CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 16 oktober 2003(1)
Zaak C-285/02
Edeltraud Elsner-Lakeberg
tegen
Land Nordrhein-Westfalen
(Verzoek van het Verwaltungsgericht Minden om een prejudiciële beslissing)
„Gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers – Overheidsambtenaren – Maken van overuren – Indirecte discriminatie van parttimewerkneemsters”
1. Met deze prejudiciële verwijzing wenst het Verwaltungsgericht (administratieve rechtbank) Minden (Duitsland) in wezen van het Hof te vernemen of het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers wordt geschonden door de Duitse wettelijke regeling volgens welke fulltimeleraren en parttimeleraren eenzelfde aantal overuren moeten maken om recht te hebben op een extra vergoeding.
De toepasselijke nationale wettelijke regeling
2. § 78 a, lid 1, van de wet houdende het ambtenarenstatuut voor het Land Nordrhein-Westfalen (2) bepaalt dat ambtenaren overuren moeten maken wanneer het werk dat vereist. Gaat het om meer dan vijf overuren per kalendermaand, dan moet een compenserende rusttijd worden toegekend die met alle gedane overuren overeenstemt. § 78 a, lid 2, bepaalt dat als de toekenning van die compenserende rusttijd niet verenigbaar is met het belang van de dienst, sommige ambtenaren in plaats daarvan een vergoeding voor de desbetreffende overuren kunnen krijgen.
3. § 5, lid 2, punt 1, van de verordening inzake de vergoeding van door ambtenaren gemaakte overuren (3) bepaalt dat, ingeval het om overuren in het onderwijs gaat, drie lesuren gelijkstaan aan vijf uren.
De feiten, het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
4. Verzoekster, die het statuut van ambtenaar heeft, werkt parttime als lerares in een middelbare school van verweerder. Fulltimeleraren geven in die school 24 en een half uur les per week, terwijl zij er wekelijks 15 uur werkt.
5. In december 1999 heeft verzoekster 2 en een half overuren moeten maken. Haar verzoek om vergoeding van deze uren werd afgewezen op grond dat de toepasselijke wettelijke regeling bepaalt dat door een leraar in overheidsdienst gemaakte overuren slechts worden vergoed wanneer het gaat om meer dan drie uur per maand. Bijgevolg heeft zij geen enkele betaling ontvangen voor de 2 en een half overuren. Na zonder succes de administratieve bezwaarprocedure te hebben doorlopen, heeft verzoekster beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Minden.
6. Deze rechterlijke instantie is van mening dat volgens de toepasselijke nationale wettelijke regeling verzoekster geen recht heeft op vergoeding voor de gedane overuren. Zij vraagt zich evenwel af of deze wettelijke regeling verenigbaar is met artikel 141 EG juncto de richtlijn gelijke beloning (4) , aangezien als gevolg van deze regeling parttimeleraren in overheidsdienst, die per maand niet meer dan drie lesuren boven het normale aantal geven, hierdoor een vergoeding krijgen die in het totaal minder bedraagt dan die welke fulltimeleraren in overheidsdienst voor hetzelfde aantal lesuren krijgen.
7. Derhalve heeft zij het Hof de volgende vraag voorgelegd:
„Is met artikel 141 EG juncto richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers verenigbaar de omstandigheid dat parttimeleraren en ‑leraressen in vaste dienst – net als fulltimeleraren – in het Land Nordrhein-Westfalen geen vergoeding voor overuren krijgen wanneer die overuren niet meer dan drie [les]uren per kalendermaand bedragen?”
8. Verzoekster en verweerder, de Duitse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Er werd geen terechtzitting gehouden, daar geen van de partijen hierom heeft verzocht. Verzoekster en de Commissie geven in overweging de voorgelegde vraag ontkennend te beantwoorden, verweerder en de Duitse regering zijn de tegenovergestelde mening toegedaan.
Discussie
9. Het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers is neergelegd in artikel 141 EG. Artikel 1 van de richtlijn inzake gelijke beloning bepaalt dat dit beginsel inhoudt dat voor gelijke of gelijkwaardige arbeid ieder onderscheid naar kunne is verboden met betrekking tot alle elementen en voorwaarden van de beloning.
10. Volgens vaste rechtspraak ziet het beginsel van gelijke beloning niet alleen op een rechtstreeks op het geslacht gebaseerde discriminatie, maar ook op verschillen in behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers ingevolge de toepassing van geslachtsneutrale criteria, tenzij deze verschillen in behandeling zijn gerechtvaardigd door niet aan een bepaalde kunne gebonden objectieve factoren. (5)
11. In de onderhavige zaak is het duidelijk dat de betrokken wettelijke regeling geen rechtstreeks op het geslacht gebaseerde discriminatie inhoudt. Indien zij evenwel een verschil in behandeling van fulltimewerknemers en parttimewerknemers invoert en dit verschil een veel groter aantal vrouwen dan mannen treft, kan de toepassing van deze wettelijke regeling een indirecte discriminatie opleveren welke onverenigbaar is met artikel 141 EG en de richtlijn inzake gelijke beloning, tenzij het verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd door niet aan een bepaalde kunne gebonden factoren.
12. Verzoekster betoogt dat er sprake is van een verschil in behandeling van fulltimeleraren en parttimeleraren, omdat drie overuren per maand een veel grotere last betekenen voor parttimeleraren dan voor fulltimeleraren.
13. De Commissie is eveneens van mening dat er een verschil in behandeling bestaat. Zij voert aan dat, terwijl fulltimeleraren meer dan 12,24 % langer dan hun normale arbeidstijd moeten werken om extra vergoeding voor overuren te ontvangen, parttimeleraren – zoals verzoekster – meer dan 20 % langer dan hun normale arbeidstijd moeten werken. De Commissie heeft eveneens berekend dat het globale uurloon van een parttimeleraar die overuren maakt, lager is dan dat van een fulltimeleraar in dezelfde positie. De Commissie concludeert daaruit dat er een aanmerkelijk verschil in behandeling van fulltimeleraren ten opzichte van parttimeleraren is.
14. Verweerder daarentegen betoogt dat parttimeleraren op precies dezelfde wijze worden behandeld als fulltimeleraren. Beide categorieën hebben pas recht op een vergoeding voor overuren zodra zij meer dan drie overuren maken. In dat geval worden deze overuren op precies dezelfde wijze vergoed.
15. De Duitse regering is het ermee eens dat er geen verschil in behandeling van fulltimeleraren ten opzichte van parttimeleraren is: verzoekster ontvangt dezelfde vergoeding voor haar werkuren, met inbegrip van haar overuren, als een fulltimeleraar voor hetzelfde aantal werkuren ontvangt. De Duitse regering komt tot deze conclusie door het normale werkuurrooster en de overuren afzonderlijk aan het beginsel van de gelijke beloning te toetsen. Vanuit haar standpunt wordt het beginsel van gelijke beloning nageleefd wanneer fulltimewerknemers en parttimewerknemers hetzelfde uurloon ontvangen voor hun normale werkuren en wanneer het recht op extra vergoeding voor beide categorieën werknemers ontstaat zodra meer dan drie lesuren extra worden gegeven.
16. De door de Commissie en Duitsland gehanteerde beoordelingsmethodes lijken mij niet correct. Uit de rechtspraak van het Hof volgt duidelijk dat een verschil in behandeling met betrekking tot de vergoeding van fulltimeleraren en parttimeleraren niet moet worden beoordeeld aan de hand van het evenredige effect van niet betaalde overuren, aan de hand van het verschil van het globale uurloon wanneer overuren worden gemaakt, of door het niveau van de vergoeding van overuren los van de normale werkuren te onderzoeken.
17. In het arrest Helmig e.a. (6) heeft het Hof geoordeeld dat van ongelijke behandeling sprake is, telkens wanneer de totale beloning die aan fulltimewerknemers wordt betaald, bij hetzelfde aantal uren dat uit hoofde van een dienstbetrekking is gewerkt, hoger is dan de aan parttimewerknemers betaalde.
18. In die zaak werden extra vergoedingen voor overuren betaald aan werknemers die meer uren werkten dan het normale fulltimewerkuurrooster. Parttimewerknemers die meer uren werkten dan hun normale parttimewerkuurrooster, doch zonder de fulltimearbeidstijd te overschrijden, werden daarentegen tegen het normale tarief vergoed, zonder extra vergoedingen voor overuren te krijgen toegekend. Aan het Hof werd in wezen gevraagd of dergelijke voorwaarden in strijd waren met het beginsel van gelijke beloning.
19. Het Hof stelde vast dat in die gevallen de parttimewerknemers bij een gelijk aantal arbeidsuren wel degelijk dezelfde totale beloning ontvingen als de fulltimewerknemers. Het gaf als voorbeeld het geval van een parttimewerknemer met een contractuele arbeidstijd van 18 uur: indien deze werknemer negentien uur werkte, ontving hij of zij dezelfde totale beloning als een fulltimewerknemer voor 19 werkuren ontving. Het Hof kwam bijgevolg tot de slotsom dat het beginsel van gelijke beloning niet was geschonden. (7)
20. In de onderhavige zaak heeft de nationale wettelijke regeling daarentegen tot gevolg dat een parttimewerknemer met een contractuele arbeidstijd van 15 uur, die 2 en een half overuren maakt en dus in totaal 17 en een half uur werkt, slechts voor 15 uur wordt betaald en bijgevolg niet dezelfde totale beloning ontvangt als een fulltimewerknemer die 17 en een half uur werkt. Op basis van de rechtspraak van het Hof is er derhalve een verschil in behandeling van parttimeleraren ten opzichte van fulltimeleraren.
21. Ten slotte staat het aan de nationale rechter, te bepalen of de door de wettelijke regeling ingevoerde ongelijke behandeling een veel groter aantal vrouwen dan mannen treft, en of er niet aan een onderscheid naar kunne gebonden objectieve factoren voorhanden zijn welke dit verschil in behandeling kunnen rechtvaardigen. Hieraan zij toegevoegd dat er blijkens de opmerkingen overeenstemming over bestaat dat de wettelijke regeling een veel groter aantal vrouwen dan mannen treft, zonder dat er enige rechtvaardiging voor dit verschil in behandeling lijkt te bestaan.
Conclusie
22. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de door het Verwaltungsgericht Minden (Duitsland) voorgelegde vraag te beantwoorden als volgt:
„Een nationale wettelijke regeling volgens welke zowel fulltimeleraren als parttimeleraren niet worden vergoed voor gemaakte overuren en die ertoe leidt dat de totale beloning die aan fulltimewerknemers wordt betaald, bij hetzelfde aantal uren hoger is dan de aan parttimewerknemers betaalde beloning, voert een verschil in behandeling van fulltimeleraren ten opzichte van parttimeleraren in. Indien dit verschil in behandeling een veel groter aantal vrouwen dan mannen treft, schendt deze wettelijke regeling artikel 141 EG en richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, tenzij niet aan een onderscheid naar kunne gebonden objectieve factoren dit verschil in behandeling rechtvaardigen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – _ Beamtengesetz für das Land Nordrhein-Westfalen, in de op 1 mei 1981 gepubliceerde versie.
3 – _ Verordnung über die Gewährung von Mehrarbeitsvergütung für Beambte, van 13 maart 1992, BGBl. I, blz. 528, zoals herzien op 3 december 1998, BGBl. I, blz. 3494.
4 – _ Richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB L 45, blz. 19).
5 – _ Arrest van 15 december 1994, Helmig e.a. (C-399/92, C-409/92, C-425/92, C-34/93, C-50/93 en C-78/93, Jurispr. blz. I-5727, punt 20).
6 – _ Aangehaald in voetnoot 5, punt 26. Zie ook arrest van 6 februari 1996, Lewark (C-457/93, Jurispr. blz. I-243, punten 25 en 26).
7 – _ Punten 27, 28 en 31 van het arrest.
Full & Egal Universal Law Academy