CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. A. GEELHOED
van 3 juli 2003(1)
Zaak C-234/02 P
Europese Ombudsman
ondersteund door
Europees Parlement
tegen
Frank Lamberts
„Hogere voorziening – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Behandeling door de Europese Ombudsman van een klacht betreffende een intern vergelijkend onderzoek”
I – Inleiding
1. Deze zaak betreft de hogere voorziening ingesteld door de Europese Ombudsman tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 april 2002, Lamberts/Europese Ombudsman. (2) In dit arrest verklaarde het Gerecht een beroep tot schadevergoeding van een burger inzake een handelen van de Europese Ombudsman bij de uitoefening van zijn functie ontvankelijk. Vervolgens verwerpt het Gerecht het beroep ten gronde.
2. De Europese Ombudsman verzoekt het Hof om het arrest van het Gerecht te vernietigen op het punt van de ontvankelijkheid. De belanghebbende burger, de heer Lamberts, verzoekt het Hof om het arrest te bevestigen, waar het de ontvankelijkheid betreft en verzoekt daarnaast om toewijzing van het in eerste aanleg ingestelde beroep ten gronde.
3. Teneinde de ontvankelijkheid van het beroep in eerste aanleg te beoordelen is een nader onderzoek noodzakelijk naar de status en de bevoegdheden van de op grond van artikel 195 EG door het Europees Parlement benoemde ombudsman. Daarbij moet ook het toezicht op diens handelen aan de orde komen.
II – Juridisch kader
4. Volgens artikel 21, tweede alinea, EG kan iedere burger van de Unie zich wenden tot de overeenkomstig artikel 195 ingestelde ombudsman. Artikel 195 EG bepaalt:
„1. Het Europees Parlement benoemt een ombudsman die bevoegd is kennis te nemen van klachten van burgers van de Unie of van natuurlijke of rechtspersonen met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat over gevallen van wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen of organen, met uitzondering van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg bij de uitoefening van hun gerechtelijke taak.
Overeenkomstig zijn opdracht verricht de ombudsman het door hem gerechtvaardigd geachte onderzoek op eigen initiatief dan wel op basis van klachten welke hem rechtstreeks of via een lid van het Europees Parlement zijn voorgelegd, behalve wanneer de vermeende feiten het voorwerp van een gerechtelijke procedure uitmaken of hebben uitgemaakt. Indien de ombudsman een geval van wanbeheer heeft vastgesteld, legt hij de zaak voor aan de betrokken instelling, die over een termijn van drie maanden beschikt om hem haar standpuntmede te delen. De ombudsman doet vervolgens een verslag aan het Europees Parlement en aan de betrokken instelling toekomen. De persoon die de klacht heeft ingediend wordt op de hoogte gebracht van het resultaat van dit onderzoek.
De ombudsman legt elk jaar aan het Europees Parlement een verslag voor met het resultaat van zijn onderzoeken.
2. […] Op verzoek van het Europees Parlement kan de ombudsman door het Hof van Justitie van zijn ambt ontheven worden verklaard, indien hij niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten.
3. De ombudsman oefent zijn ambt volkomen onafhankelijk uit. Bij de vervulling van zijn taken vraagt noch aanvaardt hij instructies van enig lichaam. Gedurende zijn ambtsperiode mag de ombudsman geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. […]”
5. Op 9 maart 1994 heeft het Parlement overeenkomstig artikel 195, lid 4, EG besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom inzake het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt vastgesteld. (3)
6. Volgens artikel 14 van besluit 94/262 is de ombudsman bevoegd om de uitvoeringsbepalingen van dit besluit vast te stellen. Hij heeft deze uitvoeringsbepalingen op 16 oktober 1997 vastgesteld, die op 1 januari 1998 in werking zijn getreden. De tekst van die bepalingen is in alle officiële talen van de Unie bekendgemaakt op de internetsite van de ombudsman (4) .
7. De inhoud van de voor deze zaak van belang zijnde bepalingen in besluit 94/262 en in de uitvoeringsbepalingen is in extenso weergegeven in het bestreden arrest van het Gerecht (punten 6 tot en met 15).
8. De procedure bij het Gerecht is ingesteld op basis van artikel 235 EG, krachtens welk artikel het Hof bevoegd is kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van de in artikel 288, tweede alinea, EG bedoelde schade. Artikel 288, tweede alinea, EG bepaalt: „Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Gemeenschap overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.”
III – Feitelijk kader
9. In de kern gaat het erom dat de heer Lamberts heeft deelgenomen aan een intern vergelijkend onderzoek van de Commissie voor aanstelling in vaste dienst van tijdelijk functionarissen in de categorie A. Hij is gezakt voor het mondeling examen. Hij wijt dit aan het feit dat hij aan het mondelinge examen had deelgenomen onder invloed van geneesmiddelen die tot vermoeidheid konden leiden en zijn concentratie konden verminderen. De behandeling met deze geneesmiddelen vloeide voort uit een ongeval dat enige weken voor het mondelinge examen had plaatsgevonden. Hij had niet om uitstel van zijn mondeling examen verzocht wegens een clausule in de oproepingsbrief die er kort gezegd op neerkwam dat wijziging van het tijdstip van examen niet mogelijk was.
10. Vervolgens wendde hij zich tot de Europese Ombudsman. Deze nam de klacht in behandeling, maar dit leidde niet tot genoegdoening van Lamberts. Het voorstel van Lamberts voor een minnelijke schikking met de Commissie werd door de Commissie niet aanvaard. Wel maakte de ombudsman een kritische opmerking over de administratieve praktijk van de Commissie in het algemeen.
11. Voortaan neemt de Commissie in het belang van een goed bestuur in al haar oproepingsbrieven voor mondelinge examens een specifieke clausule op waarin de kandidaten ervan op de hoogte worden gebracht dat de vermelde datum in uitzonderlijke omstandigheden kan worden gewijzigd. Voor procedures in het verleden heeft deze gewijzigde beleidslijn geen gevolg, zo concludeerde de ombudsman jegens Lamberts.
12. Voor een meer uitgebreide weergave van het feitelijk kader verwijs ik naar het bestreden arrest van het Gerecht.
IV – Het bestreden arrest
13. Het Gerecht gaat eerst in op de ontvankelijkheid van het beroep (punten 48 tot en met 60 van het arrest). Het wijst op de rechtspraak van het Hof die erop neer komt dat op grond van artikel 235 juncto artikel 288 EG beroep kan worden ingesteld tegen ieder orgaan van de Gemeenschap, in verband met de niet-contractuele aansprakelijkheid voor handelingen van een orgaan, verricht bij de uitoefening van hun bevoegdheid. Het Gerecht concludeert tot ontvankelijkheid.
14. Het Gerecht wijst er voorts onder meer nog op dat het toezicht van de gemeenschapsrechter op de ombudsman beperkt is, gelet op de aan deze gegeven zeer ruime beoordelingsmarge. Evenwel kan niet worden uitgesloten dat een kennelijke fout van de ombudsman schade berokkent voor de betrokken burger. Voorts herinnert het Gerecht eraan dat artikel 235 EG een zelfstandige rechtsweg vormt in het gemeenschapsrecht.
15. Het beroep ten gronde wordt afgewezen (punten 61 tot en met 89 van het arrest), aangezien Lamberts niet heeft aangetoond dat de ombudsman dienstfouten heeft gemaakt bij de behandeling van zijn klacht. Het Gerecht komt tot deze conclusie op basis van de beoordeling van een vijftal door Lamberts aangevoerde argumenten.
16. In de eerste plaats heeft Lamberts aangevoerd dat de ombudsman hem had moeten wijzen op de mogelijkheid een beroep in te dienen bij het Gerecht tegen het besluit van de Commissie. Volgens het Gerecht echter is het de keuze van de burger welke weg hij het best kan bewandelen. Dit geldt zeker een personeelslid van de Gemeenschappen. Deze moet worden geacht de modaliteiten van een beroep bij het Gerecht te kennen. De ombudsman kan de burger op dit punt adviseren, maar er bestaat geen bepaling in het gemeenschapsrecht die hem daartoe verplicht.
17. In de tweede plaats verwijt verzoeker de ombudsman dat hij bij de behandeling van zijn klacht onpartijdig noch objectief is geweest voorzover hij rekening heeft gehouden met het advies van de Commissie, hoewel de Engelse taalversie van dit advies, Engels zijnde de taal waarin hij de klacht had ingediend, pas werd overgelegd na de door de ombudsman gestelde termijn. Bovendien verschilt de Engelse versie van het advies van de eerder overgelegde Franse versie. Het Gerecht merkt in dit verband op dat de termijn waarbinnen een instelling een advies aan de ombudsman stuurt niet als een fatale termijn moet worden aangemerkt. Voorts verschillen de taalversies niet op voor het onderzoek van de ombudsman wezenlijke punten.
18. In de derde plaats beklaagt verzoeker zich over de traagheid waarmee de ombudsman zijn klacht heeft afgehandeld. Zo liggen er meer dan tien maanden tussen het advies van de Commissie en het besluit van de ombudsman en is de behandeling van de klacht eerst zestien maanden na indiening ervan afgerond. Het Gerecht stelt dat de toepasselijke bepalingen niet voorzien in een precieze termijn voor de behandeling van klachten door de ombudsman. Hij is echter wel gehouden aan een in de omstandigheden van het geval als redelijk te beschouwen termijn. Echter, daarbij moet rekening worden gehouden met het gegeven dat de ombudsman niet alleen het particuliere belang van de klager moet dienen, maar tevens de taak heeft in het algemeen belang de gevallen van wanbeheer vast te stellen en te trachten deze ongedaan te maken.
19. In de vierde plaats stelt verzoeker dat op de ombudsman de inspanningsverplichting rust om een minnelijke schikking te bereiken en de klagende burger genoegdoening te verschaffen. Het Gerecht herinnert eraan dat de ombudsman dienaangaande over een zeer ruime beoordelingsmarge beschikt. Bijgevolg kan de ombudsman alleen dan niet-contractueel aansprakelijk worden gesteld wanneer er sprake is van een flagrante en kennelijke niet-nakoming van de verplichtingen die in deze context op hem rusten. In beginsel mag de ombudsman zich niet ertoe beperken de adviezen van de betrokken instelling aan de burger te overleggen. Echter, in casu heeft de ombudsman de gegrondheid van het standpunt van de Commissie onderzocht en heeft hij, zonder onrechtmatig te handelen, in zijn besluit kunnen concluderen dat een minnelijke schikking die verzoeker genoegdoening zou verschaffen, niet mogelijk was.
20. In de vijfde plaats meent verzoeker dat de ombudsman, door in zijn besluit een kritische opmerking te maken, artikel 7 van de uitvoeringsbepalingen heeft geschonden. Volgens deze bepaling kan de ombudsman slechts een kritische opmerking maken indien het geval van wanbeheer geen algemene implicaties heeft. Het Gerecht stelt in dit verband dat een eventuele schending van deze bepaling het belang van verzoeker niet kan schaden. Deze bepaling strekt er immers niet toe diens individuele belang te beschermen.
V – De hogere voorziening bij het Hof
21. Bij verzoekschrift van 21 juni 2002, geregistreerd ter griffie van het Hof op 24 juni 2002, heeft de Europese ombudsman de onderhavige hogere voorziening ingesteld. De ombudsman verzoekt het Hof:
– het arrest van het Gerecht te vernietigen voorzover het de ontvankelijkheid van het verzoek om schadevergoeding betreft;
– dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren.
22. Bij verzoekschrift van 29 augustus 2002, geregistreerd ter griffie van het Hof op 2 september 2002, heeft Lamberts een memorie van antwoord ingediend. In zijn memorie verzoekt Lamberts het Hof:
– de hogere voorziening te verwerpen;
– het arrest van het Gerecht te vernietigen voorzover het de beoordeling ten gronde van het in eerste aanleg gevorderde betreft en als volgt te bepalen:
– primair:
– de ombudsman te veroordelen om hem een bedrag ter hoogte van 2 468 787 euro te betalen aan schadevergoeding en rente wegens geleden materiële schade, alsmede een bedrag ter hoogte van 124 000 euro aan schadevergoeding en rente wegens geleden immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente tot aan de volledige betaling;
– de ombudsman in de kosten te veroordelen;
– subsidiair:
– de ombudsman te veroordelen om hem een bedrag ter hoogte van 1 234 934 euro te betalen aan schadevergoeding en rente wegens geleden materiële schade, alsmede een bedrag ter hoogte van 124 000 euro aan schadevergoeding en rente wegens geleden immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente tot aan de volledige betaling;
– de ombudsman in de kosten te veroordelen.
23. Op 30 augustus 2002 heeft het Europees Parlement een verzoek tot tussenkomst ingediend ter ondersteuning van de conclusies van de ombudsman. Bij beschikking van 30 oktober 2002 heeft de president van het Hof dit verzoek toegewezen.
24. Na een wisseling van schriftelijke stukken heeft in deze zaak op 13 mei 2003 een hoorzitting plaatsgevonden.
VI – De middelen en argumenten van partijen
A – Ten aanzien van de ontvankelijkheid
25. De ombudsman stelt in zijn verzoek om hogere voorziening dat de beslissing van het Gerecht om het verzoek in eerste aanleg ontvankelijk te verklaren alsmede de motivering van deze beslissing in strijd zijn met de regelgeving die de uitoefening van de taak van de ombudsman beheerst.
26. In de eerste plaats is het bestreden arrest in strijd met de constitutionele basis die is voorzien in het EG-Verdrag en die de aansprakelijkheid van de ombudsman betreft.
27. Het Gerecht heeft de onderzoeksprocedure zoals die door de ombudsman is uitgevoerd en het besluit van de ombudsman om de procedure af te sluiten onderworpen aan een rechtmatigheidstoets. Hiermee heeft het Gerecht de beperkingen van het juridisch toezicht op het handelen van de ombudsman miskend. Het ging hier namelijk om een zaak waarin de verzoeker de wijze van klachtafhandeling door de ombudsman en diens conclusies betwist. Het toezicht op de rechtmatigheid van de onderzoeksprocedure, de conclusies en de gehanteerde termijnen berust bij het Europees Parlement en niet bij de gemeenschapsrechter.
28. Hier komt bij dat artikel 195, lid 2, EG en artikel 8 van besluit 94/262 voorzien in een procedure voor het geval de ombudsman ernstige fouten heeft begaan die twijfel doen rijzen over zijn geschiktheid om zijn taak uit te oefenen. Alsdan kan het Europees Parlement aan het Hof verzoeken de ombudsman uit zijn ambt te ontheffen.
29. In de tweede plaats miskent het Gerecht het onderscheid tussen het beroep tot schadevergoeding enerzijds en de beroepen tot nietigverklaring of wegens nalaten anderzijds.
30. De ombudsman erkent dat het mogelijk is voor een burger om een verzoek om schadevergoeding tegen de ombudsman in te dienen wegens diens handelen. Een dergelijk verzoek mag niet gaan om de onderzoeksprocedure op zich, maar bijvoorbeeld wel om de schending van een specifiek op hem rustende verplichting. Als voorbeeld noemt de ombudsman de schending van de vertrouwelijkheid van documenten of van informatie.
31. Er bestaat volgens de ombudsman geen enkele gemeenschappelijke constitutionele traditie om onderzoeken en beslissingen van ombudslieden te onderwerpen aan een rechterlijk toezicht. Integendeel, in de noordelijke lidstaten waar de ombudsman zijn oorsprong kent is een dergelijk toezicht uitgesloten wegens constitutionele redenen. Ook de artikelen 6 en 13 van het EVRM leiden niet tot een ander oordeel. Klagers hebben immers steeds het recht een gerechtelijke procedure in te leiden tegen een instelling of een orgaan van de Gemeenschap. Zij hoeven dus niet de ombudsman in te schakelen en dan vervolgens in beroep te gaan tegen zijn conclusies.
32. Volgens de rechtspraak van het Gerecht zijn de onderzoeken en de conclusies van de ombudsman niet onderworpen aan rechterlijk toezicht aangezien beroepen tot nietigverklaring of wegens nalaten niet kunnen worden ingesteld. Door deze onderzoeken en conclusies in het kader van de onderhavige procedure aan een gedetailleerde analyse te onderwerpen, maakt het Gerecht dit rechterlijk toezicht toch mogelijk, onder het voorwendsel van een verzoek om schadevergoeding. Het Gerecht pleegt een dergelijke analyse, ondanks dat het erkent dat het toezicht door de rechter beperkt moet zijn.
33. In de derde plaats wijst de ombudsman erop dat het verzoek om schadevergoeding, hoewel ingesteld tegen de ombudsman, zich richt tegen schade die veroorzaakt is door het handelen van de Commissie. Het onderzoek van de ombudsman heeft evenwel niet tot doel het belang van benadeelde burgers te beschermen die schade hebben geleden als gevolg van foutief handelen van de instellingen.
34. Lamberts is van mening dat het Gerecht de ontvankelijkheidsvraag juist heeft beoordeeld. Hij voert daartoe de navolgende argumenten aan.
35. Ten eerste bestrijdt hij het standpunt van de ombudsman dat zijn beroep de schade die hij heeft geleden als gevolg van het handelen van de Commissie tot voorwerp heeft. Het gaat om fouten van de ombudsman in het kader van de behandeling van zijn klacht. Het Gerecht heeft dit juist gezien.
36. Ten tweede, het uitsluiten van een actie tot schadevergoeding tegen de ombudsman is te beschouwen als rechtsweigering. Immers, indien aan een orgaan bevoegdheden wordt verleend veronderstelt dit dat dit orgaan de aansprakelijkheid op zich neemt in geval van fouten bij de taakuitoefening of indien dit orgaan zijn opdracht niet vervult. Ter zitting wijst Lamberts er in dit verband nog op dat de ombudsman valt te beschouwen als de vertegenwoordiger van de burger die klaagt. Aan deze burger moet een rechtsgang openstaan ingeval de vertegenwoordiger faalt in de uitoefening van zijn taak.
37. Een rechterlijk toezicht op de rechtmatigheid van het handelen van de ombudsman garandeert zowel de legitimiteit van het stelsel als rechtszekerheid, ook al voorziet het Verdrag in een controle door het Europees Parlement. Hij wijst op een brief van de voorzitter van het Europees Parlement van 17 december 1999, waarin deze hem meedeelt dat het Parlement niet tussenbeide kan komen in een interne procedure van de ombudsman. Ook ontbeert het Europees Parlement de bevoegdheid de schade te vergoeden die is ontstaan door een fout van de ombudsman.
38. In zijn memorie van repliek beschouwt de ombudsman de brief van de voorzitter van het Europees Parlement overigens als een nieuw bewijsmiddel dat niet is toegelaten in een hogere voorziening bij het Hof.
39. Ten slotte stelt Lamberts dat de ontvankelijkheid niet kan worden beoordeeld zonder tevens in te gaan op de inhoud van de zaak.
40. Het Europees Parlement gaat allereerst in op de rol van de ombudsman bij de behandeling van een klacht. De ombudsman wendt zich bij een klacht over wanbeheer tot de betrokken gemeenschapsinstelling. De betrokken burger profiteert slechts indirect van deze actie van de ombudsman, vanwege de repercussies die het optreden van de ombudsman bij de betrokken gemeenschapsinstelling teweeg kunnen brengen.
41. Het Parlement is het eens met de opvatting van de ombudsman dat het Gerecht het onderscheid tussen het beroep tot schadevergoeding en de beroepen tot nietigverklaring of wegens nalaten niet heeft gerespecteerd. Bij het onderzoek van de ontvankelijkheid hanteert het Gerecht een interpretatie die ver verwijderd is van letter en geest van de relevante gemeenschapswetgeving. Het Parlement wijst met name op de punten 57 en 59 van het bestreden arrest.
42. Deze interpretatie kan schade toebrengen aan de plaats die de ombudsman in het Verdrag toekomt, alsmede aan het institutioneel evenwicht. Meer in het bijzonder:
– De ombudsman oefent zijn taak volkomen onafhankelijk uit. Het Verdrag maakt hiermee een onderscheid tussen het rechterlijk en het niet-rechterlijk toezicht. De wijze van toezicht die het Gerecht hier uitoefent komt neer op een verdubbeling van het toezicht.
– Een rechtmatigheidstoezicht door het Gerecht leidt ertoe dat het toezicht door het Parlement aan inhoud verliest. Het Parlement toetst het optreden van de ombudsman in zijn volle omvang aan de eisen van het EG-Verdrag. Het sluitstuk van dit toezicht is dat alleen het Parlement kan vragen de ombudsman van zijn taak te ontheffen. Een dubbel toezicht – politiek en juridisch – is niet voorzien in het Verdrag.
43. Het Parlement erkent dat een burger een schadevergoedingsactie tegen de ombudsman kan instellen. Een dergelijke schadevergoedingsactie moet wel in verband staan met de verplichtingen die op de ombudsman rusten op grond van de gemeenschapswetgeving. Het handelen van de ombudsman moet de oorsprong vormen van de schade.
44. Volgens het Parlement is de motivering die het Gerecht geeft met betrekking tot de beginselen van de schadevergoedingsprocedure onvoldoende. Het Gerecht wijst op het autonome karakter van deze procedure, maar toetst niettemin de rechtmatigheid van het handelen van de ombudsman, zonder daaruit de consequenties te trekken. Het Gerecht houdt geen rekening met het feit dat de ombudsman geen dwingende bevoegdheden heeft ten aanzien van de gemeenschapsinstellingen met betrekking tot de schade die verzoeker heeft geleden. Het gedrag van de ombudsman kan niet leiden tot buitencontractuele aansprakelijkheid. Het enige gedrag dat tot aansprakelijkheid kan leiden is het gedrag van de Commissie. Een beroep tot schadevergoeding kan niet voortvloeien uit de onrechtmatigheid van een handeling van een gemeenschapsinstelling – in casu de ombudsman – voorzover deze handeling geen rechtsgevolg heeft.
B – Ten aanzien van het beroep ten gronde
45. Lamberts baseert zijn beroep op een middel dat is ontleend aan de schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht. In de eerste plaats stelt hij de schending van de verplichting die uit het Statuut van het Hof van Justitie voortvloeit om arresten te motiveren. In de tweede plaats stelt hij dat de gemeenschapswetgeving met betrekking tot de taken en bevoegdheden van de ombudsman is geschonden, alsmede beginselen van gemeenschapsrecht, zoals de gelijkheid van behandeling van ambtenaren en de verplichting een beslissing te doen rusten op toelaatbare motieven.
46. Zijn grief is dat de ombudsman niet de opdracht heeft vervuld waarvoor hij is ingesteld, doordat hij
– aan Lamberts niet tijdig heeft geadviseerd beroep in te stellen bij de gemeenschapsrechter;
– niet heeft getracht een minnelijke schikking te bereiken.
47. Lamberts wijst er verder onder meer op dat de ombudsman in zijn verzoek om hogere voorziening erkent dat schade is geleden als gevolg van het handelen van de Commissie, hetgeen ertoe had moeten leiden dat de ombudsman meer aandacht had moeten besteden aan de behandeling van de klacht.
48. In het bijzonder stelt Lamberts nog dat het Gerecht belangrijke beoordelingsfouten heeft gemaakt. Ten onrechte stelt het Gerecht namelijk dat de Commissie geweigerd zou hebben aan Lamberts een tweede mondeling examen toe te staan, zulks terwijl Lamberts daarom nooit heeft gevraagd. Eveneens ten onrechte verwijt het Gerecht aan Lamberts dat deze eerst in de procedure voor het Gerecht alternatieve oplossingen heeft aangedragen. De conclusie die het Gerecht trekt in punt 84 van het bestreden arrest, namelijk dat de ombudsman noch de Commissie een standpunt had kunnen bepalen over deze oplossingen, is dan ook onjuist.
49. De ombudsman voert in zijn repliek een procedureel verweer tegen de argumenten die door Lamberts naar voren zijn gebracht. Een hogere voorziening dient te worden beperkt tot rechtsvragen. Lamberts echter betwist slechts de feitelijke constateringen van het Gerecht. Bovendien moet een verzoek om hogere voorziening de kritieke elementen van het bestreden arrest precies weergeven, evenals de juridische argumenten waarop het verzoek steunt. In casu echter worden slechts de middelen en argumenten herhaald die reeds voor het Gerecht naar voren waren gebracht, waaronder argumenten die steunen op feiten die het Gerecht reeds nadrukkelijk heeft verworpen.
50. Het Europees Parlement is het eens met deze argumentatie van de ombudsman.
VII – Status en bevoegdheden van de Europese Ombudsman
A – Inleiding
51. In dit onderdeel van de conclusie schets ik de status en de bevoegdheden van de Europese Ombudsman. Ik onderscheid de volgende punten:
– Is de ombudsman te vergelijken met een rechterlijke instantie of is hij eerder een orgaan dat met bepaalde bestuurlijke bevoegdheden is belast?
– De klachtafhandeling door de ombudsman: is deze procedure primair gericht op genoegdoening van de klager – hetgeen in het verlengde ligt van de rol van de rechter – of dient deze primair het algemeen belang, dat erin is gelegen dat het optreden van gemeenschapsinstellingen beter kan worden gecontroleerd?
– Het toezicht op het optreden van de ombudsman zelf. Deze heeft ingevolge het gemeenschapsrecht een algemene verantwoordingsplicht tegenover het Europees Parlement, maar in hoeverre heeft die algemene verantwoordingsplicht betekenis voor de vraag of zijn optreden in individuele gevallen aan een rechterlijke toetsing kan worden onderworpen?
52. Een oordeel over de status en bevoegdheden van de ombudsman acht ik noodzakelijk om vast te kunnen stellen in hoeverre deze door de gemeenschapsrechter aansprakelijk kan worden gesteld voor de in het kader van zijn optreden gemaakte fouten.
B – Karakterisering van de ombudsman
53. Het instituut van ombudsman heeft een lange traditie, die begint bij de benoeming van een ombudsman in Zweden in 1809. Inmiddels bestaat het instituut van ombudsman – of een sterk daarmee vergelijkbare figuur – in alle lidstaten van de Europese Unie. In essentie is de ombudsman een orgaan dat klachten van burgers tegen de overheid onderzoekt, rapporten uitbrengt en aanbevelingen doet aan de administratie. De onafhankelijkheid ten opzichte van de administratie wordt gewaarborgd – en dit gold reeds voor de Zweedse ombudsman in de negentiende eeuw – doordat de ombudsman niet aan de uitvoerende macht, maar aan het parlement is opgehangen.
54. Het EG-Verdrag kent sinds het Verdrag van Maastricht een ombudsman, een orgaan van de Europese Gemeenschap waarin wordt voorzien in de artikelen 21 EG en 195 EG.
55. De instelling van de ombudsman vormt een van de instrumenten waarmee het Verdrag inhoud geeft aan het burgerschap van de Unie. De burger van de Unie heeft het recht zich tot de ombudsman te wenden met klachten over wanbeheer bij het optreden van communautaire instellingen en organen. Hiermee speelt de ombudsman een rol in de bescherming van de rechten van de burger. Uit de ontstaansgeschiedenis van het instituut van een Europese Ombudsman blijkt ook nadrukkelijk dat dit instituut werd gezien als een van de mechanismen om de specifieke rechten van de Europese burger te beschermen. (5)
56. Hoewel de klachtprocedure bij de ombudsman strekt ter bescherming van de rechten van de burger voorziet deze procedure niet in rechtsbescherming zoals die door een rechterlijke instantie wordt gegeven.
57. Op dit punt knoop ik aan bij de rechtspraak van het Hof over het begrip rechterlijke instantie in de zin van artikel 234 EG. Volgens vaste rechtspraak houdt het Hof rekening met een aantal factoren, zoals de wettelijke grondslag van het orgaan, het permanente karakter, de verplichte rechtsmacht, beslissing na een procedure op tegenspraak, toepassing van regelen des rechts alsmede de onafhankelijkheid van het orgaan. Deze instantie moet uitspraak kunnen doen in het kader van een procedure die moet uitmonden in een beslissing die de kenmerken vertoont van een rechterlijke uitspraak. Hiertoe moet hij bevoegd zijn om door toepassing van rechtsregels bindende beslissingen te geven. (6)
58. Het instituut van ombudsman voldoet aan de meeste van deze door het Hof opgesomde kenmerken. Dit instituut vindt zijn wettelijke grondslag in artikel 195 EG, heeft een permanent karakter en zijn onafhankelijke status is in artikel 195, lid 3, EG vastgelegd.
59. De klachtprocedure bij de ombudsman vertoont echter maar zeer ten dele de opgesomde kenmerken van een gerechtelijke procedure. De procedure kenmerkt zich door een grote mate van beleidsvrijheid van de ombudsman in de wijze waarop hij de klacht onderzoekt. Weliswaar is erin voorzien dat zowel de klager als de instelling tegen wie de klacht is gericht worden betrokken bij de afhandeling van de klacht, maar daarmee is het nog geen volledige procedure op tegenspraak. Ik wijs in dit verband op artikel 6 van de uitvoeringsbepalingen, dat niet voorziet in een rol van de ombudsman tussen de partijen, maar juist in een samenwerking tussen de ombudsman en de instelling tegen wie de klacht is gericht. Het meest belangrijk echter is dat de ombudsman de bevoegdheid ontbeert om voor de partijen bindende beslissingen te nemen. Er is geen sprake van geschilbeslechting. De procedure voorziet er aldus niet in om een juridisch geschil te beslechten, maar – zoals de ombudsman het zelf omschrijft in zijn jaarverslag over 1995 – om een geschil te voorkomen.
60. Gelet op het ontbreken van een bindende bevoegdheid is het ook logisch dat het EG-Verdrag niet voorziet in het recht om bij de gemeenschapsrechter in beroep te gaan inzake beslissingen van de ombudsman die hij in het kader van de klachtprocedure heeft genomen.
61. Zo beschouwd voldoet de ombudsman niet aan de kenmerken van een rechterlijke instantie. Daar komt bij dat het een bevoegdheid van de ombudsman is om naar aanleiding van een klacht kritische opmerkingen te maken, die er niet toe strekken de klager genoegdoening te schaffen, maar die veeleer het algemeen belang moeten dienen.
62. Ik wijs er nog op dat de ombudsman uit eigen beweging onderzoek kan doen. Ook uit het bestaan van deze bevoegdheid blijkt dat de ombudsman eerder als bestuursorgaan valt aan te merken dan als een met een rechter vergelijkbare instantie. Daarbij merk ik wel op dat deze bevoegdheid eerder een aanvulling vormt op de bevoegdheid om op klachten te ageren dan een tweede hoofdtaak. Dit vloeit voort uit de ontstaansgeschiedenis van het orgaan (7) , de opvatting van de ombudsman zelf dat klachtbehandeling zijn voornaamste taak is (8) , alsook uit de praktijk van het functioneren van de ombudsman. Zo blijkt uit het laatst beschikbare jaarverslag (over 2001) dat de ombudsman 204 klachten heeft onderzocht en slechts 4 maal op eigen initiatief een onderzoek heeft aangevangen. Het onderzoek op eigen initiatief komt dan nog in veel gevallen voort uit eerdere klachten die het vermoeden doen rijzen dat de in klachten geschetste problematiek van meer algemene aard is.
63. Kortom, de ombudsman biedt geen rechtsbescherming in eigenlijke zin. De ombudsman is te beschouwen als een bestuursorgaan dat tot taak heeft – voornamelijk aan de hand van klachten – in het algemeen belang gevallen van wanbeheer bij de gemeenschapsinstellingen op te sporen en er een bijdrage aan te leveren dat dit wanbeheer tot een einde komt. Het past ook bij deze taak dat de ombudsman door het Europees Parlement wordt benoemd en dat hij een jaarlijks verslag aan het Parlement dient af te leggen over de door hem verrichte onderzoeken.
C – De klachtprocedure nader bezien
64. Als gezegd verkrijgt de burger geen rechtsbescherming die vergelijkbaar is met de rechtsbescherming die de rechter hem geeft. De ombudsman heeft vooral onderzoeksbevoegdheden en hij kan zich inspannen om oplossingen te bereiken. De ombudsman kan zijn onderzoek afsluiten met een met redenen omkleed besluit, dat echter nooit meer kan omvatten dan „kritische opmerkingen”, dan wel „aanbevelingen”.
65. De procedure bij de ombudsman komt dan ook niet in de plaats van de rechtsbescherming bij de rechter. In dit verband wijs ik erop dat in artikel 195 EG is vastgelegd dat de ombudsman niet bevoegd is feiten te onderzoeken die het voorwerp uitmaken of hebben uitgemaakt van een gerechtelijke procedure. De procedure van de ombudsman heeft vooral ten doel de burger een mogelijkheid te geven om genoegdoening te verkrijgen in gevallen waarin een gerechtelijke procedure niet openstaat of niet tot een zinvol resultaat kan leiden. De procedure bij de ombudsman vormt dan ook een aanvulling op de eigenlijke rechtsbescherming.
66. Een en ander neemt niet weg dat het gemeenschapsrecht de klager wel bepaalde procedurele rechten geeft. Om te beginnen geeft artikel 21 van het EG-Verdrag zelf de Europese burger het recht een klacht in te dienen en heeft hij ook recht op antwoord in de taal waarin hij de klacht heeft ingediend. De procedurele rechten van de klager zijn nader uitgewerkt in de uitvoeringsbepalingen. Indien – zoals in het onderhavige geval – een onderzoek wordt ingesteld heeft de klager het recht op inzage in het advies dat de betrokken instelling doet toekomen aan de ombudsman alsmede het recht om op dit advies te reageren. Vervolgens komt de ombudsman tot een besluit dat – en dat is het enige recht dat de klager in deze fase is toegekend – aan de klager wordt toegezonden.
67. Dit brengt mij bij de inhoud van het besluit van de ombudsman ingeval deze wanbeheer bij een instelling heeft vastgesteld. Voorop staat (artikel 6 van de uitvoeringsbepalingen) het streven naar een minnelijke schikking tussen de klager en de instelling. Dit streven geeft uitdrukking aan de taak van de ombudsman – hierboven genoemd – om een geschil bij de rechter te voorkomen. De procedure heeft aldus primair het karakter van bemiddeling of „mediation”. Slechts indien een minnelijke schikking niet mogelijk blijkt, staan de ombudsman andere middelen ter beschikking, te weten kritische opmerkingen en ontwerpaanbevelingen. Op de ontwerpaanbevelingen kan de instelling reageren, waarna de ombudsman het Europees Parlement een verslag kan toesturen met aanbevelingen. De instelling is niet verplicht gevolg te geven aan enige kritische opmerking of aanbeveling.
68. In deze zaak speelt verder nog een rol dat Lamberts de ombudsman verwijt dat deze hem niet heeft doorverwezen naar het Gerecht als gevolg waarvan de beroepstermijn is verlopen. Het gemeenschapsrecht kent in artikel 2, lid 5, van besluit 94/262 aan de ombudsman de bevoegdheid toe de indiener van de klacht te adviseren zich tot een andere instantie te wenden. De klager heeft echter geen uitdrukkelijk in het gemeenschapsrecht geformuleerd recht op doorverwijzing.
69. Het is nu de vraag – en daarop heeft het beroep ten gronde van Lamberts betrekking – of de ombudsman onder omstandigheden verplicht is gebruik te maken van zijn bevoegdheden om een minnelijke schikking te bereiken en om door te verwijzen. Kan het feit dat hij geen gebruik maakt van deze bevoegdheden onrechtmatig zijn jegens een klager?
D – Toezicht op de ombudsman
70. Artikel 195, lid 3, EG legt de onafhankelijkheid van het ambt van ombudsman vast. De kern van die onafhankelijkheid is gelegen in de tweede volzin, die het de ombudsman verbiedt bij de vervulling van zijn taken instructies te vragen noch te aanvaarden van enig lichaam. Het zou in strijd zijn met de aldus gegeven garanties indien de ombudsman zijn taken onder toezicht zou uitoefenen.
71. Voorzover de ombudsman zelf en het Europees Parlement de stelling verkondigen dat het een taak is van het Europees Parlement toezicht te houden op de taakvervulling door de ombudsman acht ik deze stelling onjuist. Artikel 195 EG voorziet niet in een zodanig toezicht. Alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan het Europees Parlement de ombudsman voor ontslag voordragen bij het Hof. Het gaat hier echter niet om een toezicht op de taakvervulling door de ombudsman bij de afhandeling van een individuele klacht. Ik ga ervan uit dat slechts een negatief oordeel over diens functioneren in totaliteit tot ontslag kan leiden.
72. Daarnaast – maar dat is geen toezicht op de taakuitoefening – kan het Europees Parlement besluiten het mandaat van de ombudsman niet te verlengen en na ommekomst van het mandaat een nieuwe ombudsman benoemen. Evenmin vallen de verslagleggingsverplichtingen van de ombudsman aan het Europees Parlement in verband te brengen met een toezichthoudende taak. Die verplichtingen tot verslaglegging zijn van geheel andere aard. Zij strekken ertoe het Parlement in de gelegenheid te stellen een politiek oordeel te vormen over het functioneren van – en soms het wanbeheer bij – de instellingen. Toezicht door het Europees Parlement is om nog een reden moeilijk denkbaar: de ombudsman is ook bevoegd om wanbeheer bij het Europees Parlement zelf te onderzoeken.
73. Een en ander betekent, tot slot, dat de stelling van het Europees Parlement dat toezicht door het Gerecht zou leiden tot een verdubbeling van het toezicht geen hout snijdt louter om de reden dat het Parlement zelf geen toezicht houdt.
74. Ook het Hof houdt geen toezicht op de taakvervulling door de ombudsman, behoudens in het kader van de in het vorige punt genoemde ontslagprocedure.
75. Kortom, de ombudsman vervult zijn taken onafhankelijk en niet onder toezicht. Zulks betekent echter niet dat de rechtsgevolgen van een concrete handeling van de ombudsman niet aan rechterlijk toezicht door de gemeenschapsrechter zouden mogen worden onderworpen. Het gaat dan niet om toezicht op de taakvervulling, maar om rechtsbescherming voor de justitiabele die door de handeling rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen.
76. Het EG-Verdrag stelt geen beroep open tegen besluiten van de ombudsman. De ombudsman is immers niet genoemd in artikel 230 EG, noch in enige andere bepaling van het Verdrag of secundair gemeenschapsrecht (9) die de bevoegdheid van het Hof bepaalt.
77. Het is overigens de vraag of hiermee wordt voldaan aan het door het Hof erkende beginsel dat particulieren zich daadwerkelijk voor de rechter moeten kunnen beroepen op door hen aan de communautaire rechtsorde ontleende rechten. Het recht op een effectieve rechtsbescherming is volgens het Hof immers een van de rechtsbeginselen die voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. Dit recht is eveneens neergelegd in de artikelen 6 en 13 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (10) .
78. Zoals ik hierboven (zie punt 65) stelde verleent het gemeenschapsrecht de burger bepaalde rechten in de procedure voor de ombudsman. Ik sluit niet uit dat het recht op een effectieve rechtsbescherming meebrengt dat tegen besluiten van de ombudsman beroep open moet staan voor de getroffen burger. Die vraag is in deze zaak echter niet aan de orde. Lamberts heeft immers geen beroep ingesteld, maar een vordering tot schadevergoeding ingediend.
79. Het ontbreken van een – uitdrukkelijk door het gemeenschapsrecht opengestelde – administratieve rechtsgang ter zake van de besluiten van de ombudsman rechtvaardigt niet de conclusie dat het handelen van de ombudsman niet tot schade kan leiden die krachtens het gemeenschapsrecht voor vergoeding in aanmerking komt. Integendeel, juist vanwege het ontbreken van een administratieve rechtsgang heeft de getroffen burger behoefte aan een alternatief.
80. In deze zaak gaat het bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek in eerste aanleg nu om de vraag of schadevergoeding kan worden verleend met gebruikmaking van de schadevergoedingsprocedure als bedoeld in artikel 235 EG juncto artikel 288 EG.
E – De aansprakelijkheid van de ombudsman
81. In zijn conclusie in de zaak Köbler (11) heeft advocaat-generaal Léger een uitvoerige analyse gegeven van de aansprakelijkheid van staten voor schade die aan burgers is toegebracht.
82. Enkele punten van deze analyse – die ik deel – zijn voor de onderhavige zaak van belang. Dit betreft:
a) het recht op schadevergoeding als fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht (12)
b) de eenheid van de staat (13)
c) de betekenis van de onafhankelijkheid van een orgaan voor de aansprakelijkheid.
83. Ad punt a: zoals de advocaat-generaal uitlegt met verwijzing naar de zaak Brasserie du Pêcheur en Factortame (14) wordt het recht op schadevergoeding erkend als een fundamenteel beginsel van gemeenschapssrecht, dat een noodzakelijk verlengde vormt van het beginsel van effectieve rechtsbescherming en toegang tot de rechter.
84. Ad punt b: waar het gaat om de staatsaansprakelijkheid wordt de staat als eenheid beschouwd, zo vloeit uit het internationale recht voort. Het maakt geen verschil of de schade is toe te rekenen aan de wetgevende, rechterlijke of uitvoerende macht.
85. Ad punt c: ook een gedraging van een orgaan dat onafhankelijk is van de executieve moet worden aangemerkt als een gedraging van de staat. Argumenten daartegen die samenhangen met de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht – of in casu: de ombudsman – moeten worden afgewezen. Wel moet bij het bepalen of er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht rekening worden gehouden met de specifieke functie van een onafhankelijk orgaan.
86. Deze analyse, geschreven in de context van de aansprakelijkheid van een nationale rechter, is eveneens van toepassing op de aansprakelijkheid van organen van de Gemeenschap zelf. Uit de rechtspraak van het Hof leid ik namelijk af dat het in geval van schending van gemeenschapsrecht niet van belang is of de schade die uit die schending voortkomt is ontstaan door handelen van een gemeenschapsorgaan of door een nationale instantie. De voorwaarden voor de aansprakelijkheid van de lidstaat wegens aan particulieren ten gevolge van schending van het gemeenschapsrecht betrokken schade, mogen in beginsel niet verschillen van die welke gelden voor de aansprakelijkheid van de Gemeenschap in vergelijkbare situaties, aldus het arrest Bergaderm en Goupil. (15)
87. Gelet op het voorgaande kan de Gemeenschap aansprakelijk worden gesteld voor een gedraging van de ombudsman. Bij het oordeel of in een concreet geval die aansprakelijkheid ook ontstaat wordt rekening gehouden met de specifieke functie van de ombudsman. Hij oefent zijn taak in onafhankelijkheid uit, staat daarbij niet onder toezicht en hij heeft een ruime beoordelingsmarge bij de behandeling van een bij hem ingediende klacht.
88. In zijn analyse in de zaak Köbler noemt advocaat-generaal Léger als beslissend criterium voor de vraag of aansprakelijkheid ontstaat de verschoonbaarheid van de gemaakte fout. (16) Die verschoonbaarheid hangt af van de helderheid en precisie van de geschonden rechtsregel en van de aanwezigheid en de staat van de jurisprudentie van het Hof.
89. Ook deze analyse deel ik, al lijkt mij het beter te spreken van verwijtbaarheid dan van (niet-)verschoonbaarheid. Indien het geschonden recht helder en precies is, kan de ombudsman aansprakelijk zijn. Daarbij moet – zoals ik hieronder vanaf punt 129 op de onderliggende casus zal toespitsen – niet alleen worden gekeken naar de tekst, maar ook naar het doel van de geschonden rechtsregel.
VIII – Beoordeling ter zake van de omvang van de beoordeling in hogere voorziening
90. Artikel 225 EG beperkt de voorziening bij het Hof tot rechtsvragen. Daarenboven stelt het Reglement voor de procesvoering van het Hof enkele beperkingen aan de argumenten die partijen kunnen inbrengen. Zo bepaalt artikel 113, lid 2, van dit reglement dat het voorwerp van het geding voor het Gerecht niet mag worden gewijzigd en stelt artikel 116, lid 1, dat nieuwe conclusies niet zijn toegelaten.
91. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat „een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven. […] Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten herhaalt, en zelfs geen argumenten naar voren brengt waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof niet bevoegd is.” (17)
92. Uit de hier weergegeven formule van het Hof leiden de ombudsman en het Europees Parlement af dat de vordering van Lamberts tot vernietiging van het arrest van het Gerecht niet in behandeling mag worden genomen.
93. Ik ben het niet met deze stelling eens. Om te beginnen wijs ik erop dat deze formule door het Hof genuanceerd wordt uitgelegd. In het arrest Associação dos Refinadores de Açúcar Portugueses (ARAP) (18) stelt het Hof als volgt: „Wanneer de rekwirant de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist, kunnen de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in een hogere voorziening echter opnieuw worden behandeld […]. De procedure van hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen, indien de rekwirant op die manier zijn hogere voorziening niet kon baseren op middelen en argumenten die reeds zijn aangevoerd voor het Gerecht.” Zoals het Hof vervolgens stelt wordt in een hogere voorziening juist opgekomen tegen het standpunt van het Gerecht over de verschillende rechtsvragen die hem in eerste aanleg waren voorgelegd.
94. De hogere voorziening moet wel nauwkeurig aangeven welke aspecten van het bestreden arrest worden bekritiseerd en op welke middelen en argumenten zij is gebaseerd. Dit brengt mij bij de onderhavige procedure. Lamberts tracht aan te tonen dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden en richt zich daartoe in het bijzonder tegen enkele specifieke punten van het bestreden arrest.
95. De voornaamste grief van Lamberts heeft betrekking op de taakuitoefening door de ombudsman. (19) Lamberts stelt dat de ombudsman door niet door te verwijzen naar de gemeenschapsrechter en door niet te trachten een minnelijke schikking te bereiken de opdracht waarvoor hij is ingesteld niet heeft vervuld. In wezen verzoekt Lamberts hiermee om een oordeel over de inhoud van de taken en de bevoegdheden van de ombudsman die door het gemeenschapsrecht aan dit orgaan zijn toebedeeld. Zo gesteld gaat het hier om een rechtsvraag die de uitlegging van het gemeenschapsrecht betreft. Ik acht deze grief dan ook ontvankelijk.
96. Bij de beoordeling van deze rechtsvraag kan het Hof tevens ingaan op het door Lamberts opgeworpen punt of de ombudsman zijn taken met extra aandacht moet uitvoeren in geval van schade bij de klager.
97. Anders ligt het met de door Lamberts gestelde beoordelingsfouten van het Gerecht (zie punt 48 van deze conclusie). Het gaat hier om de waardering van hetgeen feitelijk heeft plaatsgevonden tijdens de klachtprocedure bij de ombudsman. In wezen verzoekt Lamberts hier om een nieuw onderzoek van de feiten, hetgeen buiten het bestek van een hogere voorziening valt. Ik stel het Hof dan ook voor de grief betreffende de beoordelingsfouten niet-ontvankelijk te verklaren.
98. De ombudsman en het Europees Parlement voeren voorts nog aan dat de brief van de voorzitter van het Europees Parlement van 17 december 1999 niet in aanmerking mag worden genomen. (20)
99. Volgens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering zijn nieuwe conclusies niet toegelaten. Verder mogen in hogere voorziening geen grieven worden aangevoerd die in eerste aanleg nog niet naar voren waren gebracht. Onderzocht moet steeds worden of een partij blijft binnen het kader van de grief die (of het middel dat) zij voor het Gerecht had aangevoerd, of dat zij een volledig nieuw punt aansnijdt. (21)
100. Ik ben van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een nieuwe conclusie. In eerste aanleg voerde Lamberts aan dat de ombudsman onderworpen is aan rechterlijk toezicht. Deze stelling wordt door de ombudsman zelf in zijn verzoek om een hogere voorziening verworpen, onder meer met als argument dat het toezicht een bevoegdheid vormt van het Europees Parlement. Lamberts nu legt de brief over als ondersteuning van zijn eerdere stelling. De brief illustreert dat het toezicht door het Europees Parlement niet hetzelfde karakter heeft als rechterlijk toezicht. Kortom, het Hof kan de brief van 17 december 1999 in zijn oordeel betrekken.
IX – Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek in eerste aanleg
A – Het karakter van de schadevergoedingsprocedure en de aansprakelijkheid van de ombudsman
101. De ombudsman wijst in de eerste plaats op de constitutionele basis in het EG-Verdrag en stelt dat het rechterlijk toezicht op het handelen van de ombudsman is beperkt. Het toezicht op de rechtmatigheid van de onderzoeksprocedure berust volgens hem bij het Europees Parlement en niet bij de gemeenschapsrechter. Het Europees Parlement voert vergelijkbare argumenten aan.
102. Zoals ik hierboven (punt 73) heb aangegeven acht ik deze stellingname fundamenteel onjuist. Het Europees Parlement houdt geen toezicht op de taakvervulling van de ombudsman in individuele gevallen. De bevoegdheid van het Europees Parlement heeft daarmee geen betekenis voor het toezicht door de gemeenschapsrechter.
103. Dit brengt mij bij de in het EG-Verdrag voorziene schadevergoedingsprocedure. Artikel 288 EG geeft een algemene regel voor de vergoeding van schade die is veroorzaakt door instellingen van de Gemeenschap of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies. Het Hof is bevoegd kennis te nemen van geschillen daaromtrent (artikel 235 EG). Die bevoegdheid van het Hof is niet aan enige beperking onderworpen.
104. Artikel 235 EG juncto artikel 288 EG geeft uitdrukking aan de algemene rechtsbeginselen die ten grondslag liggen aan de onrechtmatige daad en de daarbij behorende schadevergoeding. In essentie, in het maatschappelijk verkeer draagt eenieder in beginsel de gevolgen van de schade die hij lijdt. Is deze schade daarentegen toe te rekenen aan onrechtmatig handelen van een ander, dan kan die ander aansprakelijk worden gesteld en kan die ander onder omstandigheden worden verplicht de schade te vergoeden. Die schadevergoedingsplicht in geval van onrechtmatig handelen geldt voor de overheid evenzeer als voor een particulier.
105. De schadevergoedingsprocedure als bedoeld in artikel 235 EG juncto artikel 288 EG voorziet in de vergoeding van schade veroorzaakt door (onrechtmatig handelen van) de instellingen van de Europese Gemeenschappen en haar personeelsleden. Zoals het Gerecht in het bestreden terecht stelt „vallen onder dit begrip tevens alle andere communautaire organen die bij het Verdrag zijn ingesteld om de doeleinden van de Gemeenschap te verwezenlijken. Bijgevolg kunnen de handelingen die door deze organen in de uitoefening van de hun bij het gemeenschapsrecht toegekende bevoegdheden zijn vastgesteld, overeenkomstig de in artikel 288, tweede alinea, EG bedoelde algemene beginselen welke de lidstaten gemeen hebben, aan de Gemeenschap worden toegerekend”. (22)
106. Ik herinner er nog aan dat de bevoegdheid van het Hof om kennis te nemen van tegen de Gemeenschap gerichte schadevergoedingsacties een exclusieve bevoegdheid is. De nationale rechter is onbevoegd. (23)
107. Daar komt bij dat aan de schadevergoedingprocedure ex artikel 235 EG des te meer betekenis toekomt nu tegen de besluiten van de ombudsman geen beroep open staat. De schadevergoedingsactie is de enige actie waarmee een door een handelen van de ombudsman getroffen burger zijn recht op daadwerkelijke rechtsbescherming geldend kan maken. (24)
108. Bezien vanuit het perspectief van de burger: indien deze schade lijdt als gevolg van een handelen of nalaten van een gemeenschapsorgaan dan moet hij dit orgaan aansprakelijk kunnen stellen. Hem moet een rechtsweg ter beschikking staan om die aansprakelijkheidstelling ook op een directe en eenvoudige wijze te kunnen effectueren. Artikel 235 EG strekt daartoe. Het maakt voor de burger niet uit welk orgaan hem die schade heeft toegebracht en evenmin maakt het uit in het kader van welke verplichting tot taakuitoefening van een orgaan die schade is ontstaan.
109. In dit licht bezien heb ik geen begrip voor de zeer terughoudende opvattingen die de ombudsman en het Europees Parlement in deze procedure naar voren hebben gebracht over de aansprakelijkheid van de ombudsman. Het instituut van ombudsman is juist in het leven geroepen om de burger van de Europese Unie een middel in handen te geven om op te kunnen komen tegen wanbeheer door een gemeenschapsinstelling. Met andere woorden, de ombudsman is er voor de Europese burger die zich tekort gedaan voelt door een handelen of nalaten van een gemeenschapsinstelling.
110. Het is naar mijn oordeel in strijd met dit wezen van de ombudsman indien de Europese burger bij wanbeheer door de ombudsman zelf met lege handen staat. Dit geldt natuurlijk zeker indien een handelen of nalaten van de ombudsman tot schade leidt. Ik had het dan ook vinden passen bij de opdracht van de ombudsman indien deze had gepleit voor een zo ruim mogelijke aansprakelijkheid. Hetzelfde geldt voor het door de burgers van de Europese Unie gekozen Europees Parlement.
111. Kortom, de ombudsman kan ingevolge artikel 235 EG juncto artikel 288 EG aansprakelijk worden gesteld voor zijn handelen. Uit het gemeenschapsrecht vloeit geen beperking voort.
112. Bij het vaststellen van de onrechtmatigheid van het handelen van de ombudsman moet uiteraard wel rekening worden gehouden met de bijzondere functie die de ombudsman heeft te vervullen.
B – De voorwaarden voor aansprakelijkheid en meer in het bijzonder de rechtmatigheid van overheidshandelen
113. De ombudsman en het Europees Parlement stellen dat de schadevergoedingsprocedure ten onrechte wordt gebruikt om de rechtmatigheid van het handelen dan wel het nalaten door de ombudsman aan de orde te stellen.
114. Deze stelling brengt mij bij de voorwaarden die het Hof hanteert voor het aannemen van aansprakelijkheid bij overheidshandelen waarbij het dus niet uitmaakt of het gaat om gedrag van een gemeenschapsorgaan of van een nationale instantie (zie punt 84 hierboven). Volgens vaste rechtspraak kan er pas sprake zijn van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap en van een recht op vergoeding van de geleden schade indien aan een aantal voorwaarden is voldaan, te weten de onrechtmatigheid van de aan de instellingen van de Gemeenschap verweten gedraging als gevolg van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel, de geschonden rechtsregel moet ertoe strekken aan particulieren rechten toe te kennen, er moet sprake zijn van werkelijk geleden schade en er moet een oorzakelijk verband bestaan tussen die gedraging en de gestelde schade.
115. Hieruit vloeit voort dat voor de vaststelling van de eventuele aansprakelijkheid van de overheid een beoordeling van de rechtmatigheid van de aan die schade ten grondslag liggende handeling onontkoombaar is. Immers, de onrechtmatigheid van een handeling vormt een van de constituerende elementen van een schadevergoedingsplicht. Ik laat daarbij de mogelijkheid van aansprakelijkheid bij rechtmatig handelen van de Gemeenschap buiten beschouwing. Nog nooit heeft de gemeenschapsrechter de Gemeenschap aansprakelijkheid gesteld bij rechtmatig handelen. Niettemin sluit het Hof een dergelijke aansprakelijkheid niet volledig uit, zij het dat deze alleen onder zeer zware voorwaarden kan ontstaan. (25) Het leerstuk van aansprakelijkheid bij rechtmatige overheidsdaad wordt in deze zaak niet aan de orde gesteld en zou, gelet op de voorwaarden die het Hof daaraan stelt, in casu nooit soelaas kunnen bieden.
116. Kortom, indien de gemeenschapsrechter de rechtmatigheid van een handeling van een instelling niet zou mogen toetsen, dan verliest de procedure ex artikel 235 EG iedere betekenis. Daar komt bij – ik benadruk dat nogmaals – dat juist vanwege het feit dat een expliciete beroepsgang ontbreekt voor de getroffen burger een belang ontstaat om in de procedure ex artikel 235 EG de rechtmatigheid van een handeling van de ombudsman te kunnen laten toetsen. De burger heeft immers een door het gemeenschapsrecht erkend recht op daadwerkelijke rechtsbescherming.
117. Ik ben het dan ook niet eens met de stelling van de ombudsman en het Europees Parlement. Zoals het Gerecht in punt 58 van zijn arrest terecht vaststelt vormt deze procedure een zelfstandige rechtsweg. Het Gerecht wijst daarbij naar rechtspraak van het Hof en van het Gerecht, waarin is bepaald dat de procedure iedere schade kan betreffen die voortvloeit uit een handeling, ongeacht of deze juridisch bindend is, dan wel uit een handelwijze die aan een communautaire instelling of orgaan is toe te rekenen. Kortom, de procedure van artikel 235 EG is niet beperkt tot een bepaalde vorm van schade.
118. Dit gezegd zijnde moet ook de stelling van het Parlement dat alleen op rechtsgevolg gerichte handelingen van de Gemeenschap tot schadevergoeding kunnen leiden worden afgewezen.
119. De gemeenschapsrechter behoeft bij zijn toetsing ook niet terughoudend te zijn. De terughoudendheid van de toetsing betreft in casu een ander punt. Zoals het Gerecht terecht stelt heeft de ombudsman een ruime beoordelingsmarge. De rechter dient zich slechts terughoudend op te stellen bij de toetsing van het gebruik van die beoordelingsmarge. Hij mag niet op de stoel van het bestuursorgaan plaatsnemen. Hierop ziet het vereiste van een voldoende gekwalificeerde schending. Het Hof hanteert als beslissend criterium de kennelijke en ernstige miskenning door een gemeenschapsorgaan van de grenzen waarbinnen diens discretionaire bevoegdheid dient te blijven. Wanneer het betrokken orgaan slechts een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge heeft, kan de enkele inbreuk op het gemeenschapsrecht daarentegen volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending te doen vaststellen. (26)
120. In de omstandigheid waarin een bestuursorgaan een ruime beoordelingsmarge heeft moet de gemeenschapsrechter nagaan of het bestuursorgaan de grenzen van deze beoordelingsmarge heeft overschreden en zodoende onrechtmatig heeft gehandeld. Zijn deze grenzen overschreden dan is er sprake van een voldoende gekwalificeerde schending.
C – De oorsprong van de schade
121. Het derde punt dat de ombudsman aanvoert heeft in wezen betrekking op de oorsprong van de schade. De schade is ontstaan door handelen van de Commissie en de procedure bij de ombudsman strekt er niet toe die schade weg te nemen. Om die reden is het verzoek niet-ontvankelijk. Lamberts bestrijdt dit door te stellen dat er wel degelijk fouten van de ombudsman aan de schade ten grondslag liggen.
122. Ik ben het eens met de stelling van de ombudsman voorzover deze betoogt dat hij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor handelen van de Commissie. Artikel 235 EG juncto artikel 288 EG voorziet weliswaar in de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Gemeenschap als zodanig, maar zulks betekent niet dat een orgaan aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade die is ontstaan door het handelen van een ander orgaan of een instelling. Een vordering tot schadevergoeding behoort te worden gericht tot het orgaan of de instelling die de schade heeft veroorzaakt.
123. Echter, het verzoek in eerste aanleg heeft betrekking op schade die het gevolg is van door Lamberts gestelde dienstfouten van de ombudsman. Hij stelt dat hij de schade heeft geleden als gevolg van de wijze waarop zijn klacht is afgehandeld door de ombudsman en onderbouwt deze stelling met argumenten. Hij vecht niet het eerdere besluit van de Commissie aan.
124. Op grond van het door Lamberts aldus bepaalde voorwerp van het geding kon het Gerecht het verzoek ontvankelijk verklaren. Het verzoek betrof het handelen van de ombudsman zelf. De vraag of het handelen van de ombudsman ook daadwerkelijk de gestelde schade teweeg heeft gebracht is een vraag die beantwoord dient te worden bij de beoordeling van het beroep ten gronde, niet bij de beoordeling van de ontvankelijkheid.
D – Slotsom
125. Op grond van de bovenstaande overwegingen kom ik tot de slotsom dat het verzoek in eerste aanleg terecht door het Gerecht ontvankelijk is verklaard. Het verzoek van de ombudsman om een hogere voorziening dient dan ook te worden afgewezen.
X – Beoordeling ten gronde
A – Inleiding
126. Als gezegd kan er volgens vaste rechtspraak sprake zijn van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap en van een recht op vergoeding van de geleden schade indien:
– de aan een instelling verweten gedraging onrechtmatig is als gevolg van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel;
– de geschonden rechtsregel ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen;
– er werkelijk schade is geleden, en
– een oorzakelijk verband bestaat tussen de gedraging en de gestelde schade.
Hieronder neem ik de eerste twee criteria, die vooral de onrechtmatigheid betreffen, respectievelijk het derde en vierde criterium, die beide in relatie staan tot de schade, samen.
127. De beoordeling door het Hof kan zich beperken tot de grief van Lamberts die de taakuitoefening door de ombudsman betreft. In punt 97 hierboven concludeerde ik reeds dat de overige punten die Lamberts naar voren heeft gebracht niet-ontvankelijk zijn.
128. Meer in het bijzonder gaat het om:
– de mogelijkheid een klager door te verwijzen naar een andere bevoegde instantie (artikel 2, lid 5, van besluit 94/262 en artikel 2.5 van de uitvoeringsbepalingen). In hoeverre kan deze bevoegdheid van de ombudsman als een verplichting worden aangemerkt?
– het streven naar een minnelijke schikking (artikel 6 van de uitvoeringsbepalingen). In hoeverre houdt de term „streven” een verplichting in voor de ombudsman?
B – Het doorverwijzen naar een andere bevoegde instantie
129. Artikel 2, lid 5, van besluit 94/262 en artikel 2.5 van de uitvoeringsbepalingen voorzien slechts in een bevoegdheid en niet in een verplichting van de ombudsman om een klager door te verwijzen. De doorverwijzing is hiermee primair geformuleerd als een dienst die de ombudsman verricht jegens de klager en niet als een rechtsplicht. Zo bezien blijft de ombudsman indien hij niet doorverwijst binnen de hem toekomende beoordelingsmarge en is er dus geen sprake van een voldoende gekwalificeerde schending van besluit 94/262 en de uitvoeringsbepalingen.
130. Het feit dat de ombudsman binnen de hem toekomende beoordelingsmarge is gebleven en daarmee heeft gehandeld naar de letter van de toepasselijke gemeenschapswetgeving betekent voor mij nog niet dat hij daarmee heeft voldaan aan alle verplichtingen die krachtens het gemeenschapsrecht op hem rusten. Van schending van het gemeenschapsrecht kan immers niet alleen sprake zijn indien niet is gehandeld overeenkomstig de tekst van een regeling, maar die schending kan ook voortvloeien uit een rechtsbeginsel.
131. Meer in het bijzonder wijs ik in deze zaak op het zorgvuldigheidsbeginsel. Het doorverwijzen van een klager is naar mijn oordeel geen vrijblijvende mogelijkheid waarvan de ombudsman naar eigen goeddunken al dan niet gebruik kan maken. De zorgvuldigheid die ook de ombudsman bij de uitoefening van zijn taak in acht heeft te nemen kan vergen dat hij van deze bevoegdheid gebruik maakt, zeker in een geval als het onderhavige waarin de betrokkene een aan een termijn gebonden beroepsmogelijkheid heeft bij de gemeenschapsrechter. Weliswaar wordt aan de klager die niet wordt doorverwezen niet de toegang tot de rechter ontnomen, maar de ombudsman handelt daarmee nog niet overeenkomstig een van de doelen waarvoor hij is ingesteld. Hij behoort de mogelijkheden voor de burger om genoegdoening te verkrijgen zo veel mogelijk te vergemakkelijken en niet moeilijker te maken. Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt dan ook mee dat de ombudsman niet te lichtvaardig met zijn doorverwijzingsbevoegdheid omgaat.
132. Dit gezegd zijnde kom ik bij de vraag of deze onzorgvuldigheid ook onrechtmatigheid jegens de klager meebrengt. Ik ben van mening dat de ombudsman door niet door te verwijzen niet onrechtmatig handelt ten opzichte van de klager. Het is de keuze van de klager zelf, zoals het Gerecht terecht vaststelt, om niet bij de gemeenschapsrechter in beroep te gaan. Anders gezegd, de klager is verantwoordelijk voor zijn eigen keuze.
133. Indien hij ervoor kiest geen (tijdig) beroep in te stellen, kan hij dit niet naderhand aan de ombudsman verwijten. Het Gerecht wijst er daarbij nog op dat zeker een personeelslid van een gemeenschapsinstelling mag worden geacht zijn rechten te kennen.
134. Ten overvloede wijs ik nog op het volgende. De keuze die een burger heeft om zich hetzij tot de rechter, hetzij tot de ombudsman te wenden is niet per definitie een keuze tussen het meerdere (de rechter) en het mindere (de ombudsman). Bij veel geschillen tussen een overheidsorgaan en een burger heeft een bemiddelingsprocedure meer zin dan een procedure bij de rechter. Indien een overheidsorgaan formeel juist heeft gehandeld, maar niet de volle aandacht heeft gegeven aan de belangen van de betrokken burger, biedt een procedure bij de rechter voor de burger geen soelaas. Een dergelijke omstandigheid lijkt zich in deze zaak voor te doen. De Commissie kan het vergelijkend onderzoek naar eigen goeddunken inrichten, uiteraard binnen de grenzen van het gemeenschapsrecht. Daarbij hoeft zij formeel beschouwd geen excepties te verlenen voor zieke kandidaten. Niettemin kan het uit een oogpunt van zorgvuldig bestuur wenselijk zijn rekening te houden met ziekte. Een klacht bij de ombudsman kan voor de Commissie aanleiding vormen haar procedure te herzien. Dit is in casu ook gebeurd, overigens zonder dat Lamberts hiervan zelf profijt heeft.
C – De minnelijke schikking
135. Artikel 6 van de uitvoeringsbepalingen regelt de minnelijke schikking. De ombudsman is gehouden te streven naar een minnelijke schikking. Hij doet dit door samen te werken met de instelling waarbij wanbeheer is vastgesteld. Dit streven naar een minnelijke schikking is voor de klager het belangrijkste instrument waarover de ombudsman beschikt. Niettemin gaat het hier slechts om een streven, waarbij de ombudsman een zeer ruime marge heeft bij de beoordeling of een minnelijke schikking mogelijk is, dan wel kans op succes heeft.
136. Die ruime beoordelingsmarge is inherent aan het karakter van de procedure bij de ombudsman die primair een bemiddeling tussen partijen behelst. Van een bemiddelaar mag worden verwacht dat hij zich inspant, niet dat hij resultaat bereikt. Dit resultaat is afhankelijk van de opstelling van partijen. Bovendien moet een bemiddelaar kunnen vaststellen dat de bemiddeling geen zin (meer) heeft.
137. Het Gerecht heeft met betrekking tot de beoordelingsmarge vastgesteld (27) dat niet-contractuele aansprakelijkheid alleen kan ontstaan bij een flagrante en kennelijke niet-nakoming van de verplichtingen die op de ombudsman rusten. Mij lijkt dit een juiste rechtsopvatting, waarbij ik aanteken dat een dergelijke gekwalificeerde niet-nakoming slechts kan bestaan indien de ombudsman aantoonbaar niet heeft bemiddeld, terwijl zulks wel had gekund.
138. De beoordeling of in een concreet geval flagrant en kennelijk niet is nagekomen is van feitelijke aard en kan in hogere voorziening niet door het Hof worden getoetst.
D – Oordeel
139. In de onderhavige zaak kan het Hof vaststellen dat het oordeel van het Gerecht dat de ombudsman niet onrechtmatig heeft gehandeld is gebaseerd op een juiste uitleg van het gemeenschapsrecht. Het Hof kan het onderhavige verzoek in hogere voorziening van Lamberts dan ook ongegrond verklaren.
E – De schade en het oorzakelijk verband
140. Ten overvloede wijs ik nog op de geleden schade en op het oorzakelijk verband tussen de gedraging van de ombudsman en de schade.
141. Om te beginnen de geleden schade. De beoordeling van de vraag of daadwerkelijke schade is geleden in de door Lamberts gestelde omvang is een feitelijke vraag die in hogere voorziening niet aan de orde kan komen. Nu het Gerecht in zijn arrest niet is toegekomen aan de beoordeling van de schade – en daar ook niet aan toe hoefde te komen – laat ik dit onderwerp buiten beschouwing. Ik acht de stelling van Lamberts (28) dat de ombudsman het bestaan van schade feitelijk erkent dan ook van geen belang in deze hogere voorziening.
142. Dit brengt mij bij het oorzakelijk verband. De door Lamberts gevorderde schade komt voort uit een besluit van de Commissie en niet uit een gedraging van de ombudsman. Lamberts vordert namelijk de schade die hij heeft geleden vanwege het feit dat hij niet is geslaagd voor het vergelijkend examen en dientengevolge niet bij de Commissie in dienst is kunnen treden. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de ombudsman dit besluit van de Commissie aan te tasten. Met andere woorden, het oorzakelijk verband tussen de gedraging van de ombudsman en het ontstaan van de schade ontbreekt.
143. Ik wijs er nog op dat Lamberts behalve de materiële schade die het gevolg is van het handelen van de Commissie tevens immateriële schade vordert die blijkens punt 61 van het arrest van het Gerecht voortkomt uit destructieve en kwetsende gevolgen van dienstfouten van de ombudsman bij de behandeling van de klacht. Zo gesteld is bij de immateriële schade een oorzakelijk verband wel aanwezig. Dit verzoek om immateriële schadevergoeding heeft blijkens de vordering van Lamberts geen zelfstandig karakter, maar dient als aanvulling op de geleden materiële schade. Zo het Hof überhaupt al zou toekomen aan de beoordeling van de schade, dan behoeft het verzoek om immateriële schade niet separaat te worden beoordeeld.
XI – Conclusie
144. Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
– het verzoek om hogere voorziening van de Europese Ombudsman ongegrond te verklaren;
– eveneens ongegrond te verklaren het verzoek van Lamberts tot vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 april 2002, Lamberts/Europese Ombudsman (T‑209/00), zoals gedaan bij memorie van antwoord.
1 – Oorspronkelijke taal: Nederlands.
2 – T‑209/00, Jurispr. blz. II‑2203.
3 – PB L 113, blz. 15.
4 – .
5 – Zie voor een beschrijving het jaarverslag van de ombudsman over 1995, te vinden op .
6 – Zie onder meer arresten van 12 november 1998, Victoria Film (C‑134/97, Jurispr. blz. I‑7023, punten 14 en 15), en 14 juni 2001, Salzmann (C‑178/99, Jurispr. blz. I‑4421, punten 13 en 14).
7 – Zie hierover onder andere par. I.1.1 en I.2.1 van het jaarverslag van de ombudsman over 1995, aangehaald in voetnoot 5.
8 – Zie par I.4 van het jaarverslag van de ombudsman over 1995, aangehaald in voetnoot 5.
9 – Het Hof is bijvoorbeeld bevoegd te oordelen over de rechtmatigheid van besluiten van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) [zie artikel 63 van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk, PB L 11, blz. 1] of van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming [zie artikel 32, lid 3, van verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens PB L 8, blz. 1].
10 – Zie onder andere arrest van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677, punt 39).
11 – Conclusie bij arrest van 30 september 2003 (C‑224/01, Jurispr. blz. I‑10239).
12 – Zie met name punt 35 van zijn conclusie.
13 – Zie met name punten 44 e.v. van zijn conclusie.
14 – Arrest van 5 maart 1996 (C‑46/93 en C‑48/93, Jurispr. blz. I‑1029, en dan met name de punten 22 e.v. van de conclusie van advocaat-generaal Tesauro).
15 – Arrest van 4 juli 2000 (C‑352/98 P, Jurispr. blz. I‑5291, punt 41). Zie ook het arrest Brasserie du Pêcheur en Factortame, aangehaald in voetnoot 14, punt 42.
16 – Punt 139 van zijn conclusie, aangehaald in voetnoot 11.
17 – Arrest Bergaderm en Goupil, aangehaald in voetnoot 15, punten 34 en 35.
18 – Arrest van 16 mei 2002 (C‑321/99 P, Jurispr. blz. I‑4287, punten 49 en 50).
19 – Zie de punten 45 en 46 hierboven.
20 – Zie punt 38 hierboven.
21 – Zie de conclusie van advocaat-generaal Mischo van 18 mei 2000, bij arrest van 16 november 2000, Cascades/Commissie (C‑279/98 P, Jurispr. blz. I‑9693, punten 38‑40).
22 – Zie punt 49 van het arrest van het Gerecht, waarin wordt verwezen naar het arrest van het Hof van 2 december 1992, SGEEM en Etroy/EIB (C‑370/89, Jurispr. blz. I‑6211, punten 12‑16).
23 – Zie bijvoorbeeld het arrest van 26 november 2002, First en Franex (C‑275/00, Jurispr. blz. I‑10943, punt 43).
24 – Zie ook punt 79 hierboven.
25 – Zie arrest van 15 juni 2000, Dorsch Consult/Raad en Commissie (C‑237/98 P, Jurispr. blz. I‑4549, punten 18 en 19).
26 – Zie het arrest Bergaderm en Goupil, aangehaald in voetnoot 15, punten 43 en 44.
27 – Punt 79 van het bestreden arrest.
28 – Zie punt 47 hierboven.
Full & Egal Universal Law Academy