CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 19 mei 2004 (1)
Zaak C‑288/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Helleense Republiek
„Verordening nr. 3577/92 – Cabotage in het zeevervoer – Vrij verrichten van diensten – Schepen geregistreerd in tweede of internationaal register – Cabotage met eilanden – Bemanning – Verantwoordelijkheid van staat van ontvangst”
1. In de onderhavige zaak verwijt de Commissie van de Europese Gemeenschappen de Helleense Republiek dat zij de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 1, 3 en 6 van verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer) (hierna: „verordening nr. 3577/92” of eenvoudigweg „verordening”)(2).
I – Rechtskader
Bepalingen van gemeenschapsrecht
2. De Raad heeft verordening nr. 3577/92 vastgesteld om „de beperkingen op het verrichten van zeevervoerdiensten binnen de lidstaten [op te heffen]” (derde overweging van de considerans). Artikel 1, lid 1, van deze verordening bepaalt:
„Met ingang van 1 januari 1993 wordt het vrij verrichten van zeevervoerdiensten binnen een lidstaat (cabotage in het zeevervoer) ingevoerd voor reders uit de Gemeenschap die met in een lidstaat geregistreerde schepen varen welke de vlag van een lidstaat voeren, mits die schepen voldoen aan alle eisen voor toelating tot cabotage van die lidstaat […]”.
3. Artikel 2 luidt:
„In deze verordening:
1) wordt onder ‚zeevervoerdiensten binnen een lidstaat (cabotage in het zeevervoer)’ verstaan: diensten die gewoonlijk tegen vergoeding worden verricht en met name het volgende omvatten:
a) cabotage met het vasteland: het vervoer over zee van passagiers of goederen tussen havens op het vasteland of het hoofdgrondgebied van een lidstaat, waarbij geen eilanden worden aangedaan;
[…]
c) cabotage met eilanden: het vervoer over zee van passagiers of goederen tussen:
– havens op het vasteland en op een of meer eilanden van een lidstaat;
– havens op eilanden van een lidstaat.
Ceuta en Melilla worden op dezelfde wijze behandeld als havens op eilanden;
[…]”.
4. Bovendien bepaalt artikel 3:
„1. Alle aangelegenheden in verband met de bemanning van schepen die cabotage met het vasteland verrichten en van cruiseschepen, behoren tot de verantwoordelijkheid van de staat waar het schip geregistreerd is (vlaggenstaat), behalve in geval van schepen van minder dan 650 bruto ton, waarop de voorwaarden van de staat van ontvangst mogen worden toegepast.
2. Voor schepen die cabotage met eilanden verrichten, behoren alle aangelegenheden in verband met de bemanning tot de verantwoordelijkheid van de staat waarin het schip een zeevervoerdienst verricht (staat van ontvangst).
[…]”.
5. Ter vermindering van „de mate van inspanning die bepaalde economieën in de Gemeenschap” zich zouden hebben moeten getroosten om het vrij verrichten van zeevervoerdiensten te verwezenlijken (achtste overweging van de considerans), is in artikel 6 ten slotte een stapsgewijze opening van de cabotagemarkten in de zuidelijke lidstaten geregeld. Dit artikel bepaalt namelijk:
„1. Bij wijze van uitzondering worden de volgende zeevervoerdiensten in de Middellandse Zee en langs de kust van Spanje, Portugal en Frankrijk, tijdelijk uitgesloten van de toepassing van deze verordening:
– cruisediensten, tot 1 januari 1995;
– vervoer van strategische goederen (aardolie, aardolieproducten en drinkwater), tot 1 januari 1997;
– diensten met schepen van minder dan 650 bruto ton, tot 1 januari 1998;
– geregelde passagiers- en veerdiensten, tot 1 januari 1999.
2. Bij wijze van uitzondering wordt cabotage met eilanden in de Middellandse Zee en cabotage ten aanzien van de Canarische eilanden, de Azoren en Madeira, Ceuta en Melilla, de Franse eilanden langs de Atlantische kust en de Franse overzeese departementen tijdelijk vrijgesteld van de toepassing van deze verordening tot 1 januari 1999.
3. Terwille van de sociaal-economische samenhang is de in lid 2 bedoelde uitzondering tot 1 januari 2004 van toepassing op Griekenland voor geregelde passagiers- en veerdiensten en voor diensten met schepen van minder dan 650 bruto ton.”(3)
Bepalingen van nationaal recht
6. Het Griekse wetboek van zeerecht (hierna: „KDND”)(4) bepaalt in artikel 165:
„1. Het recht om passagiers te vervoeren tussen Griekse havens, daaronder begrepen het recht om tussen Griekse havens passagiers vanuit of naar buitenlandse havens te vervoeren indien zij in het bezit zijn van transittickets, is overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk voorbehouden aan Griekse lijnschepen.
[…]
6. Het recht om passagiers in Griekse havens voor een cruise naar andere Griekse havens in te schepen is voorbehouden aan Griekse passagiersschepen. Dit geldt ook wanneer de cruise naar buitenlandse havens voert, mits de uiteindelijke aankomsthaven Grieks is. Voor de inscheping, de rondvaart en de ontscheping van passagiers die reizen op passagiersschepen die onder buitenlandse vlag varen, kan bij presidentieel decreet onder de daarvoor bepaalde voorwaarden toestemming worden gegeven. Op toeristenschepen (jachten en kleine pleziervaartuigen) zijn bijzondere bepalingen van toepassing.
Het recht om cruises te verzorgen tussen Griekse havens op het vasteland, zonder eilanden aan te doen, wordt uitgebreid tot passagiersschepen van meer dan 650 bruto ton die in de andere lidstaten van de Europese unie zijn geregistreerd en de vlag van deze staten voeren, mits deze schepen aan alle vereisten voldoen om in deze staten cabotagediensten te verrichten.”(5)
7. Voorzover hier van belang, dient bovendien gewezen te worden op drie voor de havenautoriteiten bestemde circulaires die in 1998 zijn vastgesteld door het Ypourgeio Emporikis Naftilias (ministerie van koopvaardij).
8. De eerste is circulaire nr. 1151.65/1/98 van 4 augustus 1998, getiteld „Activiteiten van vrachtschepen en tankschepen die onder een gemeenschapsvlag cabotage in het zeevervoer verrichten”. Deze circulaire vermeldt om te beginnen dat verordening nr. 3577/92 deel uitmaakt van de Griekse wetgeving en voorrang heeft op elke andersluidende bepaling. Verder behoren volgens artikel 2.1.1 ervan de havens van de Peloponnesos tot de havens op eilanden. Ten slotte bepaalt de circulaire dat een reder die met in een tweede register of in een internationaal register geregistreerde schepen vaart, voor het verrichten van cabotage in Griekse wateren, het bewijs moet overleggen dat het betrokken schip in de oorspronkelijke vlaggenstaat vervoersactiviteiten mag verrichten (artikel 2.1.2).
9. De daaropvolgende circulaire nr. 1151.65/2/98 van 18 december 1998, getiteld „Activiteiten van passagiers-, toeristen- en cruiseschepen die onder een gemeenschapsvlag in Griekse wateren toeristische rondvaarten (cruises) verrichten”, herhaalt de bepalingen van de voorgaande circulaire met betrekking tot de Peloponnesos en bepaalt in artikel 2.4.1:
„In het algemeen is de Griekse wetgeving (als wetgeving van de staat van ontvangst) van toepassing op de samenstelling van de bemanning van passagiers-, toeristen- en cruiseschepen uit de Gemeenschap die gerechtigd zijn om cruises te verrichten tussen de havens op het vasteland en de eilanden of tussen de havens op onze eilanden, terwijl de wetgeving van de vlaggenstaat van toepassing is op cruises tussen havens op het vasteland.”(6)
10. Circulaire nr. 2311.10/10/98 van 21 december 1998, getiteld „Bemanning van vrachtschepen, tankschepen en cruiseschepen die onder communautaire vlag cabotage in het zeevervoer verrichten”, bepaalt ten slotte dat de nationale autoriteiten op verzoek van de reder overeenkomstig de nationale tonnagebepalingen een metingsattest afgeven, op grond waarvan de Griekse havenautoriteiten het benodigde aantal bemanningsleden berekenen.
11. Ten slotte heeft Griekenland, om zijn recht aan te passen aan verordening nr. 3577/92, presidentieel decreet nr. 344/2003 (FEK 314 A van 31 december 2003; hierna: „decreet nr. 344/2003”) vastgesteld, dat verschillende bepalingen van het KDND wijzigt, waaronder het hierboven genoemde artikel 165.
II – Feiten en procedure
12. Nadat de Commissie de Griekse autoriteiten om inlichtingen had verzocht over de stand van uitvoering van verordening nr. 3577/92 na 1 januari 1999, zond zij de Helleense Republiek op 3 mei 2000 een aanmaningsbrief waarin zij aangaf dat de Griekse nationale wetgeving op meerdere punten niet verenigbaar was met de bepalingen van deze verordening.
13. Op deze brief volgde op 18 juli 2001 een met redenen omkleed advies.
14. Aangezien de Commissie niet tevreden was met de antwoorden en de uitleg van de Helleense Republiek, heeft zij bij verzoekschrift, neergelegd op 9 augustus 2002, het Hof verzocht om vast te stellen dat de Helleense Republiek:
„– door het recht om passagiers te vervoeren tussen de havens van het Griekse vasteland en het recht om tussen de Griekse eilanden cruisediensten te verrichten met passagiersschepen van meer dan 650 bruto ton uitdrukkelijk voor te behouden aan Griekse passagiersschepen;
– door voor schepen uit de Gemeenschap die in een tweede of een internationaal register zijn geregistreerd, een attest van een bevoegde instantie van de vlaggenstaat te verlangen waaruit blijkt dat het schip cabotagediensten mag verrichten;
– door de Peloponnesos als een eiland te beschouwen;
– door op tankschepen, vrachtschepen, passagiersschepen en toeristenschepen uit de Gemeenschap, alsook op cruiseschepen uit de Gemeenschap die cabotage in het zeevervoer verrichten, als staat van ontvangst haar nationale regels inzake bemanning toe te passen, en door de reders te verplichten, bij de directie controle van koopvaardijschepen (DEEP) een verzoek tot meting van de brutotonnenmaat van het schip in te dienen, opdat de Griekse autoriteiten de samenstelling van de bemanning kunnen beoordelen,
de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 1, 3 en 6 van verordening (EEG) nr. 3577/92”.
15. Tijdens de schriftelijke behandeling heeft de Commissie na een aantal verduidelijkingen van de Griekse regering afgezien van het tweede onderdeel van de vierde grief.
16. Ter terechtzitting van het Hof van 25 maart 2004 heeft de Commissie, na de goedkeuring van decreet nr. 344/2003 door de Helleense Republiek, verklaard dat zij ook afzag van de eerste grief. Bij die gelegenheid heeft de Commissie bovendien verduidelijkt dat zij met het eerste deel van de vierde grief de Helleense Republiek als staat van ontvangst verwijt, dat haar wetgeving inzake scheepsbemanning alleen van toepassing is op communautaire cruiseschepen van meer dan 650 bruto ton die cruises tussen de eilanden verrichten.
17. Gelet op deze verklaringen van de Commissie dient het Hof te beoordelen of de tweede en derde grief, alsmede het eerste deel van de vierde grief gegrond zijn.
III – Juridische analyse
De tweede grief
18. Met haar tweede grief verwijt de Commissie de Helleense Republiek dat zij van reders die met in tweede registers of in internationale registers van een andere lidstaat geregistreerde schepen varen en cabotagediensten willen verrichten in Griekse wateren, in strijd met de verordening een attest verlangt waaruit blijkt dat deze schepen in de vlaggenstaat tot cabotage zijn toegelaten.
19. Om te beginnen herinner ik eraan, dat er op grond van artikel 1 van verordening nr. 3577/92 alleen van het vrij verrichten van zeevervoerdiensten gebruik kan worden gemaakt door reders uit de Gemeenschap die „met in een lidstaat geregistreerde schepen varen welke de vlag van een lidstaat voeren”, mits die schepen „voldoen aan alle eisen voor toelating tot cabotage van die lidstaat”. Om dit soort diensten vrij te kunnen verrichten is de registratie in een nationaal register dus niet voldoende, maar is daarnaast ook vereist dat het schip is toegelaten tot nationale cabotage.
20. Verder bestaan er in de lidstaten naast de „eerste registers” voor de scheepvaart, ook zogenaamde „tweede registers” en „internationale registers”. In alle lidstaten zijn de in de eerste registers geregistreerde schepen toegelaten tot nationale cabotage. Hieruit volgt dat zij voldoen aan de in de verordening geregelde eisen voor toelating tot cabotage in de andere lidstaten. Dit is echter anders voor de in de tweede registers en internationale registers geregistreerde schepen. Terwijl in sommige staten de registratie in de twee laatstgenoemde registers namelijk volledige toegang tot nationale cabotage met zich brengt, is die toegang in andere staten beperkt of zelfs geheel uitgesloten.
21. De Commissie en de Griekse regering zijn beide van mening dat de lidstaten het recht hebben om de noodzakelijke maatregelen te treffen om verordening nr. 3577/92 correct uit te voeren, met name de maatregelen om na te gaan of het schip dat zeevervoerdiensten in een andere staat wil verrichten tot cabotage in de vlaggenstaat is toegelaten in de zin van artikel 1. Zij zijn het ook met elkaar eens dat deze maatregelen het evenredigheidsbeginsel moeten respecteren, dat wil zeggen, „geschikt [moeten] zijn om de verwezenlijking van het gestelde doel te waarborgen en […] niet verder [mogen] gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is”(7).
22. Met betrekking tot de vraag of de door Griekenland concreet getroffen maatregel verenigbaar is met dit beginsel, staan partijen uiteraard verschillende opvattingen voor.
23. Volgens de Commissie is het namelijk niet nodig het onderhavige attest te eisen, aangezien de lidstaten al goed geïnformeerd zijn over de stand van de nationale wetgevingen met betrekking tot de tweede registers en internationale registers door de tweejaarlijkse verslagen over de uitvoering van verordening nr. 3577/92, die de Commissie krachtens artikel 10 van de verordening elke twee jaar aan de Raad moet voorleggen(8).
24. Volgens verzoekster zijn er in ieder geval andere, minder beperkende maatregelen dan de verplichting om voornoemd attest over te leggen, om de correcte uitvoering van de verordening te verzekeren.
25. In het bijzonder zouden daarvoor in aanmerking kunnen komen:
– de verplichting van de reders om aan de autoriteiten van het land van ontvangst een afschrift van de wetgeving van de vlaggenstaat over te leggen waaruit blijkt dat de in tweede registers of internationale registers geregistreerde schepen cabotagediensten in die staat mogen verrichten;
– de invoering van een jaarlijkse informatie-uitwisseling onder de bevoegde autoriteiten van de lidstaten over de ontwikkelingen in de betrokken wetgeving;
– het informeel inwinnen van inlichtingen bij de Commissie.
26. Mijns inziens kan echter niet met deze opvatting van de Commissie worden ingestemd.
27. Om te beginnen deel ik niet de mening dat het verlangde attest overbodig is geworden door de informatie waarover de lidstaten dankzij de verslagen over de uitvoering van verordening nr. 3577/92 reeds beschikken.
28. Zoals de Griekse regering namelijk terecht heeft opgemerkt, worden deze verslagen om de twee jaar gepubliceerd en lichten zij de wetswijzigingen in de lidstaten toe die in de twee jaar voorafgaand aan de publicatie zijn ingevoerd. De lidstaten nemen dus van wijzigingen in de nationale wetgevingen, in het bijzonder van die inzake de registers, pas kennis nadat deze zijn aangenomen en met een vertraging die kan oplopen tot twee jaar.
29. Anders dan bij de overlegging van een attest, bieden deze verslagen de staat van ontvangst dus niet de mogelijkheid om met zekerheid vast te stellen of een schip uit de Gemeenschap in de vlaggenstaat op basis van de daar op dat moment daadwerkelijk van kracht zijnde wetgeving is toegelaten tot cabotage.
30. Maar er is meer. Zoals de Griekse regering heeft aangetoond, kan de attestregeling onder bepaalde omstandigheden zelfs gunstiger zijn voor de reders dan de verslagenregeling van de Commissie, en derhalve beter geschikt zijn om het vrij verrichten van cabotagediensten te waarborgen.
31. Dit geldt met name wanneer de nationale wetgeving in tweede registers of internationale registers geregistreerde schepen niet of slechts gedeeltelijk tot nationale cabotage toelaat en na de publicatie van een verslag in dier voege wordt gewijzigd dat die schepen deze diensten mogen verrichten. In dat geval zou de staat van ontvangst het schip uit de Gemeenschap namelijk op grond van de informatie uit het laatst voor handen zijnde verslag de toegang tot cabotage moeten weigeren. Dit wordt daarentegen voorkomen door de overlegging van een attest waaruit blijkt dat het schip thans zeevervoer in de vlaggenstaat mag verrichten.
32. Wat betreft de minder beperkende maatregelen die de Helleense Republiek volgens de Commissie had kunnen treffen in plaats van het verplicht stellen van een attest merk ik het volgende op.
33. Om te beginnen betwijfel ik evenals de Griekse regering of de verplichting voor de reders uit de Gemeenschap om aan de Griekse autoriteiten een afschrift van de in de vlaggenstaat geldende wetgeving over te leggen een minder beperkende oplossing is dan de oplossing in de Griekse regeling. In de eerste plaats zou deze wetgeving dan door de betrokkene moeten worden vertaald en vervolgens door de autoriteiten van de staat van ontvangst moeten worden uitgelegd. Dit zou voor de betrokkene zeer waarschijnlijk bezwarender zijn en in ieder geval zou het meer tijd kosten. Bovendien zou de foutmarge hierbij groter zijn dan bij het eenvoudigweg overleggen van een attest dat enkel aangeeft of een bepaald schip dat in het tweede register is geregistreerd, wel of niet is toegelaten tot cabotage.
34. Bovendien ben ik van mening dat een jaarlijkse informatie-uitwisseling onder de nationale autoriteiten niet minder beperkend zou zijn. Een dergelijke informatie-uitwisseling biedt, evenals de hiervoor genoemde tweejaarlijkse verslagen, niet de mogelijkheid om na te gaan of een schip uit de Gemeenschap in de vlaggenstaat op basis van de daar op dat moment daadwerkelijk van kracht zijnde wetgeving is toegelaten tot cabotage. Bovendien zou ook deze maatregel de reders uit de Gemeenschap kunnen benadelen wanneer een wetswijziging na de informatie-uitwisseling nationale cabotage zou toestaan.
35. Wat ten slotte de mogelijkheid betreft om inlichtingen in te winnen bij de Commissie, merk ik om te beginnen op dat zij, zoals zij zelf heeft toegegeven, de betrokken staten alleen informatie over de ontwikkelingen in de wetgeving inzake de tweede en internationale registers kan verschaffen indien de wetswijzigingen haar tijdig zijn medegedeeld door de lidstaten.
36. Terwijl de overlegging van een attest het bovendien voor de staat van ontvangst mogelijk maakt om onmiddellijk en met zekerheid vast te stellen of aan de in artikel 1 gestelde eis van toelating tot nationale cabotage is voldaan, zal het indienen van een verzoek om inlichtingen bij de Commissie en het wachten op een antwoord daarop wellicht meer tijd in beslag nemen en dus bezwarender zijn.
37. Meer in het algemeen komt het mij in ieder geval voor, dat de overlegging van een attest een grotere waarborg biedt dat aan de verlangde eisen is voldaan dan de door de Commissie voorgestelde alternatieve maatregelen; zoals wij zagen, zou deze zekerheid bij de andere maatregelen worden prijsgegeven ten gunste van een onbestaande, zo niet zeer onwaarschijnlijke vereenvoudiging.
38. Om bovengenoemde redenen ben ik van oordeel dat de tweede grief van de Commissie dient te worden afgewezen.
De derde grief
39. Met haar derde grief verwijt de Commissie de Helleense Republiek dat zij de Peloponnesos als een eiland heeft beschouwd en daardoor ten onrechte artikel 6, lid 3, van de verordening op de havens van dit gebied heeft toegepast. Dit artikel sloot bepaalde cabotagediensten tussen de Griekse eilanden tot 1 januari 2004 uit van de liberalisering.
40. De Commissie is van mening dat de Peloponnesos niet als een eiland kan worden beschouwd, omdat het gebied weliswaar door een kunstmatig kanaal van de rest van Griekenland is gescheiden, maar door weg- en spoorwegverbindingen vast verbonden blijft aan het land.
41. De Griekse regering is echter van oordeel dat de Peloponnesos een echt eiland is, aangezien het gebied, weliswaar door toedoen van de mens, geheel omringd is door de zee. Zij voegt hieraan toe dat artikel 2 van de verordening de op het Afrikaanse continent gelegen havens van Ceuta en Melilla gelijkstelt met „havens op eilanden”. Het zou tegenstrijdig zijn om die havens als „havens op eilanden” te beschouwen en de havens op de geheel door de zee omringde Peloponnesos als havens op het vasteland.
42. Bovendien wijst de Griekse regering erop dat de in artikel 6, lid 3, van de verordening bedoelde uitzondering op de liberalisering van bepaalde cabotagediensten tussen Griekse eilanden gerechtvaardigd is terwille van de sociaal-economische samenhang. Het zou derhalve in overeenstemming met deze doelstelling zijn om de uitzondering ook toe te passen op de Peloponnesos, een gebied dat een zeer laag ontwikkelingspeil heeft.
43. Ik stel allereerst vast dat bij gebreke van specifieke aanwijzingen van het tegendeel in verordening nr. 3577/92 met betrekking tot het begrip „eiland” de opvatting van de Commissie, dat de Peloponnesos geen eiland is, mij overtuigender en plausibeler voorkomt.
44. Het staat namelijk vast dat de Peloponnesos vroeger in geografisch opzicht een schiereiland was dat vervolgens van de rest van Griekenland is gescheiden door een kunstmatig kanaal. Ook na deze ingreep echter heeft dit gebied zijn karakter van schiereiland behouden. Afgezien namelijk van het feit dat het afscheidingskanaal maar enige tientallen meters breed is, wijs ik erop dat de Peloponnesos, in tegenstelling tot de eilanden, duurzaam door middel van wegverbindingen over land met de rest van het Griekse vasteland is verbonden en hiermee derhalve vaste verbindingen heeft. Ondanks de kunstmatige scheiding ben ik derhalve van oordeel dat de Peloponnesos nog steeds als een schiereiland moet worden beschouwd.
45. Evenmin kan worden tegengeworpen dat artikel 2 van de verordening de havens van Ceuta en Melilla gelijkstelt met „havens op eilanden”. Ook al zijn de havens van deze steden duidelijk continentaal ten opzichte van het Afrikaanse vasteland, kunnen zij niettemin ten opzichte van het Europese vasteland, met name het Iberische schiereiland, worden gelijkgesteld met „havens op eilanden” omdat er geen verbindingen over land met Spanje zijn. De situatie van deze havens is dus anders dan die van de Peloponnesos, die, zoals reeds herhaaldelijk gezegd, vast verbonden is met de rest van Griekenland.
46. Mijns inziens kan deze uitlegging evenmin worden weerlegd met een beroep op de economische motieven die de uitzondering ten gunste van de eilanden rechtvaardigen en vanwege het lage ontwikkelingspeil van de Peloponnesos ook hiervoor zouden gelden.
47. Indien de uitzondering op de liberalisering die tot 1 januari 1999 geldt voor cabotage met eilanden in de Middellandse Zee en tot 1 januari 2004 voor bepaalde vervoerdiensten tussen de Griekse eilanden (artikel 6, leden 2 en 3), werd uitgebreid tot alle gebieden van de zuidelijke lidstaten die weliswaar in technische zin niet als „eilanden” kunnen worden beschouwd, maar een laag economisch ontwikkelingspeil hebben, zou de door de gemeenschapswetgever gewenste opening van de nationale markten in strijd met de doelstellingen van verordening nr. 3577/92 zelf op aanzienlijke en onrechtmatige wijze beperkt worden, aangezien hiervoor een rechtsgrondslag ontbreekt.
48. Ik ben derhalve van mening dat de derde grief van de Commissie moet worden aanvaard.
Het eerste deel van de vierde grief
49. Met het eerste deel van de vierde grief verwijt de Commissie de Helleense Republiek als staat van ontvangst, dat zij haar regeling inzake scheepsbemanning toepast op communautaire cruiseschepen van meer dan 650 bruto ton die cruises tussen eilanden van die staat verrichten.
50. Volgens de Commissie is dit in strijd met artikel 3, lid 1, van de verordening. Hierin is namelijk bepaald dat alle aangelegenheden in verband met de bemanning van cruiseschepen worden geregeld door de wet van de vlaggenstaat, ongeacht of deze schepen cruisediensten tussen havens op het vasteland of eilanden verrichten.
51. Daarentegen is Griekenland van oordeel dat op grond van artikel 3, lid 1, de wetgeving van de vlaggenstaat inzake scheepsbemanning alleen van toepassing is op cruiseschepen die havens van het vasteland aandoen, terwijl op grond van artikel 3, lid 2, de bepalingen van de staat van ontvangst van toepassing zijn op cruiseschepen die havens van eilanden aandoen.
52. Mijns inziens stemt de opvatting van de Commissie het best overeen met de tekst van deze bepaling.
53. Zoals verzoekster terecht heeft opgemerkt, bepaalt de tekst duidelijk dat de aangelegenheden in verband met de bemanning „van schepen die cabotage met het vasteland verrichten en van cruiseschepen”(9) tot de verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat behoren. Op grond van de tekst van de bepaling komt deze verantwoordelijkheid dus voor alle cruiseschepen aan de vlaggenstaat toe, zonder dat deze beperkt is tot de cruiseschepen die havens op het vasteland aandoen.
54. Anders zou de precisering in deze bepaling „en van cruiseschepen” geen zin hebben. Indien de gemeenschapswetgever de vlaggenstaat de verantwoordelijkheid voor cruises „naar het vasteland” en de staat van ontvangst de verantwoordelijkheid voor cruises „naar eilanden” had willen toekennen, had hij namelijk ook kunnen volstaan met in het eerste lid te verwijzen naar schepen die cabotage met het vasteland verrichten (daaronder begrepen de schepen die cruises verrichten en daarbij het vasteland aandoen) en, in het tweede lid, naar schepen die cabotage met eilanden verrichten (daaronder begrepen de cruises die eilanden aandoen).
55. De in het eerste lid toegevoegde precisering heeft derhalve een zelfstandige normatieve inhoud, voorzover hiermee aan de vlaggenstaat de verantwoordelijkheid wordt toegekend om ook voor cruiseschepen die havens van eilanden aandoen aangelegenheden in verband met de bemanning te regelen, behalve, zoals in deze bepaling is vastgelegd, voor schepen van minder dan 650 bruto ton.
56. Mijns inziens moet het eerste deel van de vierde grief van de Commissie derhalve worden aanvaard.
IV – Kosten
57. Volgens artikel 69, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien ik, zoals gezegd, van oordeel ben dat de Helleense Republiek en de Commissie ieder gedeeltelijk in het ongelijk moeten worden gesteld, lijkt het mij redelijk voor te stellen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
V – Conclusie
58. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging, het volgende vast te stellen:
„1) Door de Peloponnesos als een eiland te beschouwen en als staat van ontvangst haar nationale regels inzake bemanning toe te passen op communautaire cruiseschepen van meer dan 650 bruto ton die cabotage met eilanden verrichten, is de Helleense Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 1, 3 en 6 van verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer).
2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.
3) Elke partij wordt verwezen in haar eigen kosten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – PB L 364, blz. 7.
3 – Ik herinner eraan dat Griekenland heeft besloten de in artikel 6, lid 3, van de verordening bedoelde cabotage met eilanden voor reders uit de Gemeenschap toegankelijk te maken vóór de gestelde termijn van 2004. Deel I van de op 27 juni 2001 bekendgemaakte wet nr. 2932/2001 voorziet namelijk in een liberalisering van deze diensten met ingang van 1 november 2002.
4 – Wetsdecreet nr. 187/1973 (FEK A 261), zoals gewijzigd bij presidentiële decreten nrs. 113/97 (FEK A 99) en 84/98 (FEK A 77).
5 – Niet-officiële vertaling.
6 – Niet-officiële vertaling.
7 – Zie arrest van 20 februari 2001, Analir (C-205/99, Jurispr. blz. I-1271, punt 25). Zie ook arresten van 25 juli 1991, Aragonesa de Publicidad Exterior en Publivía (C-1/90 en C-176/90, Jurispr. blz. I-4151, punt 16); 31 maart 1993, Kraus (C-19/92, Jurispr. blz. I-1663, punt 32), en 30 november 1995, Gebhard (C-55/94, Jurispr. blz. I‑4165, punt 37).
8 – Tot op heden zijn er vier verslagen voorgelegd: het verslag van de Commissie aan de Raad van 7 september 1995 – Uitvoering van verordening (EEG) nr. 3577/92 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (1993‑1994) [COM(1995) 383]; het verslag van de Commissie aan de Raad van 17 juni 1997 over de uitvoering van verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (1995/1996) en over het sociaal-economisch effect van de liberalisatie van cabotage met eilanden [COM(1997) 296]; het derde verslag van 2 maart 2000 over de uitvoering van verordening nr. 3577/92 van de Raad houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer (1997-1998) [COM(2000) 99], en het vierde verslag van 24 april 2002 over de uitvoering van verordening 3577/92 van de Raad houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten in het zeevervoer (cabotage in het zeevervoer) (1999-2000) [COM(2002) 203].
9 – Cursivering van mij.
Full & Egal Universal Law Academy