CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 27 mei 2004(1)
Zaak C-299/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk der Nederlanden
„Artikelen 43 EG en 48 EG – Voorwaarden voor registratie van schepen in Nederland – Voorwaarde voor registratie met betrekking tot nationaliteit van aandeelhouders en bestuurders van vennootschappen die eigenaar van schepen zijn – Voorwaarde voor registratie met betrekking tot nationaliteit van natuurlijke personen belast met dagelijkse leiding van Nederlandse vestiging van vennootschap die eigenaar van schip is – Voorwaarde met betrekking tot nationaliteit en woonplaats van bestuurders van rederijen van in Nederland geregistreerde schepen”
1. Met dit beroep verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door aan de registratie van zeeschepen in Nederland voorwaarden te verbinden met betrekking tot de nationaliteit van de aandeelhouders of de bestuurders van de vennootschappen die eigenaar van die schepen zijn, de krachtens de artikelen 43 EG en 48 EG op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. De Commissie verzoekt het Hof tevens vast te stellen dat deze lidstaat aan deze verplichtingen niet heeft voldaan door aan de registratie van schepen voorwaarden te verbinden met betrekking tot de nationaliteit of de woonplaats van de bestuurders van rederijen, alsmede met betrekking tot de nationaliteit van de natuurlijke personen die zijn belast met de dagelijkse leiding van de vestiging van waaruit in Nederland het zeescheepvaartbedrijf met dergelijke schepen wordt uitgeoefend.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Bepalingen van internationaal recht
2. Er zijn thans twee internationale verdragen van kracht die bepalingen inzake de registratie van zeeschepen bevatten.
3. Het eerste is het Verdrag van Genève van 29 april 1958 inzake het recht van de zee. (2) Dit is op 30 september 1962 in werking getreden. Het bindt 62 verdragsstaten. De Europese Gemeenschap is geen partij, maar vele lidstaten wel, waaronder Nederland. (3)
4. Artikel 5, lid 1, van het Verdrag van Genève bepaalt dat „iedere staat de voorwaarden vaststelt voor het verlenen van zijn nationaliteit aan schepen, voor de registratie van schepen op zijn grondgebied en voor het recht zijn vlag te voeren”. Na de vermelding dat „een schip de nationaliteit heeft van de staat wiens vlag het gerechtigd is te voeren”, is gepreciseerd dat „er een wezenlijke band moet bestaan tussen de staat en het schip”.
5. Deze bepalingen zijn in hun geheel opgenomen in artikel 91, lid 1, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, dat op 10 december 1982 te Montego Bay is gesloten. (4) Dit verdrag is op 16 november 1994 in werking getreden. 144 staten alsmede de Europese Gemeenschap zijn verdragspartij. De Gemeenschap is bij besluit 98/392/EG (5) toegetreden voor de gebieden die tot haar bevoegdheid behoren. Alle lidstaten van de Gemeenschap behalve het Koninkrijk Denemarken zijn partij bij het Verdrag van Montego Bay. Ingevolge artikel 311, lid 1, van genoemd verdrag gaat dit tussen de staten die partij zijn, boven het Verdrag van Genève. (6)
6. Aansluitend bij artikel 10 van het Verdrag van Genève vereist artikel 94 van het Verdrag van Montego Bay, met het opschrift „Plichten van de vlaggenstaat”, in lid 1 dat „iedere staat doeltreffend zijn rechtsmacht en toezicht in administratieve, technische en sociale aangelegenheden uitoefent over schepen die zijn vlag voeren”, en noemt het in de volgende leden een reeks maatregelen die de vlaggenstaat in dit opzicht moet nemen.
B – Bepalingen van gemeenschapsrecht
7. Artikel 43, tweede alinea, EG geeft gemeenschapsonderdanen het recht op toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en op de uitoefening daarvan, alsmede het recht om ondernemingen op te richten en te beheren, onder de voorwaarden welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.
8. Artikel 48, eerste alinea, EG stelt vennootschappen welke in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en welke hun statutaire zetel (7) , hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap hebben, gelijk met de natuurlijke personen die onderdaan zijn van de lidstaten, zodat deze vennootschappen net als de onderdanen van de lidstaten het in artikel 43, tweede alinea, EG neergelegde recht van vestiging genieten.
9. Het vestigen van een vennootschap in een andere lidstaat dan die volgens wiens wettelijke regeling zij is opgericht, kan in twee verschillende vormen gebeuren, te weten als hoofdvestiging of als nevenvestiging.
10. Van een hoofdvestiging is sprake wanneer een vennootschap zich wenst aan te sluiten bij de rechtsorde van een andere lidstaat dan die volgens wiens wettelijke regeling zij oorspronkelijk is opgericht, met name middels het overbrengen van haar hoofdbestuur of middels de deelname aan de oprichting van een nieuwe vennootschap in deze andere lidstaat.
11. Van een nevenvestiging is sprake wanneer een vennootschap louter haar geografische aanwezigheid in de Gemeenschap wenst uit te breiden middels – volgens de bewoordingen van artikel 43, eerste alinea, EG – de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen in de lidstaat van ontvangst, terwijl zij haar (hoofd)vestiging handhaaft in de lidstaat volgens wiens wettelijke regeling zij oorspronkelijk is opgericht.
C – Bepalingen van nationaal recht
12. In Nederland is de registratie van zeeschepen geregeld in het Wetboek van Koophandel. Artikel 311, lid 1, daarvan, in de versie van na 1 augustus 1994 – de enige die in casu relevant is – stelt het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit voor een schip, dat wil zeggen registratie ervan in Nederland, afhankelijk van een reeks voorwaarden.
13. Een van deze voorwaarden heeft betrekking op de nationaliteit van de eigenaar of eigenaren van het schip. Zo vereist artikel 311, lid 1, sub a, van het Wetboek van Koophandel, dat „het schip voor ten minste twee derde deel toebehoort aan een of meer natuurlijke personen of vennootschappen die de nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen of van een van de overige staten die partij zijn bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte bezitten”. (8)
14. Artikel 311, lid 3, van het Wetboek van Koophandel verstaat onder rechtspersonen met de nationaliteit van een der lidstaten of van een van de overige staten die partij zijn bij de EER-overeenkomst, in de zin van artikel 311, lid 1, sub a, „een rechtspersoon die in overeenstemming met de wetgeving van een van de lidstaten […] of van een van de overige staten die partij zijn bij de [EER‑ overeenkomst] […] is opgericht en die zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging binnen een van de lidstaten […] of een van de overige staten die partij zijn bij de [EER-overeenkomst] […] heeft, mits, a) hetzij aandelen, die ten minste twee derde deel van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, op naam zijn gesteld van natuurlijke personen met de nationaliteit van een van de lidstaten […] of van een van de overige staten die partij zijn bij de [EER-overeenkomst] of van vennootschappen als bedoeld in de aanhef van dit lid, en tevens de meerderheid van de bestuurders de nationaliteit van een van de lidstaten […] of van een van de overige staten die partij zijn bij de [EER-overeenkomst] bezit; b) hetzij alle bestuurders de nationaliteit bezitten van een van de lidstaten […] of van een van de overige staten die partij zijn bij de [EER-overeenkomst]”.
15. Voorts vereist artikel 311, lid 1, sub b, van het Wetboek van Koophandel voor de registratie van een schip in Nederland, dat de eigenaar of eigenaren van dat schip (zoals hiervoor omschreven) het zeescheepvaartbedrijf in Nederland uitoefenen door middel van een onderneming die in Nederland is gevestigd of daar een nevenvestiging heeft, en dat zij het beheer over het schip in overwegende mate vanuit deze lidstaat voeren. Artikel 311, lid 1, sub c en d, bepaalt tevens dat de dagelijkse leiding van de betrokken vestiging bij een of meer natuurlijke personen berust die de nationaliteit bezitten van een van de lidstaten of van een van de overige staten die partij zijn bij de EER-overeenkomst, en die over vertegenwoordigingsbevoegdheid beschikken inzake alle met het beheer over het schip verband houdende aangelegenheden betreffende het schip, de kapitein en de overige leden van de bemanning.
16. Bovendien bepaalt artikel 8:169 van het Burgerlijk Wetboek, in de versie van na 1 augustus 1994, dat de betrekking van de „boekhouder”, dat wil zeggen bestuurder, van een rederij eindigt, indien hij niet langer de nationaliteit bezit van een van de lidstaten of van een van de overige staten die partij zijn bij de EER-overeenkomst of buiten het grondgebied van deze staten gaat wonen.
II – De precontentieuze procedure
17. Er was tegen het Koninkrijk der Nederlanden reeds een precontentieuze procedure ingeleid met betrekking tot zijn nationale regeling inzake zeeschepen, in de versie die vóór de in casu aan de orde zijnde versie gold. Deze eerdere regeling werd door de Commissie geacht in strijd te zijn met de vrijheid van vestiging, gelet op het arrest van 15 juli 1991, Factortame e.a. (9)
18. Na deze procedure heeft het Koninkrijk der Nederlanden zijn nationale regeling op dit gebied gewijzigd.
19. Van mening dat deze nieuwe regeling nog steeds in strijd was met de vrijheid van vestiging zoals deze is gewaarborgd in de artikelen 43 EG en 48 EG, heeft de Commissie deze lidstaat aangemaand zijn opmerkingen in te dienen. Daar de opmerkingen van het Koninkrijk der Nederlanden haar niet konden overtuigen, heeft de Commissie deze lidstaat op 27 januari 2000 verzocht de maatregelen te treffen die nodig zijn om binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving aan de uit de artikelen 43 EG en 48 EG voortvloeiende verplichtingen te voldoen.
20. Aangezien het wetsontwerp waarmee een eind moest worden gemaakt aan de niet-nakoming, nog niet was aangenomen, heeft de Commissie bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 augustus 2002, het onderhavige beroep ingesteld.
III – Het beroep
21. Tot staving van haar beroep voert de Commissie twee grieven aan.
22. De eerste grief betreft de voorwaarden voor de registratie van zeeschepen die verband houden met de nationaliteit van de aandeelhouders of van de bestuurders van de vennootschappen die eigenaar van die schepen zijn.
23. De tweede grief bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft de voorwaarden voor registratie van zeeschepen die verband houden met de nationaliteit van de natuurlijke personen die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vestiging van waaruit het zeescheepvaartbedrijf in deze lidstaat wordt uitgeoefend. Het tweede onderdeel betreft de nationaliteits- en woonplaatsvereisten die aan de uitoefening van de taken van bestuurder van een rederij zijn verbonden.
A – Eerste grief: de voorwaarden voor registratie van schepen die verband houden met de nationaliteit van de aandeelhouders of van de bestuurders van vennootschappen die eigenaar van de schepen zijn
1. Argumenten van partijen
24. Met haar eerste grief verwijt de Commissie het Koninkrijk der Nederlanden dat het de artikelen 43 EG en 48 EG heeft geschonden door aan de registratie van zeeschepen in deze lidstaat voorwaarden te verbinden met betrekking tot de nationaliteit van de aandeelhouders of de bestuurders van de vennootschappen die eigenaar zijn van die schepen.
25. De Commissie brengt in herinnering dat de voorwaarden voor registratie van vaartuigen volgens het arrest Factortame e.a., reeds aangehaald, geen belemmering van de vrijheid van vestiging mogen vormen. (10)
26. De Commissie betoogt in dit verband dat de voorwaarden van artikel 311, lid 3, van het Wetboek van Koophandel, met betrekking tot de nationaliteit van de aandeelhouders of de bestuurders van de vennootschappen die eigenaar van de zeeschepen zijn, voorwaarden vormen die bovenop die van artikel 48 EG komen om een vennootschap vrijheid van vestiging te laten genieten.
27. Daaruit volgt dat de vennootschappen die eigenaar van zeeschepen zijn die niet aan die extra voorwaarden voldoen, dergelijke schepen in Nederland niet kunnen registreren, en zich daar dus niet kunnen vestigen, terwijl zij wel aan de voorwaarden van artikel 48 EG voldoen en recht op vrijheid van vestiging in deze lidstaat zouden moeten hebben.
28. Volgens de Commissie brengt het vereiste van deze extra voorwaarden een beperking van de vrijheid van vestiging van die vennootschappen in Nederland mee, met name in het geval waarin zij daar een nevenvestiging willen opzetten en de lidstaat op wiens grondgebied zij zijn gevestigd een dergelijk vereiste niet stelt. In dat geval zijn die vennootschappen immers gedwongen de samenstelling van hun bestuursorganen of van hun aandeelhouders te wijzigen om hun zeeschepen in Nederland te kunnen registreren.
29. De Nederlandse regering ontkent dat de betrokken nationale regeling een belemmering van de vrijheid van vestiging vormt. Zij beklemtoont in dit verband dat de nationaliteitsvoorwaarden van de Nederlandse regeling niet kunnen worden vergeleken met die welke in het arrest Factortame e.a., reeds aangehaald, aan de orde waren, omdat het om voorwaarden gaat die gebaseerd zijn op de nationaliteit van een lidstaat van de Gemeenschap of van een staat die partij is bij de EER-overeenkomst, en niet op de nationaliteit van de betrokken lidstaat. De Nederlandse regering voegt daaraan toe dat voorzover de omstreden nationaliteitsvoorwaarden al gevolgen zouden kunnen hebben voor de uitoefening van het recht om een nevenvestiging op te zetten, deze gevolgen dermate onzeker en indirect zijn dat het onjuist is om van een belemmering te spreken.
30. Overigens, zelfs al zou er sprake zijn van een daadwerkelijke belemmering, dan nog is deze naar behoren gerechtvaardigd door de noodzaak om een wezenlijke band te verzekeren tussen het schip en de staat waarin het is geregistreerd, zodat die staat overeenkomstig de vereisten van het Verdrag van Montego Bay effectieve rechtsmacht en toezicht kan uitoefenen over het schip dat zijn vlag voert.
31. Volgens de Nederlandse regering vinden de gegrondheid en de evenredigheid van een gestelde belemmering van de vrijheid van vestiging bevestiging in de omstandigheid dat vergelijkbare nationaliteitsvoorwaarden zijn overwogen op het gebied van het maritieme transport, zijn opgenomen in verschillende thans geldende regelingen op het gebied van het vervoer over de binnenwateren en van de luchtvaart, en opnieuw zijn overwogen op het gebied van de luchtvaart.
2. Beoordeling
32. In het reeds aangehaalde arrest Factortame e.a. heeft het Hof erop gewezen dat de vaststelling van de voorwaarden voor registratie van schepen bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht een bevoegdheid van de lidstaten is. (11) Deze vaststelling geldt ook thans nog voor zeeschepen, omdat er tot op heden op dit gebied geen regels van afgeleid gemeenschapsrecht zijn vastgesteld.
33. Dat neemt niet weg dat de lidstaten volgens vaste rechtspraak verplicht zijn de bevoegdheden die zij hebben behouden, in overeenstemming met het gemeenschapsrecht uit te oefenen. (12)
34. Het Hof heeft gepreciseerd dat de door de lidstaten gestelde voorwaarden voor registratie van vaartuigen geen belemmering van de vrijheid van vestiging (met betrekking tot bij de uitoefening van een economische activiteit gebruikte vaartuigen) of van de vrijheid van personenverkeer (met betrekking tot niet voor een economische activiteit gebruikte vaartuigen) mogen vormen. (13)
35. In casu staat vast dat de betrokken Nederlandse regeling moet worden beoordeeld vanuit het oogpunt van de vrijheid van vestiging, en niet van de vrijheid van personenverkeer. De met de Nederlandse regeling beoogde schepen zijn immers instrumenten voor de uitoefening van een economische activiteit die gepaard gaat met een duurzame vestiging in Nederland (14) , zodat de registratie ervan overeenkomstig het arrest Factortame e.a. niet los kan worden gezien van de uitoefening van de vrijheid van vestiging. (15)
36. Mijns inziens lijdt het geen twijfel dat de nationaliteitsvoorwaarden die de Nederlandse regeling aan registratie van zeeschepen in Nederland stelt, een beperking meebrengen van de vrijheid van vestiging van de vennootschappen die eigenaar van die schepen zijn.
37. Wanneer deze vennootschappen immers aan de voorwaarden van artikel 48, lid 1, EG voldoen, dat wil zeggen dat zij conform de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en dat zij hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap hebben, genieten zij in beginsel vrijheid van vestiging overeenkomstig de artikelen 43 EG en volgende. (16)
38. Wat dat aangaat dient te worden gepreciseerd dat is uitgesloten dat het recht op vrijheid van vestiging, waar het vennootschappen betreft, afhankelijk wordt gesteld van het feit dat de vennootschappen aan extra voorwaarden in verband met de nationaliteit van hun aandeelhouders of hun bestuurders voldoen.
39. Artikel 48, lid 1, EG heeft dergelijke voorwaarden impliciet doch noodzakelijkerwijs uitgesloten, omdat deze in de context van een aanknopingscriterium passen, het zogenoemde „controlecriterium” dat de opstellers van het EG-Verdrag niet hebben gekozen. (17)
40. Deze uitsluiting van het controlecriterium en de nationaliteitsvoorwaarden die daarmee verbonden zijn, is bevestigd in het algemene programma voor de afschaffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging, vastgesteld door de Raad op 18 december 1961. (18)
41. Het algemene programma heeft immers de vrijheid van vennootschappen die louter hun statutaire zetel binnen de Gemeenschap hebben (terwijl hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging buiten de Gemeenschap ligt), om een nevenvestiging op te zetten weliswaar afhankelijk gesteld van de extra voorwaarde dat haar activiteiten „daadwerkelijk en duurzaam verband houden met de economie van een lidstaat”, doch het algemene programma heeft uitdrukkelijk uitgesloten dat deze band afhankelijk kan worden gesteld van de nationaliteit van met name de vennoten of de leden van de bestuurs- of toezichtsorganen of van de personen die in het bezit zijn van het aandelenkapitaal. (19)
42. Daaruit volgt dat het er voor het secundaire vestigingsrecht (recht om een nevenvestiging op te zetten) niet toe doet dat een vennootschap aan toezicht door onderdanen van derde landen buiten de Gemeenschap en de EER (bestuurders of aandeelhouders) is onderworpen. Met andere woorden, een vennootschap die aan de voorwaarden van artikel 48, lid 1, EG voldoet, kan niet het recht worden ontzegd om een nevenvestiging op te zetten louter omdat zij niet aan voorwaarden met betrekking tot de nationaliteit van haar aandeelhouders of haar bestuurders voldoet. Hetzelfde geldt voor de vrijheid om een hoofdvestiging op te richten.
43. Waar de betrokken Nederlandse regeling de registratie van zeeschepen in Nederland afhankelijk stelt van voorwaarden met betrekking tot de nationaliteit van de aandeelhouders of de bestuurders van de vennootschappen die eigenaar zijn van dergelijke schepen, leidt zij tot een beperking van de personele werkingssfeer van het vestigingsrecht zoals dat in artikel 48 EG is omschreven. Voorts kan deze nationale regeling, zoals de Commissie betoogt, de uitoefening van de vrijheid van vestiging in deze lidstaat belemmeren of minder aantrekkelijk maken, ongeacht of het een hoofd- of een nevenvestiging betreft. Anders dan de Nederlandse regering, sta ik op het standpunt dat dergelijke beperkende gevolgen niet te onzeker en indirect zijn om ervan uit te kunnen gaan dat de betrokken nationale regeling de vrijheid van vestiging belemmert.
44. Wanneer immers de vennootschappen die voornemens zijn zeeschepen waarvan zij eigenaar zijn, in Nederland te registreren, niet aan de omstreden nationale voorwaarden voldoen (wat zeer waarschijnlijk is voor vennootschappen die zijn opgericht in een andere lidstaat, voorzover die lidstaat dergelijke voorwaarden niet stelt), rest die vennootschappen, om deze registratie te kunnen laten plaatsvinden, niets anders dan de structuur van hun aandelenkapitaal of van hun bestuursorganen dienovereenkomstig te wijzigen.
45. Een dergelijke wijziging kan vanzelfsprekend diepgaande veranderingen binnen de vennootschap meebrengen. Tevens moeten vele formaliteiten worden vervuld die niet zonder financiële consequenties zijn. Dit vooruitzicht weerhoudt de betrokken vennootschappen er in aanzienlijke mate van het vestigingsrecht uit te oefenen dat hun ingevolge de artikelen 43 EG en 48 EG toekomt, met name wanneer het enkel om een nevenvestiging gaat, te meer omdat, zoals het Hof in het reeds aangehaalde arrest Daily Mail and General Trust heeft beklemtoond, de oprichting van een nevenvestiging de normale vorm is waarin dit recht wordt uitgeoefend. (20)
46. Daaruit volgt dat de betrokken Nederlandse regeling een met de artikelen 43 EG en 48 EG strijdige beperking van de vrijheid van vestiging vormt.
47. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, is deze regeling dan wel zonder onderscheid van toepassing op Nederlandse vennootschappen en op vennootschappen die onder de rechtsorde van andere lidstaten vallen (in de zin van artikel 48, lid 1, EG). In dat opzicht onderscheidt die regeling zich dus van die welke in het arrest Factortame e.a. zijn onderzocht, omdat laatstbedoelde regelingen discriminerend waren ten nadele van vennootschappen met aanknoping in een andere lidstaat dan die waarvoor elk van de betrokken nationale regelingen gold. (21)
48. In het arrest van 31 maart 1993, Kraus (22) , heeft het Hof echter geoordeeld dat „de artikelen 48 en 52 [thans, na wijziging, de artikelen 39 EG en 43 EG] in de weg staan aan een nationale regeling […], die, zelfs wanneer zij zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing is, toch de uitoefening van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden door gemeenschapsonderdanen […] kan belemmeren of minder aantrekkelijk maken”. (23) Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat „dit slechts anders zou zijn, indien een dergelijke regeling een rechtmatig, met het Verdrag verenigbaar doel zou nastreven [of] haar rechtvaardiging zou vinden in dwingende redenen van algemeen belang […] [en] de toepassing van de betrokken nationale regeling ook geschikt [zou] zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, en zij niet verder [zou] gaan dan nodig is voor het bereiken van dat doel”. (24)
49. Derhalve dient te worden onderzocht of, zoals de Nederlandse regering betoogt, voor de beperking die de betrokken nationale regeling teweegbrengt, op evenredige wijze een naar gemeenschapsrecht relevante rechtvaardiging kan worden gegeven op basis van de bepalingen van internationaal recht op het gebied van de scheepsregistratie.
50. Volgens de Nederlandse regering zijn de omstreden nationaliteitsvoorwaarden nodig om overeenkomstig artikel 91 van het Verdrag van Montego Bay te verzekeren dat er een wezenlijke band bestaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en schepen die de Nederlandse vlag voeren. De controle of aan deze voorwaarden is voldaan, moet plaatsvinden bij de registratie van de schepen teneinde zo veel mogelijk te waarborgen dat de Nederlandse autoriteiten overeenkomstig artikel 94 van genoemd verdrag effectieve rechtsmacht en toezicht over die schepen kunnen uitoefenen.
51. Deze stelling van de Nederlandse regering is gebaseerd op een bepaalde uitlegging van artikel 91, lid 1, van het Verdrag van Montego Bay. Ik ben er echter niet van overtuigd dat artikel 91, lid 1, van het Verdrag van Montego Bay, zoals de Nederlandse regering betoogt (25) , de registratie van een schip afhankelijk stelt van het bestaan van een prealabele wezenlijke band tussen de vlaggenstaat en het betrokken schip.
52. Deze uitlegging van artikel 91, lid 1, van het Verdrag van Montego Bay lijkt immers te zijn afgewezen door het Internationale Hof voor het Recht van de Zee (hierna: „IHRZ”) in zijn arrest van 1 juli 1999 in de zogenoemde zaak „Schip Saiga II”, waarin Saint Vincent en de Grenadines en de Republiek Guinee tegenover elkaar stonden, nadat de Guineese autoriteiten een schip met de vlag van Saint Vincent en de Grenadines hadden gepraaid. (26) De doctrine heeft zich in die zin over dit arrest uitgelaten. (27)
53. Het IHRZ heeft immers geoordeeld dat „het doel van de bepalingen van het Verdrag [van Montego Bay] betreffende de wezenlijke band tussen een schip en de vlaggenstaat is een doeltreffender naleving van de verplichtingen van de vlaggenstaten te verzekeren, en niet om criteria vast te stellen waarop andere staten zich kunnen beroepen om de geldigheid van de registratie van schepen in een vlaggenstaat te betwisten”. (28)
54. Deze formulering geeft reden om aan te nemen dat het vereiste van een wezenlijke band tussen een schip en de vlaggenstaat eerder betrekking heeft op de uitvoering van de op de vlaggenstaat rustende verplichtingen dan op een prealabele voorwaarde voor registratie van een schip.
55. Volgens het IHRZ wordt de zin van dit vereiste niet in twijfel getrokken door het verdrag van de Verenigde Naties van 7 februari 1986 betreffende de voorwaarden voor registratie van schepen. (29) Deze uitlegging van artikel 91, lid 1, van het Verdrag van Montego Bay vindt integendeel juist bevestiging in de twee verdragen van de Verenigde Naties inzake de visserij (uit 1982 en 1993, nog niet in werking getreden), want deze verdragen blijven beperkt tot de nadere bepaling van de inhoud van de op de vlaggenstaat rustende verplichtingen, zonder zelfs maar de eventuele voorwaarden te noemen waaraan zou moeten zijn voldaan om een schip te kunnen registreren. (30)
56. In dezelfde zin heeft het IHRZ daaraan toegevoegd dat de Republiek Guinee geen enkele bepaling van het Verdrag van Montego Bay had aangevoerd die haar stelling kon staven dat „een van de fundamentele voorwaarden voor registratie van een schip erin bestaat dat de eigenaar of de exploitant van dat schip onder de effectieve rechtsmacht van de vlaggenstaat moet vallen”. (31) Deze opmerking lijkt gelijk te geven aan de stelling van Saint Vincent en de Grenadines, te weten dat „niets in dat verdrag de stelling staaft dat het bestaan van een wezenlijke band tussen een schip en een staat een prealabele voorwaarde vormt die noodzakelijk is voor de toekenning van de nationaliteit aan het schip”. (32)
57. Mijns inziens verschaft deze rechtspraak van het IHRZ een verheldering waarmee de door de Nederlandse regering verdedigde uitlegging van artikel 91, lid 1, van het Verdrag van Montego Bay wordt weerlegd (dat inhoudelijk identiek is aan artikel 5, lid 1, van het Verdrag van Genève).
58. Deze rechtspraak sluit aan bij en bevestigt de analyse die advocaat‑generaal Tesauro reeds had gemaakt in zijn conclusie in de zaak Commissie/Griekenland die tot het reeds aangehaalde arrest van 27 november 1997 heeft geleid. Hij ging er immers van uit dat het begrip „wezenlijke band” of „genuine link” in de zin van de verdragen van Genève en Montego Bay duiden op de effectiviteit van het toezicht en de rechtsmacht die de staat over schepen die zijn vlag voeren, moeten uitoefenen. Anders gezegd impliceert deze wezenlijke band volgens hem niet zozeer een voorwaarde voor de nationaliteit van het schip als wel een verplichting tot het uitoefenen van toezicht, zodra de nationaliteit is verleend. (33)
59. In dit verband zij eraan herinnerd dat advocaat-generaal Tesauro erop heeft gewezen dat de uiteindelijk aangenomen versie van artikel 5 van het Verdrag van Genève, vergeleken met die welke de International Law Commission van de Verenigde Naties had voorbereid, juist het idee weerspreekt dat voor toekenning van de nationaliteit aan het schip verlangd zou moeten worden dat de eigendom van het schip voor het grootste deel berust bij onderdanen van de vlaggenstaat. (34)
60. Ongeacht welke uitlegging van het vereiste van een wezenlijke band tussen het schip en de staat in de zin van de verdragen van Genève en Montego Bay juist is, zie ik bovendien hoe dan ook niet goed in waarom, zoals de Nederlandse regering betoogt, de nationaliteitsvoorwaarden van de berokken nationale regeling noodzakelijk zijn om het Koninkrijk der Nederlanden, als vlaggenstaat, in staat te stellen zijn toezicht en rechtsmacht overeenkomstig artikel 94 van het Verdrag van Montego Bay uit te oefenen over de schepen die zijn vlag voeren.
61. Men kan er weliswaar van uitgaan dat de doelen van het verzekeren van de veiligheid op zee of van het voorkomen, verminderen en bestrijden van de verontreiniging van het maritieme milieu, die worden nagestreefd met artikel 94 van het Verdrag van Montego Bay (35) waartoe de Gemeenschap is toegetreden, dwingende redenen van algemeen belang vormen in de zin van de rechtspraak van het Hof, of zelfs redenen van openbare veiligheid in de zin van artikel 46, lid 1, EG. (36)
62. Dat een schip voor het grootste gedeelte aan een of meerdere vennootschappen toebehoort wier aandelenkapitaal of bestuur in hoofdzaak is samengesteld uit onderdanen van derde staten, belet niet dat een lidstaat als vlaggenstaat effectief zijn rechtsmacht en zijn toezicht over dat schip uitoefent. Deze omstandigheid is van weinig belang voor de vaststelling van maatregelen zoals de inspectie van het schip (37) , de registratie van de gegevens betreffende het schip (38) , de controle van de bekwaamheid en de arbeidsvoorwaarden van de bemanning (39) , alsmede voor het instellen en verrichten van een onderzoek in geval van een ongeval op zee of voorval verband houdende met de navigatie. (40)
63. In dit verband kan het echter wel zinvol zijn om, zoals de Nederlandse regeling doet (41) , verplicht te stellen dat het beheer van een schip dat de Nederlandse vlag voert in overwegende mate vanuit Nederland wordt gevoerd. (42) Het Hof heeft een dergelijke voorwaarde voor registratie van schepen uit het oogpunt van de vrijheid van vestiging toegestaan. (43)
64. Anders dan hetgeen de Nederlandse regering betoogt, lijken de omstreden nationaliteitsvoorwaarden mijns inziens dus niet noodzakelijk om het Koninkrijk der Nederlanden in staat te stellen om overeenkomstig artikel 94 van het Verdrag van Montego Bay aan zijn verplichtingen als vlaggenstaat te voldoen.
65. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de in de betrokken nationale regeling gestelde nationaliteitsvoorwaarden geen rechtvaardiging vinden in de voorschriften van internationaal recht die op het gebied van de registratie van schepen gelden, zoals die in de verdragen van Genève en Montego Bay.
66. Gelet op het voorgaande, ben ik geneigd de conclusie te trekken dat de eerste grief van het beroep gegrond is.
67. Ik ben echter van mening dat er bij de huidige stand van het dossier twijfel blijft bestaan over de ongegrondheid van de omstreden nationaliteitsvoorwaarden.
68. Zoals de Nederlandse regering terecht beklemtoont, kennen verschillende thans geldende verordeningen op het gebied van het vervoer over de binnenwateren of de luchtvaart immers vergelijkbare nationaliteitsvoorwaarden.
69. Op het gebied van het vervoer over de binnenwateren is dit het geval voor verordening (EEG) nr. 2919/85 van de Raad van 17 oktober 1985 houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor het regime dat door de Herziene Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de Rijnvaart behoren (44) , voor verordening (EEG) nr. 3921/91 van de Raad van 16 december 1991 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoerondernemers worden toegelaten tot binnenlands goederen- en personenvervoer over de binnenwateren in een lidstaat waar zij niet gevestigd zijn (45) , alsmede voor verordening (EG) nr. 1356/96 van de Raad van 8 juli 1996 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor het vervoer van goederen of personen over de binnenwateren, tussen lidstaten, om voor dit vervoer het vrij verrichten van diensten te verzekeren. (46) Op het gebied van de luchtvaart is dit het geval voor verordening (EEG) nr. 2407/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de verlening van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaatschappijen. (47)
70. Weliswaar kan het feit dat al deze verordeningen in het kader van het gemeenschappelijke vervoerbeleid (hoofdzakelijk op het gebied van de vrije dienstverrichting) in nationaliteitsvoorwaarden voorzien die vergelijkbaar zijn met die welke in het onderhavige geval aan de orde zijn, op zich niet rechtvaardigen dat een lidstaat unilateraal dergelijke voorwaarden (op het gebied van de vrijheid van vestiging) stelt in andere vervoersectoren dan die waarop de betrokken verordeningen betrekking hebben. (48)
71. Dat neemt niet weg dat het op zijn zachtst gezegd paradoxaal is om te oordelen dat de omstreden nationale bepalingen in het geheel geen rechtvaardiging vinden die relevant is in het gemeenschapsrecht inzake het zeevervoer, terwijl vergelijkbare bepalingen zijn voorzien in verschillende thans geldende communautaire verordeningen voor andere vervoersectoren, tenzij ervan uit zou worden gegaan dat de sectoren van de luchtvaart en van de binnenvaart aan fundamenteel andere vereisten voldoen dan die betreffende het zeevervoer, dan wel vraagtekens zouden worden geplaatst bij de wettigheid van die verordeningen waar het de betrokken bepalingen betreft. (49)
72. De Commissie heeft hierover weinig uitleg gegeven. Ik kom derhalve tot de slotsom dat zij niet toereikend heeft aangetoond dat de door de betrokken Nederlandse regeling teweeggebrachte beperking van de vrijheid van vestiging ongerechtvaardigd is. Volgens vaste rechtspraak moet de Commissie de gestelde niet-nakoming aantonen door de feiten en omstandigheden aan te dragen die het Hof nodig heeft om uit te maken of daarvan sprake is. (50)
73. Bijgevolg sta ik op het standpunt dat de eerste grief van het beroep, bij de huidige stand van het dossier, ongegrond is.
B – Tweede grief: de voorwaarden met betrekking tot de nationaliteit van de natuurlijke personen die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vestiging van waaruit het zeescheepvaartbedrijf in Nederland wordt uitgeoefend alsmede met betrekking tot de nationaliteit en de woonplaats van de bestuurders van rederijen
1. Argumenten van partijen
74. Zoals reeds vermeld, bestaat deze tweede grief uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft bepaalde voorwaarden die aan de registratie van zeeschepen in Nederland zijn gesteld, te weten voorwaarden met betrekking tot de nationaliteit van de natuurlijke personen die zijn belast met de dagelijkse leiding van de vestiging van waaruit het zeescheepvaartbedrijf in deze lidstaat wordt uitgeoefend. Het tweede onderdeel betreft de nationaliteits- en woonplaatsvoorwaarden die aan de uitoefening van de taken van bestuurder van een rederij worden gesteld.
75. Met de twee onderdelen van deze tweede grief verwijt de Commissie het Koninkrijk der Nederlanden dat het de artikelen 43 EG en 48 EG heeft geschonden omdat de omstreden nationale voorwaarden een ongerechtvaardigde beperking van de vrijheid van vestiging van in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen vormen.
76. De betrokken vennootschappen, die niet aan die voorwaarden voldoen, hebben volgens de Nederlandse regeling immers niet het recht om in Nederland een schip te registreren waarvan zij eigenaar zijn, en daar aldus het zeescheepvaartbedrijf uit te oefenen, noch om in deze lidstaat een rederij van reeds bij de Nederlandse autoriteiten geregistreerde schepen op te richten of te beheren.
77. Anders dan de Nederlandse regering betoogt, vinden de omstreden nationale voorwaarden volgens de Commissie geen rechtvaardiging in de bepalingen van het internationale recht inzake de verplichtingen van de vlaggenstaat.
2. Beoordeling
78. Ik acht beide onderdelen van deze grief gegrond.
79. Wat het eerste onderdeel van deze grief betreft, betreffende de registratievoorwaarden van schepen die verband houden met de nationaliteit van de natuurlijke personen die zijn belast met de dagelijkse leiding van de vestiging van waaruit in Nederland het zeescheepvaartbedrijf wordt uitgeoefend (51) , verwijs ik in het algemeen naar mijn uiteenzettingen betreffende de eerste grief, waarbij zij aangetekend dat de verordeningen nrs. 2919/85, 3921/91, 2407/92 en 1356/96 in dit opzicht geen vergelijkbare nationaliteitsvoorwaarden stellen.
80. Net als de in de eerste grief bedoelde voorwaarden voor registratie van schepen met betrekking tot de nationaliteit van de aandeelhouders of de bestuurders van de vennootschappen die eigenaar zijn van de zeeschepen, kunnen de in het eerste onderdeel van de tweede grief bedoelde voorwaarden de uitoefening van de vrijheid om in Nederland een hoofd- of nevenvestiging op te richten, belemmeren of minder aantrekkelijk maken. Vennootschappen die in het kader van de uitoefening van de vrijheid van vestiging de schepen waarvan zij eigenaar zijn in deze lidstaat wensen te registreren, hebben immers geen andere mogelijkheid om dit te doen dan hun aanstellingsbeleid dienovereenkomstig aan te passen, teneinde iedere onderdaan van een derde staat ten opzichte van de Gemeenschap of van de EER van het door de betrokken Nederlandse regeling geraakte personeel uit te sluiten.
81. Een dergelijke beperking van de vrijheid van vestiging, ook al geldt deze zonder onderscheid voor Nederlandse vennootschappen en voor vennootschappen die onder de rechtsorde van een andere lidstaat dan Nederland vallen, is in strijd met de artikelen 43 EG en 48 EG omdat daarvoor geen enkele in het gemeenschapsrecht relevante rechtvaardiging is gegeven, welke met name zou zijn ontleend aan het internationale recht dat ik hierboven heb onderzocht. Dat de dagelijkse leiding van een vestiging van waaruit een vennootschap die eigenaar van de schepen is, het zeescheepvaartbedrijf in Nederland uitoefent, geheel of ten dele door onderdanen van derde staten ten opzichte van de Gemeenschap of van de EER wordt verzekerd, verzet zich er niet tegen dat deze lidstaat, als vlaggenstaat, overeenkomstig artikel 94 van het Verdrag van Montego Bay, effectief zijn toezicht en rechtsmacht over dat schip uitoefent.
82. Ik kom tot de slotsom dat het eerste onderdeel van de tweede grief gegrond is.
83. Voor het tweede onderdeel van de tweede grief (52) gaan hetzelfde soort overwegingen op ten aanzien van de voorwaarden met betrekking tot de nationaliteit van de bestuurders van rederijen van in Nederland geregistreerde schepen. Deze nationaliteitsvoorwaarde kan immers de oprichting of het beheer van rederijen van bedoelde schepen in deze lidstaat belemmeren of minder aantrekkelijk maken. Een dergelijke beperking, ook al is zij niet discriminerend, heeft geen enkele in het gemeenschapsrecht relevante rechtvaardiging die met name zou zijn ontleend aan de reeds genoemde bepalingen van internationaal recht, waarbij zij aangetekend dat de verordeningen nrs. 2919/85, 3921/91, 2407/92 en 1356/96 in dit opzicht niet voorzien in vergelijkbare nationaliteitsvoorwaarden.
84. Wat de voorwaarde met betrekking tot de woonplaats van de bestuurders van rederijen betreft, deel ik de zienswijze van de Commissie, dat deze voorwaarde in andere lidstaten dan Nederland gevestigde vennootschappen (in de zin van artikel 48 EG) ervan kan weerhouden om deel te nemen in op Nederlands grondgebied gevestigde rederijen. Wanneer in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen een dergelijke deelneming wensen aan te gaan en hun bestuurders niet of niet meer in een lidstaat van de Gemeenschap of van de EER wonen, hebben zij immers geen andere mogelijkheid dan van bestuurders te veranderen, tenzij die bestuurders daartoe van woonplaats veranderen. Daaruit volgt dat het omstreden woonplaatsvereiste een beperking van de vrijheid van vestiging vormt. Deze beperking, ook al is zij niet discriminerend, is in strijd met de artikelen 43 EG en 48 EG, aangezien zij niet berust op enige naar gemeenschapsrecht relevante rechtvaardigingsgrond, die meer in het bijzonder zou zijn ontleend aan de reeds aangehaalde bepalingen van internationaal recht.
85. Ik kom tot de slotsom dat zowel het eerste als het tweede onderdeel van de tweede grief gegrond is.
IV – Conclusie
86. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens de artikelen 43 EG en 48 EG op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door:
– een regeling vast te stellen die aan de registratie van zeeschepen in deze lidstaat de voorwaarde verbindt dat de natuurlijke personen die zijn belast met de dagelijkse leiding van de vestiging van waaruit het zeescheepvaartbedrijf met betrekking tot deze schepen op Nederlands grondgebeid wordt uitgeoefend, onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte,
– een regeling vast te stellen die aan de uitoefening van de taken van bestuurder van een rederij de voorwaarde verbindt dat die bestuurder onderdaan is van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte en daar woont;
2) het beroep te verwerpen voor het overige;
3) het Koninkrijk der Nederlanden te verwijzen in zijn eigen kosten en in die van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – .Recueil des traités des Nations unies, vol. 450, n° 6465, blz. 11 (hierna: „Verdrag van Genève”).
3 – De lidstaten van de Gemeenschap die partij zijn bij het Verdrag van Genève zijn: het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
4 – Hierna: „Verdrag van Montego Bay”.
5 – Besluit van de Raad van 23 maart 1998 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 en de overeenkomst inzake de toepassing van deel XI van dat verdrag van 28 juli 1994 (PB L 179, blz. 1). De tekst van het Verdrag van Montego Bay is als bijlage I bij dit besluit opgenomen.
6 – Daaruit volgt dat het Verdrag van Genève in beginsel zijn werking behoudt tussen de staten die wel en die welke geen partij zijn bij het Verdrag van Montego Bay.
7 – Deze verwijzing naar de statutaire zetel sluit in feite aan bij de voorgaande verwijzing naar het oprichten van een vennootschap en de overeenstemming daarvan met de wettelijke regeling van een lidstaat.
8 – Overeenkomst van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER-overeenkomst”).
9 – C-221/89, Jurispr. blz. I-3905.
10 – Arrest Factortame e.a., reeds aangehaald (punten 22 en 23).
11 – Punten 13 en 17. Zie tevens arrest van 4 oktober 1991, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑246/89, Jurispr. blz. I‑4585, punten 11 en 15).
12 – Zie, met name op het gebied van de registratie van schepen, arresten Factortame e.a., reeds aangehaald (punt 14), en Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald (punt 12); arresten van 7 maart 1996, Commissie/Frankrijk (C-334/94, Jurispr. blz. I‑1307, punt 14); 12 juni 1997, Commissie/Ierland (C-151/96, Jurispr. blz. I‑3327, punt 12), en 27 november 1997, Commissie/Griekenland (C-62/96, Jurispr. blz. I‑6725, punt 18).
13 – Met betrekking tot dit onderscheid zie reeds aangehaalde arresten Factortame e.a. (punten 21 en 22); Commissie/Verenigd Koninkrijk (punten 22 en 23); Commissie/Frankrijk (punten 12 en 20‑22); Commissie/Ierland (punten 12 en 13), en Commissie/Griekenland (punten 18‑20).
14 – De Nederlandse regering heeft gepreciseerd dat de betrokken nationale regeling de registratie van koopvaardijschepen betreft (dupliek, punt 2).
15 – Zie reeds aangehaalde arresten Factortame e.a. (punt 22) en Commissie/Verenigd Koninkrijk (punt 23).
16 – De statutaire zetel, het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van vennootschappen dient, naar het voorbeeld van de nationaliteit van natuurlijke personen, ter bepaling van hun binding aan de rechtsorde van een lidstaat. Deze verschillende aanknopingscriteria vormen een afspiegeling van de verschillen tussen de wetgevingen van de lidstaten op dit gebied. Zie in die zin, met name, arresten van 28 januari 1986, Commissie/Frankrijk (C-270/83, Jurispr. blz. 273, punt 18); 10 juli 1986, Segers (79/85, Jurispr. blz. 2375, punt 13); 27 september 1988, Daily Mail and General Trust (81/87, Jurispr. blz. 5483, punten 19-21); 13 juli 1993, Commerzbank (C-330/91, Jurispr. blz. I‑4017, punt 13); 16 juli 1998, ICI (C-264/96, Jurispr. blz. I‑4695, punt 20), en 9 maart 1999, Centros (C-212/97, Jurispr. blz. I‑1459, punt 20).
17 – Het „controlecriterium” (critère de contrôle) betekent dat de aanknoping van een vennootschap aan de rechtsorde van een staat wordt bepaald door de nationaliteit van de personen die over bepaalde bevoegdheden daarin beschikken, zoals de vennoten, de leden van de bestuursorganen of de toezichtsorganen, alsmede de personen die het aandelenkapitaal bezitten. De opstellers van het Verdrag hebben een ander criterium gekozen, het zogenoemde „incorporatiecriterium”. Krachtens dit criterium sluit een vennootschap aan bij de lidstaat volgens wiens wetgeving zij is opgericht en op wiens grondgebied zij haar statutaire zetel heeft, ook wanneer haar feitelijke zetel (dat wil zeggen haar hoofdbestuur of haar hoofdvestiging) zich in een andere lidstaat bevindt.
18 – PB 1962, 2, blz. 36 (hierna: „algemeen programma”). Volgens een in het algemeen gebruikte formulering verschaft het algemeen programma nuttige aanwijzingen voor de uitvoering van de verdragsbepalingen betreffende de vrijheid van vestiging. In die zin, zie met name arresten van 28 april 1977, Thieffry (71/76, Jurispr. blz. 765, punt 14); 18 juni 1985, Steinhauser (197/84, Jurispr. blz. 1819, punt 15); arrest Segers, reeds aangehaald (punt 15); 30 mei 1989, Commissie/Griekenland (305/87, Jurispr. blz. 1461, punten 22 en 25), en 10 maart 1993, Commissie/Luxemburg (C-111/91, Jurispr. blz. I‑817, punt 17).
19 – Zie titel I, „Begunstigden”, vierde streepje, van het algemeen programma. De uitdrukking „daadwerkelijk en duurzaam verband houden met de economie van een lidstaat”, die in deze bepalingen is gebruikt, is niet nauwkeurig omschreven in het algemeen programma. Zie hierover met name Aussant, G., Fornasier, R., Louis, J.‑V., Séché, J.‑C., Van Raepenbusch, S., Commentaire Mégret, vol. 3, 2e éd., 1990 (blz. 38, punt 6); Loussouarn, Y., „Le rattachement des sociétés et la Communauté économique européenne”, in: Études de droit des Communautés européennes, Mélanges offerts à Pierre Teitgen, Parijs, 1984 (blz. 247); Schapira, J., Le Tallec, G., Blaise, J.‑B., Idot, L., in: Droit européen des affaires, tome 2, PUF, 5e éd., 1999 (blz. 571 en 572), alsmede conclusie van avocaat-generaal La Pergola in de reeds aangehaalde zaak Centros (voetnoot 16).
20 – Punt 17.
21 – Wat de voorwaarden met betrekking tot de nationaliteit van de aandeelhouders en de bestuurders betreft, zie reeds angehaalde arresten Factortame e.a. (punt 30), en arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk (punt 31); arrest van 7 maart 1996, Commissie/Frankrijk (punt 17); Commissie/Ierland (punt 12), en arrest van 27 november 1997, Commissie/Griekenland (punten 18 en 27).
22 – C-19/92, Jurispr. blz. I‑1663.
23 – Punt 32.
24 – Idem. In dezelfde zin, wat de vrijheid van vestiging betreft, zie met name arrest van 30 november 1995, Gebhard (C-55/94, Jurispr. blz. I‑4165, punt 37), en arrest Centros, reeds aangehaald (punt 34).
25 – Dupliek (punt 18).
26 – .Recueil des arrêts, avis consultatifs et ordonnances, vol. 3, 1999.
27 – Zie met name Kamto, M., „La nationalité des navires en droit international”, in Mélanges offerts à L. Lucchini et J.‑P. Quéneudec, éd. La mer et son droit, A. Pédone, oktober 2003 (blz. 347 e.v., in het bijzonder punten 29 en 31). Deze auteur staat kritisch tegenover de uitlegging van het begrip „wezenlijke band” door het IHRZ in het arrest „Schip Saiga II”, reeds aangehaald, volgens welke het vereiste van een wezenlijke band niet een voorwaarde vormt voor het verlenen van de nationaliteit aan een schip.
28 – Arrest „Schip Saiga II”, reeds aangehaald (punt 83).
29 – Ibidem (punt 84). Tot op heden is dit verdrag (bekendgemaakt in International Transport Treaties, suppl. 12, mei 1988) nog steeds niet in werking getreden.
30 – Arrest „Schip Saiga II”, reeds aangehaald (punt 85), waarin wordt verwezen enerzijds naar de overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, die op 4 december 1995 is opengesteld voor ondertekening, en anderzijds naar de overeenkomst van 24 november 1993 om de naleving van internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen voor visbestanden door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen.
31 – Arrest „Schip Saiga II”, reeds aangehaald (punt 84).
32 – Ibidem (punt 77).
33 – Punt 13 van de conclusie.
34 – Idem.
35 – Het doel van de veiligheid op zee is uitdrukkelijk vermeld in artikel 94, lid 3, van het Verdrag van Montego Bay. Het doel van het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging is uitdrukkelijk vermeld in artikel 94, lid 4, sub c, alsmede in artikel 211, lid 2, van dat verdrag.
36 – Op het gebied van het vervoer over land vormt de verkeersveiligheid volgens vaste rechtspraak een dwingende reden van algemeen belang die een beperking van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kan rechtvaardigen. Zie arresten van 5 oktober 1994, Van Schaik (C-55/93, Jurispr. blz. I‑4837, punt 19); 12 oktober 2000, Snellers (C-314/98, Jurispr. blz. I‑8633, punt 55), en 10 juli 2003, Commissie/Nederland (C-246/00, Jurispr. blz. I‑7485, punt 67). Op het gebied van het zeevervoer heeft het Hof met betrekking tot loods‑ of begeleidingsdiensten voor het scheepvaartverkeer geoordeeld dat het behoud van de openbare veiligheid in de kustwateren en in havens een reden van openbare veiligheid in de zin van artikel 46, lid 1, EG vormt. Zie arresten van 18 juni 1998, Corsica Ferries France (C-266/96, Jurispr. blz. I‑3949, punten 60 en 61), en 13 juni 2002, Sea‑Land Service en Nedlloyd Lijnen (C-430/99 en C-431/99, Jurispr. blz. I‑5235, punten 41 en 42).
37 – Artikel 94, leden 3, sub a, en 4, sub a, van het Verdrag van Montego Bay.
38 – Artikel 94, lid 2, sub a, van het Verdrag van Montego Bay.
39 – Artikel 94, leden 3, sub b, en 4, sub b en c, van het Verdrag van Montego Bay.
40 – Artikel 94, lid 7, van het Verdrag van Montego Bay.
41 – Artikel 311, lid 1, sub b, van het Wetboek van Koophandel.
42 – In dezelfde zin, zie met name punt 13 van de conclusie van advocaat-generaal Tesauro in de reeds genoemde zaak Commissie/Griekenland, die heeft geleid tot het arrest van 27 november 1997.
43 – Zie arrest Factortame e.a., reeds aangehaald (punten 34‑36).
44 – PB L 280, blz. 4. Artikel 3, lid 1, sub c, cc, alsmede artikelen 2 en 4 van de bijlage bij verordening nr. 2919/85.
45 – PB L 373, blz. 1. Artikel 2, lid 1, sub b-ii, van verordening nr. 3921/91.
46 – PB L 175, blz. 7. Artikel 2, vierde streepje (dat naar de voorwaarden in artikel 2 van verordening nr. 3921/91 verwijst), van verordening nr. 1356/96.
47 – PB L 240, blz. 1. Artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2407/92.
48 – In dit verband moet worden beklemtoond dat de algemene verdragsbepalingen van toepassing zijn op de vervoersector – met inbegrip van het gebied van het zeevervoer – ongeacht de instelling van een gemeenschappelijk beleid in deze sector (onder voorbehoud van de uitdrukkelijke afwijking in artikel 51, lid 1, EG op het gebied van het vrije verkeer van diensten). Zie in die zin arrest van 4 april 1974, Commissie/Frankrijk (167/73, Jurispr. blz. 359, punten 21-33), wat de verdragsbepalingen op het gebied van het vrije verkeer van personen betreft, alsmede arrest van 30 april 1986, Asjes e.a. (209/84–213/84, Jurispr. blz. 1425, punten 37‑39), wat de mededingingsvoorschriften van het Verdrag betreft. Daaruit volgt dat de lidstaten op het gebied van het zeevervoer de algemene verdragsbepalingen op het gebied van de vrijheid van vestiging moeten naleven.
49 – Wanneer de Raad in het kader van het algemene vervoerbeleid handelingen van afgeleid recht vaststelt, is hij gehouden de algemene voorschriften van het Verdrag uit te voeren, met inbegrip van de voorschriften betreffende het vrije verkeer van diensten. In het arrest van 22 mei 1985, Parlement/Raad (13/83, Jurispr. blz. 1513, punt 62), heeft het Hof immers in herinnering gebracht dat volgens artikel 51, lid 1, EG het vrije verkeer van de diensten op het gebied van het vervoer wordt geregeld door de bepalingen voorkomende in de titel betreffende het vervoer. Het heeft daaruit afgeleid dat „de toepassing van de beginselen van het vrije dienstenverkeer, zoals die met name zijn neergelegd in de artikelen 59 [thans na wijziging artikel 49 EG] en 60 [thans na wijziging artikel 50 EG] EEG-Verdrag, volgens het Verdrag […] moet worden verwezenlijkt door de totstandbrenging van het gemeenschappelijk vervoerbeleid en met name door de vaststelling van de gemeenschappelijke regels voor internationaal vervoer en de voorwaarden waaronder vervoerondernemers worden toegelaten tot nationaal vervoer in een lidstaat waarin zij niet woonachtig zijn. Deze regels en voorwaarden, bedoeld in artikel 75, lid 1, sub a en b [thans na wijziging artikel 71, lid 1, sub a en b, EG] raken noodzakelijkerwijs de vrijheid van dienstverrichting.” Zie tevens, in die zin, arrest Asjes e.a., reeds aangehaald (punt 37), en arrest van 13 december 1989, Corsica Ferries France (C-49/89, Jurispr. blz. I‑4441, punt 11).
50 – Zie met name arresten van 25 mei 1982, Commissie/Nederland (96/81, Jurispr. blz. 1791, punt 6); 19 maart 1991, Commissie/België (C-249/88, Jurispr. blz. I‑1275, punt 6); 16 december 1992, Commissie/Griekenland (C-210/91, Jurispr. blz. I‑6735, punt 22), en 29 mei 1997, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C-300/95, Jurispr. blz. I‑2649, punt 31).
51 – Deze voorwaarden zijn neergelegd in artikel 311, lid 1, sub c, van het Wetboek van Koophandel.
52 – De in het tweede onderdeel van de tweede grief bedoelde nationaliteits- en woonplaatsvoorwaarden staan in artikel 8:169 van het Burgerlijk Wetboek.
Full & Egal Universal Law Academy