CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 27 mei 2004(1)
Zaak C-366/02
Gerd Gschoßmann
tegen
Amt für Landwirtschaft und Flurneuordnung Süd
[Verzoek van het Verwaltungsgericht Halle (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Steunregeling voor producenten van akkerbouwgewassen – Compensatiebedragen voor met akkerbouwgewassen ingezaaide of braakgelegde gebieden – Uitsluiting voor gronden gebruikt voor ‚meerjarige teelt’ – Begrip”
1. De onderhavige zaak betreft de uitlegging van het begrip „gronden die […] voor meerjarige teelten […] in gebruik waren” in de zin van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (2) , en verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen. (3)
I – Rechtskader
2. Bij de hervorming van het gemeenschappelijke landbouwbeleid, die in 1992 plaatsvond, heeft de gemeenschapswetgever een nieuwe steunregeling voor producenten van akkerbouwgewassen ingevoerd. Deze regeling heeft tot doel overproductie in de sector te vermijden, een beter marktevenwicht te waarborgen door de prijzen in de Gemeenschap gelijk te trekken met die op de wereldmarkt, en het inkomensverlies ten gevolge van de verlaging van de prijzen in de Gemeenschap te compenseren door middel van een compensatiebedrag voor de producenten. (4)
3. De beginselen inzake steunverlening aan akkerbouwgewassen zijn dus gewijzigd. Zo zijn de compensatiebedragen sinds 1992 niet meer afhankelijk van de productieomvang, maar van de grondoppervlakte en van de opbrengstcapaciteit van de verschillende regio’s van de Gemeenschap. (5) Bovendien heeft de gemeenschapswetgever de toekenning van compensatiebedragen afhankelijk gesteld van de verplichting voor de producenten om een deel van hun grond uit de productie te nemen.
4. Krachtens de basisverordening van 1992 kan een compensatiebedrag worden toegekend voor gebieden die met akkerbouwgewassen zijn ingezaaid of zijn braakgelegd. Artikel 9 van deze verordening sluit echter bepaalde grond van compensatiebedragen uit. Het bepaalt:
„Aanvragen voor het compensatiebedrag en voor het naleven van de verplichting om grond uit productie te nemen kunnen niet worden ingediend voor gronden die voor 31 december 1991 permanent als weidegrond, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik waren.”
5. In verordening (EEG) nr. 2780/92 (6) , zoals gewijzigd bij verordening nr. 1959/94 (7) , wordt het begrip „blijvende teelten” (8) gedefinieerd als:
„Niet in een vruchtwisseling opgenomen teelten van gewassen, met uitzondering van de in bijlage II bedoelde meerjarige akkerbouwgewassen en van blijvend grasland, die de grond ten minste vijf jaar in beslag nemen en die geregeld een oogst opleveren.”
6. Deze verordening is vervangen door verordening (EG) nr. 658/96 (9) , maar de definitie van het begrip „blijvende teelten” is dezelfde gebleven (10) :
„Niet in een vruchtwisseling opgenomen teelten van gewassen, met uitzondering van meerjarige gewassen en van blijvend grasland, die de grond gedurende ten minste vijf jaar in beslag nemen en die geregeld een oogst opleveren.”
7. Later zijn de basisverordening van 1992 en verordening nr. 658/96 vervangen door, respectievelijk, verordening nr. 1251/1999 en verordening (EG) nr. 2316/1999. (11) Deze verordeningen handhaven echter de uitsluiting van compensatiebedragen voor grond die op 31 december 1991 voor meerjarige teelten of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was. (12) Ook de in punt 6 aangehaalde definitie van „blijvende teelten” is gehandhaafd. (13)
II – Het verzoek om een prejudiciële beslissing
8. In casu wenst het Verwaltungsgericht Halle (Duitsland) een verduidelijking van het begrip „gronden die […] voor meerjarige teelten […] of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik waren”. Het moet uitspraak doen in een geding tussen Gerd Gschoßmann, landbouwer, en het Amt für Landwirtschaft und Flurneuordnung Süd (dienst voor landbouw en herverkaveling) (14) betreffende de terugvordering van compensatiebedragen.
9. Het geding heeft betrekking op de vraag of Gschoßmann compensatiebedragen kan ontvangen voor grond die vroeger met appelbomen beplant was en waarop een appelboomgaard werd geëxploiteerd. In de verwijzingsbeschikking wordt deze grond in drie categorieën ingedeeld:
– op 31 december 1991 waren op het eerste deel van de grond nog appelbomen geplant, die niet meer bespoten werden. De appelen zijn in 1991 niet geoogst. Het besluit tot rooiing van de betrokken gronden was al genomen en is nadien ook uitgevoerd;
– op het tweede deel van de grond waren de bomen op de referentiedatum reeds geveld. Zij lagen echter nog op de grond, waardoor exploitatie van de akker onmogelijk was. De opruiming van de bomen vond pas later plaats, en
– op het derde deel van de grond waren de bomen reeds geveld en opgeruimd. De grond was echter nog niet voor een ander gebruik bestemd.
10. De verwijzende rechter zet uiteen dat Gschoßmann het recht op de compensatiebedragen die hij van het Amt heeft ontvangen verliest indien deze grond, in de zin van de basisverordeningen, wordt beschouwd als „gronden die op 31 december 1991 […] voor meerjarige teelten […] of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik waren”. Als deze grond daarentegen geen grond is die op de referentiedatum voor meerjarige teelt of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was, kan Gschoßmann de ontvangen compensatiebedragen behouden.
11. Het Verwaltungsgericht Halle twijfelde echter aan de uitlegging van de betrokken bepalingen. Daarom heeft het besloten het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1) Vereist het gebruik van grond voor meerjarige teelt in de zin van artikel 9 van [de basisverordening van 1992] of van artikel 7 van [de basisverordening van 1999] dat de op de grond staande gewassen, in casu appelbomen, worden geëxploiteerd?
2) Wordt de grond ook dan voor meerjarige teelt gebruikt, wanneer de eigenaar of de pachter tijdens de groeiperiode nalaat bestrijdingsmiddelen te gebruiken en nadien de oogst van de bomen niet meer binnenhaalt?
3) In geval van een ontkennend antwoord op de tweede vraag, komt er een einde aan het gebruik voor meerjarige teelt wanneer de eigenaar of de pachter besluit de op de grond staande appelbomen binnenkort te vellen, zonder dit voornemen echter uit te voeren vóór de referentiedatum? Maakt het voor het antwoord op deze vraag verschil of een ander bedrijf vóór de referentiedatum de opdracht tot het vellen krijgt?
4) Ingeval ook de derde vraag ontkennend moet worden beantwoord, komt er een einde aan het gebruik voor meerjarige teelt wanneer de eigenaar of de pachter de bomen heeft geveld, zonder het voornemen nieuwe bomen te planten; met andere woorden: valt in dergelijk geval de uiterste datum voor het vellen, 31 december 1991, samen met de in het kader van de steunregeling in aanmerking te nemen grens?
5) Ingeval de vierde vraag eveneens ontkennend moet worden beantwoord, komt er een einde aan het gebruik voor meerjarige teelt door het vóór de referentiedatum weghalen van de gevelde bomen van de grond, teneinde deze voor het gebruik als akkergrond voor te bereiden?
6) Indien door één van de genoemde omstandigheden een einde komt aan het gebruik voor meerjarige teelt, moet deze grond dan in de zin van één van de voornoemde verordeningen na het beëindigen van het gebruik worden beschouwd als grond die op de referentiedatum voor niet-agrarische doeleinden in gebruik is, en zo ja, kan hieraan wegens één van de voornoemde omstandigheden een einde komen?”
III – Beoordeling van de prejudiciële vragen
12. Naar mijn gevoel kunnen de vragen van het Verwaltungsgericht Halle in drie categorieën worden gegroepeerd, die na elkaar moeten worden behandeld.
13. De eerste reeks vragen komt erop neer, welke exploitatie het begrip „grond die […] voor meerjarige teelten in gebruik was” vereist. De verwijzende rechter wenst te vernemen of vereist is dat de betrokken grond is geëxploiteerd en, inzonderheid, dat de grond met winstgevend oogmerk is geëxploiteerd (eerste vraag), dat bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt of dat is geoogst (tweede vraag).
14. De verwijzende rechter heeft in dit verband een arrest van het Oberverwaltungsgericht Sachsen-Anhalt (Duitsland) van september 2001 aangehaald. In dit arrest heeft het Oberverwaltungsgericht geoordeeld dat het begrip „gronden die […] voor meerjarige teelt in gebruik waren” veronderstelt dat de grond met winstgevend oogmerk is geëxploiteerd en dat het enkele gebruik van de grond voor meerjarige teelt, zonder onderhoud, niet volstaat om onder artikel 9 van de basisverordening van 1992 te vallen. Met de eerste reeks vragen wenst de verwijzende rechter dus zekerheid te verkrijgen over de juistheid van de definitie die door zijn appelrechter is gegeven.
15. Evenals de Commissie van de Europese Gemeenschappen ben ik van mening dat het begrip „gronden die […] voor meerjarige teelt in gebruik waren” niet vereist dat de grond is geëxploiteerd. Ook het uitblijven van exploitatie, zonder bijzonder onderhoud, volstaat om de grond onder de door de basisverordeningen voorziene uitzondering te doen vallen.
16. Artikel 9 van de basisverordening van 1992 en artikel 7 van de basisverordening van 1999 vereisen de facto enkel dat de grond op de referentiedatum voor meerjarige teelt „in gebruik was”.
17. Het Franse werkwoord „consacrer” betekent letterlijk „(iets) voor een gebruik bestemmen”. (15) Het in de basisverordeningen gebruikte adjectief „consacrées” vereist dus dat de grond een bepaald gebruik of een bepaalde bestemming heeft gekregen, in casu voor meerjarige teelt. Dit adjectief geeft daarentegen geen uitdrukking aan de idee dat de grond bovendien moet worden geëxploiteerd of bijzonder onderhouden.
18. Zo kan de uitdrukking „gronden die […] voor meerjarige teelten in gebruik waren” vereisen dat de mens op een bepaald moment de noodzakelijke maatregelen heeft getroffen om meerjarige teelt mogelijk te maken en dat hij de grond daadwerkelijk voor deze teelt in gebruik heeft genomen. Zij vereist daarentegen niet dat grond die al voor meerjarige teelt wordt gebruikt, wordt geëxploiteerd. De andere taalversies van de betrokken bepalingen gebruiken overigens termen die ook wijzen op het ontbreken van exploitatie en niet op een actief bewerken van de grond („tierras dedicadas” in het Spaans, „Flächen die genutzt wurden” in het Duits, „land which was under” in het Engels en „terreni destinati” in het Italiaans).
19. De opbouw van de artikelen 9 en 7 van de basisverordeningen lijkt deze letterlijke analyse te bevestigen. Niet alleen grond die voor meerjarige teelt in gebruik was, is immers van compensatiebedragen uitgesloten. Ook grond die als blijvend grasland of als bosgrond in gebruik was, is uitgesloten. Zoals de Commissie heeft benadrukt, veronderstelt het gebruik van grond als blijvend grasland of als bosgrond niet dat deze grond wordt geëxploiteerd: een louter natuurlijke productie van gras (in het eerste geval) of van bomen (in het tweede geval) is zonder meer mogelijk. (16) Het zou dus niet logisch zijn deze voorwaarde te stellen voor meerjarige teelten, die op dezelfde wijze als blijvend grasland en bosgrond van compensatiebedragen zijn uitgesloten.
20. Tenslotte lijkt het vereiste van exploitatie van de gronden moeilijk verenigbaar met het door de artikelen 9 en 7 van de basisverordeningen nagestreefde doel.
21. Deze bepalingen hebben immers tot doel te voorkomen dat grond die vóór de inwerkingtreding van de basisverordening van 1992 niet was ingezaaid, enkel wordt ingezaaid om compensatiebedragen te ontvangen. (17) Indien men de litigieuze voorwaarde stelt, kan grond die pas na 31 december 1991 voor akkerbouwgewassen in gebruik was, aan de in de artikelen 9 en 7 vervatte uitsluiting ontsnappen omdat hij niet wordt geëxploiteerd of bijzonder onderhouden. Met andere woorden, grond die in de opzet van de basisverordeningen niet in aanmerking komt, zou toch steun kunnen verkrijgen omdat hij niet met winstgevend oogmerk is geëxploiteerd, omdat geen pesticiden zijn gebruikt of omdat niet is geoogst.
22. De tweede reeks vragen heeft betrekking op de omstandigheden die het gebruik van grond voor meerjarige teelt kunnen beëindigen. De verwijzende rechter wenst te vernemen of dit gebruik eindigt op het moment waarop de teler besluit de appelbomen te vellen of deze taak aan een ondernemer toe te vertrouwen (derde vraag), op het moment waarop de appelbomen daadwerkelijk worden geveld (vierde vraag) of op het moment waarop de gevelde bomen worden weggehaald (vijfde vraag).
23. Deze vragen zouden geen aanleiding moeten geven tot bijzondere moeilijkheden. In zoverre de artikelen 9 en 7 van de basisverordeningen enkel vereisen dat meerjarige teelten op de grond aanwezig zijn, zonder de exploitatie van de grond te verlangen, kan men immers stellen dat de grond niet langer voor meerjarige teelt wordt gebruikt op het moment waarop deze teelten onherstelbaar verdwijnen. Het enkele besluit de bomen te vellen, zonder dat dit besluit wordt uitgevoerd, is dus niet voldoende. Daarentegen is niet vereist dat de gevelde bomen ook worden opgeruimd. Vanuit biologisch oogpunt zijn zij immers verdwenen op het moment waarop zij geveld zijn.
24. De derde vraag ten slotte betreft de kwalificatie van grond die niet langer voor meerjarige teelt wordt gebruikt. De verwijzende rechter wenst te vernemen of grond waarop de bomen geveld zijn en die dus niet langer voor meerjarige teelt wordt gebruikt, moet worden beschouwd als grond die, in de zin van de artikelen 9 en 7 van de basisverordeningen voor „niet-agrarische doeleinden” in gebruik is (zesde vraag).
25. In zijn gewone betekenis verwijst de term „agrarisch” naar het geheel van werkzaamheden bestemd om planten en dieren te telen. (18) Grond die voor agrarische doeleinden wordt gebruikt, is dus grond bestemd voor het telen van dieren of planten. In casu heeft de litigieuze grond na het vellen van de appelbomen geen bijzonder gebruik gekregen. Aangezien hij niet bestemd is voor het telen van dieren of planten, betreft het hier derhalve grond die, in de zin van de basisverordeningen, voor „niet-agrarische doeleinden” wordt gebruikt.
IV – Conclusie
26. Gelet op deze elementen stel ik het Hof voor, de door het Verwaltungsgericht Halle gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
„Artikel 9, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, en artikel 7, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, moeten aldus worden uitgelegd dat:
– de uitdrukking ‚gronden die […] voor meerjarige teelten in gebruik waren’ niet vereist dat de grond is geëxploiteerd en, inzonderheid, niet dat de grond met winstgevend oogmerk is geëxploiteerd, dat bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt of dat is geoogst;
– deze grond niet langer voor meerjarige teelt in de zin van deze bepalingen wordt gebruikt op het moment waarop de op de grond staande beplanting wordt gerooid, en
– grond die na de rooiing van de beplanting niet voor het telen van andere planten of van dieren wordt bestemd, grond is die, in de zin van de genoemde bepalingen, ‚[…] voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was’.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 181, blz. 12 (hierna: „basisverordening van 1992”).
3 – PB L 160, blz. 1 (hierna: „basisverordening van 1999”).
4 – Zie inzonderheid de tweede overweging van de considerans van de basisverordening van 1992.
5 – Ibidem (vijfde overweging van de considerans en artikel 2, lid 2, eerste alinea).
6 – Verordening van de Commissie van 24 september 1992 betreffende de voorwaarden voor de toekenning van compensatiebedragen in het kader van de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB L 281, blz. 5).
7 – Verordening van de Commissie van 27 juli 1994 (PB L 198, blz. 93).
8 – Zie bijlage I, punt II.
9 – Verordening (EG) van de Commissie van 9 april 1996 betreffende bepaalde voorwaarden voor de toekenning van compensatiebedragen in het kader van de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB L 91, blz. 46).
10 – Zie bijlage I, punt 2.
11 – Verordening van de Commissie van 22 oktober 1999 (PB L 280, blz. 43).
12 – Artikel 7, eerste alinea, van de basisverordening van 1999.
13 – Bijlage I, punt 2, bij verordening nr. 2316/1999.
14 – Hierna: „Amt”.
15 – Zie Le Petit Robert, Dictionnaire de la langue française, Paris, Éditions Dictionnaires Le Robert, 1999.
16 – Zie in die zin de definitie van het begrip „blijvend grasland” in verordening nr. 2780/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1959/94 (bijlage I, punt I), verordening nr. 658/96 (bijlage I, punt 1) en verordening nr. 2316/1999 (bijlage I, punt 1).
17 – Zie inzonderheid de zeventiende overweging van de considerans van de basisverordening van 1992 en punt 26 van de considerans van de basisverordening van 1999.
18 – Zie Le Petit Robert, Dictionnaire de la langue française, reeds aangehaald.
Full & Egal Universal Law Academy