CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. M. POIARES MADURO
van 1 april 2004 (1)
Zaak C‑276/02
Koninkrijk Spanje
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Staatssteun – Niet-betaling van belastingen en socialezekerheidsbijdragen door onderneming – Optreden van nationale autoriteiten gedurende surseance van betaling”
1. Met dit beroep verzoekt het Koninkrijk Spanje om nietigverklaring van beschikking 2002/935/EG van de Commissie van 14 mei 2002 betreffende staatssteun voor Grupo de Empresas Álvarez.(2) Volgens deze tot het Koninkrijk Spanje gerichte beschikking is de steunmaatregel bestaande in de aanhoudende niet-betaling van belastingen en socialezekerheidsbijdragen door Grupo de Empresas Álvarez SA (hierna: „GEA”) en door Vidrios Automáticos del Norte SA (hierna: „Vanosa”), dochteronderneming van GEA, die tussen 19 november 1997 voor GEA, respectievelijk 14 november 1997 voor Vanosa, en januari 2001 in surseance van betaling verkeerden, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
2. Het verdient aanbeveling kort stil te staan bij de context van deze zaak, temeer omdat het bij het Hof ingediende verzoekschrift geen duidelijke uiteenzetting van de middelen tot staving van het verzoek tot nietigverklaring bevat. Onduidelijkheid ligt eveneens ten grondslag aan een procedureel probleem, dat moet worden opgelost vóór de bespreking van de grond van de zaak.
I – De context van de zaak
A – De situatie van de door de steunmaatregel begunstigde ondernemingen
3. GEA is een producente en verkoopster van vaatwerk in porselein en aardewerk. Tot en met 1991 was zij een van de grootste producenten van vaatwerk in Spanje. Vanosa, haar 100 % dochteronderneming, was actief in de sector van verpakkingsmateriaal van glas. Vanaf 1992 heeft de sector waarin deze ondernemingen actief waren, ernstige moeilijkheden gekend. Daar is de economische crisis in Galicië, waar het concern van genoemde ondernemingen is gevestigd, bijgekomen.
4. Op grond van deze moeilijkheden hebben de Spaanse autoriteiten tussen 1992 en 1996 verschillende financiële steunmaatregelen ten gunste van GEA vastgesteld, in de vorm van garanties en een rechtstreekse subsidie. Hoewel deze maatregelen onrechtmatig zijn verklaard, omdat zij niet bij de Commissie waren aangemeld, heeft de Commissie in een eerste beschikking 98/364/EG van 15 juli 1997(3) geoordeeld dat deze steunmaatregelen in overeenstemming waren met de bepalingen in de communautaire kaderregeling voor reddings‑ en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden en derhalve verenigbaar waren met de gemeenschappelijke markt. De Commissie heeft aan dit oordeel echter twee voorwaarden verbonden. In de eerste plaats dienden de Spaanse autoriteiten zich in de toekomst van verdere steun te onthouden en het goedgekeurde herstructureringsplan volledig uit te voeren. In de tweede plaats dienden zij de Commissie halfjaarlijkse verslagen over de uitvoering van het herstructureringsplan en de economische situatie van GEA voor te leggen.
5. Het tweede verslag over de uitvoering van het herstructureringsplan is door de Commissie ontvangen op 21 mei 1999. Door dat verslag is de Commissie op de hoogte geraakt van het feit dat aan deze ondernemingen op hun verzoek in 1997 surseance van betaling was verleend door de Juzgada de Primera Instancia de Vigo (Spanje) en dat er in 1998, overeenkomstig de nationale wetgeving, overeenkomsten waren gesloten met de Agencia Estatal de Administración Tributaria (Rijksbelastingdienst; hierna: „belastingdienst”) en de Tesorería General de la Seguridad Social (Sociale Zekerheidsdienst; hierna: „sociale zekerheid”) (hierna: „overeenkomsten”). De door de belastingdienst op 14 april 1998 met elk van de twee vennootschappen gesloten overeenkomsten voorzagen enerzijds in de gedeeltelijke kwijtschelding van de belastingschuld van de twee vennootschappen en anderzijds in uitstel en spreiding op lange termijn voor de betaling van het resterende deel van de schuld. De bijzondere overeenkomst die Vanosa op 6 november 1998 met de sociale zekerheid heeft gesloten, voorzag in een gedeeltelijke kwijtschelding van haar schuld, alsook in uitstel en spreiding voor de betaling van het resterende deel van de schuld. De Commissie lijkt bij het onderzoek van dit verslag geen enkele schending te hebben opgemerkt van de voorwaarden waaronder de steunmaatregel is goedgekeurd. Enkel klachten van concurrenten hebben de Commissie ertoe gebracht wederom de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden. Deze klachten waren gebaseerd op het gedrag van de Spaanse autoriteiten, die hadden afgezien van de invordering van een aanzienlijk bedrag aan belastingen en socialezekerheidsbijdragen van de betrokken ondernemingen.
B – De bestreden beschikking
6. De bestreden beschikking, die is vastgesteld aan het einde van de door de Commissie ingeleide procedure, stelt in wezen dat GEA en Vanosa, vanaf de datum waarop hun surseance van betaling is verleend tot januari 2001, stelselmatig niet hebben voldaan aan hun fiscale en sociale verplichtingen. Zij bevestigt, dat overeenkomstig beschikking 1999/509/EG van de Commissie van 14 oktober 1998 betreffende door Spanje toegekende steun ten behoeve van de ondernemingen van het Magefesa-concern en hun opvolgers(4), die is bevestigd door het Hof in zijn arrest van 12 oktober 2000, Spanje/Commissie(5), de aanhoudende en stelselmatige niet-betaling van socialezekerheidsbijdragen en een aanzienlijk bedrag aan belastingen, nadat surseance van betaling was verleend en de overeenkomsten waren gesloten, een overdracht van staatsmiddelen aan GEA en Vanosa vormt. De Commissie zet vervolgens uiteen, dat het aldus door de betrokken ondernemingen ten opzichte van hun concurrenten behaalde voordeel bij het communautaire handelsverkeer, voortvloeit uit de nalatigheid van de Spaanse autoriteiten, die niet de noodzakelijke maatregelen hebben genomen om deze ondernemingen te dwingen zich aan hun verplichtingen te houden. Dat heeft een aanzienlijke toename van de schulden van genoemde ondernemingen tot gevolg gehad, waarmee is aangetoond dat de staat zich in de omstandigheden van het onderhavige geval niet heeft gedragen als een zorgvuldige particuliere schuldeiser.
7. In deze omstandigheden is de Commissie van mening, dat het feit dat de Spaanse autoriteiten geen betaling hebben geëist van de door GEA en Vanosa verschuldigde belastingen en socialezekerheidsbijdragen, moet worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG. Bovendien valt deze steun volgens de Commissie onder geen van de in artikel 87, leden 2 en 3, EG vastgestelde afwijkingen. Zij stelt dientengevolge vast dat de betrokken steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt en eist van het Koninkrijk Spanje dat het alle nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de begunstigde de steun terugbetaalt.
II – De ontvankelijkheid van de aangevoerde middelen
8. Uit de conclusies van partijen blijkt dat zij het erover eens zijn dat de middelen in het beroepschrift zijn ontleend aan schending van artikel 87, lid 1, EG. In de argumentatie van verzoeker kunnen drie middelen tot nietigverklaring worden onderscheiden. De schending van het EG-Verdrag bestaat in de eerste plaats in het feit dat er een fout is gemaakt bij de keuze en uitlegging van het toepasselijk juridisch kader, in de tweede plaats in het feit dat er een fout is gemaakt bij de vaststelling van de feiten waarop de bestreden beschikking berust, en in de derde plaats in het feit dat de relevante feiten juridisch onjuist zijn gekwalificeerd.
9. Er bestaat echter twijfel over de ontvankelijkheid van een in de loop van het geding aangevoerd ander middel. In zijn repliek vordert verzoeker de gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beschikking op grond van het feit dat de duur van de staatssteun niet is bepaald. De Commissie beschouwt deze vordering als een nieuw middel. Zij concludeert dan ook, dat het moet worden verworpen op grond van artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat bepaalt dat nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
10. Ik herinner eraan dat het Hof in principe elk middel afwijst dat voor de eerste maal in de repliek wordt aangevoerd. Het komt zeker voor, dat het Hof toestaat in dit stadium een nieuw middel aan te voeren, maar enkel in een van de drie volgende uitzonderlijke situaties: ofwel wanneer blijkt dat het betrokken middel slechts een uitwerking vormt van een eerder opgeworpen middel, dat rechtstreeks of stilzwijgend in het verzoekschrift ter sprake is gebracht(6), ofwel dat het middel een middel van openbare orde is, dat ambtshalve door de gemeenschapsrechter moet worden opgeworpen(7), ofwel dat het steunt op gegevens waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.(8)
11. In het onderhavige geval lijkt er volgens mij geen twijfel mogelijk dat het laattijdig aangevoerde middel niet-ontvankelijk is. Wat tracht de Spaanse regering te bereiken met de conclusies in de repliek? Zij kritiseert de wijze waarop de Commissie de duur van de staatssteun heeft bepaald. Verzoeker heeft dit middel vaag geformuleerd. Hoewel het simpel lijkt, bestaat het uit twee zeer verschillende onderdelen.
12. Enerzijds voert verzoeker aan dat de motivering van de bestreden beschikking een niet erg duidelijke uiteenzetting bevat met betrekking tot de duur van de staatssteun. Volgens verzoeker is die beschikking niet naar behoren gemotiveerd, waardoor een vormvoorschrift is geschonden. In deze vorm steunt het middel op een andere rechtsgrond dan de in het verzoekschrift aangevoerde middelen, die allemaal betrekking hebben op de materiële rechtmatigheid van de beschikking. Het laattijdig opwerpen van een middel dat steunt op een nieuwe rechtsgrond, zonder dat het samenhangt met de in het verzoekschrift aangevoerde middelen, kan naar mijn mening gemakkelijk worden gekwalificeerd als een nieuw middel, dat niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Wanneer het Hof echter een deel van zijn rechtspraak zou volgen en zou oordelen dat een dergelijk middel een middel van openbare orde is, dat ambtshalve door de gemeenschapsrechter moet worden opgeworpen(9), zou het kunnen volstaan met de vaststelling dat de Commissie aan haar motiveringsplicht heeft voldaan door in de punten 41 tot en met 55 van de motivering van de bestreden beschikking duidelijk de duur van de staatssteun te vermelden, met de argumentatie die haar tot dat standpunt heeft geleid.(10) Gesteld dat het middel betreffende een motiveringsgebrek ontvankelijk zou zijn, dient het ongegrond te worden verklaard.
13. Anderzijds betwist verzoeker rechtstreeks de duur van de litigieuze staatssteun. Hij verwijt de Commissie juist, dat deze als aanvangstijdstip van de staatssteun de data heeft beschouwd waarop surseance van betaling is verleend, terwijl deze surseances en de overeenkomsten onderdeel waren van de kwijtschelding en herschikking van schulden waaraan de Commissie haar goedkeuring had gegeven in de eerste beschikking 98/364 van 1997. De Commissie ziet in dit verwijt een simpel probleem betreffende de kwantificering van de onderdelen van de staatssteun, die deel uitmaakt van de volgende fase van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking. Het standpunt, dat de vaststelling van het tijdstip waarop de voordelen zijn toegekend en de duur hiervan, rechtstreeks te maken heeft met de kwalificatie van de staatssteun, komt mij echter juister voor. Dit middel heeft derhalve met de middelen in het verzoekschrift gemeen, dat het steunt op schending van artikel 87, lid 1, EG. Daaruit volgt echter niet dat het ontvankelijk is.
14. Wanneer het middel ontvankelijk zou kunnen worden verklaard, zou het ongetwijfeld van zeer groot belang zijn de gegrondheid ervan te onderzoeken. In dat geval moet worden opgemerkt dat de vaststelling van het tijdstip waarop de staatssteun is toegekend, kan verschillen. In beginsel is er pas sprake van staatssteun vanaf het tijdstip waarop de litigieuze voordelen zijn toegekend. Maar het kan anders zijn, wanneer deze voordelen zijn toegekend in strijd met een door de Commissie goedgekeurde beschikking betreffende staatssteun. De rechtmatigheid van de goedgekeurde maatregelen is in dat geval immers strikt gebonden aan de naleving van de voorwaarden die de Commissie heeft opgelegd aan de betrokken lidstaat. Wanneer derhalve kan worden aangetoond dat de lidstaat zijn verplichtingen terzake niet is nagekomen en zich niet aan de opgelegde voorwaarden heeft gehouden, zou men zelfs het standpunt kunnen innemen dat niet enkel de niet voorziene voordelen (in het onderhavige geval, afzien van invordering door de Spaanse autoriteiten na de sluiting van de overeenkomsten) als staatssteun worden gekwalificeerd, maar eveneens de maatregelen die op het moment dat zij werden onderzocht, uit het oogpunt van het Verdrag niet tot bezwaren hadden geleid (in het onderhavige geval, de kwijtschelding en herschikking van schulden na de surseances van betaling en de daaropvolgende overeenkomsten).(11)
15. Feit blijft dat een dergelijke inspanning overbodig is in deze zaak. Dit verwijt betreft immers niet, zoals verzoeker beweert, simpelweg een argument ter ondersteuning van de middelen in het verzoekschrift. Het vormt een echt middel, dat steunt op argumenten en gegevens van feitelijke en juridische aard, die verschillen van die welke zijn aangevoerd tot staving van het verzoekschrift. Hoewel het middel, aldus opgevat, niet volledig losstaat van de in het verzoekschrift aangevoerde grond tot nietigverklaring, verschilt het duidelijk van de daarin opgenomen middelen. Het dient derhalve om het voorwerp van het geding uit te breiden, op een moment dat dat reeds vastligt en in principe niet meer kan worden aangepast. In dergelijke gevallen is het vaste rechtspraak dat de verzoeker zich niet op dat middel kan beroepen.(12)
16. Daarbij komt, dat in het onderhavige geval de in het Reglement voor de procesvoering voorziene uitzondering niet van toepassing zou zijn: men kan niet stellen dat dit middel, ongeacht de grond waarop men het baseert, steunt op gegevens waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Er was in feite geen enkele belemmering om de gestelde onrechtmatigheid vanaf de vaststelling van de bestreden beschikking naar voren te brengen.
17. Uit het bovenstaande volgt dat beide onderdelen van het middel betreffende het feit dat de duur van de staatssteun niet is bepaald, niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.
III – De schending van artikel 87, lid 1, EG en de kwalificatie als staatssteun
18. Verzoeker staaft zijn verzoek tot nietigverklaring met drie middelen. Met het eerste middel betwist hij het rechtskader en de juridische maatstaven die van toepassing zijn op steunmaatregelen aan ondernemingen in moeilijkheden. Volgens verzoeker zou daaruit immers volgen dat elke procedure van surseance van betaling staatssteun inhoudt. Gesteld dat dit kader wordt behouden, dan betwist verzoeker met het tweede middel het standpunt van de Commissie, dat de Spaanse autoriteiten niets hebben ondernomen gedurende de periode waarin geen belastingen en socialeverzekeringsbijdragen werden betaald. Met het derde middel komt verzoeker op tegen de beoordeling van het optreden van genoemde autoriteiten door de Commissie.
19. Het eerste van deze middelen komt erop neer dat de relevantie ter discussie wordt gesteld van het criterium van de „particuliere schuldeiser”, dat wordt gehanteerd bij het onderzoek van de behandeling van ondernemingen in moeilijkheden, terwijl de twee andere middelen zijn gebaseerd op fouten die volgens verzoeker in het onderhavige geval zijn begaan bij de toepassing van dat criterium.
A – Onjuiste rechtsopvatting: relevantie van het criterium van de particuliere schuldeiser in de definitie van het begrip staatssteun
20. Verzoeker stelt om te beginnen dat het gelaakte gedrag voortvloeit uit de normale toepassing van de nationale faillissementswetgeving. Iedere andere onderneming die zich in dezelfde situatie bevindt, zou het voorwerp kunnen zijn van dezelfde procedures. Volgens verzoeker komt het door de Commissie in de bestreden beschikking gehanteerde onderzoekskader erop neer, dat algemene regelgeving ter discussie wordt gesteld, maar niet specifieke maatregelen, zoals het gemeenschapsrecht inzake staatssteun vereist. Alle door de lidstaten ingeleide procedures ter voorkoming van faillissementen zouden derhalve worden bedreigd.
21. Het is juist, dat het Hof heeft geoordeeld dat het eventuele verlies van belastingontvangsten, dat voor de staat voortvloeit uit de toepassing van de regeling van buitengewoon beheer, wegens het absolute verbod van individuele executiehandelingen en de schorsing van de rente op alle schulden van de betrokken onderneming, op zichzelf geen grond is om die regeling als steunmaatregel te kwalificeren. Die consequentie is immers inherent aan iedere wettelijke regeling die het kader vaststelt waarbinnen de betrekkingen tussen een insolvabele onderneming en al haar schuldeisers worden geregeld, zonder dat daaruit automatisch het bestaan van een extra financiële last kan worden afgeleid die rechtstreeks of zijdelings door de overheid wordt gedragen en die is bestemd om de betrokken ondernemingen een bepaald voordeel toe te kennen.(13) Dat neemt niet weg dat in bijzondere omstandigheden het gedrag van de staat in het kader van een faillissementsprocedure een steunmaatregel in de zin van artikel 87, lid 1, EG kan vormen.(14) Het Hof heeft aldus met name geoordeeld wat betreft de beslissing van de openbare schuldeisers, niet te verzoeken om liquidatie van de ondernemingen van het Magefesa-concern, die tot aan de beëindiging van hun activiteiten hun fiscale verplichtingen niet waren nagekomen.(15)
22. De Commissie zet uiteen dat het juridische kader van het onderhavige geval duidelijk kan worden afgeleid uit deze rechtspraak van het Hof, met name uit de zaak „Magefesa”. De Commissie stelt nergens in de bestreden beschikking dat zij het bestaan van staatssteun afleidt uit de gevolgde procedures ter voorkoming van faillissementen en de gesloten overeenkomsten, of zelfs uit de verliezen die daaruit voortvloeien voor de openbare schuldeisers. Noch de nationale faillissementswetgeving, noch de preventieve procedures op zich, worden ter discussie gesteld in deze beschikking. Wat dat betreft, betwist de Commissie niet dat de openbare schuldeisers beschikten over verschillende instrumenten om de betrokken ondernemingen tot nakoming van hun verplichtingen te dwingen en over een discretionaire bevoegdheid bij de keuze van de toe te passen instrumenten. In het licht van de rechtspraak van het Hof is dat voldoende om vast te stellen dat er in casu sprake is van specifieke maatregelen.(16) Er wordt van uitgegaan dat de staatssteun niet voortvloeit uit algemene voordelen die de nationale wetgeving kan opleveren, maar uit specifieke en selectieve voordelen, die het gevolg zijn van de wijze waarop die wetgeving is toegepast in het concrete geval.(17)
23. Om het gedrag van de overheid te beoordelen in gevallen zoals het onderhavige, heeft het Hof een door de Commissie gevolgde methode bekrachtigd, die erin bestaat het gedrag van de overheid te vergelijken met dat van een zorgvuldige particuliere schuldeiser in dezelfde omstandigheden.(18) Er dient te worden nagegaan of een particuliere schuldeiser, in vergelijkbare omstandigheden, dezelfde overeenkomsten zou hebben gesloten, dezelfde schulden zou hebben kwijtgescholden en de overeenkomsten op dezelfde wijze zou hebben beheerd. Deze interventies kunnen worden toegestaan, wanneer zij de betrokken onderneming in staat stellen, ten gunste van de schuldeiser, een tijdelijke crisis te boven te komen. Maar wanneer de interventies slechts dienen om een onderneming te behouden, die niet levensvatbaar is en niet is aangepast aan de eisen van de markt, zullen zij worden veroordeeld, want zij zijn dan in strijd met de logica van de economische doelmatigheid en de goede werking van de gemeenschappelijke markt.
24. De Commissie herinnert er in de bestreden beschikking terecht aan, dat het criterium van de particuliere schuldeiser niet mag worden verward met het in de rechtspraak van het Hof meer klassieke criterium van de particuliere investeerder.(19) Terwijl de investeerder een voordeel wil behalen met zijn deelneming in de betrokken ondernemingen, tracht de schuldeiser betaling te verkrijgen van de bedragen die hem verschuldigd zijn door een in financiële moeilijkheden verkerende debiteur.(20) De investeerder kan de investering uitkiezen die hem het meest winstgevend voorkomt. Het kapitaal dat hij wenst te investeren in een onderneming is, in theorie, onder dezelfde voorwaarden beschikbaar voor alle ondernemers op de markt. Dat is niet de situatie van de schuldeiser. Deze bevindt zich reeds in een bevoorrechte relatie met een debiteur, waaraan hij wellicht nieuwe voordelen zou willen verschaffen in de vorm van een kwijtschelding of een herschikking van schulden. Het kapitaal dat dan in het spel is, wordt niet „op de markt” gebracht. Het is niet onder dezelfde voorwaarden beschikbaar voor de andere marktdeelnemers. Een dergelijk kapitaal wordt enkel verstrekt met inachtneming van de belangen van de twee partijen. Dit verschil in situatie moet naar mijn mening leiden tot een verschillende waardering van de vergelijking tussen het gedrag van de overheid en dat van een particuliere ondernemer. In een investeringssituatie vindt de vergelijking plaats „onder normale marktvoorwaarden”. Wanneer het kapitaal wordt verstrekt, zelfs aan een onderneming in moeilijkheden, onder voor de investeerder zodanig gunstige voorwaarden dat hij ervan uit mag gaan dat de investering op langere termijn financieel rendabel wordt, is er geen sprake van een voordeel en wordt de mededinging niet vervalst. In een relatie tussen een schuldeiser en een debiteur is de situatie verschillend. Hier kan de vergelijking enkel plaatsvinden onder „vergelijkbare marktvoorwaarden”.(21) Het gaat er niet om, de situatie van de debiteur te beoordelen in vergelijking met de situatie van zijn concurrenten op de markt, maar in vergelijking met de situatie van ondernemingen die zich in dezelfde moeilijkheden bevinden. Er dient derhalve niet enkel te worden nagegaan of er sprake is van een economisch voordeel, want dat lijdt geen twijfel(22), maar of dat voordeel een „selectief” voordeel is, doordat het voor een onderneming zou leiden tot een voorkeursbehandeling, die op geen enkele wijze wordt gerechtvaardigd door de logica van de economische doelmatigheid.(23) In dat geval is het doorslaggevende criterium derhalve niet dat er sprake is van een economisch voordeel, maar dat dit voordeel overeenkomt met een behandeling die gunstiger is dan die welke een particuliere schuldeiser in vergelijkbare omstandigheden zou geven aan zijn debiteur.
25. In beide gevallen kan men de vergelijkingsmethode die is gebaseerd op het criterium van de particuliere ondernemer, slechts goedkeuren. Een dergelijke methode is in overeenstemming met de algemene doelstelling van het Verdrag, te vermijden dat er kunstmatige voordelen worden geschapen ten gunste van bepaalde economische belangen, waardoor deze een bevoorrechte positie verkrijgen.(24) Maar er moet rekening worden gehouden met de verschillende omstandigheden waarin deze methode moet worden toegepast. De vergelijking heeft noch dezelfde functie, noch dezelfde zin, naargelang zij wordt toegepast op het geval van een investeerder of op dat van een schuldeiser.
26. In het onderhavige geval lijken het rechtskader en de juridische methode die de Commissie heeft toegepast, niet vatvaar voor ernstige kritiek. Zij zijn in overeenstemming met het onderscheid en het criterium, ontwikkend in de rechtspraak van het Hof. De enige vraag die zich in wezen voordoet is hoe hetgeen de Commissie de „Magefesa doctrine” noemt, moet worden toegepast in de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval, rekening houdend met het gedrag van de overheid. Uit vaste rechtspraak blijkt immers dat bij de beoordeling van een voordeel dat staatssteun vormt, de concrete omstandigheden van iedere zaak van bijzonder belang zijn.(25)
27. Een eerste conclusie ligt voor de hand. Verzoeker heeft de onjuiste rechtsopvatting niet kunnen aantonen. Het eerste middel is derhalve ongegrond.
B – Foutieve toepassing van het criterium van de zorgvuldige particuliere schuldeiser
28. Volgens verzoeker vloeit de fout enerzijds voort uit de omstandigheid dat de relevante feiten niet volledig in aanmerking zijn genomen. Anderzijds komt de fout naar zijn mening voort uit een onjuiste juridische kwalificatie van de ter kennis van de Commissie gebrachte feiten.
1. Feitelijke onjuistheid
29. Om te bepalen of de Spaanse autoriteiten zich in de omstandigheden van het geval hebben gedragen als een voldoende zorgvuldige schuldeiser, is het van belang te weten wat zij daadwerkelijk hebben ondernomen. De Spaanse regering is van mening dat de bestreden beschikking de aan de Commissie bekende relevante feiten niet juist weergeeft. Zij concludeert daaruit dat deze beschikking is vastgesteld op basis van omstandigheden die anders waren dan de Commissie beweert.
30. Er dient aan te worden herinnerd dat in het kader van een beroep tot nietigverklaring de wettigheid van het betwiste besluit moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de rechtstoestand die bestonden op de datum waarop het besluit werd genomen.(26) Uit deze regel volgt meer bepaald inzake staatssteun dat de Commissie niet kan worden verweten dat zij geen rekening heeft gehouden met feiten die haar niet ter kennis zijn gebracht tijdens het onderzoek van het verweten gedrag.(27) Uit de stukken in het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat talrijke feiten die in het verzoekschrift zijn opgenomen ter ondersteuning van het betoog van de Spaanse autoriteiten, niet aan de Commissie waren medegedeeld tijdens de administratieve onderzoeksprocedure. Deze feiten hebben zich of na de vaststelling van de bestreden beschikking voorgedaan(28) of zijn niet tijdig medegedeeld aan de opsteller van de beschikking(29), en kunnen derhalve niet dienen ter ondersteuning van een voor het Hof aangevoerd middel. Voorzover het steunt op deze feiten, kan het middel betreffende een feitelijke onjuistheid niet worden aanvaard.
31. Hoewel het verzoekschrift beter is gedocumenteerd dan het tijdens de onderzoeksprocedure door de Commissie samengestelde dossier, blijkt toch uit de aan het Hof overgelegde stukken dat dit dossier completer is dan de bestreden beschikking doet vermoeden.(30) Aldus wordt duidelijk dat de gelegde beslagen en de geëxecuteerde hypothecaire leningen niet gedetailleerd worden vermeld in genoemde beschikking. De Commissie volstaat daar met de vermelding van de beslaglegging op onroerende goederen en diverse activa.(31)
32. Moet daaruit worden geconcludeerd dat de bestreden beschikking onwettig is? Verzoeker is die mening toegedaan, omdat hij in die feiten het bewijs ziet van zijn handelen en van de zorgvuldigheid waarvan de autoriteiten blijk hebben gegeven bij het voeren van de faillissementsprocedures. De Commissie bestrijdt dat het in aanmerking nemen van deze feiten zou kunnen leiden tot een aanpassing van haar analyse. Beide partijen dragen aldus in feite bij tot het verleggen van de vraag. Voor hen betreft de kern van de discussie veeleer de wijze waarop de feiten zijn beoordeeld. De gestelde onwettigheid wordt besproken als gevolg, niet van de feitelijke onjuistheid, maar van de juridische beoordeling van de feiten.
33. In ieder geval moet worden erkend dat de Commissie op dit gebied over een zekere vrijheid beschikt bij de vaststelling en de keuze van de relevante feiten. Haar kan enkel worden verweten dat zij heeft nagelaten bepaalde omstandigheden te vermelden, die bruikbaar hadden kunnen zijn bij de analyse. Maar het lijkt niet, en overigens is niet gesteld, dat de bestreden beschikking is gebaseerd op onjuiste of verdraaide feiten. In die omstandigheden kan een eenvoudige feitelijke onnauwkeurigheid in de motivering op zich niet tot de onwettigheid van het dispositief van deze beschikking leiden. Derhalve dient het middel betreffende een feitelijke onjuistheid te worden verworpen.
2. Onjuiste juridische beoordeling van de feiten
34. De volgende vraag moet worden gesteld: rechtvaardigen de feiten waarvan de Commissie tijdens de onderzoeksprocedure kennis kon hebben, de conclusie dat de Spaanse autoriteiten geen blijk hebben gegeven van voldoende zorgvuldigheid? Met andere woorden: zou het in aanmerking nemen van alle omstandigheden van het onderhavige geval, met inbegrip van die welke niet zijn herhaald in de motivering van de beschikking, kunnen leiden tot een gewijzigde beoordeling? Dat dient nog te worden nagegaan.
35. De Spaanse regering stelt dat de Commissie, door de toepassing van het criterium van de zorgvuldige particuliere schuldeiser, onvoldoende rekening heeft gehouden met de middelen die de bevoegde autoriteiten hebben aangewend om de invordering van de na de sluiting van de overeenkomsten ontstane schulden te verzekeren. Middelen zoals de beslaglegging op roerende en onroerende zaken, het verzoek van de sociale zekerheid in 2001 om beslag te leggen op bankrekeningen, de beslaglegging door de belastingdienst tussen 1999 en 2001 op sociale woningen, op handelsmerken van het GEA-concern en op schuldvorderingen op de belangrijkste klanten van de betrokken vennootschappen, zouden volgens de Spaanse regering zijn verhuld. Door deze fout heeft de Commissie ten onrechte geoordeeld dat „Spanje niet de door de Spaanse wetgeving vastgestelde maatregelen (afzonderlijke executoriale procedures) heeft ingezet om te beletten dat de ondernemingen hun activiteiten voortzetten zonder aan hun fiscale en sociale verplichtingen te voldoen”.(32) De Commissie stelt in reactie op deze argumenten, dat deze middelen laattijdig zijn aangewend en in ieder geval niet effectief waren. Dat deze middelen een aanzienlijke toename van de schulden van de betrokken ondernemingen na de sluiting van de overeenkomsten niet hebben kunnen voorkomen, toont volgens de Commissie het in gebreke blijven van de Spaanse autoriteiten aan. Zij hebben niet alle juridische instrumenten gebruikt waarover zij als bevoorrechte schuldeiser beschikten om zich te verzetten tegen de niet-betaling door deze ondernemingen. In een dergelijke situatie zouden de Spaanse autoriteiten volgens de Commissie gebruik hebben moeten maken van de mogelijkheid om genoemde ondernemingen failliet te laten verklaren en hun activa te laten liquideren.
36. Voordat ik mij uitspreek over dit geschil, wil ik kort terugkomen op het criterium van de zorgvuldige particuliere schuldeiser, voorwerp van de litigieuze kwalificatie. De figuur van de „particuliere schuldeiser” blijft mysterieus in de jurisprudentie, temeer omdat hij, bijvoorbeeld in het geval waar de publieke schuldeiser beschikt over bevoorrechte schuldvorderingen, wordt vervangen door de fictieve „hypothetische particuliere schuldeiser”.(33) Deze fictie is naar mijn mening bedoeld om een wezenlijke eigenschap te onderstrepen. „De zorgvuldige particuliere schuldeiser in een markteconomie” is een efficiënte ondernemer, die in staat is de meest geschikte middelen te herkennen en te gebruiken om een bepaald doel, namelijk het innen van zijn schuldvorderingen, te bereiken.
37. Deze efficiëntie houdt met name in dat alle factoren in aanmerking worden genomen, die te maken hebben met de relatie waarin de particuliere schuldeiser is betrokken.(34) Hoewel verzoeker stelt dat de Commissie in een andere beschikking op een soortgelijke vraag een tegengesteld antwoord heeft gegeven, antwoordt de Commissie terecht dat de omstandigheden in die zaak sterk verschilden. Die beschikking maakte, anders dan de bestreden beschikking, gewag van een actieve en verstandige handelwijze van de sociale zekerheid en de belastingdienst.(35)
38. Er dient eveneens te worden benadrukt dat het criterium van de zorgvuldige particuliere schuldeiser niet van de overheid verlangt dat zij geen oog heeft voor andere in het kader van een faillissementsprocedure nagestreefde doelstellingen. Het staat haar vrij om, zoals in het onderhavige geval, rekening te houden met „het algemene en sociale belang om de werkgelegenheid te beschermen”.(36) Maar deze aandacht mag enkel gevolgen hebben binnen het kader van het onderzoek van de verenigbaarheid van de steunmaatregel krachtens artikel 87, lid 3, EG. Ter fine van de kwalificatie als staatssteun, wordt het optreden van de staat niet afgemeten aan de waarde of het belang van de nagestreefde doelstellingen. Het wordt afgemeten aan de efficiëntie van de aangewende middelen met het oog op de bescherming van zijn belangen als schuldeiser. Dit is het enige gezichtspunt van waaruit in dit kader de handelwijze van de overheid moet worden beoordeeld.
39. Ten slotte moet worden erkend dat het criterium van de particuliere schuldeiser niet van de overheid verlangt dat zij onmiddellijk het faillissement van een onderneming in moeilijkheden aanvraagt.(37) De Spaanse autoriteiten kan in principe niet worden verweten dat zij de beëindiging van de activiteiten van de betrokken ondernemingen hebben willen voorkomen. Het is volkomen voorstelbaar dat een particuliere schuldeiser, die beschikt over aanzienlijke geldmiddelen, er belang bij heeft de activiteiten van een debiteur een tijdlang voort te zetten, wanneer de kosten van een onmiddellijke liquidatie hoger blijken te zijn dan de kosten van het verlenen van steun. Iedere schuldeiser moet een vergelijking maken tussen enerzijds het voordeel dat zou kunnen voortvloeien uit een snelle liquidatie van de onderneming, en anderzijds het voordeel dat zou kunnen voortvloeien uit het tijdelijk afzien van de inning van zijn vorderingen en de voortzetting van de activiteiten van zijn debiteur.
40. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof, komt het mij voor dat een keuze ten gunste van het afzien van de inning, tenminste moet voldoen aan drie voorwaarden. In de eerste plaats zal de economische levensvatbaarheid en de verbetering van de financiële situatie van de onderneming a priori moeten kunnen worden vastgesteld.(38) In de tweede plaats moet alles worden gedaan om te voorkomen dat nieuwe kredieten worden aangegaan en dat nieuwe schulden ontstaan.(39) In de derde plaats moet de staat kunnen rekenen op de inning van zijn vorderingen binnen een redelijke termijn.(40)
41. Uit de toepassing van dit analysekader op het onderhavige geval, blijkt de zwakke houding van de Spaanse regering. Op het moment waarop, na het sluiten van de overeenkomsten, nog kon worden uitgegaan van de levensvatbaarheid van de ondernemingen en de inning van de vorderingen binnen een redelijke termijn, blijkt dat de meest efficiënte procedures om het ontstaan van nieuwe schulden te verhinderen, niet zijn toegepast. Dit gebrek aan efficiëntie en zorgvuldigheid uit zich met name in drie opzichten.
42. Het blijkt in de eerste plaats uit de laattijdigheid van de aangewende middelen. De door verzoeker aangevoerde beslagen na de surseanceprocedures zijn pas gelegd vanaf eind 2000, dus meer dan drie jaar nadat de surseances van betaling waren verleend. Hoewel de Spaanse autoriteiten ten slotte hebben besloten de overeenkomsten op te zeggen en de executoriale procedures te hervatten, maakten de opgebouwde schulden iedere inning hoogst onwaarschijnlijk.(41) Dit trage optreden is des te duidelijker omdat partijen hebben erkend dat de particuliere schuldeisers veel sneller dan de openbare schuldeisers zijn geweest met het verzoek tot executie van de hypothecaire zekerheden en tot faillietverklaring van Vanosa. Het gebrek aan zorgvuldigheid blijkt in de tweede plaats uit het feit dat de aangewende middelen niet effectief waren. Uit het dossier blijkt dat de gelegde beslagen slechts een zeer beperkt effect hebben gehad. Afgezien daarvan, kan de door de openbare schuldeisers uitgeoefende bescheiden „pressie”, anders dan verzoeker beweert, het gebrek aan rechtstreekse actie niet compenseren. Behalve dat de werkelijke gevolgen van een dergelijke pressie hypothetisch blijven, is het enige waarschijnlijke resultaat dat is aangevoerd (de sluiting van de ondernemingen), niet relevant voor het nagestreefde doel: de inning van de schuldvorderingen. Ten slotte worden de inefficiëntie en het gebrek aan zorgvuldigheid van de Spaanse autoriteiten aangetoond door hun gebrek aan kennis van zaken. Dat het Koninkrijk Spanje niet in staat was het exacte bedrag van de verschuldigde belastingen mede te delen, vormt reeds een aanwijzing voor een zekere nalatigheid. Maar er is eveneens vastgesteld dat de overheid zich niet met zekerheid heeft kunnen uitlaten over de stand van de activiteiten van de betrokken ondernemingen. In plaats van te rechtvaardigen dat GEA haar fiscale verplichtingen niet is nagekomen, zoals verzoeker stelt, bewijst een dergelijk gebrek aan informatie een gebrek aan oplettendheid aan de kant van de bevoegde autoriteiten.
43. Verzoeker stelt tot besluit, dat een grotere ijver van de bevoegde diensten niet zou hebben kunnen leiden tot een snellere opzegging van de overeenkomsten. Dat zou te maken hebben met de wijze waarop het administratieve systeem voor de inning van schulden functioneert.(42) Het is echter vaste rechtspraak dat vermeende moeilijkheden van praktische en administratieve aard geen rechtvaardiging kunnen vormen voor de nalatigheid noodzakelijke maatregelen te treffen ter naleving van de fundamentele regels van het Verdrag(43), en in het onderhavige geval, de uitvoering van een beschikking tot goedkeuring van herstructureringssteun.
44. In deze omstandigheden en rekening houdend met de voorgeschiedenis van deze zaak, is het moeilijk om niet te erkennen dat een zorgvuldige schuldeiser alle belang had om op de kortst mogelijke termijn de overeenkomsten op te zeggen en de liquidatie van de betrokken ondernemingen te vorderen. Ik herinner eraan dat het onderzoek van de situatie van deze laatste diende te passen binnen het kader van een herstructureringsplan, waarvan de toepassing was onderworpen aan de strikte voorwaarde dat er geen nieuwe steun zou worden verleend, ook niet in de vorm van het afzien van de invordering van onbetaalde schulden.(44) Het erkende feit dat de overeenkomsten zijn geschonden vanaf het moment dat ze zijn gesloten, gaf naar mijn mening voldoende de weg aan die gevolgd had moeten worden. Het is het gebrek aan reactie waarvan de Spaanse autoriteiten blijk hebben gegeven, hoewel zij op de hoogte waren van de situatie, dat de staatssteun oplevert.
45. Ik ben van mening dat de Commissie, naar behoren rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de zaak, het criterium van de particuliere schuldeiser juist heeft toegepast. Evenals de andere besproken middelen, dient het middel betreffende de onjuiste juridische beoordeling van de feiten te worden verworpen.
IV – Conclusie
46. In het licht van het bovenstaande, geef ik het Hof in overweging:
1) het beroep te verwerpen;
2) het Koninkrijk Spanje te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Portugees.
2 – PB L 329, blz. 1 (hierna: „bestreden beschikking”).
3 – PB 1998, L 164, blz. 30.
4 – PB 1999, L 198, blz. 15.
5 – C‑480/98, Jurispr. blz. I‑8717.
6 – Arrest van 30 september 1982, Amylum/Raad (108/81, Jurispr. blz. 3107, punt 25).
7 – Arrest van 20 februari 1997, Commissie/Daffix (C‑166/95 P, Jurispr. blz. I‑983, punt 24).
8 – Arrest van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, Jurispr. blz. I‑8375, punten 369‑379).
9 – Hoewel de kwalificatie van de motiveringsplicht als middel van openbare orde lijkt te behoren tot de vaste rechtspraak, bestaat er onzekerheid over de procedurele gevolgen die daaraan dienen te worden verbonden. Soms oordeelt het Hof simpelweg dat het „ambtshalve [kan] onderzoeken, of wezenlijke vormvoorschriften zijn geschonden”, waartoe de motiveringsplicht behoort (zie bijvoorbeeld arrest van 7 mei 1991, Oliveira/Commissie, C‑304/89, Jurispr. blz. I‑2283, punt 18), soms oordeelt het dat het een dwingende plicht betreft (zie met name arrest van 3 juli 2003, België/Commissie, C‑457/00, Jurispr. blz. I‑6931, punt 102). Naar mijn mening is de bevoegdheid om ambtshalve middelen van openbare orde op te werpen eenvoudig een mogelijkheid en geen juridische verplichting. Het is slechts een „plicht” in de algemene betekenis dat de gemeenschapsrechter tot taak heeft een adequate rechtsbescherming te waarborgen, en die slechts bestaat wanneer de betrokken verplichting duidelijk lijkt te zijn geschonden.
10 – In deze punten van de bestreden beschikking preciseert de Commissie duidelijk de duur van de staatssteun en haar wens om het stilzitten van de nationale autoriteiten aan de kaak te stellen met betrekking tot de schulden die de betrokken ondernemingen hebben opgebouwd, nadat hun surseance van betaling was verleend.
11 – Zie, in deze zin, Keppenne J.-P., Guide des aides d’État en droit communautaire, Bruylant, Brussel, 1999, blz. 94.
12 – Zie bijvoorbeeld arresten van 1 april 1982, Dürbeck/Commissie (11/81, Jurispr. blz. 1251, punt 13), en 6 december 1984, Biovilac/EEG (59/83, Jurispr. blz. 4057, punt 24).
13 – Arrest van 1 december 1998, Ecotrade (C‑200/97, Jurispr. blz. I‑7907, punt 36). Voor de motivering van deze bevestiging verwijst het Hof naar het arrest van 17 maart 1993, Sloman Neptun (C‑72/91 en C‑73/91, Jurispr. blz. I‑887, punt 21).
14 – Zie arresten van 29 april 1999, Spanje/Commissie (C‑342/96, Jurispr. blz. I‑2459); 29 juni 1999, DM Transport (C‑256/97, Jurispr. blz. I‑3913), en 12 oktober 2000, Spanje/Commissie, aangehaald in voetnoot 5.
15 – Arrest van 12 oktober 2000, Spanje/Commissie, aangehaald in voetnoot 5.
16 – Zie arresten van 26 september 1996, Frankrijk/Commissie (C‑241/94, Jurispr. blz. I‑4551, punten 20 en 21) en DM Transport, aangehaald in voetnoot 14, punt 30. Zie eveneens conclusie van advocaat-generaal La Pergola in de zaak Spanje/Commissie (C‑342/96, aangehaald in voetnoot 14), punt 8, alsmede conclusie van advocaat-generaal Jacobs in die zaak, punt 40, en conclusie van advocaat-generaal Mischo in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 12 oktober 2000, Spanje/Commissie (C‑480/98, aangehaald in voetnoot 5), punten 12‑14.
17 – Er dient te worden opgemerkt dat het Hof soms geen onderscheid maakt tussen het begrip specifiek en het begrip selectief (zie bijvoorbeeld arrest van 17 juni 1999, België/Commissie, C‑75/77, Jurispr. blz. I‑3671, punt 26). Men kan zich echter afvragen of dat niet zou moeten gebeuren. Specifiek staat immers tegenover algemeen. Een maatregel moet als specifiek worden beschouwd wanneer hij van toepassing is op een bijzondere categorie ondernemingen, zonder dat deze differentiatie kan worden gerechtvaardigd door de aard en opzet van het lastenstelsel waarbinnen zij plaatsvindt (zie in die zin, arrest van 13 februari 2003, Spanje/Commissie, C‑409/00, Jurispr. blz. I‑1487, punt 52). Een dergelijke maatregel resulteert in de toepassing van een bijzondere behandeling. Selectiviteit is iets anders en speelt in een andere fase van het onderzoek (zie punten 24 en 25 van deze conclusie). Selectiviteit staat niet tegenover algemeenheid, maar tegenover gelijke behandeling en vooronderstelt dat binnen een algemene categorie ondernemingen, bepaalde ondernemingen een voorkeursbehandeling krijgen. In die zin kan er een specifiek voordeel bestaan, dat niet selectief is.
18 – Arrest van 29 april 1999, Spanje/Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punt 46.
19 – Punt 49 van de motivering van de bestreden beschikking. Zie met betrekking tot het criterium van de particuliere investeerder, met name arresten van 21 maart 1991, Italië/Commissie (C‑305/89, Jurispr. blz. I‑1603); 14 september 1994, Spanje/Commissie (C‑278/92–C‑280/92, Jurispr. blz. I‑4103), en 28 januari 2003, Duitsland/Commissie (C‑334/99, Jurispr. blz. I‑1139).
20 – Arresten van 29 april 1999, Spanje/Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punt 46, en 29 juni 1999, DM Transport, aangehaald in dezelfde voetnoot, punt 24.
21 – Zie, in deze zin, conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak DM Transport, aangehaald in voetnoot 14, punt 34.
22 – De Commissie heeft voor het Hof betoogd, zich enkel baserend op het criterium van de particuliere investeerder, dat in dergelijke omstandigheden het verkrijgen van een dergelijk kapitaal op de markt moeilijker zou zijn geweest voor de debiteur. Gesteld dat de betrokken onderneming in de situatie zou zijn geplaatst dat zij een beroep had moeten doen op de kapitaalmarkt om een lening te verkrijgen die gelijkwaardig zou zijn aan het voordeel dat voor haar voortvloeit uit de kwijtschelding of uit de spreiding van haar schulden, dan is het duidelijk dat de onderneming had moeten instemmen met minder gunstige voorwaarden (zie argumentatie van de Commissie in de arresten van 29 april 1999, Spanje/Commissie, en DM Transport, aangehaald in voetnoot 14, respectievelijk punten 36 en 23). Dat is volgens de Commissie voldoende om te oordelen dat er sprake is van een voordeel (zie in deze zin eveneens conclusie van advocaat-generaal La Pergola in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 29 april 1999, Spanje/Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punt 11). Voor het Hof is dat echter niet voldoende om te oordelen dat er sprake is van staatssteun (arrest van 29 april 1999, Spanje/Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punten 47‑49).
23 – Het criterium van de particuliere schuldeiser toont dus aan, dat het in bepaalde gevallen onder normale marktvoorwaarden mogelijk is dat aan een onderneming, in vergelijking met haar concurrenten, een voordeel wordt toegekend dat niet selectief is, omdat het ook had kunnen worden aangeboden aan iedere andere ondernemer die zich in dezelfde omstandigheden bevindt.
24 – Er kan niet worden ontkend dat selectieve overheidsmaatregelen de Gemeenschap blootstellen aan een groot risico: het is het risico van „misbruik” van het politieke systeem, dat erin bestaat aan een beperkte groep een voordeel toe te kennen en de kosten daarvan af te wentelen op de andere leden van de gemeenschap, zelfs al hebben laatstgenoemden geen rechtstreekse invloed op de beslissing om het voordeel toe te kennen.
25 – Zie arrest Ecotrade, aangehaald in voetnoot 13, punt 37, en arrest van 12 oktober 2000, Spanje/Commissie, aangehaald in voetnoot 5, punten 19‑21.
26 – Arrest van 7 februari 1979, Frankrijk/Commissie, (15/76 en 16/76, Jurispr. blz. 321, punt 7).
27 – Arrest van 14 september 1994, Spanje/Commissie, aangehaald in voetnoot 19, punt 31, en arrest van het Gerecht van 6 oktober 1999, Kneissl Dachstein/Commissie, (T‑110/97, Jurispr. blz. II‑2881, punt 102).
28 – Ter ondersteuning van zijn betoog verwijst verzoeker met name naar de beslaglegging op de fabriek van Vanosa in juni 2002, de overname van Vanosa door een naamloze vennootschap van werknemers en de liquidatie van de activa van GEA, op bevel van een nationale rechter, tussen maart en oktober 2002.
29 – Dat is met name het geval met de volgende, in het verzoekschrift medegedeelde feiten: een verzoek van de werknemers in juni 2001 om Vanosa failliet te verklaren, de afwijzing van dat verzoek door de bevoegde nationale rechter, een waarschijnlijke staking van de activiteiten van GEA en Vanosa in 2001, de opzegging op 20 december 2001 door de sociale zekerheid van de overeenkomst van 6 november 1998, de bijeenkomsten in juli en november 2000 van de belastingdienst met de beheerders van deze ondernemingen om genoemde ondernemingen te gelasten hun verplichtingen na te komen.
30 – Dat wordt met name duidelijk uit een vergelijking van de bestreden beschikking met de brief van 29 november 2001, waarbij de Spaanse autoriteiten hun opmerkingen hebben ingediend tijdens de door de Commissie ingeleide onderzoeksprocedure.
31 – Punten 37 en 44 van de motivering van de bestreden beschikking.
32 – Punt 47 van de motivering van de bestreden beschikking.
33 – Zie, in deze zin, conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak DM Transport, aangehaald in voetnoot 14, punt 36, en conclusie van advocaat-generaal Mischo in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 12 oktober 2000, Spanje/Commissie, aangehaald in voetnoot 5, punt 34.
34 – In het arrest van 11 juli 2002, HAMSA/Commissie (T‑152/99, Jurispr. blz. II‑3049, punt 168), heeft het Gerecht geoordeeld dat „[w]anneer een onderneming waarvan de financiële situatie aanzienlijk is verslechterd, haar schuldeisers een akkoord of een reeks akkoorden voorstelt tot sanering van haar schulden, om haar situatie te verbeteren en haar faillissement te voorkomen, [...] elke schuldeiser wel een keuze [moet] maken tussen het bedrag dat hem in het kader van het voorgestelde akkoord wordt geboden, en het bedrag dat hij na de eventuele liquidatie van de onderneming meent te kunnen verhalen. Zijn keuze wordt beïnvloed door een reeks van factoren, zoals de omstandigheid of hij een hypothecaire, preferente of gewone schuldeiser is, de aard en de omvang van zijn eventuele zekerheden, zijn beoordeling van de kansen op herstel van de onderneming, en de opbrengst die de liquidatie van de onderneming hem zou opleveren.”
35 – Beschikking 2003/283/EG van de Commissie van 27 november 2002 betreffende de door Spanje ten uitvoer gelegde steunmaatregel ten gunste van Refractarios Especiales SA (PB 2003, L 108, blz. 21).
36 – Deze zorg blijkt met name uit de overwegingen van de op 6 november 1998 tussen de sociale zekerheid en Vanosa gesloten overeenkomst.
37 – Zie, in die zin, conclusie van advocaat-generaal Mischo in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 12 oktober 2000, Spanje/Commissie, aangehaald in voetnoot 5, punt 36.
38 – Ik herinner eraan dat dit vereiste voorkomt in de door de Commissie vastgestelde communautaire richtsnoeren voor reddings‑ en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, en dat het zelfs nog vóór de bekendmaking van de communautaire richtsnoeren door het Hof is geformuleerd als voorwaarde voor de verenigbaarheid van steunmaatregelen voor de herstructurering van ondernemingen in het arrest van 14 september 1994, Spanje/Commissie, aangehaald in voetnoot 19.
39 – Zie arrest van 29 april 1999, Spanje/Commissie, aangehaald in voetnoot 14, punt 47.
40 – Zie, in die zin, conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak DM Transport, aangehaald in voetnoot 14, punt 38.
41 – Ik herinner eraan dat voor de betrokken periode, van januari 1997 tot en met januari 2001, de door GEA opgebouwde schuld, uitsluitend in verband met werkgeversbijdragen, 2 582 880 484 ESP bedroeg, waarvan 166 937 745 ESP is betaald, terwijl voor dezelfde periode en in verband met dezelfde bijdragen, de schuld van haar dochteronderneming Vanosa 557 166 270 ESP bedroeg, waarvan 105 989 762 ESP is betaald.
42 – Repliek, blz. 14.
43 – Zie, mutatis mutandis, arrest van 26 januari 1999, Terhoeve (C‑18/95, Jurispr. blz. I‑345, punt 45).
44 – Punt 50 van de motivering van de bestreden beschikking.
Full & Egal Universal Law Academy