CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 10 juli 2003(1)
Zaak C-263/02 P
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Jégo Quéré et Cie SA
„”
1. De onderhavige zaak betreft een hogere voorziening van de Commissie tegen een arrest van het Gerecht van eerste aanleg. (2) Het Gerecht heeft in dit arrest een door Jégo-Quéré et Cie SA (hierna: „Jégo-Quéré”) op grond van artikel 230, vierde alinea, EG ingesteld beroep tot nietigverklaring van de artikelen 3, sub d, en 5 van verordening (EG) nr. 1162/2001 van de Commissie van 14 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van het heekbestand in ICES-deelgebieden III, IV, V, VI en VII en in ICES-sectoren VIII a, b, d, e en van daarmee samenhangende bepalingen inzake de controle op de activiteiten van vissersvaartuigen, ontvankelijk verklaard. (3)
2. Artikel 230, vierde alinea, EG luidt als volgt:
„Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan […] beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.”
3. Jégo-Quéré moet dus voor het bewijs van haar processuele legitimatie onder andere aantonen dat de bepalingen van de verordening die zij wil aanvechten, haar „individueel raken”.
4. Volgens de sinds het arrest van het Hof van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (4) gangbare interpretatie van „individuele geraaktheid” kan een natuurlijke of rechtspersoon slechts stellen door een niet tot hem gerichte handeling individueel te worden geraakt, indien de handeling hem betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat.
5. Naar het oordeel van het Gerecht is Jégo‑Quéré niet individueel geraakt in de zin van de traditionele uitlegging. Het heeft echter aangetekend dat deze uitlegging zodanig strikt is dat in sommige gevallen het gemeenschapsrecht de rechtssubjecten een doeltreffende beroepsmogelijkheid ontzegt. Bovendien wordt die uitlegging naar zijn oordeel niet vereist door de tekst van artikel 230 EG. Het heeft daarom een nieuwe definitie van „individuele geraaktheid” voorgesteld, inhoudend dat een natuurlijke of rechtspersoon individueel wordt geraakt door een gemeenschapsbepaling van algemene strekking wanneer die bepaling zijn rechtspositie zeker en actueel aantast, door zijn rechten te beperken of hem verplichtingen op te leggen. Zijn nieuwe uitlegging op de zaak toepassend heeft het Gerecht vervolgens beslist dat Jégo‑Quéré individueel is geraakt en dus haar beroep kan voortzetten.
6. De redenering van het Gerecht moet nu worden getoetst aan het korte tijd daarna door het Hof gewezen arrest Unión de Pequeños Agricultores (5) , waarin dit aan de tot op heden gevolgde uitlegging van „individuele geraaktheid” heeft vastgehouden als een onontkoombare voorwaarde van het beroepsrecht overeenkomstig artikel 230, vierde alinea.
Het rechtskader en de feiten
7. Verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (6) , zoals gewijzigd, bepaalt in artikel 15 dat de Commissie noodmaatregelen kan nemen wanneer de instandhouding van visbestanden door onvoorziene, ernstige verstoringen in gevaar wordt gebracht.
8. In december 2000 hebben de Commissie en de Raad na een waarschuwing van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) gemeend dat dringend een herstelplan voor het heekbestand moest worden vastgesteld.
9. Gebruik makend van haar bevoegdheid op grond van artikel 15 van verordening nr. 3760/92 heeft de Commissie verordening (EG) nr. 1162/2001 (hierna: „verordening” of „betwiste verordening”) vastgesteld. (7) De verordening heeft als doel de vangst van jonge heek te verminderen. Zij is van toepassing op vissersvaartuigen die in de daarin bepaalde gebieden vissen en legt voor de verschillende vangsttechnieken met netten een minimummaaswijdte vast die varieert naargelang de gebieden, ongeacht de soort waarop het betrokken vaartuig vist.
10. Het beroep tot nietigverklaring van Jégo‑Quéré betreft de artikelen 3, sub d, en 5 van de verordening (hierna: „betwiste bepalingen”). Artikel 3, sub d, van de verordening verbood „een bodemsleepnet te gebruiken waarbij een kuil met een maaswijdte van minder dan 100 mm op een andere wijze dan door naaien aan het voorste deel van het net is bevestigd”. Artikel 5 van de verordening bakende de geografische gebieden af waarvoor de bepalingen van de verordening golden, en bepaalde de in elk gebied van toepassing zijnde specifieke verboden. Met betrekking tot sleepnetten waren maaswijdten tussen 55 en 99 mm verboden, en wat staand vistuig betreft maaswijdten van minder dan 100, respectievelijk 120 mm, al naargelang het gebied.
11. De verordening bleef slechts van kracht tot 1 maart 2002. Verbodsbepalingen die zeer lijken op de bovenvermelde zijn vervolgens vastgesteld bij verordening nr. 494/2002 van de Commissie van 19 maart 2002 tot vaststelling van aanvullende technische maatregelen voor het herstel van het heekbestand in de ICES-deelgebieden III, IV, V, VI en VII en in de ICES-sectoren VIIIa, b, d, e. (8)
12. Jégo-Quéré is een in Frankrijk gevestigd visserijbedrijf en vist ten zuiden van Ierland in één van de door de verordening bestreken gebieden, ICES-gebied VII, op wijting. Deze soort vertegenwoordigt gemiddeld 67,3 % van haar vangst. Zij is eigenaar van vier vaartuigen van meer dan 30 meter lengte en gebruikt netten met een maaswijdte van 80 mm.
De procedure voor het Gerecht en het bestreden arrest
13. Jégo‑Quéré heeft op 2 augustus 2001 beroep tot nietigverklaring van de artikelen 3, sub d, en 5 van de betwiste verordening ingesteld bij het Gerecht. De Commissie heeft vervolgens een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Bij zijn arrest heeft het Gerecht de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie verworpen en de voortzetting van de procedure gelast.
14. Het Gerecht heeft in de eerste plaats vastgesteld dat de betwiste bepalingen naar hun aard een algemene strekking hebben, aangezien zij zich in abstracte termen tot onbepaalde categorieën van personen richten en van toepassing zijn op objectief bepaalde situaties. (9) Niettemin kon er zijns inziens volgens vaste rechtspraak beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 tegen worden ingesteld indien Jégo‑Quéré kon aantonen dat de betrokken bepalingen haar rechtstreeks en individueel raakten. (10)
15. De voorwaarde van rechtstreekse geraaktheid achtte het Gerecht vervuld (11) ; daarentegen kon Jégo‑Quéré op basis van de tot nu toe in de communautaire rechtspraak gehanteerde criteria niet als individueel geraakt worden beschouwd. (12)
16. Het Gerecht heeft eerst de traditionele uitlegging van het begrip „individuele geraaktheid” sinds het arrest Plaumann/Commissie (13) in herinnering gebracht, te weten dat een natuurlijke of rechtspersoon individueel wordt geraakt door een niet tot hem gerichte handeling, indien de handeling hem betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat. (14)
17. Bij toepassing van die uitlegging op het onderhavige geval wordt Jégo‑Quéré door de betwiste verordening enkel geraakt in haar objectieve hoedanigheid van een visser die in een bepaald gebied een bepaalde vangstmethode hanteert, op gelijke wijze als elke andere marktdeelnemer die zich feitelijk of potentieel in een identieke situatie bevindt, aldus het Gerecht. (15) Het achtte geen bijzondere omstandigheden aanwezig die de Commissie zouden hebben verplicht om bij de vaststelling van de betwiste verordening specifiek rekening te houden met de bijzondere situatie van Jégo‑Quéré. (16)
18. Het Gerecht heeft vervolgens de stelling van Jégo‑Quéré onderzocht, dat in geval van niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep geen enkele beroepsmogelijkheid meer voor haar openstond om de wettigheid van de bestreden bepalingen te betwisten.
19. Zoals het Gerecht heeft opgemerkt (17) , waarborgt het gemeenschapsrecht volgens vaste rechtspraak het recht op een effectief beroep bij een bevoegde rechter. Dit recht is gebaseerd op de grondwettelijke tradities die de lidstaten gemeen hebben en op de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en is bevestigd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, afgekondigd op 7 december 2000 te Nice. (18)
20. Het Gerecht heeft vervolgens de geschiktheid van twee alternatieve beroepsgangen bestudeerd, om te bepalen of een verzoeker inderdaad het recht op een effectief beroep wordt ontnomen indien hij geen beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230, vierde alinea, kan instellen.
21. Het heeft eerst de mogelijkheid onderzocht van een beroep bij de nationale rechter, met prejudiciële verwijzing naar het Hof overeenkomstig artikel 234 EG. Het stelde vast dat er in een geval als het onderhavige geen uitvoeringsmaatregelen zijn die als grondslag kunnen dienen voor een beroep bij de nationale rechter. Dat een particulier voor de nationale rechter de geldigheid van een gemeenschapsmaatregel zou kunnen betwisten door de bij deze maatregel vastgestelde bepalingen te schenden en zich vervolgens in een tegen hem ingestelde gerechtelijke procedure op de onwettigheid van deze bepalingen beroepen, is naar het oordeel van het Gerecht geen geschikt middel ter verkrijging van rechtsbescherming. Van particulieren kan niet worden verlangd dat zij in strijd met de wet handelen om toegang tot de rechter te krijgen. (19)
22. Het Gerecht heeft vervolgens onderzocht of een vordering tot schadevergoeding wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap als omschreven in de artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG een geschikt alternatief is voor een beroep tot nietigverklaring. Naar zijn oordeel biedt een dergelijke vordering:
„[?] in een geval als het onderhavige geen bevredigende oplossing […] voor de belangen van de justitiabele. De vordering kan er immers niet toe leiden dat een nochtans als onwettig beschouwde handeling uit de communautaire rechtsorde wordt verwijderd. Indien door de toepassing van de litigieuze handeling rechtstreeks schade is veroorzaakt, gelden voor de vordering andere ontvankelijkheidsvoorwaarden en materiële voorwaarden dan voor het beroep tot nietigverklaring, zodat de gemeenschapsrechter niet in staat is om de hem opgedragen wettigheidstoetsing in volle omvang te verrichten. Inzonderheid wanneer in het kader van een dergelijke vordering wordt opgekomen tegen een maatregel van algemene strekking, zoals de in casu bestreden bepalingen, strekt de toetsing door de gemeenschapsrechter zich niet uit tot alle elementen die de wettigheid van deze maatregel kunnen aantasten, doch bestraft zij enkel voldoende gekwalificeerde schendingen van rechtsregels die ertoe strekken aan particulieren rechten toe te kennen (arrest Hof van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C-352/98 P, Jurispr. blz. I-5291, punten 41-43; arrest Gerecht van 23 oktober 2001, Dieckmann & Hansen/Commissie, T-155/99, Jurispr. blz. II-3143, punten 42 en 43; zie tevens, voor een geval van een niet voldoende gekwalificeerde schending: arrest Hof van 19 mei 1992, Mulder e.a./Raad en Commissie, C-104/89 en C-37/90, Jurispr. blz. I-3061, punten 18 en 19, en voor een geval waarin de aangevoerde regel er niet toe strekt aan particulieren rechten toe te kennen: arrest Gerecht van 6 december 2001, Area Cova e.a./Raad en Commissie, T-196/99, Jurispr. blz. II-3597, punt 43).”20 –Punt 46 van het arrest.
23. Het Gerecht heeft bijgevolg geconcludeerd dat noch de procedure van artikel 234 EG, noch die van de artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG voldoende is om de justitiabelen een recht op een effectief beroep te waarborgen waarmee zij de wettigheid kunnen betwisten van gemeenschapsbepalingen van algemene strekking die hun rechtspositie rechtstreeks aantasten. (21)
24. Alhoewel het aanvaardt dat dit geen wijziging van het in het Verdrag neergelegde stelsel van beroepsmogelijkheden en procedures kan rechtvaardigen, acht het geen enkel dwingend argument aanwezig voor de tot op heden gevolgde strikte uitlegging van „individuele geraaktheid.” (22) Het heeft daarom in plaats daarvan een nieuwe uitlegging voorgesteld, waarbij een natuurlijke of rechtspersoon individueel geraakt wordt geacht door een hem rechtstreeks rakende gemeenschapsbepaling van algemene strekking, wanneer die bepaling „zijn rechtspositie zeker en actueel aantast, door zijn rechten te beperken of hem verplichtingen op te leggen”. Het aantal en de positie van andere personen die eveneens worden geraakt of kunnen worden geraakt, is in dit opzicht niet relevant. (23)
25. Gelet hierop heeft het Gerecht beslist dat de betwiste verordening Jégo‑Quéré individueel raakt aangezien zij precieze verplichtingen oplegt inzake de maaswijdte van de netten die Jégo‑Quéré mocht gebruiken. (24) Het heeft derhalve de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie verworpen en de voortzetting gelast van de procedure in de hoofdzaak.
De hogere voorziening
26. In deze zaak verzoekt de Commissie het Hof om het arrest van het Gerecht te vernietigen en het beroep tot nietigverklaring van de betwiste verordening niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair, de zaak naar het Gerecht te verwijzen. Jégo‑Quéré verzoekt het Hof om de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren aangezien zij te laat is ingesteld, subsidiair, de hogere voorziening ongegrond te verklaren en het arrest van het Gerecht te bekrachtigen. Bovendien heeft zij incidentele hogere voorziening ingesteld, strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest voorzover erin is vastgesteld dat Jégo-Quéré niet individueel is geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG zoals deze bepaling tot op heden is uitgelegd in de gemeenschapsrechtspraak.
De ontvankelijkheid van de hogere voorziening
27. Jégo‑Quéré voert ten eerste aan dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is. Zij stelt dat de Commissie niet aangeeft op welke datum het arrest aan haar is betekend, zoals artikel 112, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof vereist. Bij gebreke van enig tegenbewijs acht Jégo-Quéré het derhalve twijfelachtig dat de hogere voorziening werkelijk binnen de termijn van twee maanden na de betekening van het arrest is ingesteld.
28. De Commissie heeft bij haar hogere voorziening het arrest van het Gerecht gevoegd, alsmede de begeleidende brief van de griffier van het Gerecht. Een stempel op die brief vermeldt 8 mei 2002 als datum van ontvangst. De hogere voorziening van de Commissie is op 17 juli 2002 ter griffie neergelegd.
29. Hieruit volgt zowel dat de Commissie in haar hogere voorziening melding heeft gemaakt van de datum waarop het bestreden arrest aan haar is betekend, als dat zij de hogere voorziening heeft ingesteld binnen de termijn bepaald in het toenmalige artikel 49 van het Statuut van het Hof, juncto de artikelen 80 en 81 van zijn Reglement voor de procesvoering.
30. Bijgevolg is mijns inziens de hogere voorziening van de Commissie ontvankelijk.
De gegrondheid van de hogere voorziening
31. De Commissie voert twee middelen aan. Het eerste klaagt over schending van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, aangezien de zaak naar het Gerecht in volle samenstelling had moeten worden verwezen. Artikel 14 van dit Reglement bepaalt dat een zaak kan worden verwezen naar het Gerecht in volle samenstelling „[w]anneer de juridische moeilijkheid of het belang […] daartoe grond opleveren”. De Commissie betoogt dat de beslissing van het Gerecht om in deze zaak af te wijken van de vaste rechtspraak van het Hof, een juridisch erg moeilijke en belangwekkende aangelegenheid is en dat de niet-verwijzing van de zaak naar het Gerecht in volle samenstelling bijgevolg een kennelijke beoordelingsfout van het Gerecht is.
32. In het tweede middel stelt de Commissie dat de uitlegging die het Gerecht aan het begrip individuele geraaktheid heeft gegeven, schending van het gemeenschapsrecht oplevert. Deze uitlegging is volgens de Commissie zo ruim dat de voorwaarde van individuele geraaktheid eigenlijk wordt opgeheven, en is om die reden in strijd met de uitdrukkelijke bewoordingen van artikel 230. Zij is daarenboven van mening dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de traditionele uitlegging van het begrip individuele geraaktheid geen waarborgen biedt voor het recht op effectieve rechtsbescherming. Dat recht verleent particulieren geen algemene bevoegdheid tot het instellen van een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring en het is in het gemeenschapsrecht voldoende gewaarborgd door de mogelijkheid om de geldigheid van gemeenschapsmaatregelen aan te vechten krachtens artikel 234 of de artikelen 235 en 288. Ten slotte meent de Commissie dat een ruimere uitlegging van het begrip individuele geraaktheid de mogelijkheden zal beperken om gemeenschapsmaatregelen indirect aan te vechten langs de weg van artikel 234, gezien de gemeenschapsrechtspraak sinds het arrest TWD Textilwerke Deggendorf. (25)
33. Volgens Jégo‑Quéré moet het eerste middel van de Commissie worden verworpen aangezien de Commissie in geen enkele fase van de procedure voor het Gerecht heeft verzocht om de zaak naar het Gerecht in volle samenstelling te verwijzen, ondanks de uitdrukkelijke vermelding van die mogelijkheid in artikel 51 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
34. Jégo‑Quéré antwoordt op het tweede middel van de Commissie, dat de voorwaarde van individuele geraaktheid helemaal niet wordt opgeheven maar dat een ruime en soepele uitlegging van dat begrip zowel in overeenstemming is met artikel 230, vierde alinea, als noodzakelijk om particulieren te verzekeren van het recht op een effectief beroep.
35. In tegenstelling tot wat de Commissie betoogt, meent Jégo‑Quéré dat het bestreden arrest dat recht niet verkeerd heeft uitgelegd en verward met een bevoegdheid tot het instellen van een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring. Het arrest gaat er veeleer van uit dat een rechtstreeks beroep om het recht op een effectief beroep te garanderen enkel nodig is wanneer er geen geschikte indirecte beroepsmogelijkheid bestaat voor particulieren.
36. Volgens Jégo‑Quéré heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat in een zaak als de onderhavige, waarin de bestreden maatregel een verordening is, er geen andere procedure is die het recht van de particulier op een effectief beroep op adequate wijze beschermt. Zonder nationale toepassingsmaatregelen waartegen kan worden opgekomen, is de enige mogelijkheid voor een particulier om een nationaal beroep in te stellen, de wet te schenden en als verweer de ongeldigheid van de gemeenschapsmaatregel in te roepen.
37. Jégo‑Quéré verwerpt eveneens de stelling van de Commissie dat gelet op de korte geldigheidsduur van de bestreden maatregel, een schadevordering krachtens de artikelen 235 en 288, tweede lid, geschikter was geweest. Deze stelling miskent dat de bestreden maatregel slechts een stap is in het huidige proces van hervorming van het gemeenschappelijke visserijbeleid, dat de invoering van maatregelen van langere of onbepaalde duur meebrengt. Jégo-Quéré zou dus geen andere keus hebben dan periodiek een nieuwe schadevordering in te stellen. Bovendien zou het ongerijmd zijn om het begrip individuele geraaktheid strikt uit te leggen omdat particulieren zich in plaats daarvan kunnen beroepen op de artikelen 235 en 288. Aangezien het Gerecht reeds indirect bevoegd is om de wettigheid van gemeenschapsmaatregelen van algemene strekking te toetsen in het kader van schadevorderingen afkomstig van een onbeperkte groep particulieren, lijkt het niet logisch om vast te houden aan zo strikte legitimatieregels voor een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring.
38. Het tweede middel van de Commissie moet worden onderzocht in het licht van het arrest Unión de Pequeños Agricultores (26) , dat het Hof heeft uitgesproken nadat de Commissie haar hogere voorziening had ingesteld.
39. In die zaak had een beroepsvereniging van landbouwondernemingen, de Unión de Pequeños Agricultores („UPA”), krachtens artikel 230, vierde alinea, beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1638/98 van 20 juli 1998 tot wijziging van de gemeenschappelijke marktordening voor olijfolie. (27) Het Gerecht verwierp het beroep als kennelijk niet-ontvankelijk. (28) UPA stelde hogere voorziening in bij het Hof met het betoog dat die beslissing haar recht op een effectieve rechtsbescherming aantastte, aangezien de verordening die zij wilde aanvechten, geen nationale uitvoeringsmaatregelen vereiste waartegen zij naar Spaans recht kon opkomen met een nationaal beroep waarin de mogelijkheid van een prejudiciële verwijzing bestond.
40. Het Hof in voltallige zitting heeft de hogere voorziening van UPA verworpen en de traditionele uitlegging van het begrip individuele geraaktheid als gegeven in het arrest Plaumann bevestigd. (29) Alhoewel het aanvaardde dat de voorwaarde van individuele geraaktheid „gelet op de uiteenlopende situaties die een verzoeker kunnen individualiseren, [moet] worden uitgelegd in het licht van het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming”, heeft het ook gesteld dat „een dergelijke uitlegging deze voorwaarde, die uitdrukkelijk door het Verdrag wordt gesteld, niet tot een dode letter [mag] maken, omdat anders de grenzen van de door het Verdrag aan de communautaire rechter verleende bevoegdheden zouden worden overschreden”. (30)
41. Na het arrest Unión de Pequeños Agricultores lijkt het duidelijk dat het tweede middel van de Commissie, namelijk dat het Gerecht het recht heeft geschonden door af te wijken van de traditionele uitlegging van het begrip individuele geraaktheid, dient te slagen. Door Jégo‑Quéré individueel geraakt te achten op grond van een nieuwe uitlegging van dat begrip, nadat het had vastgesteld dat deze partij niet individueel geraakt was volgens het in het arrest Plaumann bepaalde criterium, heeft het Gerecht artikel 230, vierde alinea, geschonden.
42. Jégo‑Quéré tracht zich tegen deze uitkomst te verzetten met het argument dat er in casu geen twijfel over bestaat dat anders dan in de zaak Unión de Pequeños Agricultores, zij haar zaak slechts aan een nationale rechter kan voorleggen door de wet te overtreden. Zij voert aan dat die mogelijkheid haar recht op een effectief beroep niet adequaat beschermt. Zij brengt ook nog andere verschillen met de zaak Unión de Pequeños Agricultores naar voren. Ik zal deze bespreken bij de behandeling van de incidentele hogere voorziening.
43. Zoals ik heb uitgelegd in mijn conclusie in de zaak Unión de Pequeños Agricultores, heb ik grote moeite met de huidige strikte maatstaf voor rechtsingang krachtens artikel 230, vierde alinea. Mijns inziens schept deze maatstaf een reëel risico dat particulieren elke bevredigende mogelijkheid wordt ontzegd om bij een bevoegde rechter de geldigheid van een rechtstreeks toepasselijke gemeenschapsmaatregel van algemene strekking aan te vechten. De enige mogelijkheid voor een particulier om toegang tot de nationale rechter te krijgen – die toch al onbevoegd is om de geldigheid te toetsen – (31) lijkt dan te zijn om de wet te overtreden, in de hoop dat een straf- of andere handhavingsprocedure tegen hem wordt ingesteld en de nationale rechter misschien ervan kan worden overtuigd het Hof een prejudiciële vraag over de geldigheid van de maatregel te stellen. Behalve de diverse praktische nadelen die de prejudiciële verwijzing in een strafprocedure kan meebrengen, stelt deze wijze van procederen de betrokken particulier ook bloot aan een onaanvaardbaar groot risico.
44. De artikelen 235 en 288, tweede alinea, lijken mij evenmin geschikt als alternatieve beroepsmogelijkheid. Zoals het Gerecht in deze zaak heeft opgemerkt, is de gemeenschapsrechter bij een schadevordering niet in staat om alle factoren die de wettigheid van een gemeenschapsmaatregel kunnen aantasten, in volle omvang te toetsen. Wil een dergelijke vordering slagen, moet de verzoeker een voldoende gekwalificeerde schending van rechtsregels kunnen aantonen die ertoe strekken aan particulieren rechten toe te kennen. De Commissie betoogt volgens mij ten onrechte dat de gemeenschapsrechter altijd een diepgaand onderzoek naar de rechtmatigheid van de betrokken maatregel zal moeten uitvoeren om te bepalen of een dergelijke schending heeft plaatsgevonden.
45. Uit het arrest Unión de Pequeños Agricultores blijkt evenwel duidelijk dat de traditionele uitlegging van het begrip individuele geraaktheid, als voortvloeiend uit het Verdrag zelf, moet worden toegepast, wat ook de gevolgen ervan mogen zijn voor het recht op een effectief beroep. (32)
46. Dit resultaat is mijns inziens onbevredigend, maar het is het onvermijdelijke gevolg van de beperkingen die volgens het Hof door de huidige formulering van artikel 230, vierde alinea, worden opgelegd. Zoals het Hof heeft opgemerkt in zijn arrest Unión de Pequeños Agricultores (33) , kunnen derhalve alleen de lidstaten de noodzakelijke hervormingen van het gemeenschapsstelsel van wettigheidstoetsing doorvoeren door deze verdragsbepaling te wijzigen. Naar mijn mening zijn er belangwekkende argumenten voor een ruimere rechtsingang voor particulieren die gemeenschapsmaatregelen van algemene strekking willen aanvechten. Dit is nodig om in alle omstandigheden een effectieve rechtsbescherming te waarborgen.
47. Bij de huidige stand van de rechtspraak dient de hogere voorziening op grond van het tweede middel derhalve te slagen. Gelet op die conclusie lijkt het mij overbodig om het eerste middel van de Commissie te onderzoeken, te weten schending van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
De incidentele hogere voorziening
48. Er moet nog worden nagegaan of, zoals Jégo‑Quéré stelt, het Gerecht haar ten onrechte niet individueel geraakt acht in de zin van de traditionele uitlegging van dat begrip.
49. Jégo‑Quéré voert aan dat de betwiste verordening in feite niet een maatregel van algemene strekking is, zoals het Gerecht heeft geoordeeld, maar eerder een in de vorm van een verordening gegoten bundel individuele beschikkingen die Jégo‑Quéré rechtstreeks en individueel raken. Jégo‑Quéré wijst op een hele reeks uitzonderingen in de verordening, die volgens haar zijn afgestemd op de bijzondere omstandigheden van diverse visserijbedrijven die opereren in de gebieden waarop de verordening van toepassing is. Volgens Jégo‑Quéré weerspiegelen de verschillende uitzonderingen geen objectieve verschillen en hangen zij niet samen met het doel dat de verordening nastreeft, namelijk bescherming van het heekbestand.
50. Ik ben van mening dat het Gerecht de in de rechtspraak aanvaarde maatstaf juist heeft toegepast door te beslissen dat de betwiste bepalingen van algemene strekking zijn omdat zij zich in abstracte termen tot onbepaalde categorieën van personen richten en van toepassing zijn op objectief bepaalde situaties. (34)
51. Jégo‑Quéré wijst op nog twee omstandigheden in het bijzonder, die de onderneming volgens haar onderscheiden van alle andere rechtssubjecten die door de betwiste verordening zijn getroffen, en waardoor zij individueel is geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea.
52. Ten eerste dat zij de enige onderneming is die permanent op wijting vist in de Keltische Zee met vaartuigen van meer dan 30 meter. Jonge heek maakt maar een zeer klein deel van haar vangst uit, als „bijvangst”.
53. Maar zelfs al kan Jégo‑Quéré aantonen dat zij op dit ogenblik de enige onderneming is die beantwoordt aan de door haar genoemde criteria, dan nog wordt zij door de betwiste verordening slechts getroffen wegens een economische activiteit die ook andere ondernemers die aan dezelfde criteria voldoen, potentieel zouden kunnen uitoefenen. (35) Zoals het Gerecht heeft geoordeeld, wordt Jégo‑Quéré slechts geraakt „op gelijke wijze als elke andere marktdeelnemer die zich feitelijk of potentieel in een identieke situatie bevindt”. (36)
54. Ten tweede meent Jégo‑Quéré dat zij individueel is geraakt omdat zij het enige visserijbedrijf is dat, alvorens de betwiste verordening werd vastgesteld, de Commissie een oplossing heeft voorgesteld als alternatief voor de betwiste bepalingen. Die oplossing, waarbij onafhankelijke waarnemers konden verifiëren dat de schepen van Jégo‑Quéré geen heek vangen, zou de door de verordening nagestreefde doelstelling met succes hebben vervuld.
55. De contacten tussen Jégo‑Quéré en de Commissie vóór de vaststelling van de verordening zouden Jégo‑Quéré in de zin van de rechtspraak betreffende de individuele geraaktheid slechts kunnen onderscheiden van andere ondernemingen, indien het geldende gemeenschapsrecht haar een bijzondere procedurele waarborg verleende. (37) Zoals het Gerecht heeft opgemerkt, is dit hier niet het geval. (38)
56. Ik ben het derhalve niet eens met Jégo‑Quéré dat de betwiste maatregel haar individueel raakt in de zin van de traditionele uitlegging van dat begrip. Haar incidentele hogere voorziening is dus mijns inziens ongegrond en haar beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk.
Conclusie
57. Om die redenen stel ik voor dat het Hof:
1) het arrest van het Gerecht van eerste aanleg vernietigt;
2) het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk verklaart;
3) Jégo-Quéré verwijst in de kosten, daaronder begrepen de kosten die zijn gemaakt voor het Gerecht.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Arrest van 3 mei 2002, Jégo-Quéré/Commissie (T-177/01, Jurispr. blz. II-2365).
3 – PB L 159, blz. 4.
4 – Zaak 25/62, Jurispr. blz. 207, 232.
5 – Arrest van 25 juli 2002 (C‑50/00 P, Jurispr. blz. I‑6677).
6 – PB L 389, blz. 1
7 – Aangehaald in voetnoot 3.
8 – PB L 77, blz. 8.
9 – Punt 23 van het arrest.
10 – Punt 25 van het arrest.
11 – Punt 26 van het arrest.
12 – Punt 38 van het arrest.
13 – Aangehaald in voetnoot 4, blz. 232.
14 – Punt 27 van het arrest.
15 – Punt 30 van het arrest.
16 – Punten 31 tot 37 van het arrest.
17 – Punten 41 en 42 van het arrest.
18 – PB C 364, blz. 1.
19 – Punt 45 van het arrest.
20 – Punt 46 van het arrest.
21 – Punt 47 van het arrest.
22 – Punten 48 en 49 van het arrest.
23 – Punt 51 van het arrest.
24 – Punten 52 en 53 van het arrest.
25 – Arrest van 9 maart 1994 (C‑188/92, Jurispr. blz. I‑833).
26 – Aangehaald in voetnoot 5.
27 – PB L 210, blz. 32.
28 – Beschikking van 23 november 1999, Unión de Pequeños Agricultores (UPA)/Raad (T‑173/98, Jurispr. blz. II‑3357).
29 – Punten 36 en 37 van het arrest.
30 – Punt 44 van het arrest.
31 – Arrest van 22 oktober 1987, Foto‑Frost (C-314/85, Jurispr. blz. 4199, punt 20).
32 – Punt 44 van het arrest.
33 – Punt 45 van het arrest.
34 – Punten 23 en 24 van het bestreden arrest.
35 – Zie arrest Plaumann, blz. 232.
36 – Punt 30 van het bestreden arrest.
37 – Zie bijvoorbeeld het arrest van 17 januari 2002, Rica Foods/Commissie (T‑47/00, Jurispr. blz. II‑113, punt 4.
38 – Punt 36 van het bestreden arrest.
Full & Egal Universal Law Academy