CONCLUSIE VAN ADVOCAAT‑GENERAAL
J. KOKOTT
van 25 mei 2004 (1)
Zaak C‑302/02
Nils Laurin Effing
[Verzoek van het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Gezinsbijslagen – Door lidstaat aan minderjarige kinderen als voorschot uitgekeerde onderhoudsbijdrage – Kind van een gedetineerde – Voorwaarden voor toekenning bijdrage – Gedetineerde naar andere lidstaat overgebracht om aldaar zijn straf uit te zitten”
I – Inleiding
1. Met dit verzoek om een prejudiciële beslissing werpt het Oberste Gerichtshof van Oostenrijk de vraag op, of het met het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit ingevolge artikel 12 EG en artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71(2) verenigbaar is, dat bij uitkering van bijdragen ten voordele van kinderen van gedetineerden een onderscheid wordt gemaakt naargelang de straf op het nationale grondgebied dan wel in een andere lidstaat wordt ondergaan. Volgens Oostenrijks recht wordt een kind een voorschot op een onderhoudsbijdrage toegekend, wanneer de onderhoudsplichtige ouder in Oostenrijk een gevangenisstraf ondergaat, maar niet wanneer deze ouder naar een andere lidstaat wordt overgebracht om aldaar zijn straf uit te zitten.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Gemeenschapsrecht
2. Volgens artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71 is deze verordening van toepassing op werknemers en zelfstandigen op wie de wetgeving van één of meer lidstaten van toepassing is of is geweest en die onderdanen van een lidstaat zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.
3. Artikel 1, sub a‑i, van verordening nr. 1408/71 definieert de werknemer als ieder die verplicht of vrijwillig verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen, behorende tot de takken van een stelsel van sociale zekerheid dat op werknemers van toepassing is.
4. Het toe te passen rechtsstelsel wordt in de onderhavige zaak bepaald door artikel 13, lid 2:
„Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17,
a) is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing [...];
[...]
f) is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.”
5. Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 regelt het beginsel van gelijke behandeling in de werkingssfeer van de verordening. Onder meer de artikelen 73 en 74 bevatten bijzondere regelingen met betrekking tot gezinsbijslagen.
6. Volgens artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68(3) geniet een werknemer die onderdaan is van een lidstaat op het grondgebied van andere lidstaten dezelfde sociale en fiscale voordelen als nationale werknemers.
7. Volgens artikel 12 van verordening nr. 1612/68 worden de kinderen van een onderdaan van een lidstaat, die op het grondgebied van een andere lidstaat arbeid verricht of heeft verricht, indien zij aldaar woonachtig zijn, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze staat toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding.
B – Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen
8. Op grond van het verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen(4) kunnen personen met hun toestemming naar hun land van herkomst worden overgebracht om er een gevangenisstraf op grond van een veroordeling in een andere lidstaat te ondergaan. Daarbij kan de gevangenisstraf die in de staat van veroordeling is opgelegd, worden omgezet in een gevangenisstraf volgens het recht van de staat van tenuitvoerlegging.
9. Sedert de inwerkingtreding van het verdrag in Ierland op 1 november 1995, is het verbindend voor alle lidstaten. Het werd in Oostenrijk op 1 januari 1987 van kracht en in Duitsland op 1 februari 1992, en is eveneens door de nieuwe lidstaten geratificeerd.
C – Nationaal recht
10. Het Oostenrijkse Unterhaltsvorschussgesetz (wet inzake de toekenning van voorschotten op het onderhoud aan kinderen) voorziet in de toekenning van voorschotten op een onderhoudsbijdrage ten voordele van minderjarigen, wanneer de onderhoudsplichtige ouder zijn onderhoudsverplichting niet nakomt. Zulks geldt onder meer krachtens § 4, lid 3, van deze wet, wanneer de onderhoudsplichtige gedurende langer dan één maand op het nationale grondgebied gedetineerd is krachtens een rechterlijke beslissing in een strafzaak en hij daarom niet aan zijn onderhoudsplicht kan voldoen.
11. Ingevolge § 29, lid 1, van dit Unterhaltsvorschussgesetz moet de onderhoudsplichtige de krachtens § 4, lid 3, toegekende voorschotten terugbetalen, voorzover de billijkheid dit, gelet op zijn inkomens‑ en vermogensomstandigheden, zijn zorgplicht en de doelstellingen van de tenuitvoerlegging van zijn straf, lijkt te vereisen en voorzover dit zijn economische mogelijkheid om de schade te vergoeden niet aantast.
12. Ook in Duitsland bestaat een Unterhaltsvorschussgesetz.(5) Bijslagen zijn beperkt tot hoogstens 72 maanden tot en met het twaalfde levensjaar van het betrokken kind. Voor gedetineerden zijn geen bijzondere regelingen bekend.
13. Zowel in Oostenrijk als in Duitsland bestaat arbeidsplicht voor gedetineerden.
III – Feiten en prejudiciële vraag
14. Nils Laurin Effing (hierna: „zoon”), geboren op 22 april 1992, is een buitenechtelijke zoon van de Duitse staatsburger Ingo Effing (hierna: „vader”). De zoon is Oostenrijks onderdaan en woont in Wenen bij zijn moeder die de voogdij uitoefent. Hoewel de verwijzende rechter ervan uitgaat dat de vader werknemer was, deelde de Oostenrijkse regering het Hof mee dat hij tot en met 30 juni 2001 als neringdoende sociaal verzekerd was. Op 7 juni 2000 werd hij in Oostenrijk in voorlopige hechtenis gesteld en aansluitend tot gevangenisstraf veroordeeld. De zoon ontving vervolgens vanaf 1 juni 2000 krachtens § 4, lid 3, van het Unterhaltsvorschutzgesetz een maandelijks voorschot op de onderhoudsbijdrage.
15. De vader onderging de tegen hem uitgesproken vrijheidsstraf eerst in Oostenrijk. Volgens door de Oostenrijkse regering verstrekte gegevens was hij tegen werkloosheid verzekerd. Op 19 december 2001 werd hij overgebracht naar Duitsland om er de rest van zijn straf te ondergaan.
16. Volgens door de Duitse regering verstrekte informatie werd zijn gevangenisstraf op grond van artikel 9, lid 1, sub b, van het verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen in een gevangenisstraf naar Duits recht omgezet. Deze regering heeft eveneens meegedeeld dat hij tijdens zijn gevangenschap van februari tot juli 2002 en van september 2002 tot maart 2003 tegen vergoeding heeft gewerkt. Op deze vergoeding werden aanvankelijk bijdragen voor de werkloosheidsverzekering ingehouden, later ook voor de ziektekostenverzekering. Op 3 april 2003 werd hij vrijgelaten. Over zijn werkzaamheden sedertdien zijn geen gegevens bekend.
17. De bevoegde Oostenrijkse autoriteiten zetten eind december 2001 de betaling van de voorschotten op de onderhoudsbijdrage stop. Volgens vaste rechtspraak van de Oostenrijkse gerechten dienen voorschotten op de onderhoudsbijdrage voor onderhoudsplichtige gedetineerden enkel te worden betaald indien de straf in Oostenrijk wordt ondergaan.
18. Het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) onderkent echter dat deze toepassing van de regeling inzake voorschotten op een onderhoudsbijdrage van gedetineerden een indirecte discriminatie op grond van nationaliteit ten gevolge kan hebben. Onderdanen van andere lidstaten zouden, omdat er een verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen is, de neiging hebben hun mogelijke gevangenisstraf in een andere lidstaat te ondergaan. De (vreemde) nationaliteit is regelmatig bepalend voor de vraag of een in Oostenrijk veroordeelde onderhoudsplichtige zijn vrijheidsstraf in zijn land van herkomst, dus in het buitenland, ondergaat. De nationaliteit is daardoor ook indirect bepalend voor de vraag of het kind van de veroordeelde dat recht heeft op onderhoud, aanspraak op een voorschot krachtens § 4, lid 3, van het Unterhaltsvorschussgesetz zou kunnen maken. Het Oberste Gerichtshof heeft het Hof derhalve de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
„Moet artikel 12 EG juncto artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die gemeenschapsburgers benadeelt bij de ontvangst van een voorschot op een onderhoudsbijdrage, wanneer de onderhoudsplichtige vader een gevangenisstraf uitzit in zijn land van herkomst (en niet in Oostenrijk), en wordt het in Oostenrijk wonende kind van een Duits staatsburger bijgevolg gediscrimineerd omdat het geen voorschot op een onderhoudsbijdrage wordt toegekend aangezien zijn vader een in Oostenrijk opgelegde vrijheidsstraf uitzit in zijn land van herkomst (en niet in Oostenrijk)?”
IV – Juridische beoordeling
A – Verordening nr. 1408/71
1. Argumenten van partijen
19. Partijen gaan op grond van de arresten Offermanns(6) en Humer(7) ervan uit dat voorschotten op een onderhoudsbijdrage gezinsbijslagen in de zin van artikel 4, sub h, van verordening nr. 1408/71 zijn.
20. Volgens de Oostenrijkse regering is er echter geen toepasselijkheid ratione personae van verordening nr. 1408/71, omdat gedetineerden geen werknemers zijn. Indien het Hof het niet met deze opvatting eens is, moet in ieder geval niet Oostenrijk, maar Duitsland de gezinsbijslagen uitkeren. Volgens artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 is de plaats van de werkzaamheden bepalend. Subsidiair schrijft artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 voor, dat de wettelijke regeling van de staat waar betrokkene woont wordt toegepast. Bovendien vloeit uit de artikelen 73 en 74 van verordening nr. 1408/71 voort, dat aanspraken op gezinsbijslagen voor gezinsleden van werknemers niet op het recht van de staat waar het gezinslid woont zijn gebaseerd, doch op het recht van de staat waar de werknemer zijn werkzaamheden uitoefent.
21. De Duitse regering is van mening dat de vader na zijn overbrenging naar Duitsland een werknemer in de zin van verordening nr. 1408/71 was, omdat gedetineerden, voorzover zij in de gevangenis hun plicht om arbeid te verrichten nakomen, tegen werkloosheid zijn verzekerd. Ook voor de tijd van zijn detentie in Oostenrijk zijn er aanknopingspunten voor de hoedanigheid van werknemer, omdat ook in het Oostenrijks strafstelsel ernaar gestreefd wordt dat gedetineerden verzekerd zijn.
22. Uit artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 juncto artikel 12 EG vloeit een verbod van discriminatie op grond van nationaliteit voort. Dat is in de onderhavige zaak van toepassing omdat het hier gaat om grensoverschrijdende verhoudingen. Het criterium van de plaats van gevangenschap leidt tot een indirecte discriminatie, omdat van de mogelijkheid tot overbrenging van onderdanen van andere lidstaten regelmatig gebruik wordt gemaakt. Deze discriminatie wordt ook niet door objectieve, van de nationaliteit onafhankelijke redenen gerechtvaardigd. De fictie van een tegenprestatie door de arbeid van de gevangene gaat hier niet op, omdat een voorschot op een onderhoudsbijdrage in andere omstandigheden, in het belang van de onderhoudsgerechtigde niet van een tegenprestatie afhangt. Ook het arrest Mora Romero(8) vormt geen rechtvaardiging, omdat het Hof in die zaak heeft geoordeeld dat bij de toekenning van wezenrente, met de duur van in het buitenland vervulde militaire dienstplicht rekening moet worden gehouden. Uitgaande van de gedachtegang dat de woonplaats van de uitkeringsgerechtigde geen verschil mag maken bij de uitkering van gezinsbijslagen, is de Duitse regering van mening dat ook de plaats van de detentie in geval van voortzetting van de gevangenisstraf niet relevant dient te zijn. Ten slotte kan de zoon zich na het arrest Humer ook onafhankelijk van zijn vader rechtstreeks op het discriminatieverbod beroepen.
23. Ook volgens de Commissie doet de toepassing van verordening nr. 1408/71 in dit geval een recht op voorschotten op een onderhoudsbijdrage ontstaan. Zij stelt met name dat de vader op grond van de werkloosheidsverzekering tijdens zijn gevangenschap in Duitsland als werknemer moet worden beschouwd en dat dientengevolge de zoon als gezinslid van een werknemer moet worden erkend. Wat het toe te passen recht betreft, dient van de persoon van de zoon te worden uitgegaan, omdat de regelingen in het Oostenrijkse Unterhaltsvorschussgesetz voor hem discriminerend werken. Deze discriminatie berust indirect op de nationaliteit omdat het typerend is voor buitenlanders, dat zij voor het ondergaan van gevangenisstraf naar het buitenland worden overgebracht en hun kinderen dan geen voorschotten op een onderhoudsbijdrage meer krijgen. Dat eventueel tegelijkertijd aanspraken in Duitsland ontstaan, is hiervoor geen beletsel. In dit geval voorziet verordening nr. 1408/71 namelijk in anticumulatieregels, inzonderheid artikel 76, dat leidt tot een schorsing van de aanspraak in Duitsland.
2. Beoordeling
24. De toepassing van het verbod van ongelijke behandeling op grond van nationaliteit ingevolge artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 veronderstelt om te beginnen de toepasselijkheid ratione personae van deze verordening en de gelding van het Oostenrijkse recht.
a) De toepasselijkheid ratione personae van verordening nr. 1408/71
25. Krachtens artikel 2 is er toepasselijkheid ratione personae van verordening nr. 1408/71, wanneer de zoon als een gezinslid van een werknemer of van een zelfstandige kan worden beschouwd.(9) Over de situatie van de moeder is in de onderhavige zaak niets bekend. Er moet derhalve worden onderzocht of de vader als werknemer kan worden beschouwd.
26. Het begrip werknemer van verordening nr. 1408/71 is niet identiek met het begrip werknemer van verordening nr. 1612/68 en van artikel 39 EG.(10) In het kader van artikel 39 EG en verordening nr. 1612/68 moet als werknemer worden beschouwd degene die gedurende bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een beloning ontvangt.(11) Daarentegen definieert artikel 1, sub a‑i, van verordening nr. 1408/71 de werknemer als ieder die verplicht of vrijwillig verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen, behorende tot de takken van een stelsel van sociale zekerheid dat op werknemers van toepassing is.
27. De Duitse regering en de Commissie beschouwen de vader terecht als werknemer aangezien hij – volgens de informatie van de Duitse regering – gedurende het overgrote deel van zijn gevangenschap in Duitsland tegen werkloosheid was verzekerd. De Oostenrijkse regering betwijfelt weliswaar of gedetineerden werknemers in de zin van verordening nr. 1408/71 kunnen zijn, maar deze opvatting is in strijd met de duidelijke definitie van artikel 1, sub a‑i, van verordening nr. 1408/71. Dat deze bepaling naar de verzekeringssituatie verwijst, is ook terecht, aangezien verordening nr. 1408/71 primair de coördinatie van de socialeverzekeringsstelsels van de lidstaten tot voorwerp heeft. Een consistent stelsel van coördinatie moet ook verzekeringsaanspraken omvatten die tijdens het ondergaan van gevangenisstraf worden verkregen.
28. Het feit dat de vader als gedetineerde niet aan het vrije verkeer kan deelnemen, sluit de toepassing van verordening nr. 1408/71 niet uit. Volgens vaste rechtspraak is verordening nr. 1408/71 van toepassing op iedere werknemer in de zin van artikel 1 ervan, die de nationaliteit van een lidstaat heeft en zich in een van de in de verordening voorziene situaties van internationale aard bevindt, alsook op zijn gezinsleden.(12) In de onderhavige zaak blijkt de noodzakelijke grensoverschrijdende aard reeds uit het feit dat vader en zoon zich in verschillende lidstaten bevinden.(13)
29. De vader was dus tijdens zijn gevangenschap werknemer in de zin van verordening nr. 1408/71, aangezien hij verplicht verzekerd was tegen werkloosheid. Eventuele korte onderbrekingen van de verzekeringsduur, onder meer voor januari en augustus 2002, zijn niet van dien aard dat zij zijn hoedanigheid van werknemer aantasten, omdat zij kwalitatief met vakantie‑ of ziekteperioden kunnen worden vergeleken.
b) Het toe te passen recht
30. De vraag rijst echter of op de zoon van een in Duitsland werkzame werknemer het Oostenrijkse dan wel veeleer het Duitse Unterhaltsvorschussgesetz moet worden toegepast. Welk recht geldt, wordt bepaald aan de hand van de collisieregels van de artikelen 13 en volgende van verordening nr. 1408/71. Indien het op de zoon toe te passen recht uit diens eigen situatie voortvloeit, dan is op hem – zoals de Commissie meent – krachtens artikel 13, lid 2, sub f, Oostenrijks recht van toepassing, omdat hij in Oostenrijk woont en geen van de andere collisiecriteria op hem van toepassing is. Indien echter voor het toe te passen recht – zoals de Oostenrijkse regering meent – de situatie van de vader als uitgangspunt wordt genomen, dan is Duits recht van toepassing, omdat de vader vanaf februari 2002 in Duitsland werkzaam was en althans in januari 2002 in Duitsland woonde.
31. Er zijn in de rechtspraak aanknopingspunten voor de opvatting dat het toe te passen recht uit de situatie van de vader voorvloeit. In het arrest Humer(14) oordeelde het Hof dat de in Frankrijk wonende dochter op basis van verordening nr. 1408/71 voorschotten krachtens het Oostenrijkse Unterhaltsvorschussgesetz kon eisen op grond van haar recht op alimentatie vanwege haar in Oostenrijk werkzame en later werkloze vader. Indien de persoon van de dochter de doorslag had gegeven, dan was Frans recht van toepassing geweest. In het arrest Hoever en Zachow(15) kende het Hof aan in Nederland wonende echtgenoten van in Duitsland werkzame werknemers een recht op Duitse gezinsbijslagen toe. Dit zou niet mogelijk zijn geweest wanneer Nederlands recht had gegolden.
32. In het kader van verordening nr. 1408/71 is de aanknoping aan de verplicht verzekerde werknemer zowel principieel als materieel gerechtvaardigd. Het grootste deel van de betrokken sociale uitkeringen is namelijk op verzekeringsstelsels gebaseerd.
33. Ik moet er derhalve verder van uitgaan dat in beginsel het recht van de lidstaat van toepassing is, waar de werknemer of zelfstandige die tot de toepassing van verordening nr. 1408/71 aanleiding geeft, werkzaam is. Iedere aanknoping van welke aard ook aan de woonplaats van de zoon zou in de onderhavige zaak tot gevolg hebben dat de regelingen van twee lidstaten moeten worden toegepast, zowel het recht van de staat waar de vader werkt als het recht van de staat waar de zoon woont.
34. De in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71 neergelegde grondregel, dat ieder persoon slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen is, verzet zich echter tegen aanknoping aan het recht van twee lidstaten. Het Hof huldigt volgens vaste rechtspraak de opvatting dat de bepalingen van titel II van verordening nr. 1408/71, waartoe artikel 13 behoort, een volledig en eenvormig stelsel van conflictregels vormen. Deze bepalingen hebben onder meer tot doel, de gelijktijdige toepassing van verschillende wettelijke regelingen en de mogelijk daaruit voortvloeiende complicaties te voorkomen.(16) Een dergelijke dubbele aanknoping zou derhalve met de doelstellingen van artikel 13 van verordening nr. 1408/71 onverenigbaar zijn. Het is dus logisch om bij de vaststelling van de rechten van gezinsleden enkel het recht toe te passen dat voor de primair gerechtigde – in dit geval de vader – geldt.
35. De Commissie wijst er evenwel op, dat in de onderhavige zaak zowel Oostenrijks als Duits recht moet worden toegepast. Zij verwijst in dit verband naar artikel 76 van verordening 1408/71, dat de cumulatie van rechten op gezinsbijslagen regelt. Deze bepaling zou overbodig zijn, indien op grond van de collisieregels altijd maar één rechtsorde van toepassing is.
36. Het arrest McMenamin(17) schijnt de stelling te bevestigen dat, althans voor gezinsbijslagen, twee rechtsordes gelden. Deze zaak had betrekking op gezinsbijslagen ten voordele van een werkneemster die in Noord-Ierland werkzaam was en in Ierland woonde. Zij ontving reeds bijslagen uit Ierland en maakte bovendien aanspraak op bijslagen overeenkomstig het recht van het Verenigd Koninkrijk. Overeenkomstig artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 zou in dit geval uitsluitend het recht van het Verenigd Koninkrijk hebben gegolden. Het Hof heeft nadrukkelijk gesteld dat het beginsel van artikel 13, dat op een werknemer enkel de wetgeving van de lidstaat waar hij werkt van toepassing is, niet uitsluit dat voor afzonderlijke uitkeringen bijzondere regels van deze verordening gelden, en op grond daarvan geconcludeerd dat de anticumulatieregels van artikel 76 van verordening nr. 1408/71 en artikel 10 van verordening nr. 574/72 van toepassing zijn.(18)
37. De verwijzing in de zaak McMenamin naar een bepaalde rechtsorde ingevolge de collisieregels van verordening nr. 1408/71, heeft er dus niet toe geleid, de toepassing van bepalingen van een andere rechtsorde te verhinderen. Dit betekent niet dat de collisieregels zijn vervallen. Het Hof heeft veeleer slechts erkend dat de staat waar betrokkene woont, onafhankelijk van verordening nr. 1408/71 uitkeringen kan toekennen, waarmee in het kader van de anticumulatieregels rekening moet worden gehouden. De anticumulatieregels en het arrest McMenamin hebben daarentegen geen gevolgen voor het recht dat overeenkomstig de collisieregels van verordening nr. 1408/71 dient te worden toegepast. Er moet dus steeds uitsluitend naar het Duitse recht worden verwezen.
38. Ook de opvatting van de Commissie, dat de persoon van de zoon het uitgangspunt moet zijn, omdat de regelingen van het Oostenrijkse Unterhaltsvorschussgesetz voor hem onrechtstreeks discriminerende gevolgen zouden hebben, is onjuist. Het toe te passen recht kan niet uit eventuele rechtsgevolgen in een afzonderlijk geval worden afgeleid, omdat rechtsgevolgen vooronderstellen dat de betrokken regelingen van toepassing zijn. Dat is met name duidelijk bij het discriminatieverbod. Van discriminatie is enkel sprake wanneer een overheidsorgaan twee gelijksoortige situaties verschillend of twee ongelijke situaties op dezelfde wijze behandelt. Wanneer echter Oostenrijk sociaalrechtelijk niet voor de zoon bevoegd is, wordt deze ook niet door Oostenrijk gediscrimineerd.
39. Derhalve dient niet Oostenrijks, maar Duits recht te worden toegepast(19), wanneer op grondslag van verordening nr. 1408/71 aanspraak wordt gemaakt op gezinsbijslagen die op de persoon van de vader zijn gebaseerd.
c) Voorlopige conclusie
40. Voorzover het verzoek om een prejudiciële beslissing betrekking heeft op verordening nr. 1408/71, dient te worden geantwoord dat artikel 3 zich niet verzet tegen een nationale regeling die onderhoudsgerechtigde gemeenschapsonderdanen van toekenning van een voorschot op een onderhoudsbijdrage uitsluit, wanneer de onderhoudsplichtige vader een gevangenisstraf ondergaat, niet in de staat waar hij vóór zijn detentie werkzaam was, maar in zijn staat van herkomst.
B – Verordening nr. 1612/68
1. Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68
a) Standpunt van de Commissie
41. De Commissie stelt voor, de prejudiciële vraag anders te formuleren om een inbreuk op het discriminatieverbod van artikel 39 EG juncto artikel 7 van verordening nr. 1612/68 te kunnen onderzoeken.
42. Zij beroept zich op het arrest Nazli(20) om aan te tonen dat een tijdelijke detentie niet tot verlies van de hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 39 EG en artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 leidt. Ook de zoon kan zich op artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 beroepen. Bij het voorschot op een onderhoudsbijdrage gaat het om een sociaal voordeel in de zin van deze bepaling. Omdat overbrenging enkel bij gedetineerden zonder Oostenrijkse nationaliteit in aanmerking komt, is er sprake van indirecte discriminatie. Het argument van de tegenprestatie van de werkende gedetineerde is een zuiver fiscale redenering die de discriminatie niet kan rechtvaardigen.
43. De andere deelnemers aan de procedure nemen geen standpunt inzake verordening nr. 1612/68 in.
b) Beoordeling
44. Het verzoek om een prejudiciële beslissing noemt verordening nr. 1612/68 weliswaar niet. Aangezien het Hof echter tracht de verwijzende rechter alle inlichtingen te verschaffen die voor een uitspraak conform het gemeenschapsrecht in het hoofdgeding noodzakelijk zijn(21), is het de moeite waard om deze suggestie van de Commissie nader te beschouwen.
45. Krachtens artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 geniet een werknemer die onderdaan van een lidstaat is, op het grondgebied van andere lidstaten dezelfde sociale en fiscale voordelen als nationale werknemers. Dit beginsel van gelijke behandeling verbiedt iedere openlijke of verkapte discriminatie op grond van nationaliteit bij de toekenning van de genoemde voordelen.
46. De toepassing van het discriminatieverbod veronderstelt dat een werknemer in een andere lidstaat werkzaam is. In zoverre komt uitsluitend de persoon van de vader in aanmerking. De vader bevond zich echter in de litigieuze periode niet meer in de ontvangende staat Oostenrijk, maar in Duitsland, zijn staat van herkomst.
47. Bovendien is twijfelachtig of de vader, als gedetineerde, werknemer was. Voor verordening nr. 1612/68 geldt – in tegenstelling tot verordening nr. 1408/71 – de algemene definitie van werknemer in de zin van artikel 39 EG, die niet aan de hoedanigheid van verzekerde aanknoopt. Volgens dit artikel wordt als werknemer diegene beschouwd die gedurende bepaalde tijd voor een ander onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een beloning ontvangt.(22)
48. Gedetineerden in Duitse gevangenissen verrichten in beginsel weliswaar onder gezag prestaties, waarvoor zij als tegenprestatie een kleine vergoeding ontvangen, maar de hoedanigheid van gedetineerde is met het begrip vrij verkeer van werknemers onverenigbaar. Het vrije verkeer houdt in dat eenieder vrij is een werkzaamheid van zijn keuze op een plaats van zijn keuze uit te oefenen. Gedetineerden zijn in ieder geval beperkt wat de plaats van hun werkzaamheden betreft, en in de praktijk meestal ook ten aanzien van de aard van hun werkzaamheden. Bovendien heeft het Hof reeds de hoedanigheid van werknemer ontkend, waar het ging om werkzaamheden in het kader van de werkverschaffing ter revalidatie of wederopneming in het arbeidsproces van personen die ten gevolge van bij hen gelegen factoren voor langere tijd niet in staat waren onder normale omstandigheden arbeid te verrichten.(23) Doorslaggevend was daarbij voor het Hof, dat de werkzaamheden niet als reële en daadwerkelijke arbeid met economische waarde konden worden beschouwd, wanneer zij enkel een middel ter revalidatie of wederopneming van de werknemers in het arbeidsproces zijn. De tewerkstelling van gedetineerden heeft een daarmee vergelijkbare functie van resocialisatie.(24) Daarom kon de vader tijdens zijn detentie niet als werknemer in de zin van verordening nr. 1612/68 worden beschouwd.
49. Aangezien rechtstreekse toepassing van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 uitgesloten is, zou enkel een eventuele vroegere werknemersstatus van de vader in Oostenrijk een aanknopingspunt kunnen zijn om dit discriminatieverbod toe te passen.
50. Volgens de rechtspraak verliest de betrokkene bij de beëindiging van de arbeidsverhouding weliswaar in beginsel zijn hoedanigheid van werknemer, maar kan die hoedanigheid na de beëindiging van de arbeidsverhouding bepaalde gevolgen(25) teweegbrengen, die in hun essentie in het arrest Lair(26) zijn geformuleerd. Zij hebben betrekking op de voorwaarden van het verblijf in de ontvangende lidstaat na beëindiging van de arbeidsverhouding wegens leeftijd of arbeidsongeschiktheid alsmede bij werkzaamheden in een andere lidstaat.(27) Ook bij werkloosheid is er een verblijfsrecht(28) en een discriminatieverbod ten opzichte van nationale arbeidskrachten, voorzover het de wederinschakeling in het beroep of de wedertewerkstelling(29) en de toegang tot vakscholen of revalidatie‑ of herscholingscentra(30) betreft. In het arrest Lair heeft het Hof bovendien het verbod van discriminatie met betrekking tot algemene sociale voordelen ook uitgebreid tot de continuïteit van een beroepsactiviteit door middel van een universitaire studie.(31)
51. Geen van deze gevallen van gevolgen van de werknemersstatus betreft echter voorschotten op een onderhoudsbijdrage voor gezinsleden van een gedetineerde. Het gaat in casu niet om ouderdomspensioen en evenmin om het verblijfsrecht of de wederinschakeling in het beroep. In tegenstelling tot de zaak Lair wordt de situatie van een gedetineerde in het algemeen(32) niet gekenmerkt door continuïteit met de vroegere arbeidsverhouding, maar door een breuk.
52. De Commissie komt met de suggestie dat een vroegere arbeidsverhouding een ander gevolg kan hebben. Naar analogie van het arrest Nazli(33) dient de detentie louter te worden beschouwd als een tijdelijke onderbreking van de werkzaamheden van een migrerende werknemer, zodat het niet gerechtvaardigd is dat daardoor zijn rechten en die van zijn gezinsleden worden geschorst. In deze zaak ging het om het recht van Turkse werknemers om na een bepaalde periode van werkzaamheid vrije toegang tot elke betaalde werkzaamheid te verkrijgen en dientengevolge ook een verblijfsrechtelijk gewaarborgde positie te verwerven. Voorwaarde daarvoor is krachtens besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Gemeenschap en Turkije het blijven behoren tot de legale arbeidsmarkt van de opnamestaat. Het Hof ging er in deze zaak van uit, dat de werknemer tijdens een voorlopige hechtenis niet meer voor de arbeidsmarkt beschikbaar was. Het achtte dit echter irrelevant, mits deze toestand tijdelijk was.(34)
53. Dit oordeel is echter nauwelijks met de onderhavige situatie te vergelijken. De zaak Nazli had geen betrekking op de sociale rechten van werknemers, doch op het verblijfsrecht en de toegang tot de arbeidsmarkt. Bovendien onderging Nazli geen gevangenisstraf, maar bevond hij zich in voorlopige hechtenis. Reeds vanwege de presumptio innocentiae moet voorlopige hechtenis als een voorlopige onderbreking van beroepswerkzaamheden worden beschouwd. Gevangenisstraf heeft daarentegen een veel ingrijpender werking, zeker wanneer die zo lang duurt dat voortzetting van een arbeidsverhouding is uitgesloten.
54. Derhalve moet worden vastgesteld dat, wat de vader betreft, noch een huidige noch een vroegere arbeidsverhouding in Oostenrijk tot toepassing van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 leidt.
2. Artikel 12 van verordening nr. 1612/68
55. De toepassing van het discriminatieverbod van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 zou echter indirect kunnen voortvloeien uit het feit dat de zoon vermoedelijk een vorm van onderwijs geniet, een omstandigheid waarmee tot op heden noch het Oberste Gerichtshof noch de deelnemers aan de procedure bij hun opmerkingen rekening hebben gehouden. Krachtens artikel 12 van verordening nr. 1612/68 worden kinderen van een onderdaan van een lidstaat die op het grondgebied van een andere lidstaat arbeid verricht of heeft verricht, indien zij aldaar woonachtig zijn, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze staat toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding. Hoewel deze bepaling op het eerste gezicht enkel de toegang tot onderwijs en opleiding schijnt te betreffen, heeft het Hof haar tot een eigen recht van de kinderen van migrerende werknemers uitgebreid, zodat die gedurende een opleiding of onderwijs in de ontvangende staat bij de aanspraak op sociale voordelen op dezelfde wijze worden behandeld als de kinderen van de onderdanen van deze staat. Aangezien het om een eigen recht van het kind en niet om een recht van de werknemer ten voordele van het kind gaat, is er ook geen tegenspraak met het beginsel van de collisieregels van de artikelen 13 e.v. van verordening nr. 1408/71, dat enkel de regelgeving van één staat wordt toegepast.
56. Het Hof baseert zijn rechtspraak met betrekking tot artikel 12 van verordening nr. 1612/68 op de overweging dat het doel van verordening nr. 1612/68 – het vrije verkeer van werknemers – slechts met eerbiediging van de vrijheid en de waardigheid kan worden verwezenlijkt indien voor de integratie van het gezin van de communautaire werknemer in het ontvangstland optimale voorwaarden gelden.(35) Het bepaalde in artikel 12 van verordening nr. 1612/68 is derhalve niet restrictief tot de eigenlijke toegang tot het onderwijs beperkt, maar strekt zich uit tot alle maatregelen die de deelneming aan het onderwijs moeten vergemakkelijken, ook wanneer zij steun voor levensonderhoud betreffen.(36) In het arrest Baumbast heeft het Hof zelfs verblijfsrechten van de ouders afgeleid uit de rechten van de kinderen op deelneming aan het onderwijs.(37)
57. Voor de onderhavige zaak is van groter belang, dat het Hof in het arrest Echternach en Moritz de gelding van het discriminatieverbod van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 tot de kinderen van migrerende werknemers heeft uitgebreid, wanneer zij overeenkomstig artikel 12 van deze verordening aan het onderwijs in het ontvangstland deelnemen, aangezien deze bepaling bij iedere andere uitlegging vaak ieder praktisch gevolg zou missen.(38) Derhalve genieten deze kinderen, op grond van hun eigen rechten, in het ontvangstland dezelfde sociale en fiscale voordelen als de kinderen van werknemers die onderdanen van het ontvangstland zijn.
58. Alvorens deze rechtspraak op de onderhavige zaak toe te passen, moet worden onderzocht of de zoon als kind van een migrerende werknemer in de zin van artikel 12 van verordening nr. 1612/68 kan worden beschouwd. Aangezien artikel 12 van verordening nr. 1612/68 ook de kinderen van voormalige migrerende werknemers bevoordeelt, is het niet van belang of de migrerende werknemer zich op het tijdstip dat het kind een beroep doet op deze bepaling, nog in het ontvangende land bevindt of werknemer is.(39) Ook behoeven de voorwaarden van artikel 10 niet verder vervuld te zijn. Deze bepaling definieert welke groep personen als gezinslid bij de werknemer in het ontvangstland mag wonen en stelt in het bijzonder als voorwaarde dat de betrokken personen te zijnen laste zijn. De rechten die uit artikel 12 van verordening nr. 1612/68 voortvloeien, hangen echter enkel af van de omstandigheid of een dergelijke situatie zich in het verleden éénmaal heeft voorgedaan, en niet van de huidige situatie.(40) Het is dus voldoende dat een kind met zijn ouders of met een van hen in een lidstaat heeft gewoond, terwijl ten minste één van zijn ouders daar woonde in de hoedanigheid van werknemer.(41) De verwijzende rechter moet zulks echter vaststellen, aangezien het Hof niet beschikt over voldoende gegevens omtrent het samenwonen van de zoon met de vader en omtrent de vroegere werknemersstatus van deze laatste in Oostenrijk.(42)
59. Het Hof kan daarentegen in de onderhavige zaak onderzoeken of het voorschot op een onderhoudsbijdrage een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 vormt en, in voorkomend geval, of een weigering het toe te kennen met deze bepaling in overeenstemming is.
60. De definitie van sociaal voordeel is ruim geformuleerd. Volgens het arrest Lair omvat dit begrip alle voordelen die volgens de derde overweging van de considerans van verordening nr. 1612/68 aan de migrerende werknemer de mogelijkheid tot verbetering van zijn levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden waarborgen en de verbetering van zijn sociale positie vergemakkelijken.(43) Daartoe behoren alle voordelen die, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn, en waarvan de uitbreiding tot werknemers-onderdanen van andere lidstaten geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken.(44)
61. Daaruit leidde het Hof in het bijzonder af, dat een uitkering die een bestaansminimum waarborgt(45), een uitkering voor het levensonderhoud van studenten(46) of ook de Duitse ouderschapsuitkering(47), een gezinsbijslag in de zin van verordening nr. 1408/71(48), als sociale voordelen moeten worden beschouwd.
62. Het voorschot op een onderhoudsbijdrage is ongetwijfeld een voordeel voor de onderhoudsgerechtigde, omdat voor zijn onderhoud wordt gezorgd, ofschoon de onderhoudsplichtige zijn verplichtingen niet nakomt. Het komt ook, qua functie, overeen met de door het Hof reeds erkende uitkeringen voor levensonderhoud. Zoals de Commissie terecht betoogt, moet dus ook het voorschot op een onderhoudsbijdrage als een sociaal voordeel worden beschouwd.
63. Er moet dus onderzocht worden of het onderscheid naar gelang de plaats van detentie van de onderhoudsplichtige, met het discriminatieverbod van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 verenigbaar is. Dit onderscheid houdt geen rechtstreeks verband met de nationaliteit van de betrokkene. Het in artikel 7 van verordening nr. 1612/68 neergelegde beginsel van gelijke behandeling verbiedt echter niet alleen openlijke discriminatie op grond van de nationaliteit van uitkeringsgerechtigde personen, maar ook alle vormen van verkapte discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden.(49)
64. Het Hof heeft de indirecte discriminatie in het arrest O’Flynn als volgt gedefinieerd:
„[A]ls indirect discriminerend [moeten] worden beschouwd de voorwaarden van nationaal recht die, hoewel zonder onderscheid naar nationaliteit van toepassing, hoofdzakelijk [...] of in de meeste gevallen [...] migrerende werknemers treffen [...] [E]en bepaling van nationaal recht [moet] als indirect discriminerend [...] worden beschouwd, wanneer zij door haar aard zelf migrerende werknemers eerder kan treffen [...] Dit is slechts anders wanneer die bepalingen worden gerechtvaardigd door objectieve overwegingen die los staan van de nationaliteit van de betrokken werknemers, en zij evenredig zijn aan het rechtmatig door het nationale recht nagestreefde doel [...]”.(50)
65. De nationaliteit van de vader is in de onderhavige zaak de doorslaggevende omstandigheid om het voorschot op een onderhoudsbijdrage te weigeren. Enkel veroordeelden van buitenlandse nationaliteit kunnen namelijk een in Oostenrijk opgelegde gevangenisstraf buiten Oostenrijk ondergaan. Daar komt nog bij dat, omgekeerd, Oostenrijkse onderdanen na een veroordeling in een andere lidstaat overeenkomstig het verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen naar Oostenrijk kunnen worden overgebracht. In dit geval kunnen hun kinderen aanspraak maken op het voorschot op een onderhoudsbijdrage. De weigering om bij gevangenisstraf buiten Oostenrijk het voorschot op een onderhoudsbijdrage uit te keren, heeft dan ook een bijzonder nadelig gevolg voor de gezinsleden van onderdanen uit andere lidstaten.
66. Deze ongelijke behandeling kan niet worden gerechtvaardigd door de fictie dat er een verband bestaat tussen prestatie in de vorm van het werk van de gedetineerde, en tegenprestatie in de vorm van het voorschot op een onderhoudsbijdrage. De Duitse regering verwijst in zoverre terecht naar het arrest Mora Romero, waarin het Hof een overeenkomstig argument heeft afgewezen. Het ging daar om de uitkering van wezenrente die werd verlengd met de duur van de militaire dienst in de uitkerende lidstaat, maar niet met de duur van de militaire dienst in andere lidstaten. Het Hof zag in dit onderscheid een ontoelaatbare benadeling op grond van nationaliteit, die niet door het eventuele karakter van schadeloosstelling van de verlenging van de uitkering kan worden gerechtvaardigd.(51)
67. In de onderhavige zaak is het verband tussen arbeidsprestatie en voorschot op een onderhoudsbijdrage zelfs nog zwakker. Dit voorschot heeft vooral tot doel het gezin en met name het kind te steunen. De eerste tegenprestatie is de vordering van de Oostenrijkse staat op de onderhoudsplichtige tot terugbetaling van het voorschot ingevolge § 29 van het Unterhaltsvorschussgesetz. De waarde van de arbeidsprestatie van de gedetineerde is waarschijnlijk reeds volledig opgeslorpt door de kosten van de detentie(52), welke bij het ondergaan van een straf in het buitenland niet meer ten laste van de Oostenrijkse schatkist komen.
68. Bij de toekenning van voorschotten op een onderhoudsbijdrage lijkt het echter objectief gerechtvaardigd, rekening te houden met eventuele gelijksoortige uitkeringen die de zoon in Duitsland krachtens verordening nr. 1408/71 ontvangt op grond van de werkzaamheden van zijn vader. Daarom zouden de anticumulatieregels van artikel 76 van verordening nr. 1408/71 of artikel 10, lid 1, sub a‑i, van verordening nr. 574/72(53) moeten worden toegepast om, afhankelijk van de verdere omstandigheden, bij voorrang de verantwoordelijkheid voor de toekenning van uitkeringen hetzij bij Oostenrijk hetzij bij Duitsland te leggen, waarbij de ene staat bijkomende uitkeringen moet toekennen, indien zijn uitkeringen hoger zijn dan die van de andere staat die bij voorrang verantwoordelijk is.(54)
69. Samenvattend stel ik vast, dat artikel 12 juncto artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 in de weg staat aan een regeling die het kind van een onderhoudsplichtige migrerende werknemer van het genot van een voorschot op een onderhoudsbijdrage uitsluit, wanneer die zijn gevangenisstraf niet in de staat die deze uitkering verstrekt, maar in zijn staat van herkomst ondergaat, mits
– dit kind in de staat die de uitkering verstrekt het algemeen onderwijs, een leerlingstelsel of het beroepsonderwijs volgt en
– dit kind met zijn ouders of met een van hen in de lidstaat die deze uitkering verstrekt, heeft gewoond terwijl ten minste één van zijn ouders daar woonde in de hoedanigheid van werknemer.
C – Artikel 12 EG
70. Artikel 12 EG verbiedt discriminatie op grond van nationaliteit enkel onverminderd de bijzondere bepalingen van het Verdrag. Het voorbehoud met betrekking tot de bijzondere bepalingen, dat ook de nadere uitwerking van bijzondere discriminatieverboden van het Verdrag door middel van secundair recht omvat(55), geeft uitdrukking aan het beginsel van de lex specialis. De opgeworpen vragen kunnen reeds op basis van de artikelen 12 en 7, lid 2, van verordening 1612/68 worden beantwoord. Het is dus niet nodig ook nog op artikel 12 EG in te gaan.
D – Het recht om als deelnemer aan de procedure te worden gehoord
71. Ten slotte wijs ik erop dat mijn opmerkingen over artikel 12 juncto artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 kunnen worden beschouwd als argumenten die tussen de deelnemers aan de procedure niet zijn besproken. Er moet derhalve worden onderzocht of het beginsel van hoor en wederhoor de heropening van de mondelinge behandeling krachtens artikel 61 van het Reglement op de procesvoering vereist.
72. Het beginsel van hoor en wederhoor heeft volgens het Hof tot doel te verhinderen dat zijn oordeel mogelijk wordt beslecht door een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden.(56) Daardoor moet een oordeel dat partijen verrast, worden voorkomen.
73. Tot op heden heeft geen van de deelnemers aan de procedure ingezien dat wellicht artikel 12 juncto artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 van toepassing is, hoewel zij over deze oplossing opmerkingen hadden kunnen maken. Zij vloeit namelijk voort uit de bepalingen van een verordening – die zelfs door de Commissie als relevant is aangevoerd – alsmede uit de vaste rechtspraak. Nieuwe juridische argumenten werden niet meer aangevoerd. De deelnemers aan de procedure hadden dus de relevantie van artikel 12 juncto artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 voor de onderhavige zaak kunnen inzien en een standpunt daarover kunnen innemen. Daarom is het te verdedigen om van een heropening van de mondelinge behandeling af te zien.
V – Conclusie
74. Ik stel het Hof derhalve voor, op het verzoek om een prejudiciële beslissing te antwoorden als volgt:
1. Artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen en hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, verzet zich niet tegen een nationale regeling die onderhoudsgerechtigde gemeenschapsonderdanen van toekenning van een voorschot op een onderhoudsbijdrage uitsluit, wanneer de onderhoudsplichtige vader een gevangenisstraf ondergaat, niet in de staat waar hij vóór zijn detentie werkzaam was, maar in zijn staat van herkomst.
2. Artikel 12 juncto artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap staat in de weg aan een regeling die het kind van een onderhoudsplichtige migrerende werknemer van het genot van een voorschot op een onderhoudsbijdrage uitsluit, wanneer die zijn gevangenisstraf niet in de staat die deze uitkering verstrekt, maar in zijn staat van herkomst ondergaat, mits
– dit kind in de staat die de uitkering verstrekt het algemeen onderwijs, een leerlingstelsel of het beroepsonderwijs volgt, en
– dit kind met zijn ouders of met een van hen in de lidstaat die deze uitkering verstrekt, heeft gewoond terwijl ten minste één van zijn ouders daar woonde in de hoedanigheid van werknemer.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Verordening van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1386/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001 (PB L 187, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”).
3 – Verordening van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) van de Raad van 27 juli 1992 (PB L 245, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1612/68”).
4 – Straatsburg, 21 maart 1983, STE nr. 112.
5 – Nieuwe versie in bekendmaking van 2 januari 2002, BGBl. 2002, blz. 615.
6 – Arrest van 15 maart 2001 (C‑85/99, Jurispr. blz. I‑2261).
7 – Arrest van 5 februari 2002 (C‑255/99, Jurispr. blz. I‑1205).
8 – Arrest van 25 juni 1997 (C‑131/96, Jurispr. blz. I‑3659).
9 – Arrest Humer (aangehaald in voetnoot 7, punt 35).
10 – Arrest van 12 mei 1998, Martínez Sala (C‑85/96, Jurispr. blz. I‑2691, punt 31).
11 – Arrest Martínez Sala (aangehaald in voetnoot 10, punt 32).
12 – Arrest van 11 oktober 2001, Khalil e.a. (C‑95/99 – C‑98/99 en C‑180/99, Jurispr. blz. I‑7413, punt 55); zie ook met betrekking tot de vroegere verordening nr. 3 van de Raad betreffende de sociale zekerheid van migrerende werknemers (PB nr. 30 van 16.12.1958, blz. 561), arrest van 12 november 1969, Compagnie belge d’assurances générales sur la vie et contre les accidents (27/69, Jurispr. blz. 405, punt 4).
13 – In dezelfde zin, zie de situatie in de arresten van 16 maart 1978, Laumann (115/77, Jurispr. blz. 805, punt 5), en 5 maart 1998, Kulzer (C‑194/96, Jurispr. blz. I‑895, punt 30), en het arrest Humer (aangehaald in voetnoot 7, punt 48).
14 – Aangehaald in voetnoot 7.
15 – Arrest van 10 oktober 1996 (C‑245/94 en C‑312/94, Jurispr. blz. I‑4895).
16 – Arrest van 11 juni 1998, Kuusijärvi (C‑275/96, Jurispr. I‑3419, punt 28) wijst hier ook op.
17 – Arrest van 9 december 1992 (C‑119/91, Jurispr. I‑6393).
18 – Arrest McMenamin (aangehaald in voetnoot 17, punten 14 e.v.).
19 – Voor het geval dat de aanspraken op grond van het Duitse Unterhaltsvorschutzgesetz worden onderzocht, zij erop gewezen dat het er alle schijn van heeft dat de arresten Offermanns (aangehaald in voetnoot 6) en Humer (aangehaald in voetnoot 7) analoog op deze bijslagen kunnen worden toegepast.
20 – Arrest van 10 februari 2000 (C‑340/97, Jurispr. blz. I‑957).
21 – Het Hof heeft verordening nr. 1612/68 onder meer in zijn arrest van 20 juni 1985, Deak (94/84, Jurispr. blz. 1873, punten 18 e.v.), onderzocht; verordening nr. 1408/71 werd, ondanks het feit dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet ernaar verwees, toch in het arrest Mora Romero (aangehaald in voetnoot 8, punten 21 e.v.) onderzocht.
22 – Arrest Martínez Sala (aangehaald in voetnoot 10, punt 32).
23 – Arrest van 31 mei 1989, Bettray (344/87, Jurispr. blz. 1621, punten 17 e.v.).
24 – Zie arrest Duitse Bundesverfassungsgericht, 2 BvR van 1 juli 1998, punten 137 e.v..
25 – Arrest Martínez Sala (aangehaald in voetnoot 10, punt 32).
26 – Arrest van 21 juni 1988 (39/86, Jurispr. blz. 3161, punten 31 e.v.); zie ook arresten van 24 september 1998, Commissie/Frankrijk (C‑35/97, Jurispr. blz. I‑5325, punt 41), en 6 november 2003, Ninni‑Orasche (C‑413/01, Jurispr. blz. I‑13187, punt 34).
27 – Artikel 39, lid 3, sub b, EG en verordening (EEG) nr.1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat na er een betrekking te hebben vervuld (PB L 142, blz. 24).
28 – Artikel 7 van richtlijn 68/360/EEG van de Raad van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der lidstaten en van hun familie binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 13).
29 – Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1612/68.
30 – Artikel 7, lid 3, van verordening nr. 1612/68.
31 – Aangehaald in voetnoot 26, punten 37 e.v..
32 – De voortzetting van een arbeidsverhouding lijkt echter bij wijze van uitzondering niet uitgesloten, wanneer de gedetineerde ook tijdens zijn detentie zijn beroep tegen marktvoorwaarden uitoefent, bijvoorbeeld in de vorm van de vrije tewerkstellingsverhouding overeenkomstig § 39, lid 1, van het Duitse Strafvollzugsgesetz.
33 – Arrest aangehaald in voetnoot 20.
34 – Arrest Nazli (aangehaald in voetnoot 20, punten 41 e.v.).
35 – Zie bijvoorbeeld arresten van 17 september 2002, Baumbast en R. (C‑413/99, Jurispr. blz. I‑7091, punt 50), en 3 juli 1974, Casagrande (9/74, Jurispr. blz. 773, punten 3 e.v.).
36 – Zie onder meer arresten van 15 maart 1989, Echternach en Moritz (389/87 en 390/87, Jurispr. blz. 723, punten 32 e.v.), en Casagrande (aangehaald in voetnoot 35, punt 3).
37 – Arrest aangehaald in voetnoot 35, punten 68 e.v..
38 – Arresten Echternach en Moritz (aangehaald in voetnoot 36, punt 34); van 13 november 1990, Di Leo (C‑308/89, Jurispr. blz. I‑4185, punten 14 e.v.), en 4 mei 1995, Gaal (C‑7/94, Jurispr. blz. I‑1031, punt 30).
39 – Arrest Echternach en Moritz (aangehaald in voetnoot 36, punten 20 e.v.).
40 – Arrest Gaal (aangehaald in voetnoot 38, punten 20 e.v.).
41 – Arrest van 21 juni 1988, Brown (197/86, Jurispr. blz. 3205, punt 30), en arrest Gaal (aangehaald in voetnoot 38, punt 27).
42 – Wanneer de vader nooit werknemer in Oostenrijk is geweest – een aannemelijke veronderstelling gezien zijn verzekering als neringdoende – dan zou onderzocht moeten worden of de vrijheid van vestiging dan wel het algemene discriminatieverbod, voor de kinderen van zelfstandigen rechtstreeks aanspraken doet ontstaan, vergelijkbaar met die welke uit verordening nr. 1612/68 voor de kinderen van migrerende werknemers voortvloeien.
43 – Aangehaald in voetnoot 26, punt 20.
44 – Arresten van 27 maart 1985, Hoeckx (249/83, Jurispr. blz. 973, punt 20), en Martínez Sala (aangehaald in voetnoot 10, punt 25).
45 – Arrest Hoeckx (aangehaald in voetnoot 44, punt 22).
46 – Arresten Lair (aangehaald in voetnoot 26, punt 30), Echternach en Moritz (aangehaald in voetnoot 36, punt 34), Di Leo (aangehaald in voetnoot 38, punten 14 e.v.) en Gaal (aangehaald in voetnoot 38, punt 30).
47 – Arrest Martínez Sala (aangehaald in voetnoot 10, punt 26).
48 – Arrest Hoever en Zachow (aangehaald in voetnoot 15, punten 16 e.v.).
49 – Arrest van 23 mei 1996, O’ Flynn (C‑237/94, Jurispr. blz. I‑2617, punt 17 met verdere verwijzingen).
50 – Arrest aangehaald in voetnoot 49, punten 18 e.v..
51 – Arrest Mora Romero (aangehaald in voetnoot 8, punt 35).
52 – Volgens S. Meier in „Die Tageshaftkosten der deutschen Strafvollzugsanstalten: Ein Überblick”, Darmstadt Discussion Papers in Economics/Arbeitspapiere des Instituts für Volkswirtschaftslehre, Technische Universität Darmstadt, nummer 121 (2003), bedragen de kosten van detentie per dag in Duitsland tussen 61,09 EUR in Beieren en 91,40 EUR in Hamburg. Voor Oostenrijk zullen waarschijnlijk vergelijkbare cijfers gelden.
53 – Zoals gewijzigd door verordening (EG) nr. 1386/2001.
54 – Zie arrest McMenamin (aangehaald in voetnoot 17).
55 – Arrest Mora Romero (aangehaald in voetnoot 8, punt 11).
56 – Beschikking van 4 februari 2000, Emesa Sugar (C‑17/98, Jurispr. blz. I‑665, punt 18).
Full & Egal Universal Law Academy