om een rationele ontwikkeling van het fokken van paardachtigen te waarborgen en daardoor de productiviteit van de betrokken sector te vergroten.
In de considerans wordt erop gewezen dat de verschillen op het gebied van de inschrijving in de stamboeken een belemmering vormen voor het intracommunautaire handelsverkeer en dat de vrijmaking van het handelsverkeer slechts mogelijk is indien met name op dit gebied verdere harmonisatie plaatsvindt.(7)
15. Ingevolge artikel 4, lid 2, dient de Commissie overeenkomstig de beginselen van lid 1 van dit artikel onder meer:
„a) de criteria [vast te leggen] voor de erkenning van organisaties en verenigingen die stamboeken bijhouden of aanleggen;
[...]”.
16. Op 11 juni 1992 heeft de Commissie beschikking 92/353 vastgesteld teneinde in het bijzonder artikel 4, lid 2, sub a, van genoemde richtlijn uit te voeren. Artikel 2 van deze beschikking bepaalt:
„1. De autoriteiten van de betrokken lidstaat erkennen officieel elke organisatie of vereniging die stamboeken bijhoudt of aanlegt, voorzover zij aan de in de bijlage vastgestelde voorwaarden voldoet.
2. Wanneer evenwel in een lidstaat voor een ras reeds één of meer officieel erkende organisaties of verenigingen bestaan, kunnen de autoriteiten van de betrokken lidstaat besluiten een nieuwe organisatie of vereniging niet te erkennen,
a) indien deze de instandhouding van het ras in gevaar zou brengen of de goede werking of het selectie‑ of veredelingsprogramma van een bestaande organisatie of vereniging zou kunnen verstoren, of,
b) indien de paardachtigen van dat ras kunnen worden ingeschreven of geregistreerd in een bijzondere sectie van een stamboek dat wordt bijgehouden door een organisatie of vereniging die met name voor deze sectie de beginselen in acht neemt die, conform punt 3, sub b, van de bijlage, zijn vastgesteld door de organisatie of vereniging die het oorspronkelijke stamboek voor dat ras bijhoudt.
3. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de verleende officiële erkenningen en van de weigeringen tot erkenning.
4. Wanneer aan een organisatie of vereniging in een lidstaat een officiële erkenning wordt geweigerd, worden de redenen voor die weigering schriftelijk aan de organisatie of vereniging meegedeeld.”
V – Procedure voor het Hof
17. In deze procedure hebben Zuchtverband für Ponys als verzoeker in het hoofdgeding, de Oostenrijkse regering evenals de Commissie binnen de in artikel 23 van het Statuut van het Hof vastgelegde termijn schriftelijke opmerkingen ingediend.
Tijdens de terechtzitting, die op 4 december 2003 heeft plaatsgevonden, hebben de vertegenwoordiger van Zuchtverband für Ponys en de gemachtigde van de Commissie mondelinge verklaringen afgelegd.
VI – De eerste vraag
18. De verwijzende rechter wenst om te beginnen te vernemen of artikel 2, lid 2, sub a, van beschikking 92/353 een organisatie die stamboeken voor geregistreerde paardachtigen bijhoudt, het recht verleent om, wanneer een nieuwe organisatie een officiële erkenning aanvraagt, te verlangen dat de bevoegde autoriteiten deze erkenning weigeren, indien een van de in deze bepaling vermelde omstandigheden zich voordoet.
A – Ingediende opmerkingen
19. Zuchtverband für Ponys is van mening dat het Hof deze vraag bevestigend dient te beantwoorden. Artikel 2, lid 2, sub a en b, van beschikking 92/353 is duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk en heeft dus rechtstreekse werking jegens particulieren. Het werkwoord „kunnen”, dat met betrekking tot de lidstaten wordt gebruikt, moet aldus worden uitgelegd dat een bestaande vereniging het recht heeft om van de nationale autoriteiten te verlangen dat de erkenning van een nieuwe organisatie wordt geweigerd in alle gevallen waarin een reden voor een dergelijke weigering bestaat. Het heeft geen zin een lidstaat met betrekking tot de erkenning een beoordelingsmarge te verlenen, zoals hier kennelijk is gebeurd, wanneer de bestaande organisaties niet tegelijkertijd een afdwingbaar recht wordt verleend om tegen deze erkenning op te komen.
20. De Oostenrijkse regering is van mening dat artikel 2, lid 2, sub a, van beschikking 92/353 beoogt te waarborgen dat de nationale instanties erkenningsaanvragen van fokkersorganisaties onafhankelijk en op basis van vastgelegde objectieve criteria onderzoeken en niet tot doel heeft de belangen van de concurrenten te beschermen, zoals door verzoeker in het hoofdgeding wordt gesteld. Aangezien deze gemeenschapsrechtelijke bepaling in het Tierzuchtgesetz, in het bijzonder in § 9, lid 5, ervan, naar behoren in Oostenrijks recht is omgezet, speelt de vraag van de rechtstreekse toepasselijkheid geen rol. In elk geval zijn de bepalingen niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om door particulieren te kunnen worden ingeroepen.
21. De Commissie stelt van haar kant dat wanneer de omstandigheden van artikel 2, lid 2, sub a en b, van beschikking 92/353 zich voordoen, de autoriteiten van de lidstaten zijn ontslagen van de door lid 1 van deze bepaling opgelegde verplichting tot erkenning van elke nieuwe organisatie of vereniging. Dit betekent dat aan de autoriteiten de discretionaire bevoegdheid wordt verleend om de erkenning te weigeren, zonder dat zij hiertoe verplicht worden. Uit deze bepaling vloeit derhalve geen recht op vaststelling van een dergelijke beslissing ten gunste van de bestaande organisaties voort.
Tijdens de terechtzitting heeft zij erop gewezen dat richtlijn 90/427 en beschikking 92/353 zijn vastgesteld teneinde de oprichting te bevorderen van door de nationale autoriteiten erkende verenigingen en organisaties die stamboeken voor paardachtigen bijhouden volgens de beginselen die zijn vastgesteld door de organisatie die het oorspronkelijke stamboek bijhoudt, teneinde de verschillen bij de registratie uit de weg te ruimen.
B – Beoordeling
22. Ik ben met de Oostenrijkse regering en de Commissie van mening dat deze prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord.
23. De fokkersorganisaties en ‑verenigingen spelen een zeer belangrijke rol bij de verwezenlijking van het met richtlijn 90/427 nagestreefde doel. In de considerans ervan wordt immers benadrukt dat het bereiken van bevredigende resultaten op het gebied van het fokken van paarden in ruime mate afhankelijk is van het gebruik van dieren die in door officieel erkende organisaties of verenigingen bijgehouden stamboeken zijn ingeschreven. Dit is dermate belangrijk dat de Raad de Commissie heeft opgedragen, de criteria voor de erkenning van dergelijke organisaties of verenigingen vast te leggen, uitgaande van de principiële voorwaarde dat deze de beginselen naleven die zijn vastgesteld door de organisatie of vereniging die het oorspronkelijke stamboek voor het betrokken ras bijhoudt.
24. De Commissie heeft derhalve beschikking 92/353 vastgesteld, waarvan artikel 2, lid 2, sub a, thans op verzoek van het Verwaltungsgerichtshof dient te worden uitgelegd.
25. Artikel 2, lid 1, van beschikking 92/353 schrijft als algemene regel voor dat de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat organisaties of verenigingen die stamboeken bijhouden of aanleggen, op het grondgebied van de betrokken lidstaat zijn gevestigd, een aanvraag indienen en voldoen aan de criteria in de bijlage, officieel toelaten of erkennen.
26. Artikel 2, lid 2, sub a, bevat echter een uitzondering op deze ruime bepaling, aangezien het de lidstaten de mogelijkheid biedt, met het oog op de bescherming van het openbaar belang van deze verplichting af te wijken. Volgens deze bepaling kan een lidstaat, wanneer er op zijn grondgebied reeds één of meer officieel erkende organisaties of verenigingen bestaan, in twee gevallen weigeren een nieuwe organisatie te erkennen, namelijk indien deze de instandhouding van het ras in gevaar zou brengen of indien zij de goede werking of het selectie‑ of veredelingsprogramma van een bestaande vereniging zou kunnen verstoren.
In de passage betreffende de nationale wettelijke bepalingen heb ik reeds erop gewezen dat de Oostenrijkse wetgever de beoordelingsbevoegdheid van zijn autoriteiten heeft ingeperkt in die zin dat § 9, lid 5, van het Tierzuchtgesetz bepaalt dat de erkenning van een nieuwe organisatie moet worden geweigerd wanneer één van de voornoemde omstandigheden zich voordoet.
27. Uit de formulering van artikel 2 van beschikking 92/353, die tot de lidstaten gericht is, vloeien bepaalde rechten voor particulieren voort. Tot de begunstigden van deze bepaling behoren echter slechts nieuwe verenigingen die stamboeken bijhouden of aanleggen en die, zo zij aan de voorwaarden voldoen, recht hebben op officiële erkenning, zodat zij ingeval van weigering om een schriftelijke mededeling van de redenen voor de weigering kunnen verzoeken.
28. Ik zal thans onderzoeken of artikel 2, lid 2, sub a, van beschikking 92/353 ook de bestaande verenigingen rechten verleent, zoals door Zuchtverband für Ponys wordt gesteld.
29. Wat de vraag betreft of een nieuwe vereniging de instandhouding van het ras in gevaar zou kunnen brengen, zijn de nationale autoriteiten die dit dienen te onderzoeken het best in staat, in het licht van de openbare en particuliere belangen die in het geding zijn, te beoordelen of een dergelijk risico in het concrete geval bestaat.
30. Wat de beoordeling betreft van de eventuele verstoring van de goede werking of van het selectie‑ of veredelingsprogramma van een bestaande vereniging, impliceert deze bepaling mijns inziens dat de nationale autoriteiten de bestaande organisaties moeten horen voordat zij een definitief besluit inzake de nieuwe erkenningsaanvraag nemen.(8)
31. Deze formaliteit betekent echter niet dat een negatief advies van een bestaande organisatie over een erkenningsaanvraag voor de bevoegde autoriteiten bindend is en de aanvraag derhalve moet worden afgewezen.
Een dergelijke uitlegging volgt noch uit de bewoordingen van de regeling, noch uit het hiermee nagestreefde doel.
Bovendien zou een dergelijke uitlegging impliceren dat aan particuliere organisaties buitensporige bevoegdheden worden toegekend, louter op grond van het feit dat zij eerder zijn erkend. Wezenlijk is vooral dat de gemeenschapsrechtelijke bepaling zodanig geformuleerd is dat zij de lidstaten de mogelijkheid biedt, maar niet verplicht, een nieuwe organisatie, ook al voldoet zij aan de vastgelegde criteria, niet te erkennen wanneer een van de voornoemde omstandigheden zich voordoet. Tevens zijn de bestaande organisaties continu aan toezicht onderworpen, aangezien hun officiële erkenning wordt ingetrokken wanneer zij niet meer blijvend voldoen aan de criteria voor erkenning.
32. Om deze redenen ben ik van mening dat artikel 2, lid 2, sub a, van beschikking 92/353 een organisatie die stamboeken voor geregistreerde paardachtigen bijhoudt, niet het recht verleent om van de bevoegde autoriteiten een afwijzende beslissing te verlangen wanneer een andere, nieuwe organisatie een officiële erkenning aanvraagt.
VII – De tweede vraag
33. De verwijzende rechter wenst bovendien te vernemen of artikel 2, lid 2, sub a, van beschikking 92/353 zich verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling die in het kader van de procedure tot erkenning van een nieuwe fokkersorganisatie de bestaande organisaties slechts een recht verleent om door de bevoegde autoriteit te worden gehoord, maar geen recht om te verlangen dat de erkenning wordt geweigerd en ook niet om de erkenning aan te vechten, ook al hebben zij tijdens de hoorprocedure een negatief advies uitgebracht.
A – Ingediende opmerkingen
34. Zuchtverband für Ponys stelt dat de gemeenschapsrechtelijke bepaling voorrang geniet boven § 9, lid 3, van het Tierzuchtgesetz. Indien een nieuwe organisatie kan worden erkend voorzover zij de goede werking van een andere, reeds bestaande organisatie niet verstoort, moet ervan worden uitgegaan dat de rol van deze laatste in de erkenningsprocedure een op het publiekrecht gebaseerd subjectief recht op toetsing van het genomen besluit meebrengt, dat niet besloten ligt in het loutere recht om te worden gehoord. De door het gemeenschapsrecht aan een bestaande organisatie verleende materiële rechtspositie kan dus enkel worden gewaarborgd indien zij in de erkenningsprocedure alle voorrechten geniet die de hoedanigheid van partij biedt. Zo niet zouden de lidstaten, door te bepalen wie al dan niet de hoedanigheid van partij heeft, de mogelijkheid hebben een uit het gemeenschapsrecht voortvloeiend recht uit te hollen.
35. Volgens de Oostenrijkse regering worden de rechten die door de gemeenschapsrechtelijke regeling aan particulieren worden verleend, via het nationale procesrecht gerealiseerd. Artikel 2, lid 2, van beschikking 92/353 impliceert dat het aan de bevoegde nationale autoriteiten is voorbehouden om te beoordelen of aan de vastgestelde criteria is voldaan, en dat de concurrenten niet bevoegd zijn, tegen de erkenning van een nieuwe vereniging op te komen. Bij de omzetting van deze bepaling in het nationale recht heeft de Oostenrijkse wetgever niet alleen nauwlettend de naleving van de gemeenschapsrechtelijke regeling gewaarborgd, maar ook rekening gehouden met de belangen van derden door hen een recht toe te kennen om te worden gehoord, waarin artikel 2 van beschikking 92/353 niet voorziet.
36. De Commissie is van mening dat de rechten die door beschikking 92/353 aan derden worden verleend, worden geëerbiedigd wanneer de bestaande organisatie in het kader van de procedure tot erkenning van een nieuwe organisatie uitsluitend beschikt over een recht om te worden gehoord. Zij benadrukt voorts dat de bevoegdheid die de Raad haar in richtlijn 90/247 verleent, zich tot het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer beperkt en zich niet uitstrekt tot de mogelijkheden van bestaande verenigingen om aan de administratieve procedures deel te nemen of hun belangen voor de rechter te verdedigen.
B – Beoordeling
37. Uit de bewoordingen van artikel 2, lid 2, sub a, van beschikking 92/353 volgt niet dat de bestaande organisaties beschikken over de door de verwijzende rechter genoemde rechten. De bepaling beperkt zich ertoe de voorwaarden te noemen waaronder de lidstaten de officiële erkenning van nieuwe verenigingen kunnen weigeren. De beoordeling van de vraag of zich een van de twee genoemde omstandigheden voordoet, is dan ook een zaak van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat.
38. Ook het doel van de bepaling vereist niet dat dergelijke rechten worden verleend. Beschikking 92/353 stelt de criteria vast voor de erkenning van verenigingen die stamboeken voor geregistreerde paardachtigen bijhouden. Het zijn dus deze organisaties – die om erkenning verzoeken – die de inhoud ervan kunnen inroepen.
39. De reeds bestaande verenigingen en organisaties worden in de bepaling daarentegen niet als houders van rechten genoemd. Zij worden slechts indirect vermeld, voorzover de bevoegde autoriteiten verplicht zijn na te gaan of de erkenning van een nieuwe organisatie de goede werking of het selectie‑ of veredelingsprogramma van een bestaande organisatie zou kunnen verstoren.
Het is een kwestie van goed bestuur dat de autoriteiten de bestaande organisaties in het kader van dit onderzoek horen voordat zij hun beslissing over de erkenning nemen, zoals kennelijk in de Oostenrijkse wetgeving is bepaald. Dit betekent niet dat artikel 2, lid 2, sub a, van beschikking 92/353 de lidstaten verplicht de bestaande organisaties het recht te verlenen om een – tegen hun wensen of belangen indruisende – erkenning van een concurrerende organisatie aan te vechten.
40. Om de genoemde redenen ben ik van mening dat artikel 2, lid 2, sub a, van beschikking 92/353 zich niet verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling die in het kader van de procedure tot officiële erkenning van een nieuwe fokkersvereniging de bestaande organisaties uitsluitend het recht toekent om te worden gehoord en hen geen enkele mogelijkheid biedt om de erkenning in rechte aan te vechten, ook al hebben zij tijdens de hoorprocedure een negatief advies uitgebracht.
VIII – Conclusie
41. In het licht van het voorgaande stel ik het Hof voor, de vragen van het Verwaltungsgerichtshof als volgt te beantwoorden:
„1) Artikel 2, lid 2, sub a, van beschikking 92/353/EEG van de Commissie van 11 juni 1992 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van organisaties en verenigingen die stamboeken voor geregistreerde paardachtigen bijhouden of aanleggen, verleent een reeds bestaande fokkersorganisatie niet het recht om van de bevoegde autoriteiten een afwijzende beslissing te verlangen wanneer een andere, nieuwe organisatie een officiële erkenning aanvraagt.
2) Artikel 2, lid 2, sub a, van beschikking 92/353 verzet zich niet tegen de toepassing van een nationale bepaling die in het kader van de procedure tot officiële erkenning van een nieuwe fokkersvereniging de bestaande organisaties uitsluitend het recht toekent om te worden gehoord en hen geen enkele mogelijkheid biedt om de erkenning in rechte aan te vechten, ook al hebben zij tijdens de hoorprocedure een negatief advies uitgebracht.”
1 – Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 – PB L 192, blz. 63.
3 – De Commissie verklaart in haar schriftelijke opmerkingen dat het Oostenrijks administratief recht een onderscheid maakt tussen de partijen in een procedure en de loutere deelnemers aan de procedure. Tot de eerste categorie behoren degenen die over een afdwingbaar recht of een juridisch belang beschikken, tot de tweede degenen die om het optreden van een instantie verzoeken of waarop de activiteit van de instantie betrekking heeft. Kenmerkend voor de hoedanigheid van partij is vooral de mogelijkheid om tegen de beslissing van de instanties op te komen, een recht dat de loutere deelnemers aan de procedure niet hebben.
4 – Naar aanleiding van een vraag van de rechter-rapporteur heeft de vertegenwoordiger van verzoeker het Hof tijdens de terechtzitting meegedeeld dat de organisatie die het oorspronkelijke stamboek van het ras Shetlandpony’s bijhoudt, in Schotland is gevestigd.
5 – PB C 28 van 1 februari 2000, blz. 2.
6 – PB L 224, blz. 55.
7 – Vijfde overweging van de considerans.
8 – Dit geldt mijns inziens ook in het geval van artikel 2, lid 2, sub b, van beschikking 92/353 – waarover de verwijzende rechter geen vraag heeft gesteld – dat wil zeggen wanneer de paardachtigen van het betrokken ras kunnen worden ingeschreven in een bijzondere sectie van een stamboek dat wordt bijgehouden door een organisatie die de beginselen in acht neemt die zijn vastgesteld door de vereniging die het oorspronkelijke stamboek voor dat ras bijhoudt. Doel van deze bepaling is, een ongerechtvaardigde vermenigvuldiging van verenigingen met hetzelfde oogmerk tegen te gaan.
Full & Egal Universal Law Academy