CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 25 maart 2004 (1)
Zaak C‑372/02
Roberto Adanez-Vega
tegen
Bundesanstalt für Arbeit
„Werkloosheid – Toekenning van werkloosheidsuitkering afhankelijk van vervullen van tijdvakken van verzekering – Dienstplicht”
1. In deze zaak heeft het Bundessozialgericht (Duitsland) een reeks prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 3, 13, 67 en 71 van verordening nr. 1408/71(2) (hierna: „verordening nr. 1408/71”).
2. De verwijzende rechter vraagt met name (1) welke wetgeving van toepassing is op een persoon van Spaanse nationaliteit die het grootste deel van zijn leven in Duitsland heeft doorgebracht en gedurende negen maanden in Spanje zijn dienstplicht heeft vervuld, waarna hij naar Duitsland is teruggekeerd, waar hij een werkloosheidsuitkering heeft aangevraagd en, (2) of verordening nr. 1408/71 voorschrijft dat het tijdvak waarin de dienstplicht is vervuld in aanmerking dient te worden genomen bij de bepaling van betrokkene’s aanspraak op een dergelijke uitkering.
3. Het gaat in casu om de volgende bepalingen van verordening nr. 1408/71: artikel 3 (waarin het beginsel van gelijke behandeling is neergelegd), artikel 13, lid 2, (dat regels bevat om te bepalen welke wettelijke regeling van toepassing is), artikel 67 (dat regels inzake de samentelling of de inaanmerkingneming van in een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid bevat teneinde het recht op werkloosheidsuitkering vast te stellen) en artikel 71 (dat gaat over werklozen die hun laatste werkzaamheden hebben verricht in een andere lidstaat dan waar zij woonden). De tekst van deze bepalingen wordt voorzover nodig vermeld bij het begin van de behandeling van de desbetreffende vraag of vragen.
4. Artikel 80 van verordening nr. 574/72(3) is ook relevant. Deze verordening stelt de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 vast. Artikel 80 bepaalt met het oog op artikel 67 van verordening nr. 1408/71, dat de voor werkloosheid bevoegde organen van de lidstaat aan de wettelijke regeling waarvan een belanghebbende persoon laatstelijk onderworpen is geweest, een verklaring dienen af te geven waarin de tijdvakken van verzekering of van arbeid zijn vermeld die deze persoon als werknemer krachtens die wettelijke regeling heeft vervuld.
De relevante nationale regelgeving
5. Volgens § 100 van het Arbeitsförderungsgesetz (wet ter bevordering van de werkgelegenheid; hierna: „AFG”) heeft een persoon die onder meer de wachttijd heeft vervuld, recht op werkloosheidsuitkering. Volgens § 104 AFG heeft de betrokkene de wachttijd vervuld wanneer hij tijdens de referentieperiode van 3 jaar gedurende 360 kalenderdagen bijdrageplichtige arbeid heeft verricht. De referentieperiode gaat onmiddellijk vooraf aan de eerste dag van de werkloosheid waarop aan de overige voorwaarden voor het recht op werkloosheidsuitkering is voldaan.
6. Volgens § 107 AFG worden tijdvakken van militaire dienst gelijkgesteld met tijdvakken van bijdrageplichtige arbeid.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
7. Volgens de verwijzingsbeschikking zijn de feiten als volgt.
8. Verzoeker in het hoofdgeding (hierna: „verzoeker”), van Spaanse nationaliteit, heeft sinds zijn geboorte zijn voornaamste woonplaats in Duitsland gehad. Van september 1991 tot juli 1994 volgde hij in Madrid een opleiding tot elektronisch ingenieur in de energiesector. Van 3 augustus 1994 tot en met 31 augustus 1994 en van 3 november 1994 tot en met 20 april 1995 was hij in Duitsland in loondienst als elektricien. Op 21 april 1995 vertrok hij naar Spanje, waar hij van 18 mei 1995 tot en met 15 februari 1996 zijn militaire dienstplicht vervulde. Hij werkt weer in Duitsland sinds 30 mei 1996.
9. Overeenkomstig artikel 80 van verordening nr. 574/72 verklaarde het Spaanse orgaan voor sociale zekerheid in januari 1997, dat betrokkene een tijdvak van verzekering en van arbeid van 1 december 1991 tot en met 4 december 1992 had vervuld.
10. Verzoeker meldde zich op 25 april 1996 bij verweerder in het hoofdgeding (hierna: „verweerder”) als werkloze aan. Deze weigerde hem een werkloosheidsuitkering toe te kennen op grond dat de vereiste wachttijd niet was vervuld, omdat onder meer het door hem vervulde tijdvak van militaire dienstplicht in Spanje niet kon worden aangemerkt als bijdrageplichtige arbeid in de zin van het AFG.
11. Verzoekers beroep bij het Sozialgericht Hannover werd toegewezen, welk vonnis vervolgens door het Landessozialgericht werd bevestigd. Verweerder stelde daarop Revision in bij het Bundessozialgericht.
12. Deze rechterlijke instantie merkt op dat de referentieperiode van drie jaar het tijdvak van 25 april 1993 tot en met 24 april 1996 omvat. Gedurende die periode was verzoeker in Duitsland werkzaam in loondienst en was hij van 3 augustus 1994 tot en met 31 augustus 1994 en van 3 november 1994 tot en met 20 april 1995 bijdrageplichtig, wat neerkomt op 198 dagen, dus minder dan 360 dagen. Verzoeker zou wél recht hebben op een werkloosheidsuitkering, indien het tijdvak van 18 mei 1995 tot en met 15 februari 1996, waarin hij zijn militaire dienstplicht vervulde, in aanmerking werd genomen. Naar Duits recht telt dit tijdvak niet mee bij de berekening van de vervulde wachttijd, maar wellicht dient het op basis van het gemeenschapsrecht wél in aanmerking te worden genomen, ervan uitgaande dat verweerder krachtens het gemeenschapsrecht bevoegd was de werkloosheidsuitkering toe te kennen en de voorwaarden daarvoor vervuld waren. Of dit zo is, hangt af van de uitlegging van een aantal bepalingen van verordening nr. 1408/71. Bijgevolg heeft het Bundessozialgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof een aantal prejudiciële vragen voorgelegd.
13. Voor de volledige tekst van de vragen verwijs ik naar de bijlage bij deze conclusie. In wezen gaat het om de volgende vragen:(1) is de Spaanse of de Duitse wettelijke regeling hier van toepassing? (2) kan verzoekers tijdvak van militaire dienst worden aangemerkt als „werkzaamheden” in de zin van artikel 71, lid 1? Zo ja, (3) is in beginsel artikel 67, juncto artikel 71, lid 1, sub b‑ii, van toepassing? Zo ja, (4) moet volgens artikel 67 een tijdvak van militaire dienstplicht in aanmerking worden genomen dat is vervuld na verzoekers laatstelijk vervulde tijdvak van verzekering krachtens de Duitse wettelijke regeling? Ten slotte vraagt de verwijzende rechter of artikel 3 van verordening nr. 1408/71 vereist, dat het tijdvak van militaire dienstplicht in aanmerking wordt genomen, indien bovenbedoelde bepalingen zulks niet voorschrijven.
14. Verzoeker, de Duitse en de Portugese regering alsmede de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Een mondelinge behandeling is achterwege gebleven, omdat daartoe geen verzoek was ingediend.
Vaststelling van de toe te passen wetgeving
15. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of iemand in de omstandigheden waarin verzoeker verkeert, onder de Spaanse wettelijke regeling volgens artikel 13, lid 2, sub e, van verordening nr. 1408/71, dan wel onder de Duitse wettelijke regeling valt volgens artikel 13, lid 2, sub f.
Artikel 13 van verordening nr. 1408/71
16. Artikel 13, getiteld „Algemene regels”, is de eerste bepaling van titel II van verordening nr. 1408/71, die het opschrift „Vaststelling van de toe te passen wetgeving” draagt.
17. Artikel 13, lid 1, bepaalt in de versie die ten tijde van de feiten van kracht was:
„Onder voorbehoud van artikel 14 quater [in casu niet relevant] zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.”
18. Artikel 13, lid 2, bevat een aantal regels om vast te stellen welke wetgeving in bijzondere omstandigheden van toepassing is. De regels gelden onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, die het overige deel van titel II vormen en verschillende bijzondere bepalingen bevatten die in casu geen van alle van toepassing zijn.
19. Artikel 13, lid 2, sub a, bepaalt:
„[...] op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, [is] de wetgeving van die staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat”.
20. Artikel 13, lid 2, sub e, bepaalt:
„[...] op degene die wordt opgeroepen of opnieuw wordt opgeroepen voor militaire dienst of vervangende burgerdienst in een lidstaat, [is] de wetgeving van die staat van toepassing. Indien toepassing van deze wetgeving afhankelijk is van het vervullen van tijdvakken van verzekering vóór de opkomst in of na het verlaten van de militaire of de vervangende burgerdienst, worden de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wetgeving van een andere lidstaat zijn vervuld, voorzover nodig, in aanmerking genomen alsof het tijdvakken van verzekering betrof, vervuld krachtens de wetgeving van eerstbedoelde staat. De werknemer of zelfstandige die voor militaire dienst of vervangende burgerdienst wordt opgeroepen, behoudt de hoedanigheid van werknemer of zelfstandige.”
21. Volgens artikel 13, lid 2, sub f, dat bij verordening nr. 2195/91(4) in verordening nr. 1408/71 is ingevoegd en op 29 juli 1991 van kracht is geworden,
„[is] op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.”
Beoordeling
22. Mijns inziens dient de toe te passen wetgeving uitsluitend te worden bepaald aan de hand van titel II van verordening nr. 1408/71, met het opschrift „Vaststelling van de toe te passen wetgeving”, die herhaaldelijk door het Hof is omschreven als „een volledig en eenvormig stelsel van conflictregels”.(5) Immers, artikel 13, lid 1, bepaalt uitdrukkelijk: „[o]nder voorbehoud van artikel 14 quater [in casu niet relevant] zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.” Ik kan de stelling van de Commissie dan ook niet aanvaarden dat de toe te passen wetgeving niet in titel II wordt geregeld, maar moet worden vastgesteld op grond van andere bepalingen van verordening nr. 1408/71.
23. Inderdaad zijn er bepalingen in andere titels van verordening nr. 1408/71 die in bepaalde omstandigheden voorzien in de toepassing van de wetgeving van een andere lidstaat dan die welke volgens titel II van toepassing is. Het systeem van verordening nr. 1408/71, zoals door het Hof uitgelegd, vooronderstelt echter duidelijk dat de wetgeving die in beginsel op een bepaalde uitkeringsaanvrager van toepassing is, altijd aan de hand van titel II kan worden bepaald, zelfs indien in een bepaalde situatie een specifieke bepaling van verordening nr. 1408/71 voorschrijft dat om een specifieke reden de wetgeving van een andere lidstaat van toepassing is.
24. In de onderhavige zaak was verzoeker (i) werkzaam in loondienst in Duitsland van 3 augustus 1994 tot en met 31 augustus 1994 en van 3 november 1994 tot en met 20 april 1995, gedurende welke tijdvakken hij krachtens artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/97 aan de Duitse wetgeving onderworpen was en (ii) vervulde hij zijn militaire dienstplicht in Spanje van 18 mei 1995 tot en met 15 februari 1996, gedurende welk tijdvak hij krachtens artikel 13, lid 2, sub e, van verordening 1408/71 aan de Spaanse wetgeving was onderworpen. De vraag is, welke wetgeving daarna van toepassing was, toen hij naar Duitsland terugkeerde en daar een werkloosheidsuitkering aanvroeg.
25. Het arrest van het Hof in de zaak Kuusijärvi(6), dat betrekking had op artikel 13, lid 2, sub f, lijkt een antwoord op deze vraag te geven. In die zaak oordeelde het Hof dat „[a]rtikel 13, lid 2, sub f, [...] bepaalt [...] dat op degene die niet meer op grond van de overige bepalingen van artikel 13, lid 2, [...] of van de bepalingen 14 tot en met 17 van verordening nr. 1408/71 aan een wettelijke regeling is onderworpen, de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, van toepassing is.” Dit is een duidelijke omschrijving van de situatie waarin verzoeker in de onderhavige zaak zich bevindt. De Duitse regering is eveneens deze mening toegedaan.
26. Hoewel de Portugese regering stelt dat de Spaanse wettelijke regeling krachtens artikel 13, lid 2, sub e, van toepassing is, blijkt dat deze stelling enkel de toepasselijke wetgeving gedurende het tijdvak van militaire dienst betreft, terwijl de eerste prejudiciële vraag juist op de wetgeving gedurende het tijdvak erna betrekking heeft.
27. De Commissie betoogt dat artikel 13, lid 2, sub f, net zo weinig van toepassing is na beëindiging van de militaire dienst als na het verlies van arbeid. Anders zou een werkloze altijd naar een andere lidstaat kunnen gaan om zich daar te vestigen en er een werkloosheidsuitkering aan te vragen. Deze stelling is echter duidelijk in strijd met ’s Hofs arrest in de zaak Kuusijärvi, volgens hetwelk „een persoon die op het grondgebied van een lidstaat iedere werkzaamheid in loondienst heeft stopgezet [...] ingevolge artikel 13, lid 2, sub f, [...] ofwel onderworpen [is] aan de wettelijke regeling van de staat waar hij voorheen zijn werkzaamheden in loondienst heeft verricht, wanneer hij daar nog woont, ofwel aan de wettelijke regeling van de staat waarnaar hij in voorkomend geval zijn woonplaats heeft overgebracht”.(7)
28. Het is bovendien duidelijk dat het Hof met „een persoon die iedere werkzaamheid in loondienst heeft stopgezet” niet alleen doelde op personen die definitief alle beroepswerkzaamheden hebben stopgezet. In de zaak Kuusijärvi hadden de Zweedse en de Noorse regering gesteld dat artikel 13, lid 2, sub f, enkel van toepassing was op dergelijke personen, terwijl degene die slechts tijdelijk zijn werkzaamheden had stopgezet krachtens artikel 13, lid 2, sub a, onderworpen bleef aan de wettelijke regeling van de lidstaat waar hij laatstelijk in loondienst was geweest, zelfs indien hij zich in een andere lidstaat had gevestigd. Het Hof oordeelde dat niets in de bewoordingen van artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 erop wijst dat de werkingssfeer ervan zo beperkt is; deze bepaling is juist in algemene bewoordingen geredigeerd, zodat zij alle gevallen omvat waarin de wettelijke regeling van een lidstaat om welke reden dan ook ophoudt van toepassing te zijn op een persoon, en niet alleen omdat hij in een bepaalde lidstaat zijn beroepswerkzaamheden al dan niet definitief heeft stopgezet.(8)
29. Ik ben er hoe dan ook niet van overtuigd dat de bezorgdheid van de Commissie terecht is. Zelfs indien het gevolg van artikel 13, lid 2, sub f, is dat de wettelijke regeling die van toepassing is op degene die zijn werkzaamheden in een lidstaat heeft stopgezet en zich in een andere lidstaat heeft gevestigd, de wettelijke regeling van deze laatste lidstaat is, dan nog heeft deze persoon daardoor niet automatisch recht op een werkloosheidsuitkering ten laste van deze lidstaat. Het Hof heeft in het arrest Kuusijärvi er de nadruk op gelegd dat het doel van artikel 13, lid 2, enkel is, te bepalen welke nationale wettelijke regeling van toepassing is op degenen die zich in een van de sub a, tot en met sub f, van deze bepaling bedoelde situaties bevinden. De bepaling stelt dus niet zelf vast onder welke voorwaarden het recht op of de verplichting tot aansluiting bij een socialezekerheidsstelsel of een bepaalde tak van een dergelijk stelsel, ontstaat; zoals het Hof herhaaldelijk heeft overwogen, staat het aan de wettelijke regeling van elke lidstaat om deze voorwaarden vast te stellen.(9) Wanneer een lidstaat het recht op werkloosheidsuitkering afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de aanvrager tijdvakken van verzekering of arbeid heeft vervuld, vereist artikel 67 van verordening nr. 1408/71 dat die staat bij zijn berekeningen dergelijke tijdvakken die in een andere lidstaat zijn vervuld, in aanmerking neemt. Dit vereiste geldt echter in het algemeen slechts indien de aanvrager dergelijke tijdvakken „laatstelijk heeft vervuld” in de lidstaat waar de aanvraag is gedaan.(10) Ik denk dan ook niet dat mijn uitlegging van artikel 13, lid 2, sub f, de door de Commissie beschreven gevolgen zou kunnen hebben.
30. Ernstiger vind ik echter de mogelijkheid dat de uitlegging van artikel 13, lid 2, sub f, die door het arrest Kuusijärvi lijkt te worden voorgeschreven, de systematiek van verordening 1408/71 kan ondergraven en met name de bepalingen van titel III, hoofdstuk 6, met het opschrift „Werkloosheid”. Dit hoofdstuk omvat de artikelen 67 tot en met 71. Zoals hierna zal blijken, bepaalt artikel 71, lid 1, sub b‑i, dat bepaalde werklozen recht hebben op een werkloosheidsuitkering „volgens de wettelijke regeling van [de bevoegde] staat, alsof [z]ij op het grondgebied van die staat woonde[n]”; artikel 71, lid 1, sub b‑ii, bepaalt dat andere werklozen recht hebben op uitkering volgens de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij wonen. Uit de systematiek van verordening nr. 1408/71 en ’s Hofs rechtspraak blijkt duidelijk dat de term „bevoegde staat” moet worden gedefinieerd overeenkomstig de algemene regels die in artikel 13 van verordening nr. 1408/71 zijn vervat.(11) Gelet op het feit dat het tot de invoeging van artikel 13, lid 2, sub f, bij verordening nr. 2195/91(12) vaste rechtspraak was dat op een werkloze die een uitkering aanvroeg (krachtens artikel 13, lid 2, sub a) de wettelijke regeling van toepassing was van de lidstaat was waar hij laatstelijk werkzaam was(13), is het niet verbazingwekkend dat het Hof bij de uitlegging van deze bepalingen heeft aangenomen dat die lidstaat in beginsel de lidstaat is die voor werkloosheidsuitkeringen bevoegd is.(14) Indien artikel 13, lid 2, sub f, tot gevolg had, dat de wettelijke regeling die op een werkloze van toepassing is die in een andere lidstaat zijn woonplaats heeft dan waar hij laatstelijk in loondienst werkzaam was, zou artikel 71, lid 1, sub b‑i, inhoudsloos en artikel 71, lid 1, sub b‑ii, overbodig zijn. Het zou dus wellicht nuttig zijn, indien het Hof in de onderhavige zaak duidelijk maakte dat zijn uitlegging in het arrest Kuusijärvi van artikel 13, lid 2, sub f, niet van toepassing is op gevallen inzake werkloosheidsuitkering, die onder artikel 13, lid 2, sub a, blijven vallen of, naar analogie en in voorkomend geval, onder artikel 13, lid 2, sub b, tot en met e. In dat geval zou in de onderhavige zaak de op de aanvrager toepasselijke wetgeving krachtens artikel 13, lid 2, sub e, die van Spanje zijn.
31. Wat de overige vragen betreft, zal ik ervan uitgaan dat op grond van het arrest Kuusijärvi de toepasselijke wetgeving krachtens artikel 13, lid 2, sub f, die van Duitsland is. Voor het geval het Hof echter mocht oordelen in de zin zoals ik hierboven heb voorgesteld, zal ik, voorzover relevant, tevens kort ingaan op de vraag hoe de situatie zou zijn, indien de Spaanse wetgeving van toepassing was.
Artikel 71 van verordening nr. 1408/71
Relevante bepalingen
32. Artikel 1 van verordening nr. 1408/71 bevat onder meer de volgende definities:
„r) worden onder ‚tijdvakken van verzekering’ verstaan de tijdvakken van premie‑ of bijdragebetaling, van arbeid of van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, of geacht worden te zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voorzover zij als zodanig door deze wetgeving zijn erkend;
s) worden onder ‚tijdvakken van arbeid’ en ‚tijdvakken van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden’ verstaan de tijdvakken welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voorzover zij door deze wetgeving als gelijkwaardig met tijdvakken van arbeid of met tijdvakken van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden zijn erkend”.
33. Artikel 71 heeft als opschrift „Werklozen die tijdens het verrichten van hun laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat woonden”. De inleidende volzin van artikel 71, lid 1, luidt:
„De werkloze werknemer die tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat woonde, heeft recht op uitkering overeenkomstig de volgende bepalingen [...]”
34. Artikel 71, lid 1, sub a, betreft grensarbeiders en bepaalt in wezen dat een grensarbeider die gedeeltelijk of tijdelijk werkloos is in de onderneming waarin hij werkzaam is, recht heeft op uitkering van de staat waar hij werkt, alsof hij op het grondgebied van die staat woonde (artikel 71, lid 1, sub a‑i), terwijl de volledig werkloze grensarbeider recht heeft op uitkering volgens de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, alsof die wettelijke regeling tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op hem van toepassing was geweest (artikel 71, lid 1, sub a‑ii).
35. Artikel 71, lid 1, sub b, betreft andere werknemers die, voordat zij werkloos werden, woonden en werkten in verschillende lidstaten. Artikel 71, lid 1, sub b‑i, bepaalt dat dergelijke personen, die ter beschikking blijven voor werk in de staat waar zij laatstelijk werkzaam waren, recht hebben op uitkering, alsof zij in die staat woonden. Artikel 71, lid 1, sub b‑ii, bepaalt:
„[E]en werknemer die geen grensarbeider is, volledig werkloos is en zich ter beschikking stelt van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de lidstaat waarop hij woont of die naar dit grondgebied terugkeert, heeft recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van deze staat, alsof hij zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied daarvan had uitgeoefend [...]”
Kan militaire dienstplicht worden aangemerkt als „werkzaamheden” in de zin van artikel 71, lid 1?
36. Met zijn vragen 2a en 3c-ii heeft de verwijzende rechter om uitlegging verzocht van artikel 71, lid 1, en met name gevraagd of verzoekers militaire dienst kan worden aangemerkt als „laatste werkzaamheden” in de zin van de eerste volzin van deze bepaling, zodat artikel 71, lid 1, sub b‑ii, van toepassing is.
37. Het Hof heeft herhaaldelijk geoordeeld, dat artikel 71 moet waarborgen dat aan migrerende werknemers werkloosheidsuitkering wordt uitgekeerd onder voorwaarden die het gunstigst zijn voor het zoeken van nieuw werk. Hierbij wordt niet alleen gedacht aan uitkeringen in geld, doch ook aan ondersteuning bij het vinden van nieuw werk door diensten voor arbeidsbemiddeling.(15) De belangrijkste voorwaarde voor de toepassing in het algemeen van artikel 71 is dat betrokkene woont in een andere lidstaat dan die aan de wetgeving waarvan hij gedurende zijn laatste werkzaamheden was onderworpen.(16) Krachtens artikel 71, lid 1, sub b, hebben de in dit artikel bedoelde werkloze werknemers het recht te kiezen tussen de uitkeringen die door de bevoegde staat worden aangeboden – die normaliter krachtens artikel 13, lid 2, sub a, de staat is waar zij laatstelijk werkzaam waren(17) – en die van de lidstaat waar zij wonen. De werknemer – die zelf het best zijn vooruitzichten voor het vinden van nieuw werk kan beoordelen – oefent dit keuzerecht uit door zich ter beschikking te stellen van de diensten voor arbeidsbemiddeling van de staat waar hij laatstelijk werkzaam is geweest (artikel 71, lid 1, sub b‑i) of van de diensten voor arbeidsbemiddeling van de staat waar hij woont (artikel 71, lid 1, sub b‑ii).(18) In de onderhavige zaak heeft verzoeker voor de laatste optie gekozen.
38. Men zou, als mijn standpunt juist is en de Duitse wetgeving krachtens artikel 13, lid 2, sub f, van toepassing is, kunnen denken dat artikel 71, lid 1, niets wijzigt in de uitkomst van de onderhavige zaak, omdat de aanvrager hoe dan ook een uitkering moet ontvangen overeenkomstig de wetgeving van de staat waar hij woonde, toen hij die aanvraag deed.
39. Dit uitgangspunt miskent echter het verband tussen de artikelen 67 en 71. Vaststaat dat het orgaan dat met de betaling van werkloosheidsuitkering is belast, de vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid overeenkomstig artikel 67 dient samen te tellen, ongeacht of artikel 71 al dan niet van toepassing is, zoals we hierna zullen zien.(19) Het maakt dus in dit verband voor de uitkomst van de onderhavige zaak (in de veronderstelling dat de Duitse wetgeving geldt) geen verschil of artikel 71 van toepassing is. De in artikel 67, lid 3, gestelde voorwaarde dat de aanvrager „laatstelijk” een tijdvak van verzekering „heeft vervuld” krachtens (in casu) de Duitse wetgeving, geldt echter uitdrukkelijk niet „in de in artikel 71, lid 1, [...] sub b‑ii, bedoelde gevallen”. Het kan daarom voor de aanvrager van belang zijn aan te tonen, dat hij onder die bepaling valt.
40. Verzoeker en de Portugese regering zijn beiden van mening dat verzoekers tijdvak van militaire dienst moet worden aangemerkt als „werkzaamheden” in de zin van de eerste volzin van artikel 71, lid 1; de Duitse regering en de Commissie zijn de tegenovergestelde mening toegedaan.
41. Volgens mij is het weliswaar mogelijk de draagwijdte van het begrip „werkzaamheden” in artikel 71, lid 1, vast te stellen, doch is het in de omstandigheden van het onderhavige geval niet mogelijk een definitief antwoord op de gestelde vraag te geven. Dit komt omdat het antwoord uiteindelijk afhangt van de Spaanse wettelijke regeling en het Hof niet bevoegd is deze uit te leggen. Hoewel het begrip „werkzaamheden” op zich niet in verordening nr. 1408/71 wordt gedefinieerd, doen de systematiek en de doelstellingen van artikel 71, lid 1, zoals hierboven beschreven, vermoeden dat dit begrip, althans in de zin van deze bepaling, een specifieke betekenis heeft en enkel activiteiten omvat die verband houden met een tijdvak van arbeid in de zin van artikel 1, sub s, dat wil zeggen enkel tijdvakken die als tijdvakken van arbeid of als daarmee gelijkgestelde tijdvakken moeten worden beschouwd krachtens de wetgeving waaronder zij werden vervuld.
42. Ook het arrest Kuyken(20) biedt steun voor dit standpunt; daarin oordeelde het Hof dat artikel 71 geen toepassing kan vinden in geval van een werkloze die geen arbeid in loondienst of daarmee gelijkgestelde werkzaamheden heeft verricht en uit dien hoofde geen recht op werkloosheidsuitkering heeft verworven. Deze beschrijving komt weliswaar niet precies overeen met de omstandigheden van betrokkene in de onderhavige zaak, die in loondienst had gewerkt voordat hij zijn militaire dienst vervulde, maar zij biedt wél steun voor de stelling dat het begrip „laatste werkzaamheden” in de zin van artikel 71, lid 1, aldus moet worden uitgelegd dat het doelt op een activiteit gekoppeld aan een tijdvak van arbeid als bedoeld in artikel 1, sub s, en dus enkel tijdvakken die als tijdvakken van arbeid of daarmee gelijkgestelde tijdvakken worden erkend door de wetgeving waaronder zij zijn vervuld.
43. De nationale rechter verwijst als mogelijke steun voor de tegengestelde opvatting naar het arrest Grahame en Hollanders(21), volgens hetwelk tijdvakken van militaire dienstplicht „tijdvakken van arbeid in loondienst” of „daarmee gelijkgestelde tijdvakken” in de zin van bijlage VI, deel J, punt 4, sub a, en c, van verordening nr. 1408/71 vormen. Volgens deze bepalingen zou Nederland met dergelijke tijdvakken die in Nederland vóór 1 juli 1967 waren vervuld, rekening houden bij de toepassing van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71, dat betrekking heeft op de berekening van pensioenen.
44. In die zaak verwees het Hof evenwel uitdrukkelijk naar de definitie van „tijdvakken van arbeid” in artikel 1, sub s, van verordening nr. 1408/71 en merkte op, dat niet werd bestreden dat dat begrip overeenkwam met de begrippen in punt 4, sub a, en c. Het oordeelde dat uit hoofde van de wetgeving krachtens welke de tijdvakken waren vervuld, tijdvakken van militaire dienstplicht voor de sociale zekerheid werden gelijkgesteld met tijdvakken van arbeid.(22)
45. De Portugese regering stelt dat uit artikel 13, lid 2, sub e, derde volzin, voortvloeit dat artikel 71 van toepassing is, indien de laatste activiteit van de werkloze zijn militaire dienst was. Deze volzin luidt: „De werknemer of zelfstandige die voor militaire dienst of vervangende burgerdienst wordt opgeroepen of opnieuw wordt opgeroepen, behoudt de hoedanigheid van werknemer of zelfstandige”.
46. Deze stelling lijkt echter in tegenspraak met de opmerking van het Hof in het arrest Grahame en Hollanders(23) dat „uitsluitend met het oog op de vaststelling van de toe te passen socialezekerheidswetgeving [deze volzin] een ander, met de aard van de eerdere werkzaamheid verband houdend criterium bezigt, door namelijk te bepalen dat [een dergelijke persoon] de hoedanigheid van werknemer of zelfstandige behoudt”. Terwijl dus de eerste volzin van artikel 13, lid 2, sub e, de lidstaat waarvan de wetgeving van toepassing is bepaalt, stelt de derde volzin ervan vast of de wetgeving inzake werknemers dan wel die met betrekking tot zelfstandigen geldt.
47. Ik blijf dan ook van mening dat „werkzaamheden” in de zin van de eerste volzin van artikel 71, lid 1, enkel de tijdvakken omvat die krachtens de wettelijke regeling waaronder zij werden vervuld, als tijdvakken van arbeid of daarmee gelijkgestelde tijdvakken worden aangemerkt. De procedure op grond waarvan de verwijzende rechter kan bepalen of verzoekers tijdvak van militaire dienst in Spanje door de Spaanse wettelijke regeling als zodanig wordt beschouwd, zal ik hierna, in de context van artikel 67, lid 1, behandelen.(24) Ik vestig er de aandacht op dat artikel 84 van verordening nr. 574/72(25), dat de wijze van toepassing van artikel 71 van verordening nr. 1408/71 regelt, bepaalt dat de in artikel 80 bedoelde verklaring, die ik in de punten 69 en 70 zal behandelen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 71, lid 1, sub b‑ii, van verordening nr. 1408/71 ook door een aanvrager van een werkloosheidsuitkering moet worden overgelegd.
48. Indien uit deze verklaring blijkt dat verzoekers tijdvak van militaire dienst in Spanje inderdaad „werkzaamheden” in de zin van artikel 71, lid 1, eerste volzin vormt, is deze bepaling van toepassing wanneer verzoeker gedurende dit tijdvak „op het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat woonde”.
49. Gedurende dit tijdvak was de wettelijke regeling van Spanje krachtens artikel 13, lid 2, sub e, de toe te passen wetgeving. Spanje is derhalve de bevoegde staat in de zin van artikel 71, lid 1.(26)
50. De nationale rechter heeft het Hof niet gevraagd of verzoeker tijdens de vervulling van zijn militaire dienst als woonachtig in Duitsland moest worden beschouwd, omdat hij er terecht van uitging dat het antwoord daarop afhing van de vraag of het gewone centrum van verzoekers belangen zich gedurende die tijd in Duitsland bevond.(27)
51. Ik leid derhalve hieruit af dat verzoekers militaire dienst enkel als „werkzaamheden” in de zin van artikel 71, lid 1, kan worden beschouwd, indien deze als zodanig door de Spaanse wettelijke regeling wordt omschreven of aangemerkt, of door deze regeling wordt gelijkgesteld met en erkend als gelijkwaardig met een tijdvak van arbeid in de zin van artikel 1, sub s, van verordening nr. 1408/71.
52. Ik zal ten slotte kort ingaan op de vraag hoe de situatie zou zijn, indien op verzoekers aanvraag om een werkloosheidsuitkering de Spaanse wettelijke regeling krachtens artikel 13, lid 2, sub e, van toepassing was in plaats van de Duitse krachtens artikel 13, lid 2, sub f. Ervan uitgaande dat zijn tijdvak van militaire dienstplicht zijn „laatste werkzaamheden” in de zin van artikel 71, lid 1, sub b‑ii, vormde en hij in die periode in Duitsland woonde in de zin van deze bepaling, zou hij in dat geval nog steeds krachtens diezelfde bepaling de keuze hebben tussen het aanvragen van een uitkering in Duitsland dan wel in Spanje. Indien echter zijn militaire dienstplicht geen „laatste werkzaamheden” in de zin van artikel 71, lid 1, vormde, zou dit artikel in geen geval van toepassing zijn, aangezien hij zijn laatste werkzaamheden dan in Duitsland, waar hij ook woonde, zou hebben uitgeoefend.
Artikel 67 van verordening nr. 1408/71
Relevante bepalingen
53. De uitdrukking „werknemer” wordt in artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 in wezen gedefinieerd als ieder die verplicht of vrijwillig verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen, behorende tot de takken van een stelsel van sociale zekerheid dat op werknemers van toepassing is of waarop verordening nr. 1408/71 van toepassing is.
54. Artikel 67, met als opschrift „Samentellen van tijdvakken van verzekering of van arbeid”, luidt voorzover relevant:
„1. Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt, voorzover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere lidstaat als werknemer vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid alsof het tijdvakken van verzekering waren welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld mits evenwel de tijd[...]vakken van arbeid als tijdvakken van verzekering zouden zijn beschouwd indien zij krachtens bedoeld[e] wettelijke regeling waren vervuld.
[...]
3. Met uitzondering van de in artikel 71, lid 1, sub a‑ii, en sub b‑ii, bedoelde [g]evallen, wordt toepassing van de leden 1 en 2 afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene laatstelijk:
– in het geval van lid 1, tijdvakken van verzekering;
– in het geval van lid 2, tijdvakken van arbeid,
heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd.”
Wisselwerking met artikel 71, lid 1
55. Met de vragen 2 b en 3 c-ii, wenst de nationale rechter, ervan uitgaande dat verzoeker valt onder artikel 71, lid 1, sub b‑ii, te vernemen of de samentellingsregels van artikel 67 in dat geval van toepassing zijn dan wel de eerste volzin van artikel 71, lid 1, sub b‑ii.
56. Zoals de Portugese regering terecht stelt, houdt artikel 67, lid 1, niet op van toepassing te zijn enkel omdat artikel 71, lid 1, sub b‑ii, van toepassing is. Zulks blijkt mijns inziens duidelijk uit de systematiek en de bewoordingen van deze bepalingen.
57. Ten eerste staan de artikelen 67 en 71 in titel III van verordening nr. 1408/71, met als opschrift „Bijzondere bepalingen met betrekking tot de verschillende soorten prestaties”. Titel III, hoofdstuk 6, betreft werkloosheidsuitkeringen. Artikel 67 staat in afdeling 1, „Gemeenschappelijke bepalingen”. Afdeling 2 van dat hoofdstuk draagt het opschrift „Werklozen die zich naar het grondgebied van een andere dan de bevoegde lidstaat begeven”. Zij omvat artikel 69, „Voorwaarden en beperkingen voor de handhaving van het recht op uitkering” en artikel 70 „Verlening van uitkering en vergoedingen”. Afdeling 3, de laatste afdeling van hoofdstuk 6, bestaat enkel uit artikel 71. Uit deze structuur blijkt duidelijk dat artikel 67 een bepaling is die alle afdelingen van hoofdstuk 6 gemeen hebben en die derhalve prima facie samen met artikel 71 van toepassing is.
58. Ten tweede wordt deze uitlegging door de bewoordingen van artikel 67 ondersteund. Artikel 67, lid 3, bepaalt dat toepassing van artikel 67, leden 1 en 2, afhankelijk is van de voorwaarde dat de betrokkene laatstelijk tijdvakken van verzekering of van arbeid heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd.(28) Deze voorwaarde is echter niet van toepassing op „de in artikel 71, lid 1, sub a‑ii, en sub b‑ii, bedoelde gevallen”. Die uitzondering zou overbodig zijn wanneer artikel 71, lid 1, niet samen met artikel 67 van toepassing was.
59. Ten derde is artikel 67, lid 1, van toepassing op lidstaten waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering.(29) Het bevoegde orgaan van een dergelijke lidstaat dient, voorzover nodig, rekening te houden met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere lidstaat als werknemer vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid alsof het tijdvakken van verzekering waren die krachtens de eigen wettelijke regeling waren vervuld. Deze zogenoemde samentelling is een van de twee voornaamste peilers (de andere is de betaling van uitkeringen aan personen die waar dan ook in de Europese Unie wonen) van verordening nr. 1408/71 en ook van artikel 42 EG, waarop deze verordening is gebaseerd. Artikel 71, lid 1, regelt, zoals hierboven besproken(30), enkel de keuzemogelijkheid van migrerende werknemers die gedurende hun laatste werkzaamheden in een andere dan de bevoegde lidstaat woonden, om zich als werkloze aan te melden en dus een werkloosheidsuitkering aan te vragen in hetzij de lidstaat waar zij wonen, hetzij de staat waar zij hun laatste werkzaamheden hebben uitgeoefend. Het regelt niet de berekening van deze uitkering. Indien artikel 67 niet van toepassing was bij de aanvraag om een werkloosheidsuitkering krachtens artikel 71, lid 1, zou samentelling niet nodig zijn, hetgeen in strijd zou zijn met de systematiek van verordening nr. 1408/71 en ook met het Verdrag.
60. Ten slotte is de door mij voorgestelde uitlegging uitdrukkelijk bekrachtigd door het Hof, dat in de zaak Warmerdam-Steggerda(31) oordeelde dat „artikel 71, lid 1, sub b‑ii, van verordening nr. 1408/71, [...] ingeval aan de voorwaarden voor zijn toepassing is voldaan, geen invloed [heeft] op de samentellingsregels [van artikel 67, lid 1], die de voorwaarden bepalen waaronder rekening moet worden gehouden met tijdvakken die een migrerend werknemer heeft vervuld in andere lidstaten dan die van het bevoegde orgaan dat over de toekenning van de uitkering heeft te beslissen”.
61. Ik kom derhalve tot de conclusie dat de samentellingsregels van artikel 67 van toepassing zijn, indien de aanvrager valt onder artikel 71, lid 1, sub b‑ii, mits natuurlijk de omstandigheden waarin hij verkeert, voldoen aan de voorwaarden van artikel 67, lid 1, dat ik nu zal behandelen.
Artikel 67, lid 1
62. Met de vragen 2c en 3b wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verzoekers militaire dienst moet worden beschouwd als een „tijdvak van arbeid dat als werknemer [...] is vervuld” in de zin van artikel 67, lid 1.
63. Artikel 67, lid 1, vereist dat lidstaten waarop deze bepaling van toepassing is, krachtens de wettelijke regeling van elke andere lidstaat „als werknemer vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid” „samentellen”, alsof het tijdvakken van verzekering waren die krachtens de eigen wettelijke regeling waren vervuld.
64. Uit artikel 1, sub r, en sub s, van verordening nr. 1408/71(32) vloeit voort, dat de vraag of een bepaald tijdvak van activiteiten een „tijdvak van verzekering” dan wel een „tijdvak van arbeid” in de zin van verordening nr. 1408/71 vormt, moet worden beantwoord aan de hand van de kwalificatie van dit tijdvak door de wetgeving waaronder het is vervuld.
65. Bovendien moet het tijdvak van verzekering of van arbeid, teneinde overeenkomstig artikel 67, lid 1, te kunnen worden samengeteld, „als werknemer zijn vervuld”, dus in de hoedanigheid van een persoon die onder een stelsel van sociale zekerheid in de zin van artikel 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 valt.
66. Algemeen lijkt te worden aangenomen, dat verzoekers militaire dienst door de wetgeving waaronder deze werd vervuld – in casu de Spaanse – niet als een tijdvak van verzekering of een daarmee gelijk te stellen tijdvak wordt beschouwd. De vraag van de nationale rechter houdt dan ook enkel in of deze militaire dienst een „als werknemer vervuld [...] tijdvak [...] van arbeid” in de zin van artikel 67, lid 1 is. Zo ja, dan moet verweerder als bevoegd orgaan met het tijdvak van militaire dienst rekening houden teneinde te bepalen of verzoeker de wachttijd heeft vervuld die de Duitse wet vereist om voor een werkloosheidsuitkering in aanmerking te komen, mits verzoeker tevens voldoet aan de voorwaarde van artikel 67, lid 3, (die hierna zal worden behandeld(33)), voorzover dit toepassing is, en mits (zoals uit § 107 van het AFG lijkt voort te vloeien) de militaire dienst als een tijdvak van verzekering zou zijn aangemerkt indien deze krachtens de Duitse wetgeving was vervuld.
67. De Portugese regering stelt dat verweerder met verzoekers militaire dienst rekening moet houden. Zij haalt het arrest Warmerdam-Steggerda(34) aan voor de stelling dat het bevoegde orgaan waarop artikel 67 van toepassing is, niet moet nagaan of de militaire dienst een tijdvak van verzekering of van arbeid was volgens de wet van de staat waaronder hij werd vervuld, maar of hij een tijdvak van verzekering zou zijn, indien hij in de staat van het bevoegde orgaan, namelijk Duitsland, was vervuld. Het antwoord op die vraag is bevestigend.
68. Ik aanvaard deze uitlegging niet. Het komt mij voor dat de Portugese regering enkel oog heeft voor het bepaalde in artikel 67, lid 1, in fine. Volgens deze slotbepaling mogen tijdvakken van arbeid(35) krachtens artikel 67, lid 1, niet worden samengeteld, tenzij zij als tijdvakken van verzekering zouden zijn beschouwd indien zij krachtens de door het bevoegde orgaan toegepaste wetgeving waren vervuld. Dit is echter louter een bijkomend vereiste; daarnaast moet ook worden voldaan aan de uit de definitie van artikel 1, sub s, voortvloeiende voorwaarde dat het tijdvak van arbeid als zodanig is aangemerkt door de wetgeving van de lidstaat waar het is vervuld.
69. De Duitse regering en de Commissie stellen dat volgens de Spaanse wetgeving militaire dienst niet als een tijdvak van arbeid wordt beschouwd; militaire dienst gaat niet gepaard met verplichte sociale verzekering en schept geen recht op sociale verzekering. Hoewel het Hof natuurlijk niet kan oordelen over de gevolgen van de nationale socialezekerheidswetgeving van een lidstaat, blijkt uit de verwijzingsbeschikking in de onderhavige zaak dat het Spaanse orgaan voor de sociale zekerheid een verklaring uit hoofde van artikel 80 van verordening nr. 574/72(36) heeft opgesteld waarin staat dat verzoeker enkel een tijdvak van verzekering en van arbeid van 1 december 1991 tot en met 4 december 1992 had vervuld. De verklaring werd in januari 1997 afgegeven. Dit pleit voor de juistheid van de stelling dat volgens de Spaanse wetgeving militaire dienst niet als een tijdvak van arbeid wordt beschouwd.
70. De verklaring van het Spaanse orgaan is echter om twee redenen niet doorslaggevend. Ten eerste omdat de kwalificatie van verzoekers tijdvak van militaire dienst niet noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de omstandigheid dat dit tijdvak niet is vermeld, en ten tweede omdat het Hof heeft geoordeeld dat dergelijke verklaringen die door het bevoegde orgaan van een lidstaat overeenkomstig verordening nr. 574/72 zijn afgegeven, noch jegens het inzake werkloosheid bevoegd orgaan van een andere lidstaat, noch jegens de rechterlijke instanties van die lidstaat een onweerlegbaar bewijs vormen.(37) Dit orgaan en, in het kader van een gerechtelijke procedure, ook de nationale rechter hebben de volledige vrijheid om de inhoud van deze verklaring te verifiëren(38); daar komt nog bij, zoals de Commissie stelt, dat het aan het Spaanse orgaan staat om, indien verweerder in casu de juistheid van de feiten waarop de verklaring is gebaseerd en dus van de inhoud daarvan betwijfelt, de juistheid van de afgifte van de verklaring opnieuw te onderzoeken en haar zo nodig in te trekken.(39)
71. Artikel 80 van verordening nr. 574/72 schrijft bovendien voor, dat de verklaring de „tijdvakken van verzekering of van arbeid [die laatstelijk] als werknemer [zijn vervuld]” vermeldt met het oog op artikel 67, lid 1. Indien het Spaanse orgaan mocht verklaren dat verzoekers tijdvak van militaire dienst een „tijdvak van arbeid” vormde, dient het ook te specificeren of verzoeker dit tijdvak „als werknemer” heeft vervuld.
72. Op grond van bovenstaande overwegingen kom ik tot de conclusie dat verzoekers militaire dienst enkel als een „als werknemer vervuld tijdvak [...] van arbeid” in de zin van artikel 67, lid 1, dient te worden beschouwd, indien (i) deze militaire dienst door de wettelijke regeling van Spanje als zodanig wordt omschreven of aangemerkt, of door die wettelijke regeling wordt gelijkgesteld met en erkend als gelijkwaardig met een tijdvak van arbeid in de zin van artikel 1, sub s, van verordening nr. 1408/71, en (ii) indien verzoeker tijdens het vervullen van zijn dienstplicht verzekerd was in de zin van artikel 1, sub a, van deze verordening.
Artikel 67, lid 3
73. Vraag 3a van de nationale rechter komt er in wezen op neer, hoe recent een tijdvak van verzekering moet zijn vervuld teneinde „laatstelijk [...] vervuld” te zijn in de zin van artikel 67, lid 3.
74. Artikel 67, lid 3, bepaalt dat, met uitzondering van de in artikel 71, lid 1, sub a‑ii en sub b‑ii, bedoelde gevallen, toepassing van het vereiste van samentelling van artikel 67, lid 1, afhankelijk is van de voorwaarde dat de betrokkene „laatstelijk [...] tijdvakken van verzekering [...] heeft vervuld” krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd.
75. Het zal duidelijk zijn dat artikel 67, lid 3, niet van toepassing kon zijn in de gevallen bedoeld in artikel 71, lid 1, sub a‑ii en sub b‑ii, aangezien in deze gevallen per definitie een werkloosheidsuitkering zal worden aangevraagd in een andere lidstaat dan die waar de aanvrager zijn laatste werkzaamheden heeft verricht(40); hij zal dan ook niet „laatstelijk” tijdvakken van verzekering „hebben vervuld” overeenkomstig de wettelijke regeling op grond waarvan de uitkering wordt aangevraagd.
76. Met vraag 3a wil de nationale rechter weten of een persoon die meer dan een jaar geleden zijn laatste tijdvak van verzekering heeft beëindigd en die daarna zijn negen maanden durende militaire dienstplicht in Spanje heeft vervuld, „laatstelijk” tijdvakken van verzekering krachtens de Duitse wettelijke regeling heeft vervuld in de zin van voornoemde bepaling. De Duitse regering en de Commissie stellen beide dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Ik ben het daarmee eens.
77. Zoals blijkt uit de formulering van deze vraag, eindigde verzoekers laatste tijdvak van verzekering meer dan een jaar voordat hij een werkloosheidsuitkering aanvroeg. De in artikel 67, lid 3, gestelde voorwaarde zou dus tot gevolg hebben dat artikel 67, lid 1, niet van toepassing zou zijn, indien ofwel de verstreken tijd, ofwel de vervulling van de Spaanse militaire dienst betekende dat dit tijdvak van verzekering niet „laatstelijk” vóór de aanvraag van de uitkering was „vervuld”.
78. Het Hof heeft geoordeeld dat de voorwaarde in artikel 67, lid 3, bedoeld is om werklozen aan te moedigen werk te zoeken in de lidstaat waar zij laatstelijk werkzaam waren, en om die staat de lasten van de werkloosheidsuitkering te laten dragen.(41) Tegelijkertijd wil men, nu er geen gemeenschappelijke arbeidsmarkt is, de uitvoer van werkloosheid voorkomen door werklozen te stimuleren om allereerst werk te zoeken in de staat waar zij het laatst hebben gewerkt.(42)
79. Het strookt met dit doel dat de lidstaat van de laatste werkzaamheden aansprakelijk blijft voor de betaling van de werkloosheidsuitkering aan een persoon wiens meest recente tijdvak van verzekering in die staat werd vervuld, ondanks het feit dat er tijd verstreken is tussen de vervulling van dit tijdvak van verzekering en de aanvraag van werkloosheidsuitkering, mits er in de tussenliggende periode geen ander tijdvak van verzekering in een andere lidstaat is vervuld.
80. Weliswaar wordt in de Duitse versie voor „laatstelijk” in artikel 67, lid 3, de uitdrukking „unmittelbar zuvor” gehanteerd, wat letterlijk „onmiddellijk daarvóór” betekent, doch de in verschillende andere talen gebruikte uitdrukkingen komen op hetzelfde neer als het Engelse „lastly” en het Franse „en dernier lieu”, die – wat meer voor de hand ligt – benadrukken dat het desbetreffende tijdvak het laatste tijdvak van dien aard was vóór een bepaalde datum en niet noodzakelijkerwijs het tijdvak onmiddellijk voorafgaand aan deze datum.(43)
81. Ten aanzien van verzoekers tussenliggende tijdvak van Spaanse militaire dienst betekent dit volgens mij, dat zijn voorafgaande tijdvak van verzekering in Duitsland enkel als „laatstelijk vervuld” in de zin van artikel 67, lid 3, kan worden aangemerkt, indien het tijdvak van militaire dienst zelf „een tijdvak van verzekering” is in de zin van verordening nr. 1408/71, zoals in artikel 1, sub r, is gedefinieerd. Zoals hiervoor vermeld(44), lijken alle deelnemers aan de procedure te aanvaarden dat dit niet het geval is.
82. Ik ben derhalve van mening dat wanneer een persoon een tijdvak van verzekering overeenkomstig de wettelijke regeling van een lidstaat vervult en vervolgens een werkloosheidsuitkering in deze lidstaat aanvraagt, dit tijdvak van verzekering „laatstelijk is vervuld” in de zin van artikel 67, lid 3, zelfs indien het niet onmiddellijk is voorafgegaan aan de uitkeringsaanvraag, mits in de tussenliggende periode geen ander tijdvak van verzekering is vervuld.(45)
Samenvatting van de conclusies met betrekking tot de eerste drie vragen
83. Wellicht is het thans dienstig mijn conclusies met betrekking tot de toepassing van de artikelen 13, lid 2, 67 en 71 op verzoekers zaak samen te vatten.
84. Wordt de lijn van het arrest Kuusijärvi(46) doorgetrokken, dan is krachtens artikel 13, lid 2, sub f, de wetgeving van Duitsland van toepassing en geldt het volgende.
a) Indien militaire dienst „werkzaamheden” vormt in de zin van artikel 71, lid 1, (hetgeen krachtens artikel 1, sub s, afhangt van de kwalificatie ervan door de Spaanse wetgeving en moet worden bevestigd door een verklaring overeenkomstig artikel 80 van verordening nr. 574/72) en verzoeker gedurende zijn militaire dienst in Duitsland woonde in de zin van artikel 71, lid 1, zoals dit door het Hof wordt uitgelegd, valt verzoeker onder artikel 71, lid 1, sub b‑ii, waardoor hij, hoewel hij zijn laatste werkzaamheden in een andere lidstaat heeft verricht, het recht heeft een werkloosheidsuitkering in Duitsland aan te vragen.(47)
b) Indien verzoeker valt onder artikel 71, lid 1, sub b‑ii, is het Duitse uitkeringsorgaan verplicht om met het tijdvak van militaire dienst rekening te houden teneinde te bepalen of verzoeker recht heeft op een werkloosheidsuitkering, indien
i) dit tijdvak een „tijdvak [...] van arbeid vervuld als werknemer” in de zin van artikel 1, sub a, en sub s, is, hetgeen een bijkomend vereiste toevoegt aan de voorwaarde die hij reeds heeft vervuld om onder artikel 71, lid 1, te vallen; ook dit wordt door de Spaanse wetgeving beheerst en vergt een verklaring overeenkomstig artikel 80; en
ii) dit tijdvak als een tijdvak van verzekering zou zijn beschouwd indien het krachtens de Duitse wetgeving was vervuld, zoals artikel 67, lid 1, voorschrijft.
c) Indien verzoeker niet valt onder artikel 71, lid 1, sub b‑ii, kan hij toch een werkloosheidsuitkering in Duitsland aanvragen (omdat de Duitse wetgeving van toepassing is krachtens artikel 13, lid 2, sub f) en is het Duitse uitkeringsorgaan verplicht om met het tijdvak van militaire dienst rekening te houden teneinde te bepalen of verzoeker recht heeft op een werkloosheidsuitkering, mits
(i) aan de hiervoor onder (b) genoemde voorwaarden is voldaan en
(ii) hij „laatstelijk” tijdvakken van verzekering overeenkomstig de Duitse wetgeving „heeft vervuld”, zoals artikel 67, lid 3, voorschrijft.
85. Indien de toe te passen wetgeving krachtens artikel 13, lid 2, sub e, naar analogie met de vóór de invoering van artikel 13, lid 2, sub f, geldende rechtspraak met betrekking tot artikel 13, lid 2, sub a, de wetgeving van Spanje is, blijven mijn conclusies onder (a) en (b) van het voorgaande punt ongewijzigd van kracht. Indien verzoeker echter niet valt onder artikel 71, lid 1, sub b‑ii, kan hij geen werkloosheidsuitkering in Duitsland aanvragen, maar zou hij dat wel in Spanje hebben kunnen doen (dat ingevolge artikel 67, lid 1, in beginsel verplicht zou zijn geweest verzoekers vorige tijdvakken van verzekering en/of arbeid in Duitsland samen te tellen, mits hij „laatstelijk” tijdvakken van verzekering overeenkomstig de Spaanse wetgeving „heeft vervuld”).
Het beginsel van gelijke behandeling
86. Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bepaalt:
„Personen die op het grondgebied van één der lidstaten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening.”
87. Met zijn vierde vraag wil de verwijzende rechter weten of verzoeker, indien met zijn tijdvak van militaire dienst krachtens de bepalingen van verordening nr. 1408/71 inzake werkloosheidsuitkering (met name de artikelen 67 en 71) geen rekening kan worden gehouden, een dergelijk recht kan ontlenen aan artikel 3 of enige andere algemene bepaling van gemeenschapsrecht.
88. Verzoeker en de Portugese regering stellen dat verzoeker een dergelijk recht aan artikel 3, lid 1, kan ontlenen; de Duitse regering en de Commissie zijn het met deze stelling niet eens.
89. De Portugese regering baseert haar standpunt op ’s Hofs arrest in de zaak Mora Romero.(48)
90. In die zaak oordeelde het Hof dat artikel 3, lid 1, aldus moet worden uitgelegd dat „wanneer de wetgeving van een lidstaat voorziet in verlenging van de uitkeringsduur van wezenrenten voor wezen die ouder zijn dan 25 jaar, indien hun opleiding wegens vervulling van de dienstplicht is onderbroken, deze staat de in een andere lidstaat vervulde dienstplicht moet gelijkstellen met de krachtens zijn eigen wetgeving vervulde dienstplicht”.(49)
91. Dit oordeel kan naar mijn mening niet worden getransponeerd naar de onderhavige zaak. Het arrest Mora Romero had betrekking op het recht op wezenrente. In die zaak ontving de verzoeker, van Spaanse nationaliteit, een dergelijke rente krachtens een Duitse wettelijke regeling, die hierin voorzag tot de leeftijd van 25 jaar, te verlengen met het tijdvak dat gelijk is aan de periode van militaire dienst. De verzoeker voltooide een tijdvak van militaire dienst in Spanje, voordat hij 25 werd. Het bevoegde Duitse orgaan hield op de wezenrente te betalen toen hij 25 werd en weigerde verlenging met een tijdvak gelijk aan het tijdvak dat hij in militaire dienst had vervuld.
92. Hoewel zowel de aanvrager als de uitkering duidelijk onder verordening nr. 1408/71 viel, verschilde de feitelijke situatie in die zaak van de onderhavige. In de zaak Mora Romero was er geen specifieke bepaling van verordening nr. 1408/71 die het onderwerp regelde. Met name diende volgens de enige bepaling van verordening nr. 1408/71 betreffende samentelling met betrekking tot wezenrente (artikel 79) bij de vaststelling van het recht op een dergelijke uitkering enkel rekening te worden gehouden met de door de overleden ouder in een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, van arbeid, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen.
93. Bij gebreke van enige bepaling in verordening nr. 1408/71 die de duidelijk nadelige situatie regelt waarin de aanvrager in vergelijking met een persoon van Duitse nationaliteit in dezelfde omstandigheden verkeerde, lag het voor de hand dat het Hof het beginsel van gelijke behandeling van artikel 3, lid 1, toepaste.
94. Deze bepaling geldt echter „behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening”. In de onderhavige zaak, anders dan in de zaak Mora Romero, bevat verordening nr. 1408/71 bijzondere bepalingen, namelijk de artikelen 67 en 71, die het recht op werkloosheidsuitkering van een werkloze regelen die tijdvakken van verzekering of van arbeid heeft vervuld volgens de wettelijke regeling van een andere lidstaat. Zoals de Duitse regering en de Commissie stellen, verdringen deze bijzondere bepalingen het algemene, in artikel 3, lid 1, neergelegde beginsel van gelijke behandeling.
95. Zou dit anders zijn, dan zouden de gedetailleerde regels van artikel 67, lid 1, worden herschreven en zou met name daartoe de definitie van „tijdvak van arbeid” worden gewijzigd.
96. Men zou kunnen aanvoeren dat, indien verzoeker overeenkomstig artikel 67, lid 1, geen recht op samentelling heeft, dit aantoont dat in de algemene opzet van verordening nr. 1408/71 sprake is van een leemte, die door een beroep op artikel 3, lid 1, moet worden opgevuld.
97. Ik ben het hiermee niet eens. Indien verzoeker niet onder artikel 67, lid 1, valt, komt dat doordat zijn tijdvak van militaire dienst geen tijdvak van verzekering of van arbeid vormt dat hij als werknemer in de zin van deze bepaling heeft vervuld. Indien dat het geval is, komt dat doordat de Spaanse wettelijke regeling militaire dienst niet als zodanig erkent. Het is volledig in overeenstemming met de algemene opzet en de doelstellingen van verordening nr. 1408/71, dat een tijdvak van militaire dienst dat niet als een tijdvak van verzekering of van arbeid of een daarmee gelijkgesteld tijdvak wordt beschouwd krachtens de wettelijke regeling waaronder het werd vervuld, niet wordt samengeteld teneinde te bepalen of recht op werkloosheidsuitkering bestaat.
98. De conclusie zou mijns inziens dezelfde zijn, indien een beroep werd gedaan op andere algemene beginselen van gelijke behandeling, zoals bijvoorbeeld dat van artikel 39, lid 2, EG, dat in de verwijzingsbeschikking wordt genoemd.
Conclusie
99. Het antwoord op de vraag of de wettelijke regeling die van toepassing is op degene die werknemer in lidstaat A is geweest en een tijdvak van militaire dienstplicht in lidstaat B vervult voordat hij terugkeert naar lidstaat A waar hij een werkloosheidsuitkering aanvraagt, die van lidstaat A dan wel die van lidstaat B is, hangt ervan af of de uitlegging van artikel 13, lid 2, sub f, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, die het Hof in het arrest van 11 juni 1998, Kuusijärvi (C‑275/96, Jurispr. blz. I-3419) heeft gegeven, van toepassing is op aanvragers van een werkloosheidsuitkering. Indien de uitlegging in het arrest Kuusijärvi van toepassing is, is een dergelijke persoon ingevolge artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 onderworpen aan de wettelijke regeling van lidstaat A als de staat waar hij woont. Indien de uitlegging in het arrest Kuusijärvi niet van toepassing is, is een dergelijke persoon ingevolge artikel 13, lid 2, sub e, van verordening nr. 1408/71 onderworpen aan de wettelijke regeling van lidstaat B als de staat aan de wettelijke regeling waarvan hij tijdens het tijdvak van zijn militaire dienst was onderworpen.
100. De overige vragen van het Bundessozialgericht dienen te worden beantwoord als volgt:
„1) Een tijdvak van militaire dienstplicht dient enkel als ‚werkzaamheden’ in de zin van artikel 71, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1408/71 te worden beschouwd, indien het als zodanig is omschreven of aangemerkt door de wettelijke regeling waaronder het is vervuld, of door die wettelijke regeling wordt gelijkgesteld met en erkend als gelijkwaardig met een tijdvak van arbeid in de zin van artikel 1, sub s, van verordening nr. 1408/71.
2) Een tijdvak van militaire dienstplicht dient enkel als een ‚als werknemer vervuld tijdvak [...] van arbeid’ in de zin van artikel 67, lid 1, van verordening nr. 1408/71 te worden beschouwd, indien (i) het door de wettelijke regeling van Spanje als zodanig is omschreven of aangemerkt, of door die wettelijke regeling wordt gelijkgesteld met en erkend als gelijkwaardig met een tijdvak van arbeid in de zin van artikel 1, sub s, van verordening nr. 1408/71, en (ii) indien de aanvrager tijdens het vervullen van zijn dienstplicht verzekerd was in de zin van artikel 1, sub a, van deze verordening.
3) Artikel 67, lid 1, van verordening nr. 1408/71 is van toepassing op een aanvrager die onder artikel 71, lid 1, sub b‑ii, van deze verordening valt.
4) Wanneer een persoon een tijdvak van verzekering krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat vervult en vervolgens een werkloosheidsuitkering in die lidstaat aanvraagt, is dit tijdvak van verzekering ‚laatstelijk vervuld’ in de zin van artikel 67, lid 3, van verordening nr. 1408/71, zelfs indien het niet onmiddellijk is voorafgegaan aan de uitkeringsaanvraag, mits in de tussenliggende periode geen ander tijdvak van verzekering is vervuld.”
BIJLAGE
Prejudiciële vragen van het Bundessozialgericht
„1) Valt een persoon die meer dan twee maanden na afloop van zijn in Spanje vervulde dienstplicht een uitkering uit hoofde van de Duitse werkloosheidsverzekering aanvraagt,
a) ingevolge artikel 13, lid 2, sub e, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, onder de Spaanse wettelijke regeling, dan wel
b) ingevolge artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 onder de Duitse wettelijke regeling?
2) Indien vraag 1a bevestigend wordt beantwoord:
a) Vormt de in Spanje vervulde dienstplicht de ‚laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere [...] lidstaat’ in de zin van artikel 71, lid 1, van verordening nr. 1408/71?
b) Indien vraag 2a bevestigend wordt beantwoord:
Houdt artikel 71, lid 1, sub b‑ii, eerste volzin, van verordening nr. 1408/71 ook in dat de laatste op het grondgebied van een andere lidstaat verrichte werkzaamheid voor de werkloosheidsuitkeringen moet worden opgevat alsof zij in de woonstaat is verricht, zonder dat behoeft te worden nagegaan of de voorwaarden van artikel 67 van dezelfde verordening zijn vervuld?
c) Indien vraag 2b ontkennend wordt beantwoord:
Onder welke voorwaarden is een tijdvak waarin de dienstplicht wordt vervuld, dat naar nationaal (Spaans) recht geen tijdvak van verzekering in de werkloosheidsverzekering vormt noch daarmee kan worden gelijkgesteld, volgens artikel 67, lid 1, van verordening nr. 1408/71 een tijdvak van arbeid dat als werknemer krachtens de wettelijke regeling van een andere lidstaat is vervuld?
3) Indien vraag 1b bevestigend wordt beantwoord:
a) Heeft een persoon die meer dan een jaar geleden zijn laatste tijdvak van verzekering in Duitsland heeft beëindigd en die daarna zijn negen maanden durende dienstplicht in Spanje heeft vervuld, ‚laatstelijk’ tijdvakken van verzekering krachtens de Duitse wettelijke regeling vervuld in de zin van artikel 67, lid 3, van verordening nr. 1408/71?
b) Indien vraag 3a bevestigend wordt beantwoord:
Onder welke omstandigheden is een tijdvak waarin dienstplicht wordt vervuld, dat naar nationaal (Spaans) recht geen tijdvak van verzekering in de werkloosheidsverzekering vormt noch daarmee kan worden gelijkgesteld, volgens artikel 67, lid 1, van verordening nr. 1408/71 een tijdvak van arbeid dat als werknemer krachtens de wettelijke regeling van een andere lidstaat is vervuld? (Deze vraag komt overeen met vraag 2c.)
c) Indien artikel 67, lid 1, van verordening nr. 1408/71 niet op verzoeker van toepassing is (vraag 3a en 3b):
aa) Vormt de in Spanje vervulde dienstplicht de ‚laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere [...] lidstaat’ in de zin van artikel 71, lid 1, van verordening nr. 1408/71? (Deze vraag komt overeen met vraag 2a.)
bb) Indien vraag 3c‑i bevestigend wordt beantwoord:
Houdt artikel 71, lid 1, sub b‑ii, eerste volzin, van verordening nr. 1408/71 ook in dat de laatste op het grondgebied van een andere lidstaat verrichte werkzaamheid voor de werkloosheidsuitkeringen moet worden opgevat alsof zij in de woonstaat is verricht, zonder dat behoeft te worden nagegaan of de voorwaarden van artikel 67 van verordening nr. 1408/71 zijn vervuld? (Deze vraag komt overeen met vraag 2b.)
4) Voorzover het tijdvak van de Spaanse dienstplicht noch krachtens artikel 71, noch krachtens artikel 67 van verordening nr. 1408/71 in aanmerking moet worden genomen voor verzoekers aanspraak op uitkeringen uit hoofde van de Duitse werkloosheidsverzekering, heeft hij daarop dan een overeenkomstig recht op grond van het beginsel van gelijke behandeling van artikel 3 van verordening nr. 1408/71 of op grond van andere algemene bepalingen van gemeenschapsrecht?”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 74, blz. 1). De tekst van verordening nr. 1408/97, in de eind 1995 geldende versie, is te vinden in bijlage A, deel I, bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 tot wijziging en bijwerking van verordening nr. 1408/71 (PB L 28, blz. 1).
3 – Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71. De tekst van deze verordening zoals die eind 1995 gold, is te vinden in bijlage A, deel II, bij verordening (EG) nr. 118/97 (aangehaald in voetnoot 2).
4 – Verordening (EEG) nr. 2195/91 van de Raad van 25 juni 1991 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 en van verordening (EEG) nr. 574/72 (PB L 206, blz. 2).
5 – Zie onder meer arrest van 11 juni 1998, Kuusijärvi (C‑275/96, Jurispr. blz. I‑3419, punt 28).
6 – Aangehaald in voetnoot 5, punt 33.
7 – Punt 34 van het arrest.
8 – Zie punten 35 en 39‑50, met name punten 39 en 40.
9 – Punt 29 van het arrest.
10 – Voor een nadere analyse van artikel 67, zie punten 55-83 hierna.
11 – Zie onder meer arresten van 7 maart 1985, Cochet (145/84, Jurispr. blz. 801, punt 11) en 29 juni 1995, Van Gestel (C‑454/93, Jurispr. blz. I‑1707, punten 13 en 14).
12 – Aangehaald in voetnoot 4.
13 – Zie arresten van 12 januari 1983, Coppola (150/82, Jurispr. blz. 43) en 12 juni 1986, Ten Holder (302/84, Jurispr. blz. 1821).
14 – Zie onder meer arrest Cochet, aangehaald in voetnoot 11, punten 14 en 15; arresten van 13 maart 1997, Huijbrechts (C‑131/95, Jurispr. blz. I‑1409, punt 26), en, zeer recentelijk, van 6 november 2003, Commissie/Nederland (C‑311/01, Jurispr. blz. I-13103, punt 32).
15 – Zie onder meer arrest van 12 juni 1986, Miethe (1/85, Jurispr. blz. 1837, punt 16).
16 – Arrest van 17 februari 1977, Di Paolo (76/76, Jurispr. blz. 315, punt 11).
17 – Zie hierboven, punt 30.
18 – Zie onder meer arresten Miethe, aangehaald in voetnoot 15, punt 9, en Van Gestel, aangehaald in voetnoot 11, punt 23.
19 – Zie punten 56-61.
20 – Arrest van 1 december 1977 (66/77, Jurispr. blz. 2311, punt 19).
21 – Arrest van 13 november 1997 (C‑248/96, Jurispr. blz. I‑6407, punt 31).
22 – Punt 26.
23 – Aangehaald in voetnoot 21, punt 31.
24 – Zie punten 69 en 70.
25 – Aangehaald in voetnoot 3.
26 – Zie de in voetnoot 11 aangehaalde rechtspraak.
27 – Zie arrest Di Paolo, aangehaald in voetnoot 16, punten 17‑22; zie eveneens de conclusie van advocaat-generaal Mancini in de zaak Pinna (arrest van 15 januari 1986, 41/84, Jurispr. blz. 1, punt 9).
28 – Ik zal deze bepaling hieronder nader onderzoeken, zie punten 74‑82.
29 – Lidstaten waarvan de wettelijke regeling een dergelijk recht afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van arbeid, in tegenstelling tot tijdvakken van verzekering, vallen onder de parallelle bepalingen van artikel 67, lid 2.
30 – Zie punt 37.
31 – Arrest van 12 mei 1989 (388/87, Jurispr. blz. 1203, punt 18).
32 – Hierboven vermeld in punt 32.
33 – Zie punten 74-82.
34 – Aangehaald in voetnoot 31, punt 21.
35 – Deze bepaling is niet op tijdvakken van verzekering van toepassing. Zie arrest van 15 maart 1978, Frangiamore (126/77, Jurispr. blz. 725).
36 – Aangehaald in voetnoot 3; de relevante bepalingen van artikel 80 zijn in punt 4 hierboven samengevat.
37 – Arrest van 8 juli 1992, Knoch (C‑102/91, Jurispr. blz. I‑4341, punt 54).
38 – Arrest Knoch, aangehaald in voetnoot 37, punt 53.
39 – Arrest van 30 maart 2000, Banks e.a. (C‑178/97, Jurispr. blz. I‑2005, punt 43).
40 – Zie hierboven punten 33 en 37.
41 – Arrest van 8 april 1992, Gray (C‑62/91, Jurispr. blz. I‑2737, punt 12).
42 – Zie conclusie van advocaat-generaal Tesauro in de zaak Gray, aangehaald in voetnoot 41, punt 5.
43 – Onder meer, „senest” (Deens), „iimeksi” (Fins), „da ultimo” (Italiaans), „en ultimo lugar” (Spaans) and „senast” (Zweeds).
44 – Zie punt 66.
45 – Ik ben van mening dat mijn conclusie en de daaraan voorafgaande analyse niet door de beschikking van 4 maart 2002, Verwayen‑Boelen (C‑175/00, Jurispr. blz. I‑2141), worden aangetast. Deze beschikking lijkt ervan uit te gaan dat de periode die verzoekster van 1987 tot en met 1995 in Nederland heeft doorgebracht, waar zij een uitkering genoot, zonder tijdvakken van verzekering of van arbeid te hebben vervuld, uitsloot dat haar voorafgaande tijdvak van arbeid in België van 1977 tot en met 1986 bij haar aanvraag in 1997 om een werkloosheidsuitkering in België als „laatstelijk vervuld” in de zin van artikel 67, lid 3, wordt aangemerkt. Het Hof is hierop echter niet uitdrukkelijk ingegaan.
46 – Aangehaald in voetnoot 5.
47 – Over dit laatste punt is geen vraag gesteld.
48 – Arrest van 25 juni 1997 (C‑131/96, Jurispr. blz. I‑3659).
49 – Punt 36.
Full & Egal Universal Law Academy