CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. TIZZANO
van 18 november 2004 (1)
Zaak C‑377/02
NV Firma Léon Van Parys
tegen
Belgisch Interventie‑ en Restitutiebureau
[verzoek van de Raad van State (België) om een prejudiciële beslissing]
„Gemeenschappelijke marktordening voor bananen – Overeenkomst EEG-Andespact – WTO – GATT 1994 – Artikelen I en XIII – Rechtstreekse werking – Orgaan voor Geschillenbeslechting (DSB) – Aanbevelingen en uitspraken – Rechtsgevolgen – Zogenoemde uitzondering van bijzondere verplichting – Voorwaarden”
Inhoud
I – Toepasselijke bepalingen
A – Internationale overeenkomsten
B – Bepalingen van gemeenschapsrecht
II – Feiten en procedure
III – Juridische analyse
A – De eerste, de derde en de vierde prejudiciële vraag
1. Inleiding
2. De communautaire rechtspraak met betrekking tot de werking van de WTO-regels
a) Het arrest Portugal/Raad
b) Het arrest Nederland/Parlement en Raad
3. Het probleem van de gevolgen van de uitspraken van het DSB
a) Het DSU-stelsel
b) De zaak Biret. Inleiding
c) De conclusie van advocaat-generaal Alber
d) Het arrest van het Hof
e) Toepassing op de onderhavige zaak
4. De hypothese van het bestaan van „bijzondere situaties”. De „uitzondering van de bijzondere verplichting”
a) Inleiding
b) Precedenten
c) De beschikking OGT Fruchthandelsgesellschaft
d) Kritische opmerkingen
e) Slotbeschouwingen
B – De tweede prejudiciële vraag
IV – Conclusie
1. In de onderhavige zaak verzoekt de Raad van State van België het Hof zich opnieuw uit te spreken over de vraag of de communautaire regeling voor de invoer van bananen verenigbaar is met de verplichtingen die op de Gemeenschap rusten als lid van de Wereldhandelsorganisatie (hierna: „WTO”). Het bijzondere in deze zaak is dat de in geding zijnde gemeenschapsregeling, die is ingevoerd nadat het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO (hierna: „DSB”, afkorting van Dispute Settlement Body, de Engelse benaming van het orgaan) had vastgesteld dat de voorheen geldende regeling onverenigbaar was met de WTO-regels, door dit orgaan opnieuw onverenigbaar met deze regels is verklaard.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Internationale overeenkomsten
2. Het rechtsinstrument dat in de eerste plaats moet worden onderzocht voor deze zaak, is de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (hierna: „GATT”). Deze overeenkomst vormt bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, die namens de Gemeenschap, voor wat de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden betreft, is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994.(2)
3. Artikel I, lid 1, van de GATT voert de zogenoemde behandeling van meestbegunstigde natie in. Dit artikel bepaalt met name: „Ten aanzien van in‑ en uitvoerrechten en enigerlei heffingen ter zake van of in verband met in‑ of uitvoer [...] zal elk voordeel, elke gunst, elk voorrecht of elke vrijstelling welke een der verdragsluitende partijen verleent aan enig product van oorsprong uit of bestemd voor enig ander land, terstond en onvoorwaardelijk worden verleend aan het overeenkomstige product van oorsprong uit of bestemd voor het grondgebied van alle andere verdragsluitende partijen.”(3)
4. Artikel XIII, dat betrekking heeft op de niet-discriminatoire toepassing van kwantitatieve beperkingen, luidt als volgt:
„1. Geen verdragsluitende partij mag de invoer van enig product van oorsprong uit het grondgebied van een andere verdragsluitende partij [...] verbieden of beperken, tenzij de invoer van het overeenkomstige product van oorsprong uit ieder derde land [...] eveneens is verboden of beperkt.
2. Bij de toepassing van invoerbeperkingen op enig product streven de verdragsluitende partijen naar een verdeling van de handel in dit product welke zo veel mogelijk het aandeel nabijkomt dat de verschillende verdragsluitende partijen bij afwezigheid van zulke beperkingen naar alle waarschijnlijkheid hadden kunnen verkrijgen. Te dien einde nemen zij de volgende voorschriften in acht:
a) Waar zulks uitvoerbaar is, worden contingenten vastgesteld welke de totale toegestane importen (al dan niet onder de landen van levering verdeeld) vertegenwoordigen [...]
b) Waar het niet mogelijk is contingenten vast te stellen, kunnen de beperkingen worden opgelegd door middel van invoervergunningen of ‑consenten zonder contingentering.
c) Behalve ten behoeve van de administratie van contingenten toegewezen overeenkomstig het gestelde sub d van dit lid eisen de verdragsluitende partijen niet, dat invoervergunningen of ‑consenten worden gebruikt voor de invoer van het desbetreffende product uit een bepaald land of een bepaalde bron.
d) In de gevallen waarin een contingent onder de landen van levering is verdeeld, kan de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast, trachten ten aanzien van de toewijzing van aandelen in het contingent tot overeenstemming te komen met alle andere verdragsluitende partijen die een aanmerkelijk belang hebben bij de levering van het betrokken product. In gevallen waarin deze methode niet wel mogelijk is, wijst de verdragsluitende partij in kwestie aan de verdragsluitende partijen die een aanmerkelijk belang hebben bij de levering van het product aandelen toe, evenredig aan de totale hoeveelheid of waarde van de invoer van het product hetwelk deze verdragsluitende partijen gedurende een vorige basisperiode leverden, daarbij terdege rekening houdende met de eventuele bijzondere factoren die van invloed waren of zijn op de handel in dit product. [...]
5. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op elk tariefcontingent dat door enige verdragsluitende partij wordt ingesteld of gehandhaafd; [...]”(4)
5. Naast de GATT moet voor deze zaak eveneens melding worden gemaakt van de Raamovereenkomst inzake samenwerking tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Overeenkomst van Cartagena en de lidstaten daarvan(5), ondertekend te Kopenhagen op 23 april 1993 (hierna: „overeenkomst EEG-Andespact”), die namens de Gemeenschap werd goedgekeurd bij besluit 98/278/EG van de Raad van 7 april 1998.(6)
6. De bepaling die in deze zaak relevant is, staat in artikel 4 van de overeenkomst. Dit artikel luidt:
„De overeenkomstsluitende partijen kennen elkaar in hun handelsbetrekkingen de behandeling van meestbegunstigde natie toe overeenkomstig de bepalingen van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT).
Beide partijen bevestigen andermaal dat zij hun handelsverkeer overeenkomstig die overeenkomst zullen regelen.”
7. Verder is voor deze zaak ook het Memorandum van Overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen (hierna: „DSU”, afkorting van de Engelse benaming van het Memorandum, Dispute Settlement Understanding)(7) van belang. Die regeling wordt hieronder behandeld (zie infra, punten 46 e.v.).
B – Bepalingen van gemeenschapsrecht
8. Om te beginnen heeft de Gemeenschap bij verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen(8) een gemeenschappelijke regeling voor het handelsverkeer met derde landen ingevoerd die de diverse nationale regelingen vervangt. Deze regeling is na klachten van een aantal derde landen het voorwerp geweest van een procedure voor de beslechting van geschillen in het kader van de WTO. Bij uitspraak van 25 september 1997 heeft het DSB een rapport van de Beroepsinstantie van de WTO aangenomen, waarin de onverenigbaarheid van de regeling met de artikelen I, lid 1, en XIII van de GATT wordt vastgesteld.(9)
9. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de Raad op 20 juli 1998 verordening (EG) nr. 1637/98 tot wijziging van verordening nr. 404/93 vastgesteld.(10) Krachtens artikel 2 van deze verordening is de nieuwe regeling (hierna: „gewijzigde verordening nr. 404/93”) van toepassing met ingang van 1 januari 1999.
10. De gewijzigde verordening nr. 404/93 maakt evenals de voorgaande regeling voor de invoer nog steeds een onderscheid tussen drie categorieën van bananen. In het bijzonder wordt in artikel 16 daarvan bepaald:
„In deze titel wordt verstaan onder:
1. ‚traditionele invoer uit de ACS-staten’, de invoer in de Gemeenschap van bananen van oorsprong uit de in de bijlage genoemde leverende staten(11), tot maximaal 857 700 ton (nettogewicht) per jaar; de bij deze invoer betrokken hoeveelheden bananen worden hierna aangeduid als ‚traditionele ACS-bananen’;
2. ‚niet-traditionele invoer uit de ACS-staten’, de invoer in de Gemeenschap van bananen van oorsprong uit ACS-staten, die niet onder de in punt 1 vermelde definitie valt; de bij deze invoer betrokken hoeveelheden bananen worden hierna aangeduid als ‚niet-traditionele ACS-bananen’;
3. ‚invoer uit niet tot de ACS behorende derde staten’, de invoer in de Gemeenschap van bananen van oorsprong uit andere derde staten dan de ACS-staten; de bij deze invoer betrokken hoeveelheden bananen worden hierna aangeduid met ‚bananen uit derde staten’.”
11. Luidens artikel 17 van deze verordening moet „[v]oor elke invoer van bananen in de Gemeenschap [...] een invoervergunning worden overgelegd, die door de lidstaat wordt afgegeven aan iedere belanghebbende die daarom verzoekt [...], onverminderd de voor de toepassing van de artikelen 18 en 19 vastgestelde bijzondere bepalingen.”
12. Artikel 18, leden 1 tot en met 3, voorziet in de opening van een tariefcontingent van 2,2 miljoen ton nettogewicht, en daarnaast in de opening van een aanvullend tariefcontingent van 353 000 ton nettogewicht voor de invoer van bananen uit derde staten en niet-traditionele ACS-bananen. In het kader van deze contingenten wordt op de invoer van bananen uit derde staten een recht van 75 ECU per ton geheven en wordt op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht toegepast. Ook de invoer van traditionele ACS-bananen is van rechten vrijgesteld.
13. Voorts bepaalt lid 4 van dit artikel dat, indien het redelijkerwijs niet mogelijk is om met alle partijen bij de WTO die een wezenlijk belang hebben bij de levering van bananen, tot een akkoord te komen, de Commissie gemachtigd is de genoemde tariefcontingenten alsmede de traditionele ACS-hoeveelheid te verdelen over uitsluitend die leverende staten die een wezenlijk belang bij de levering van bananen aan de Gemeenschap hebben.
14. Volgens artikel 19 wordt voor het beheer van de invoer een methode toegepast „waarbij rekening wordt gehouden met de traditionele handelsstromen (de methode ‚traditioneel/nieuw’)”.
15. Op 28 oktober 1998 heeft de Commissie, die krachtens artikel 20 van de gewijzigde verordening nr. 404/93 belast is met de uitvoering van de nieuwe regeling, verordening (EG) nr. 2362/98 vastgesteld houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap.(12)
16. In overeenstemming met artikel 19 van de gewijzigde verordening nr. 404/93 verdeelt verordening nr. 2362/98 de invoerders in „traditionele marktdeelnemers” en „marktdeelnemers-nieuwkomers”, op basis van onder meer het criterium of zij in een referentieperiode al dan niet een bepaalde minimumhoeveelheid bananen in de Gemeenschap hebben ingevoerd.
17. Luidens in het bijzonder artikel 4 krijgt elke marktdeelnemer „voor elk jaar voor alle in bijlage I vermelde oorsprongsgebieden samen één enkele referentiehoeveelheid die wordt vastgesteld op basis van de hoeveelheden bananen die hij in de referentieperiode daadwerkelijk heeft ingevoerd”, en omvat deze referentieperiode „voor de in 1999 in het kader van de tariefcontingenten en van de traditionele ACS-bananen te verrichten invoer [...] de jaren 1994, 1995 en 1996”.
18. Artikel 5, lid 2, bepaalt voorts:
„Elke [traditionele] marktdeelnemer doet met het oog op de vaststelling van zijn referentiehoeveelheid jaarlijks vóór 1 juli aan de bevoegde autoriteit toekomen [...] een opgave van het totaal van de hoeveelheden bananen uit de in bijlage I vermelde oorsprongsgebieden die hij in elk van de jaren van de referentieperiode daadwerkelijk heeft ingevoerd.”
19. Wat de wijze van afgifte van de invoercertificaten betreft, bepaalt artikel 17:
„Indien voor een kwartaal voor een of meer van de in bijlage I vermelde oorsprongsgebieden de hoeveelheden waarvoor certificaataanvragen zijn ingediend, aanzienlijk groter zijn dan de overeenkomstig artikel 14 in voorkomend geval vastgestelde indicatieve hoeveelheid of groter zijn dan de beschikbare hoeveelheden, wordt een op de aanvragen toe te passen verminderingspercentage vastgesteld.”
20. Artikel 18, lid 1, luidt:
„Wanneer overeenkomstig artikel 17 voor een of meer oorsprongsgebieden een verminderingspercentage wordt vastgesteld, kan de marktdeelnemer die een invoercertificaataanvraag voor dat oorsprongsgebied, respectievelijk die oorsprongsgebieden, heeft ingediend, [...] tot maximaal een hoeveelheid die niet groter is dan de in het kader van de aanvraag niet toegekende hoeveelheid, voor de oorsprongsgebieden waarvoor beschikbare hoeveelheden door de Commissie worden bekendgemaakt, één of meer andere, nieuwe certificaataanvragen indienen.” Krachtens lid 2 van dit artikel bepaalt de Commissie „onverwijld de hoeveelheden waarvoor certificaten voor het betrokken oorsprongsgebied, respectievelijk de betrokken oorsprongsgebieden, kunnen worden afgegeven”.
21. Artikel 29 voegt daaraan toe:
„Indien voor één of meer van de in bijlage I vermelde oorsprongsgebieden de hoeveelheden waarvoor invoercertificaten voor het eerste kwartaal van het jaar 1999 zijn ingediend, groter zijn dan 26 % van de in die bijlage bedoelde hoeveelheden, stelt de Commissie een verminderingspercentage vast dat op elke aanvraag voor het betrokken oorsprongsgebied, respectievelijk de betrokken oorsprongsgebieden, wordt toegepast.”
22. Ter uitvoering van deze bepaling worden in artikel 1 van verordening (EG) nr. 2806/98 van de Commissie van 23 december 1998 betreffende de afgifte van certificaten voor de invoer van bananen in het kader van de tariefcontingenten en de invoer van traditionele ACS-bananen, voor het eerste kwartaal van 1999, en de indiening van nieuwe aanvragen(13), de verminderingscoëfficiënten vastgesteld voor de aanvragen betreffende bananen uit Colombia, Costa Rica en Ecuador.
23. In verordening nr. 2806/98 zijn krachtens artikel 18, lid 2, van verordening nr. 2362/98 eveneens de hoeveelheden vastgesteld waarvoor voor het eerste kwartaal van 1999 nog certificaataanvragen konden worden ingediend. Voor deze aanvragen geldt verordening (EG) nr. 102/1999 van de Commissie van 15 januari 1999 betreffende de afgifte van certificaten voor de invoer van bananen in het kader van de tariefcontingenten en de invoer van traditionele ACS-bananen, voor het eerste kwartaal van 1999 (tweede periode) (hierna: „verordening nr. 102/1999”).(14) In deze verordening worden bepaalde verminderingspercentages vastgesteld naar gelang van het land van oorsprong.
24. Voor het tweede kwartaal van 1999 is de regeling betreffende de aanvragen neergelegd in verordening (EG) nr. 608/1999 van de Commissie van 19 maart 1999 betreffende de afgifte van certificaten voor de invoer van bananen in het kader van de tariefcontingenten van traditionele ACS-bananen, voor het tweede kwartaal van 1999, en de indiening van nieuwe aanvragen.(15) Deze verordening voorziet in bepaalde verminderingspercentages naar gelang van het land van oorsprong.
25. Niet tevreden met deze vernieuwingen, heeft de Republiek Ecuador de zaak andermaal voorgelegd aan de WTO, die derhalve in het kader van haar regeling voor de beslechting van geschillen een panel heeft belast met het onderzoek van het geval.
26. Bij de afsluiting van zijn werkzaamheden heeft het panel vastgesteld dat de uit verordening nr. 1637/98 voortvloeiende nieuwe regeling nog steeds een schending van de artikelen I, lid 1, en XIII van de GATT opleverde.(16) Het DSB heeft het rapport van het panel aangenomen op 6 mei 1999. Daarop zijn in de gemeenschapsregeling nog eens wijzigingen aangebracht door de vaststelling van verordening (EG) nr. 216/2001 van de Raad van 29 januari 2001 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 404/93 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen.(17) Deze verordening is ratione temporis evenwel niet van toepassing op de onderhavige zaak.
II – Feiten en procedure
27. NV Firma Léon Van Parys (hierna: „Van Parys”), gevestigd in België, voert al meer dan twintig jaar bananen uit Ecuador in de Gemeenschap in.
28. Op 14 december 1998 heeft Van Parys bij de bevoegde Belgische autoriteiten, het Belgisch Interventie‑ en Restitutiebureau (hierna: „BIRB”), met betrekking tot het eerste kwartaal van 1999 een aanvraag ingediend voor invoercertificaten voor 26 685 935 kg bananen uit Ecuador. Het BIRB heeft certificaten afgegeven voor de hoeveelheid die werd verkregen door op de gevraagde hoeveelheid het in verordening nr. 2806/98 vastgestelde verminderingspercentage van 0,7080 toe te passen.
29. Op 8 januari 1999 heeft Van Parys overeenkomstig artikel 18 van verordening nr. 2362/98 (zie supra, punt 20) drie nieuwe certificaataanvragen ingediend voor de invoer van bananen uit Panama en andere landen voor een totaalgewicht dat niet hoger was dan het verschil tussen de voorheen aangevraagde hoeveelheid en de hoeveelheid die na de vermindering daadwerkelijk was verkregen. Ook op die aanvragen zijn de verminderingspercentages toegepast waarin door de genoemde gemeenschapsverordeningen, in het bijzonder verordening nr. 102/1999, is voorzien.
30. Op 5 maart 1999 heeft Van Parys ten slotte nog een certificaataanvraag ingediend voor de invoer van 35 224 757 kg bananen uit Ecuador. Het BIRB heeft daarop het in verordening nr. 608/1999 vastgestelde verminderingspercentage van 0,5934 toegepast en enkel voor de aldus berekende hoeveelheid certificaten afgegeven.
31. Op 23 februari en 21 mei 1999 heeft Van Parys dan ook bij de Raad van State twee beroepen ingesteld tegen de besluiten van het BIRB waarbij werd geweigerd invoercertificaten voor de aangevraagde hoeveelheden af te geven. In deze beroepen stelde zij dat de bestreden besluiten ongeldig zijn omdat de verordeningen die de invoer van bananen in de Gemeenschap regelen, waarop de bestreden besluiten zijn gebaseerd, onwettig zijn wegens strijd met de WTO-regels.
32. Overwegende dat in het geding de geldigheid van gemeenschapshandelingen ter discussie stond, heeft de Raad van State bij arrest van 7 oktober 2002 besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vier prejudiciële vragen voor te leggen:
„1) Schenden verordening (EEG) nr. 404/93 van 13 februari 1993 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1637/98 van 20 juli 1998 van de Raad, verordening (EG) nr. 2362/98 van de Commissie van 28 oktober 1998 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap, verordening (EG) nr. 2806/98 van 23 december 1998 van de Commissie betreffende de afgifte van certificaten voor de invoer van bananen in het kader van de tariefcontingenten en de invoer van traditionele ACS-bananen, voor het eerste kwartaal van 1999, en de indiening van nieuwe aanvragen, verordening (EG) nr. 102/1999 van 15 januari 1999 van de Commissie betreffende de afgifte van certificaten voor de invoer van bananen in het kader van de tariefcontingenten en de invoer van traditionele ACS-bananen, voor het eerste kwartaal van 1999 (tweede periode), en verordening (EG) nr. 608/1999 van 19 maart 1999 betreffende de afgifte van certificaten voor de invoer van bananen in het kader van de tariefcontingenten van traditionele ACS-bananen, voor het tweede kwartaal 1999, en de indiening van nieuwe aanvragen, de artikelen I, XIII, leden l en 2, sub d, van de GATT 1994, afzonderlijk of gezamenlijk genomen, doordat zij:
– ten voordele van twaalf in de bijlage bij verordening nr. 1637/98 genoemde landen, een gezamenlijk quotum instellen van maximaal 857 700 kg bananen (de „traditionele ACS-bananen”) en, bijkomend, doordat dit quotum, in zoverre het begrepen wordt in het door verordening nr. 1637/98 ingevoerde systeem waarbij de invoer van bananen alleen maar wordt geregeld op basis van een tariefcontingent, niet overeenstemt met een verdeling die de handel zonder beperkingen benadert;
– een tariefcontingent voor een totale hoeveelheid van 2 535 000 ton instellen voor derde staten en voor niet-traditionele ACS-bananen en dat tariefcontingent vervolgens procentueel verdelen op basis van een niet-representatieve periode aangezien de invoer van bananen in de jaren 1994‑1996 reeds aan beperkende voorwaarden gekoppeld was?
2) Schenden de sub 1 hiervoor vermelde verordeningen artikel 4 van de Raamovereenkomst van 23 april 1993 tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Overeenkomst van Cartagena en de lidstaten daarvan doordat met die bepaling, de Europese Gemeenschap er zich toe heeft verplicht haar betrekkingen met Ecuador volgens de bepalingen van de GATT te laten verlopen en aan dat land de behandeling van meestbegunstigde natie toe te kennen?
3) Schenden de sub 1 hiervoor vermelde verordeningen van de Europese Commissie het beginsel van het gewettigd vertrouwen en het beginsel van de goede trouw in het internationaal publiekrecht en het internationaal gewoonterecht, doordat de Commissie de voor de Gemeenschap uit de GATT 1994 voortvloeiende verplichtingen niet nakomt, doordat de Commissie misbruik heeft gemaakt van juridische procedures en de uitkomst van een internationale geschillenbeslechtingsprocedure niet in acht neemt en doordat zij, ondanks verklaringen afgelegd bij de totstandkoming van verordening nr. 1637/98, geen systeem heeft uitgewerkt waarbij de invoerlicenties voor bananen toegekend worden aan de ‚werkelijke importeurs’?
4) Heeft de Commissie de bevoegdheden die haar door verordening nr. 404/93 van de Raad, gewijzigd door verordening nr. 1637/98, [zijn] gegeven, overschreden door het tariefcontingent voor de invoer voor bananen vast te stellen met miskenning van de verplichtingen die voor de Gemeenschap voortvloeien uit de GATT 1994 en de GATS [Algemene Overeenkomst inzake handel in diensten], of die desgevallend geacht moeten worden, wegens de geuite intentie om het regime voor de invoer van bananen in de Gemeenschap aan te passen aan de geldende WTO-akkoorden, als een positieve rechtsregel geïntegreerd te zijn in het gemeenschapsrecht?”
33. In deze procedure hebben verzoekster en verweerder in het hoofdgeding alsmede de Raad en de Commissie opmerkingen ingediend. Met uitzondering van het BIRB zijn dezelfde partijen ook verschenen ter terechtzitting van 21 september 2004.
III – Juridische analyse
A – De eerste, de derde en de vierde prejudiciële vraag
1. Inleiding
34. Ik meen dat de eerste, de derde en de vierde prejudiciële vraag tezamen moeten worden onderzocht, aangezien deze vragen door de omstandigheden van de onderhavige zaak nauw samenhangen. Het bestaan van een schending van de WTO-regels kan immers niet worden beoordeeld zonder rekening te houden met het feit dat de bevoegde organen van die organisatie twee beslissingen dienaangaande hebben genomen en de gemeenschapswetgever op de eerste beslissing heeft gereageerd. Voorts is in deze zaak van belang, of de gemeenschapsregeling voor de invoer van bananen in haar geheel met de WTO-regels onverenigbaar is, ongeacht welke instelling in concreto verantwoordelijk is voor de eventueel onverenigbare bepalingen van die regeling.
35. Ik stel bijgevolg voor, de eerste, de derde en de vierde prejudiciële vraag samen te voegen en te herformuleren als volgt:
Moet een door de Raad en de Commissie in het kader van hun respectieve bevoegdheden vastgestelde regeling wat het gemeenschapsrecht betreft ongeldig worden verklaard ingeval een vroegere communautaire regeling betreffende de invoer van bananen in een uitspraak van het DSB onverenigbaar met de WTO-regels is verklaard, de Gemeenschap een nieuwe wettelijke regeling heeft vastgesteld om te voldoen aan de uitspraak van het DSB en het DSB ook met betrekking tot de nieuwe regeling heeft vastgesteld dat deze onverenigbaar is met de WTO-regels?
2. De communautaire rechtspraak met betrekking tot de werking van de WTO-regels
36. Zoals bekend, heeft het Hof herhaaldelijk uitspraak gedaan over de werking die de WTO/GATT-regels in de communautaire rechtsorde moeten hebben. Uit deze rechtspraak kan volgens de Commissie, de Raad en het BIRB duidelijk worden afgeleid dat de onderhavige vragen ontkennend moeten worden beantwoord. Van Parys komt echter tot een andere conclusie en meent dat deze vragen wegens de omstandigheden van de zaak bevestigend moeten worden beantwoord.
37. Het lijkt mij dan ook nuttig allereerst deze rechtspraak en de resultaten daarvan kort te bespreken en vervolgens te beoordelen welke gevolgen zij eventueel kunnen hebben, gelet op de ongetwijfeld specifieke kenmerken van deze zaak.
a) Het arrest Portugal/Raad
38. Zonder uit te weiden over arresten van vóór de oprichting van de WTO, vermeld ik om te beginnen het welbekende arrest Portugal/Raad(18), waarin het Hof zijn standpunt over de werking van het WTO-recht in de communautaire rechtsorde heeft bepaald.
39. Zoals bekend, had Portugal het Hof verzocht om nietigverklaring van een besluit van de Raad betreffende de sluiting van memoranda van overeenstemming tussen de Gemeenschap en Pakistan inzake toegang tot de markt voor textielproducten.(19) Voorzover van belang, voerde de verzoekende regering onder meer aan dat het besluit in strijd was met de WTO-regels. Het Hof moest zich dus uitspreken over de wettigheid van een handeling van secundair gemeenschapsrecht en gebruikte de WTO-regels als maatstaf voor de toetsing.
40. In zijn arrest heeft het Hof het volgende onderstreept:
– „volgens de beginselen van volkenrecht” dienen de rechters van de overeenkomstsluitende partijen, „met name het Hof van Justitie in het kader van zijn bevoegdheid krachtens het EG-Verdrag”, vast te stellen welke werking de bepalingen van de overeenkomst in de interne rechtsorde van de overeenkomstsluitende partijen zullen hebben, tenzij deze vraag in de overeenkomst zelf is geregeld(20);
– volgens het volkenrecht moet iedere overeenkomst „door partijen te goeder trouw [...] worden uitgevoerd” en staat het aan elk van de partijen „om te bepalen, met welke middelen rechtens dat doel in haar rechtsorde zal worden bereikt, tenzij de overeenkomst, uitgelegd aan de hand van inhoud en doel ervan, deze middelen zelf vastlegt”(21);
– in de WTO-overeenkomsten zijn deze middelen niet vastgelegd(22), aangezien hierin „een belangrijke plaats [is] ingeruimd voor onderhandelingen tussen partijen”, zelfs al is het mechanisme voor de beslechting van geschillen versterkt ten opzichte van de voorheen geldende regeling van de GATT 1947.(23) Het DSU (zie supra, punt 7) dient weliswaar primair te bewerkstelligen dat met de WTO-regels onverenigbare maatregelen worden ingetrokken (artikel 3, lid 7, DSU), maar biedt toch de mogelijkheid om tijdelijk, en als alternatief voor de intrekking van de onverenigbare maatregel, compensatie te bieden(24);
– „de rechterlijke instanties verplichten om nationaalrechtelijke bepalingen die onverenigbaar zijn met de WTO-overeenkomsten, buiten toepassing te laten, [...] zou [...] tot gevolg hebben dat de wetgevende of uitvoerende organen van de contractsluitende partijen de door artikel 22 van het [DSU] geboden mogelijkheid wordt ontnomen om via onderhandelingen tot – zij het ook tijdelijke – oplossingen te komen”(25);
– de WTO-overeenkomsten zijn dus evenals de GATT 1947 gebaseerd „op het beginsel van onderhandelingen ‚op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel’ en [verschillen], wat de Gemeenschap aangaat, derhalve [...] van door de Gemeenschap met derde landen gesloten overeenkomsten, waarin een zekere asymmetrie in de wederzijdse verplichtingen wordt aanvaard”(26);
– voorts weigeren de belangrijkste handelspartners van de Gemeenschap de WTO-overeenkomsten de status te verlenen van normen waaraan de wettigheid van hun nationale rechtsregels moet worden getoetst.(27) De communautaire rechtsorde moet dezelfde oplossing aanvaarden omdat „het ontbreken van wederkerigheid op dit punt [...] bij de toepassing van de WTO-overeenkomsten, [...] een onevenwichtige toepassing van de WTO-regels in de hand [zou] werken”. Daardoor immers „zouden de wetgevende of uitvoerende organen van de Gemeenschap [...] de manoeuvreerruimte moeten missen waarover de overeenkomstige organen van de handelspartners van de Gemeenschap wel beschikken”(28);
– hieruit volgt dat „de WTO-overeenkomsten, gelet op hun aard en opzet, in beginsel niet behoren tot de normen waaraan het Hof de wettigheid van handelingen van de gemeenschapsinstellingen toetst”(29);
– op de bovenvermelde regel bestaan overigens uitzonderingen in een aantal bijzondere situaties, die reeds zijn omschreven met betrekking tot het GATT 1947, namelijk „ingeval de Gemeenschap uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of indien de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO- overeenkomsten verwijst”.(30)
b) Het arrest Nederland/Parlement en Raad
41. Zoals bekend, heeft het arrest Portugal/Raad in de rechtsleer zeer uiteenlopende reacties en soms ook grote meningsverschillen uitgelokt, waarbij sommige auteurs zich duidelijk hebben uitgesproken voor de stelling dat de WTO-regels als maatstaf voor de wettigheid van de gemeenschapshandelingen moeten worden beschouwd.(31)
42. Zonder hier de kritiek op het arrest te beoordelen, merk ik enkel op dat deze voor het Hof geen aanleiding was om zijn eigen opvatting te wijzigen. Integendeel, de opvatting van het Hof is uitdrukkelijk bevestigd in het latere arrest Nederland/Parlement en Raad.(32)
43. In deze zaak betoogde de verzoekende regering, voorzover hier van belang, dat richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen(33) de lidstaten verplichtingen oplegde die onverenigbaar zijn met die welke uit hun internationale verbintenissen, in het bijzonder de WTO-overeenkomsten en het Verdrag inzake biologische diversiteit (hierna: „VBD”), voortvloeien.(34)
44. In het desbetreffende arrest heeft het Hof uitdrukkelijk bevestigd dat „de wettigheid van een gemeenschapshandeling [...] niet [kan] worden getoetst aan [...] de WTO-overeenkomst[en], wegens hun aard en opzet”. Maar juist om zijn standpunt beter te onderstrepen en nader te motiveren, heeft het Hof voorts geoordeeld dat „dit [...] niet [kan] gelden voor het VBD, dat in tegenstelling tot de WTO-overeenkomst niet strikt op de grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel berust [...] Indien het VBD [...] bepalingen bevat die rechtstreekse werking missen, in die zin dat zij geen rechten scheppen die door particulieren rechtstreeks in rechte kunnen worden ingeroepen, dan verhindert dat de rechter niet te controleren of de Gemeenschap als partij bij die overeenkomst haar daaruit voortvloeiende verplichtingen naleeft (zie arrest van 16 juni 1998, Racke, C‑162/96, Jurispr. blz. I‑3655, punten 45, 47 en 51).”(35)
45. Volgens het Hof kunnen bepalingen van overeenkomsten die niet op de grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel berusten, dus als maatstaf voor de toetsing van de wettigheid dienen, ongeacht of zij particulieren rechten kunnen verlenen. Bepalingen die daarentegen deel uitmaken van overeenkomsten welke, zoals de WTO-overeenkomsten, op de grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel berusten, hebben niet alleen geen rechtstreekse werking maar kunnen in beginsel ook niet als maatstaf voor de wettigheidstoetsing van gemeenschapshandelingen worden gebruikt.(36)
3. Het probleem van de gevolgen van de uitspraken van het DSB
a) Het DSU-stelsel
46. Na dit onderzoek van de WTO-regels als zodanig, wil ik thans nagaan of dezelfde oplossing ook geldt wanneer zoals in casu bij een uitspraak of een aanbeveling van het DSB de onverenigbaarheid van bepaalde gemeenschapshandelingen met die regels is vastgesteld.
47. Alvorens deze vraag te behandelen wil ik echter voor de hier van belang zijnde aspecten de hoofdlijnen aangeven van dit stelsel voor beslechting van geschillen binnen de WTO, waarin het DSU heeft voorzien.
48. Om te beginnen brengt dit stelsel ten opzichte van de GATT-bepalingen, zoals ook het Hof in het arrest Portugal/Raad heeft erkend, een „versterking van de vrijwaringsregeling en de regeling voor geschillenbeslechting” (punt 36), waardoor „aan het multilaterale handelsstelsel zekerheid en voorspelbaarheid wordt toegevoegd” (artikel 3, lid 2, DSU).
49. Dit resultaat wordt in wezen verkregen omdat het stelsel aldus is opgezet dat in beginsel andere mechanismen voor geschillenbeslechting uitgesloten zijn en de partijen hierdoor gebonden zijn [zij zien er immers van af eenzijdig te reageren op maatregelen van andere leden die zij onverenigbaar met de WTO-regels achten, „doen [...] een beroep op de regels en procedures van dit Memorandum van Overeenstemming en nemen [...] deze in acht” (artikel 23, lid 1, DSU)]. Voorts is het systeem veel beter gestructureerd en veel efficiënter [men denke maar aan het feit dat de beslissingen van het „panel” niet meer zoals in de GATT moeten worden aangenomen met eenparigheid van stemmen van alle verdragsluitende partijen maar volgens het stelsel van de zogenoemde negatieve consensus, waarin enkel de eenparigheid van tegenstemmen van alle WTO-leden, waaronder het lid dat beroep instelt, kan verhinderen dat het DSB een uitspraak doet waarin het rapport van het „panel” of van de beroepsinstantie wordt goedgekeurd (artikelen 16, lid 4, en 17, lid 14, DSU)]. Bovendien zijn de procedures nauwkeuriger geregeld en zijn de gevolgen van de uitspraken beter omschreven.
50. Wat met name deze procedures en uitspraken betreft, moet een lid dat van mening is dat een hem krachtens de WTO-overeenkomsten toekomend voordeel door maatregelen van een ander lid wordt uitgehold, in de eerste plaats rechtstreeks of met de hulp van de directeur-generaal van de WTO overeenstemming trachten te bereiken met de wederpartij (artikelen 3‑5 DSU). Ingeval dit geen resultaten oplevert, kan het lid het DSB verzoeken een „panel” met de zaak te belasten. Dit panel dient een rapport in bij het DSB dat kan besluiten dit aan te nemen, tenzij een van de partijen zich tot de binnen de WTO ingestelde vaste beroepsinstantie wendt (artikel 16, lid 4, DSU). In dat geval dient de beroepsinstantie op haar beurt een rapport in bij het DSB.
51. Indien het rapport (van het panel of van de vaste beroepsinstantie) wordt aangenomen, is de desbetreffende uitspraak bindend voor de partijen, die het rapport „onvoorwaardelijk” moeten aanvaarden (artikel 17, lid 14, DSU), omdat het DSB „onmiddellijke” naleving van zijn uitspraken „van wezenlijk belang” acht om te zorgen voor een effectieve beslechting van de geschillen (artikel 21, lid 1, DUB). Slechts indien het onmogelijk is de uitspraken „onmiddellijk” na te leven, kan het betrokken WTO-lid een „redelijke termijn” worden gegeven om zijn wetgeving aan te passen. Deze termijn, die niet meer dan vijftien maanden mag bedragen, wordt door het WTO-lid voorgesteld en door het DSB goedgekeurd, of hij wordt door de partijen onderling overeengekomen dan wel bij gebreke van overeenstemming bij „verbindende” arbitrage vastgesteld (artikel 21, lid 3, DSU).
52. Indien er onenigheid heerst over de geschiktheid van de maatregelen die de adressaat van de uitspraak heeft genomen en over de verenigbaarheid daarvan met de WTO-overeenkomsten, voorziet het DSU in de mogelijkheid om opnieuw gebruik te maken van de bovenvermelde procedures voor geschillenbeslechting, door, waar mogelijk, het oorspronkelijke „panel” met de zaak te belasten (artikel 21, lid 5, DSU).
53. Indien de adressaat van de uitspraak van het DSB niet binnen de genoemde „redelijke termijn” gevolg geeft aan de uitspraak van het DSB, kan een mechanisme van compensaties en tegenmaatregelen worden gehanteerd, maar daaraan „wordt evenwel niet de voorkeur gegeven boven volledige tenuitvoerlegging van een aanbeveling” (artikel 22, lid 1, DSU).
54. Deze maatregelen zijn echter van tijdelijke aard en kunnen slechts worden toegepast totdat i) de maatregel die in strijd met de WTO-overeenkomsten wordt geacht, is opgeheven, of ii) het lid dat de uitspraak moet uitvoeren, een oplossing biedt voor het nadeel dat de wederpartijen is berokkend, of iii) een wederzijds bevredigende oplossing wordt bereikt (artikel 22, lid 8, DSU).
55. Hoe dan ook blijft het DSB toezien op de tenuitvoerlegging van haar uitspraken (artikel 22, lid 8, DSU), omdat de gekozen oplossing in elk geval verenigbaar zal moeten zijn met deze uitspraken en meer in het algemeen met de WTO-regels.(37)
56. Ten slotte zal het beslist zo zijn dat ook in het nieuwe systeem, in de woorden van het Hof in het arrest Portugal/Raad, „een belangrijke plaats [is] ingeruimd voor onderhandelingen tussen partijen” (punt 36) en dat deze onderhandelingen na de uitspraak van het DSB kunnen worden voortgezet, eventueel om tot een wederzijds aanvaardbare compensatie te komen (punt 39). Overigens is het echter ook juist, dat in dat geval (waarvan in de onderhavige zaak echter geen sprake is) althans in abstracto overeenstemming kan worden bereikt over een oplossing die de naleving van de WTO-regels opnieuw verzekert zonder dat de omstreden maatregel wordt ingetrokken.
57. Toch zou dit een weliswaar bijzondere maar niettemin legitieme vorm van tenuitvoerlegging van de uitspraak van het DSB zijn. Ook in dat geval zou deze uitspraak namelijk uiteindelijk haar effect sorteren, al was het maar doordat zij de partijen beperkt in hun vrijheid om door onderhandelingen naar alternatieve oplossingen te zoeken. Dergelijke oplossingen moeten, zo herhaal ik, immers binnen het kader van de WTO-regels en dus de uitspraak van het DSB blijven. In dat opzicht heeft advocaat-generaal Alber dan ook gelijk waar hij verklaart dat „er geen alternatief bestaat voor de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen en de uitspraken van het DSB” en de inhoud daarvan „niet kan worden omzeild door onderhandelingen tussen de betrokken partijen”.(38)
b) De zaak Biret International/Raad – Inleiding
58. In dit verband is ook de vraag welke gevolgen de uitspraken van het DSB hebben, in de rechtspraak niet onbesproken gebleven, maar de standpunten van het Hof daarover zijn minder duidelijk en definitief dan die welke betrekking hebben op het reeds onderzochte probleem van de werking van de WTO-regels.
59. Van bijzonder belang dienaangaande is de zaak Biret International/Raad(39), waarin de onderhavige vraag uitdrukkelijk onder de aandacht van het Hof is gebracht.
60. Zoals bekend, heeft het gemeenschapsrecht, ondanks de inwerkingtreding van de WTO-overeenkomsten en in het bijzonder van de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen (hierna: „SPS-Overeenkomst”)(40), het bestaande verbod op invoer van met bepaalde hormonen behandeld vlees en vleesproducten niet alleen gehandhaafd(41) maar zelfs nog verscherpt met de vaststelling van richtlijn 96/22/EG.(42) Het DSB, aan wie deze kwestie was voorgelegd, heeft op 13 februari 1998 dit verbod onverenigbaar met de SPS-overeenkomst verklaard(43) en de Gemeenschap een termijn tot 13 mei 1999 gegeven om aan zijn aanbevelingen te voldoen.
61. De vennootschap Biret International SA (hierna: „Biret”) was van mening dat de bestreden gemeenschapsregelingen haar schade hadden berokkend en had derhalve bij het Gerecht van eerste aanleg beroep krachtens de artikelen 235 EG en 288 EG ingesteld strekkende tot vergoeding van de schade door de Gemeenschap. Verzoekster stelde in het bijzonder de onwettigheid van de betrokken gemeenschapsregelingen wegens schending van de bovengenoemde beslissing van het DSB.
62. Het Gerecht heeft het beroep evenwel verworpen, oordelend dat „dit besluit [...] noodzakelijkerwijs en rechtstreeks verband [houdt] met het middel inzake schending van de SPS-overeenkomst, en daarmee [...] dus alleen rekening [zou] mogen worden gehouden indien de gemeenschapsrechter in het kader van een middel inzake de ongeldigheid van de betrokken richtlijnen had vastgesteld, dat deze overeenkomst rechtstreekse werking heeft”.(44) Met een uitdrukkelijke verwijzing naar de hierboven aangehaalde precedenten heeft het Gerecht echter geconcludeerd dat de WTO-overeenkomsten „volgens inmiddels vaste rechtspraak” (45) een dergelijke werking niet hebben en dat verzoekster zich niet op schending van de SPS-overeenkomst kon beroepen.
c) De conclusie van advocaat-generaal Alber
63. Een heel andere redenering volgde in hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht evenwel advocaat-generaal Alber, die aan deze vraag een uitvoerig en goed beargumenteerd betoog heeft gewijd, waarvan ik hier enkel de belangrijkste passages zal weergeven.
64. Na een overzicht van het stelsel van geschillenbeslechting binnen de WTO, zoals hierboven besproken (zie supra, punten 48 e.v.), stelt de advocaat-generaal dat de uitspraken van het DSB verbindend zijn, althans in die zin dat de inhoud ervan, zoals gezegd, niet kan worden omzeild door onderhandelingen tussen de betrokken partijen. Het kan ook gebeuren dat deze uitspraken in werkelijkheid niet worden nageleefd omdat dat de handelspolitieke keuze is. Uiteindelijk hangt dit echter enkel af van het feit dat er geen mogelijkheid is om de uitvoering af te dwingen omdat deze uitspraken een volkenrechtelijk karakter hebben en het volkenrecht principieel geen dwangmaatregelen kent. De onmogelijkheid om de uitvoering van uitspraken van het DSB af te dwingen is echter geen geldig argument dat het Hof deze niet in acht zou behoeven te nemen, omdat „dit in ieder geval juridisch niet mogelijk is”.(46)
65. In plaats van dus een handelspolitieke keuze te bekrachtigen, die de facto mogelijk maar in strijd is met het recht, moet het Hof dus het legaliteitsbeginsel toepassen en uiterlijk na afloop van de termijn om aan de uitspraken van het DSB te voldoen, deze als verbindend erkennen.(47)
66. Advocaat-generaal Alber is er zich van bewust dat deze oplossing kan worden bekritiseerd op grond van het beginsel van „wederkerigheid en wederzijds voordeel” aangezien één partij (in casu de Gemeenschap) de WTO-regels uiteindelijk een werking zou verlenen die deze regels mogelijk niet hebben in de rechtsordes van de andere handelspartners, waardoor haar eigen onderhandelingspositie binnen de WTO zou worden verzwakt. Hij merkt evenwel op dat het Hof in het arrest Kupferberg reeds heeft geoordeeld dat de wederkerigheid tussen de verdragsluitende partijen op zich nog niet komt te ontbreken doordat de rechters van de ene partij een bepaling van een internationale overeenkomst rechtstreekse werking toekennen.(48)
67. Voorts merkt de advocaat-generaal op dat het bij dit argument „veeleer om een handelspolitiek argument gaat, dat door het etiket ‚wederkerigheidsbeginsel’ in een juridisch jasje wordt gestoken”, als het al, om het krasser te zeggen, niet slechts een voorwendsel is om een door de bevoegde instantie formeel vastgestelde verplichting niet te hoeven na te leven.
68. In werkelijkheid wordt de onderhandelingspositie van de Gemeenschap niet verzwakt door de voorgestelde oplossing omdat zij in geval van schending van de WTO-overeenkomsten de procedure voor geschillenbeslechting kan inleiden en naleving van de uitspraak van het DSB kan eisen. Zo kunnen eventuele wanverhoudingen die uit de naleving van de uitspraak van het DSB zouden kunnen voortvloeien ingeval de wederpartij niet hetzelfde doet, worden verholpen door gebruik te maken van de door het volkenrecht en vooral door de WTO-regels zelf voorziene compensaties en tegenmaatregelen.
69. Zo beperkt de voorgestelde oplossing volgens de advocaat-generaal evenmin de manoeuvreerruimte die de gemeenschapsinstellingen hebben met betrekking tot de vraag hoe zij de uitspraken van het DSB ten uitvoer leggen, aangezien deze wijze van uitvoering een zaak van de instellingen blijft, mits dit natuurlijk maatregelen oplevert die voldoen aan de uit de WTO-regels voortvloeiende verplichtingen.
70. Uiteindelijk kan slechts sprake zijn van „een onderhandelingspositie die mogelijkerwijs kan worden verzwakt, wanneer ervan wordt uitgegaan dat de partijen bij het geschil onderling kunnen overeenkomen om met het WTO-recht strijdige bepalingen te handhaven. Zoals hierboven is uiteengezet, is dat echter niet het geval.”(49)
71. Op grond hiervan concludeert de advocaat-generaal, dat het Hof het legaliteitsbeginsel enkel toepast indien het erkent dat de uitspraken en de aanbevelingen van het DSB na het verstrijken van de termijn voor de tenuitvoerlegging als maatstaf dienen voor de wettigheidstoetsing van handelingen van de Gemeenschap.(50)
72. Anders dan het Gerecht van eerste aanleg blijkt de advocaat-generaal op basis van de standpunten van het Hof met betrekking tot de WTO-regels en de hierboven aangehaalde regelingen niet automatisch tot de conclusie te komen dat zelfs indien door het DSB uitspraken zijn gedaan, deze niet geschikt zijn als maatstaf voor de wettigheidstoetsing van gemeenschapshandelingen. Integendeel, voor de tegengestelde conclusie acht hij het doorslaggevend dat in deze gevallen gebruik is gemaakt van de mechanismen voor vaststelling van de verplichtingen van WTO-leden, met de daaruit voortvloeiende consequenties voor de nadere omschrijving van deze verplichtingen in de onderhavige zaak en de verplichting die de partijen bij het geschil hebben om, al was het enkel op de hierboven omschreven wijze, te voldoen aan de uitspraken van het DSB.
73. Aan de uitvoerige argumentering van de advocaat-generaal kan ik slechts toevoegen dat ik mij daarbij aansluit. Op basis van de tot hiertoe samengevatte overwegingen ben namelijk ook ik van mening dat het niet mogelijk is dat in een „rechtsgemeenschap” de uitspraken van het DSB geen maatstaf voor de wettigheidstoetsing van gemeenschapshandelingen kunnen vormen, en dat het Hof dus niet de kennelijke schending van wettigheidsgronden die tot de tegenovergestelde oplossing zou leiden, zou mogen bekrachtigen op basis van een motivering van een twijfelachtige juridische waarde.
d) Het arrest van het Hof
74. Om deze conclusie te bevestigen, of althans niet principieel uit te sluiten, kan naar mijn mening indirecte steun worden gevonden in het latere arrest dat het Hof in de zaak Biret International/Raad heeft gewezen en dat interessante en zelfs bemoedigende aanwijzingen geeft voor het standpunt dat ik hier verdedig.(51)
75. Het is namelijk juist dat het Hof het beroep van Biret uiteindelijk heeft verworpen om redenen die om zo te zeggen te maken hebben met de termijn in die zaak, en dat het zich daarom niet uitdrukkelijk heeft hoeven uit te spreken over de gevolgen van de uitspraken van het DSB.(52) Het is echter tekenend dat het Hof in het middengedeelte van zijn motivering kritiek had op het feit dat het Gerecht van eerste aanleg, dat was verzocht zich specifiek over die kwestie uit te spreken, dat niet had gedaan maar er zich toe had beperkt de in het arrest Portugal/Raad geformuleerde beginselen met betrekking tot de WTO-regels toe te passen op de uitspraken van het DSB.
76. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat deze argumenten ontoereikend waren om het middel inzake schending van de SFS-overeenkomst af te wijzen. Volgens het Hof had „het Gerecht [...] namelijk nog moeten antwoorden op het argument dat de rechtsgevolgen van de uitspraak van het DSB van 13 februari 1998 voor de Europese Gemeenschap zijn beoordeling met betrekking tot het ontbreken van rechtstreekse werking van de WTO-regels opnieuw ter discussie konden stellen, en voor de gemeenschapsrechter grond konden opleveren om de wettigheid van de richtlijnen 81/602, 88/146 en 96/22 aan deze regels te toetsen”.(53)
77. Het Hof heeft het Gerecht met andere woorden juist bekritiseerd omdat het de vraag naar de gevolgen van de uitspraken van het DSB en de verenigbaarheid daarmee van de in geding zijnde gemeenschapsregeling niet als een afzonderlijke en autonome rechtsvraag had behandeld en zich niet specifiek daarover had uitgelaten.
78. Zonder mij te willen wagen aan gissingen omtrent de intenties van het Hof, moet ik wel vaststellen dat indien volgens de gemeenschapsrechter de toepassing van de rechtspraak met betrekking tot de WTO-regels automatisch had moeten worden uitgebreid tot de uitspraken van het DSB, er geen reden zou zijn geweest om het Gerecht te bekritiseren omdat het die rechtspraak nu juist had uitgebreid. Indien de twee situaties voorts niet identiek zijn, zoals in weinig verhulde termen uit die kritiek naar voren komt, mag ervan worden uitgegaan dat het verschil slechts kan wijzen op erkenning van de gevolgen van de uitspraken van het DSB, die in de vroegere rechtspraak aan de WTO-regels zijn onthouden.
e) Toepassing op de onderhavige zaak
79. Of de intenties van het Hof al dan niet in die zin worden uitgelegd, voor deze zaak lijkt mij van belang dat het arrest Biret International/Raad het standpunt van advocaat-generaal Alber hoe dan ook niet heeft afgewezen. Aangezien zoals gezegd dat standpunt dient te worden gevolgd, wil ik het op mijn beurt nog eens voorstellen en op de onderhavige zaak toepassen.
80. Met betrekking tot een dergelijk geval moet dus in het bijzonder worden vastgesteld of het DSB een uitspraak heeft gedaan en of de redelijke termijn die aan de adressaat van de uitspraak (in casu de Gemeenschap) is verleend om zijn wetgeving in overeenstemming te brengen met de WTO-regels, is verstreken zonder dat dit is gedaan, zodat de uitspraak van het DSB in dat geval als maatstaf zal dienen voor de wettigheidstoetsing van de betrokken gemeenschapshandelingen.
81. Zoals ik reeds meermaals heb gezegd, heeft het DSB bij uitspraak van 25 september 1997 vastgesteld dat de bij verordening nr. 404/93 ingevoerde communautaire regeling onverenigbaar is met de WTO-regels en is de Gemeenschap een termijn van vijftien maanden en een week(54) (tot 1 januari 1999) verleend om aan de uitspraak te voldoen. Binnen die termijn heeft de Raad verordening nr. 404/93 gewijzigd bij verordening nr. 1637/98 en heeft de Commissie op haar beurt de noodzakelijke wijzigingen in de uitvoeringsbepalingen aangebracht bij verordening nr. 2362/98 en een reeks latere verordeningen. In een klacht bij de WTO heeft Ecuador evenwel betwist dat deze maatregelen geschikt zijn om de naleving van de uitspraak van het DSB te verzekeren en heeft het verzocht om ook de nieuwe regeling betreffende de invoer van bananen door een „panel” te laten onderzoeken. De aldus ingeleide procedure is afgesloten met een uitspraak van het DSB van 6 mei 1999 waarin daadwerkelijk is vastgesteld dat de gemeenschapsregeling onverenigbaar bleef met de WTO-regels.
82. Uit het voorgaande volgt dus duidelijk dat de regeling betreffende de invoer van bananen bij het verstrijken van de aan de Gemeenschap verleende termijn, ondanks de wijzigingen, nog steeds niet met de WTO-regels in overeenstemming was op de specifiek in de eerste uitspraak van het DSB genoemde punten. Gelet op het voorgaande moeten alle in geding zijnde verordeningen bijgevolg onwettig worden geacht.
83. Derhalve geef ik het Hof in overweging op de eerste, de derde en de vierde prejudiciële vraag, zoals geherformuleerd, te antwoorden dat de gemeenschapsregeling voor de invoer van bananen die gebaseerd is op de gewijzigde verordening nr. 404/93 en de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen, ongeldig zijn, voorover zij onverenigbaar zijn met de WTO-regels, zoals door het DSB is vastgesteld op 25 september 1997 en nadien bevestigd op 6 mei 1999.
4. De hypothese van het bestaan van „bijzondere situaties” – De „uitzondering van de bijzondere verplichting”
a) Inleiding
84. Voor het geval dat het Hof niet met deze conclusie instemt, moet nog worden nagegaan of de onderhavige omstandigheden bijzondere kenmerken vertonen die een grond opleveren om de wettigheid van de betrokken gemeenschapsregeling op een andere wijze in het geding te brengen.
85. Subsidiair kan worden uitgegaan van de hypothese dat wegens de eigen kenmerken van de zaak sprake is van een van de twee bijzondere situaties waarin het Hof zelf in afwijking van de algemene regel de mogelijkheid aanvaardt om de wettigheid van de gemeenschapshandelingen te toetsen aan de GATT/WTO-regels. Zoals hierboven vermeld (zie supra, punt 40), is sprake van dergelijke bijzondere situaties, in de woorden van het arrest Portugal/Raad, „ingeval de Gemeenschap uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting [hierna: ‚uitzondering van de bijzondere verplichting’] of indien de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO- overeenkomsten verwijst”.(55)
86. Meer in het bijzonder moet worden nagegaan of de gemeenschapsregeling betreffende de invoer van bananen, waarvan de geldigheid hier door het Hof moet worden beoordeeld, tot de eerste van de twee uitzonderingscategorieën behoort, aangezien het juist om de uitvoering van een bijzondere verplichting gaat.
b) Precedenten
87. Alvorens dit punt verder uit te diepen lijkt het mij nuttig aan te geven hoe het Hof deze uitzondering heeft afgebakend, en de stroming in de rechtspraak te onderzoeken die het Hof in het arrest Nakajima/Raad heeft ingeluid.
88. In die zaak moest het Hof zich uitspreken over de wettigheid van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap.(56) Volgens verzoekster in die zaak kon een van de bepalingen van de verordening niet worden toegepast omdat zij onverenigbaar was met een bepaling van de in het kader van de GATT 1947 vastgestelde anti-dumpingcode.(57)
89. In zijn arrest heeft het Hof, ervan uitgaande dat de bepalingen van de anti-dumpingcode evenals de GATT-regels verbindend zijn voor de Gemeenschap, verklaard zelf bevoegd te zijn om de grieven van verzoekster te beoordelen aangezien „volgens de tweede en de derde overweging van de considerans van de [genoemde verordening] [...] deze laatste [is] vastgesteld in overeenstemming met de bestaande internationale verplichtingen [...] Hieruit volgt dat de door verzoekster in geding gebrachte nieuwe basisverordening is vastgesteld ter nakoming van de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, die er dus volgens vaste rechtspraak voor dient te zorgen dat de bepalingen van de Algemene Overeenkomst en de uitvoeringsmaatregelen ervan worden nageleefd.”(58)
90. Hetzelfde beginsel is later door het Hof bevestigd in het arrest Italië/Raad van 12 november 1998(59), waarin de wettigheid is getoetst van een aantal artikelen van een gemeenschapsverordening inzake tariefcontingenten voor de invoer van rijst(60), vastgesteld ter uitvoering van overeenkomsten met het Gemenebest, Australië en Thailand na onderhandelingen die overeenkomstig artikel XXIV, lid 6, van de GATT waren gevoerd teneinde met deze landen bepaalde compenserende regelingen overeen te komen die noodzakelijk waren geworden door de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden tot de Gemeenschap.
91. In de considerans van de in die zaak bestreden verordening werd uitdrukkelijk verwezen naar het feit dat in het kader van de overeenkomstig het genoemde GATT-artikel gevoerde onderhandelingen was overeengekomen invoercontingenten te openen (eerste overweging), en naar de verklaring van de Raad dat hij „zijn verplichtingen uit internationale verbintenissen erkent” (achtste overweging).
92. In zijn arrest heeft het Hof het andersluidende standpunt van de Raad afgewezen en verklaard dat „wanneer de Gemeenschap uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van het GATT aangegane bijzondere verplichting [...], het Hof verplicht is de wettigheid van de betrokken handeling te toetsen aan deze regels”. In die zaak moest volgens het Hof worden aangenomen dat de Gemeenschap, door de betrokken verordening ter uitvoering van de genoemde overeenkomsten vast te stellen, „uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van het GATT aangegane bijzondere verplichting”, hetgeen meebracht dat het Hof „de wettigheid van de betrokken verordening [moest] toetsen aan de regels van het GATT waarvan verzoekster stelt dat zij geschonden zijn”.(61)
c) De beschikking OGT Fruchthandelsgesellschaft
93. In zijn recente beschikking OGT Fruchthandelsgesellschaft(62) heeft het Hof evenwel uitgesloten dat de bovengenoemde omstandigheden bestonden. Verzocht om zich bij wijze van prejudiciële beslissing uit te spreken over de geldigheid van dezelfde communautaire invoerregeling voor bananen als hier in het geding is, heeft het Hof niet alleen geen rekening gehouden met het feit dat het DSB in deze aangelegenheid een uitspraak had gedaan, maar heeft het ook de mogelijkheid uitgesloten dat de uitzondering van de bijzondere verplichting, die hier ter discussie staat, van toepassing was.
94. In die zaak betwistte een traditionele importeur van bananen uit derde landen het recht van de Duitse douaneautoriteiten om overeenkomstig artikel 18 van de gewijzigde verordening nr. 404/93 douanerechten te heffen op de invoer van bananen uit Ecuador. Na te hebben vastgesteld dat het DSB had geconcludeerd dat de nieuwe communautaire regeling onverenigbaar was met de WTO-regels, vroeg de geadieerde nationale rechter het Hof, of de artikelen I en XIII van de GATT voor particulieren rechten in het leven kunnen roepen waarop zij zich voor een rechterlijke instantie rechtstreeks kunnen beroepen om zich te verzetten tegen de toepassing van artikel 18 van de gewijzigde verordening nr. 404/93.
95. Van oordeel dat het antwoord op die vraag duidelijk uit het arrest Portugal/Raad kon worden afgeleid, heeft het Hof overeenkomstig artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering besloten om niet bij arrest maar bij een gewone met redenen omklede beschikking te antwoorden. In het bijzonder heeft het ontkend dat er in die zaak redenen waren om van dat arrest af te wijken en dat de omstandigheden van de hem voorgelegde zaak beantwoordden aan de omschrijving van een van de in het arrest Portugal/Raad bedoelde „bijzondere situaties”, waarop verzoekster in het hoofdgeding zich beriep. Het Hof verklaarde dienaangaande enkel, op een overigens nogal apodictische wijze: „De gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector bananen, zoals die bij verordening nr. 404/93 is ingevoerd en vervolgens is gewijzigd, beoogt niet de uitvoering in de communautaire rechtsorde te verzekeren van een in het kader van het GATT aangegane bijzondere verplichting en verwijst evenmin uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van het GATT.”(63)
d) Kritische opmerkingen
96. Ik moet zeggen dat ik na grondige studie van het vraagstuk niet kan instemmen met dit antwoord van het Hof.(64) Volgens mij hadden de kenmerken van de zaak immers een meer specifieke analyse verdiend, in plaats van een automatische herhaling van een rechtspraak die in een andere context (waarin het DSB geen uitspraak had gedaan) tot stand was gekomen, en een grondiger onderzoek naar de intenties en de reacties waarmee de communautaire wetgever in dit geval te kennen had gegeven dat hij wilde voldoen aan de op hem rustende internationale verplichtingen.
97. Wat het eerste aspect betreft, voel ik mij in mijn beoordeling ook gesterkt door het feit dat in het latere arrest Biret International/Raad, zoals ik hierboven heb vermeld, heel anders is gereageerd op de poging om het arrest Portugal/Raad opnieuw automatisch toe te passen op de uitspraken van het DSB (zie supra, punten 74 e.v.).
98. Maar ook vanuit het oogpunt van het vervuld zijn van de voorwaarden voor toepassing van de zogenoemde uitzondering van de bijzondere verplichting, meen ik dat de termen waarin en de wijze waarop in de communautaire regeling betreffende de invoer van bananen wijzigingen waren aangebracht, voor het Hof aanleiding had moeten zijn om in die zaak niet anders te beslissen dan in de aangehaalde vroegere zaken (zie supra, punten 87 e.v.). Vele aanwijzingen duidden immers daarop en hadden de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de communautaire wetgever met de vaststelling van de nieuwe regeling „uitvoering had willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting”.
99. Ik herinner er om te beginnen aan dat die regeling was gewijzigd na het verstrijken van de termijn die de Gemeenschap was verleend om te voldoen aan de uitspraak van het DSB van 25 september 1997. Het is overigens veelbetekenend dat in artikel 2 van verordening nr. 1637/98 wordt verklaard dat zij van toepassing is met ingang van 1 januari 1999, de datum die precies samenvalt met het verstrijken van de termijn van vijftien maanden en een week die de Gemeenschap van het DSB had verkregen om aan deze uitspraak te voldoen.(65) Voorts blijkt op dit punt uit de desbetreffende arbitrale uitspraak zelf, dat de Gemeenschap in een verklaring die zij in de loop van de procedure had afgelegd, een redelijke termijn nodig had om „mettre en oeuvre toutes les recommandations et décisions” van het DSB.(66)
100. De betrokken gemeenschapsverordeningen bevatten bovendien nog uitdrukkelijker aanwijzingen dan die waaruit het Hof in de besproken arresten (zie bijvoorbeeld de in punt 91 aangehaalde verklaringen) had afgeleid dat de instellingen uitvoering wilden geven aan op de Gemeenschap rustende verplichtingen. Zoals ook Van Parys opmerkt, wordt in het bijzonder in de tweede overweging van de considerans verklaard dat „rekening dient te worden gehouden met de internationale verbintenissen die door de Gemeenschap zijn aangegaan in het kader van de [WTO]”. Bij dezelfde verordening wordt artikel 20 van verordening nr. 404/93 gewijzigd en wordt onder meer een bepaling ingevoegd volgens welke de Commissie maatregelen vaststelt „die nodig kunnen zijn om toe te zien op de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de door de Gemeenschap overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag gesloten akkoorden” (artikel 20, sub e).
101. Ten slotte zou ik, zoals Van Parys ter terechtzitting heeft gedaan, kunnen wijzen op het feit dat het Commissielid Brittan in antwoord op een parlementaire vraag uitdrukkelijk heeft verklaard dat de Gemeenschap met de vaststelling van de verordeningen nrs. 1637/98 en 2362/98 „uitvoering [heeft] gegeven aan de aanbevelingen van het orgaan voor geschillenbeslechting (DSB) van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) van 25 september 1997 inzake bananen, door de vereiste maatregelen te treffen om de communautaire bananenregeling in overeenstemming te brengen met de WTO-regels”.(67)
102. Natuurlijk zijn de verklaringen van de Commissie in de WTO (zie supra, punt 99) noch het antwoord van het Commissielid Brittan factoren die op zich bepalend zijn om vast te stellen of de betrokken gemeenschapsregeling al dan niet bestemd is om uitvoering te geven aan een in het kader van de WTO aangegane „bijzondere verplichting”. Volgens mij vormen zij evenwel een duidelijke aanwijzing van hetgeen uit de consequente reeks van feiten en aangehaalde bepalingen reeds duidelijk kan worden afgeleid, namelijk dat de communautaire wetgever met de wijzigingen in de regeling betreffende de invoer van bananen deze regeling juist in overeenstemming wilde brengen met de WTO-regels, zoals uitgelegd in de uitspraak van het DSB.
103. Dat de intentie van de Gemeenschap vervolgens enkel tot uiting is gekomen in de verordening van de Raad en niet eveneens in de verordeningen van de Commissie, lijkt mij hier niet doorslaggevend, aangezien dienaangaande de basisverordening van de betrokken gemeenschapsregeling duidelijk beslissend is en de Commissie volgens vaste rechtspraak „met name op het gebied van de landbouw, alle voor de uitvoering van de basisverordening noodzakelijke of nuttige toepassingsbepalingen [kan] vaststellen, mits deze niet in strijd zijn met de basisverordening of de toepassingsverordening van de Raad”.(68)
104. Hoe dan ook stel ik vast dat de Raad, toen hij de Commissie machtigde de uitvoeringsbepalingen voor deze regeling vast te stellen, duidelijk heeft verklaard dat deze bepalingen moesten zorgen voor „de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de door de Gemeenschap overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag gesloten akkoorden”.(69)
e) Slotbeschouwingen
105. Uit het voorgaande kan dus worden afgeleid dat de communautaire wetgever met de hier bedoelde wijziging van de regeling betreffende de invoer van bananen uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting.
106. Dit brengt mij tot de conclusie dat in de zaak OGT Fruchthandelsgesellschaft, en vooral in de onderhavige zaak, de voorwaarden zijn vervuld die volgens het Hof vereist zijn om de wettigheid van die regeling te toetsen aan de WTO-regels. Aangezien die regeling volgens de uitspraak van het DSB van 6 mei 1999 niet met deze regels verenigbaar is, kan het oordeel van het Hof slechts negatief uitvallen, dat wil zeggen in de zin van een ongeldigverklaring van de handelingen waarop de betrokken regeling is gebaseerd.
107. Gelet op hetgeen voorafgaat, geef ik het Hof derhalve, nog steeds subsidiair, in overweging de eerste, de derde en de vierde prejudiciële vraag, zoals geherformuleerd, aldus te beantwoorden dat de communautaire regeling betreffende de invoer van bananen, die op de gewijzigde verordening nr. 404/93 en de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen is gebaseerd, uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting van de Gemeenschap. Zoals in de uitspraak van het DSB van 6 mei 1999 is vastgesteld, is de in de uitspraak van het DSB van 25 september 1997 geconstateerde onverenigbaarheid met de WTO-regels door deze verordening evenwel niet opgeheven en is de regeling dus ongeldig voor het gedeelte waarin de onverenigbaarheid blijft voortduren.
B – De tweede prejudiciële vraag
108. Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de communautaire regeling betreffende de invoer van bananen in strijd is met artikel 4 van de overeenkomst EEG-Andespact, in die zin dat de partijen elkaar de behandeling van meestbegunstigde natie toekennen overeenkomstig artikel 1 van de GATT (zie supra, punt 5).
109. Welbeschouwd hoeft deze vraag volgens mij niet afzonderlijk te worden gesteld aangezien de daarin aangehaalde bepaling, zoals ik direct kan zeggen, niets toevoegt aan de verplichtingen welke krachtens de WTO/GATT-regels reeds op de partijen rusten. Voor deze vraag gelden derhalve dezelfde oplossingen als die welke het Hof in zijn arrest zal voorstellen voor de reeds onderzochte vragen, aangezien, ongeacht of de stelling betreffende de onwettigheid van de betrokken gemeenschapsregeling wegens onverenigbaarheid met die regels al dan niet wordt aanvaard, het niet meer nodig is hetzelfde onderzoek te herhalen met betrekking tot de overeenkomst EEG-Andespact, die niet afwijkt van de WTO/GATT-regels.
110. Evenals de Commissie herinner ik er dienaangaande aan dat artikel 4 van die overeenkomst is ingevoegd om de behandeling van meestbegunstigde natie ook mogelijk te maken voor die staten die destijds nog geen lid waren van het GATT-stelsel. Deze bepaling heeft dus enkel de werkingssfeer ratione personae van het GATT-stelsel uitgebreid maar heeft de draagwijdte of de aard van de verplichtingen die daaruit voortvloeien, niet gewijzigd.
111. Zoals de Commissie en de Raad beklemtonen, hebben de partijen met de overeenkomst EEG-Andespact immers geenszins nadere verplichtingen willen aangaan, vergeleken met die waarin het GATT heeft voorzien. In de preambule van de overeenkomst verklaren de partijen zich echter uitdrukkelijk „overtuigd van het belang van de beginselen van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel”, en in artikel 4 bevestigen zij „dat zij hun handelsverkeer overeenkomstig die overeenkomst zullen regelen”.
112. Om deze redenen ben ik van mening dat deze bepaling geen autonome maatstaf voor de wettigheidstoetsing van gemeenschapshandelingen kan vormen en dat daarvoor dus de oplossingen moeten gelden die het Hof in zijn arrest zal voorstellen voor de hierboven onderzochte vragen.
IV – Conclusie
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vragen van de Raad van State te beantwoorden als volgt:
„1) De communautaire regeling betreffende de invoer van bananen, die gebaseerd is op verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1637/98 van de Raad van 20 juli 1998, en op de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen, is ongeldig voorzover zij onverenigbaar is met de WTO-regels, zoals door het DSB vastgesteld op 25 september 1997 en bevestigd op 6 mei 1999.
Subsidiair:
1) De communautaire regeling betreffende de invoer van bananen, die gebaseerd is op verordening nr. 404/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1637/98, en op de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen, heeft uitvoering willen geven aan een door de Gemeenschap in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting. Deze regeling heeft evenwel, zoals in de uitspraak van het DSB van 6 mei 1999 is vastgesteld, de in de uitspraak van het DSB van 25 september 1997 geconstateerde onverenigbaarheid met de WTO-regels niet opgeheven, zodat zij ongeldig is voor het gedeelte waarin de onverenigbaarheid blijft voortduren.
2) Dezelfde oplossingen gelden eveneens wat de verenigbaarheid van die regeling met artikel 4 van de overeenkomst EEG-Andespact betreft.”
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – PB L 336, blz. 1.
3 – Niet-officiële vertaling.
4 – Niet-officiële vertaling.
5 – Het gaat om de volgende landen: de Republiek Bolivia, de Republiek Colombia, de Republiek Ecuador, de Republiek Peru en de Republiek Venezuela.
6 – PB L 127, blz. 10. De tekst van de overeenkomst staat op blz. 11 e.v.
7 – Bijlage bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (PB 1994 L 336, blz. 234).
8 – PB L 47, blz. 1.
9 – Rapport WT/DS27/AB/R – European Communities – Regime for the Importation, Sale and Distribution of Bananas, van 9 september 1997, beschikbaar op de website van de WTO, .
10 – PB L 210, blz. 28.
11 – In deze bijlage is een lijst opgenomen van twaalf staten die traditionele ACS-bananen leveren, waaraan een jaarlijks contingent van 857 700 ton is voorbehouden, zonder dat individuele maximumhoeveelheden worden toegewezen aan elke staat.
12 – PB L 293, blz. 32.
13 – PB L 349, blz. 32.
14 – PB L 11, blz. 16.
15 – PB L 75, blz. 18.
16 – Rapport WT/DS27/RW/ECU, European Communities – Regime for the Importation, Sale and Distribution of Bananas, van 12 april 1999, beschikbaar op de website van de WTO, .
17 – PB L 31, blz. 2.
18 – Arrest van 23 november 1999 (C‑149/96, Jurispr. blz. I‑8395).
19 – Besluit 96/386/EG van 26 februari 1996 (PB L 153, blz. 47).
20 – Arrest Portugal/Raad, reeds aangehaald, punt 34. Zie eveneens arrest van 26 oktober 1982, Kupferberg (104/81, Jurispr. blz. 3641, punt 17).
21 – Arrest Portugal/Raad, reeds aangehaald, punt 35.
22 – Ibidem, punt 41.
23 – Ibidem, punt 36.
24 – Ibidem, punt 37 (cursivering van mij).
25 – Ibidem, punt 40 (cursivering van mij).
26 – Ibidem, punt 42.
27 – Ibidem, punt 43.
28 – Ibidem, punten 45 en 46.
29 – Ibidem, punt 47.
30 – Ibidem, punt 49. De twee „uitzonderingen” werden door het Hof voor de eerste maal vermeld, in respectievelijk de arresten van 7 mei 1991, Nakajima/Raad (C‑69/89, Jurispr. blz. I‑2069, punt 31), en 22 juni 1989, Fediol/Commissie (70/87, Jurispr. blz. 1781, punten 19‑22).
31 – Ik herinner eraan dat zelfs advocaat-generaal Saggio na een grondige analyse in zijn conclusie in die zaak tot een dergelijk standpunt was gekomen. Hij was namelijk van mening dat „de WTO-overeenkomsten als internationale overeenkomsten [krachtens artikel 300, lid 7, EG] bindend zijn voor alle instellingen en, bijgevolg, een bron van gemeenschapsrecht zijn. Dit betekent enerzijds, dat het Hof gehouden is de eerbiediging ervan [...] door de gemeenschapsinstellingen [...] te waarborgen” (punt 20), te meer omdat „zeer veel bepalingen van de [WTO‑]overeenkomsten onvoorwaardelijke rechten en verplichtingen scheppen en nauwkeurige verbintenissen voor de overeenkomstsluitende partijen in hun onderlinge betrekkingen inhouden” (punt 19). Om vervolgens de onzekerheid weg te nemen die dat standpunt kon teweegbrengen ten aanzien van de belangen van de Gemeenschap, wil de advocaat-generaal de vraag van de werking van de WTO-regels in de communautaire rechtsorde „uitzuiveren” van de vraag of deze regels rechtstreeks toepasselijk zijn en derhalve van de vraag of zij geschikt zijn om „particulieren [...] het recht [te verlenen] in rechte op te treden”. Volgens hem betekent de rechtstreekse werking van de WTO-regels immers niet noodzakelijk dat particulieren zich daarop in rechte kunnen beroepen. „Deze werking zal zich in de communautaire rechtsorde enkel voordoen en de justitiabelen zullen zich dus enkel in rechte op de bepalingen van de overeenkomst kunnen beroepen, wanneer uit de algemene context van de overeenkomst duidelijk is, dat de bepalingen ervan door particulieren in rechte kunnen worden ingeroepen.” Daaruit volgt dat „een regel van een internationale overeenkomst in voorkomend geval ook zonder rechtstreekse werking te hebben, bindend kan zijn voor de gemeenschapsinstellingen en, bijgevolg, de functie van (communautair) wettigheidscriterium kan vervullen” (punt 18).
32 – Arrest van 9 oktober 2001 (C‑377/98 (Jurispr. blz. I‑7079).
33 – PB L 213, blz. 13.
34 – Verdrag van Rio de Janeiro van 5 juni 1992 inzake biologische diversiteit, goedgekeurd namens de Europese Economische Gemeenschap bij besluit 93/626/EEG van de Raad van 25 oktober 1993 (PB L 309, blz. 1).
35 – Arrest Nederland/Parlement en Raad, punten 52‑54 (cursivering van mij).
36 – Dezelfde strekking heeft ook de beschikking van 2 mei 2002, OGT Fruchthandelsgesellschaft (C‑307/99, Jurispr. blz. I‑3159). Daar kom ik evenwel nog uitvoerig op terug.
37 – Artikel 3, lid 5, DSU luidt: „Alle oplossingen voor kwesties die formeel zijn voorgelegd ingevolge de regels en procedures inzake overleg en geschillenbeslechting van de [WTO‑]overeenkomsten, [...] dienen in overeenstemming te zijn met die overeenkomsten en mogen voordelen die een lid ingevolge die overeenkomsten toekomen, niet tenietdoen of uithollen, noch de verwezenlijking van een doelstelling van die overeenkomst belemmeren” (cursivering van mij).
38 – Conclusie van 15 mei 2003 bij het arrest van 30 september 2003, Biret International/Raad (C‑93/02 P, Jurispr. blz. I‑10497, punt 81 van de conclusie).
39 – Arrest reeds aangehaald. Dezelfde situatie is ook behandeld in de zaak Biret en Cie/Raad C‑94/02 P, Jurispr. blz. I-10565), waarover het Hof op dezelfde datum uitspraak heeft gedaan. Hierna verwijs ik enkel naar het arrest Biret International/Raad.
40 – PB 1994, L 336, blz. 40.
41 – Richtlijn 81/602/EEG van de Raad van 31 juli 1981 betreffende het verbod van bepaalde stoffen met hormonale werking en van stoffen met thyreostatische werking (PB L 222, blz. 32) en richtlijn 88/146/EEG van de Raad van 7 maart 1988 tot instelling van een verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking in de veehouderij (PB L 70, blz. 16).
42 – Richtlijn van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de richtlijnen 81/602, 88/146 en 88/299 (PB L 125, blz. 3).
43 – Zie rapport van de Beroepsinstantie WT/DS26/AB/R, WT/DS48/AB/R, European Communities – Measures Concerning Meat and Meat Products, van 16 januari 1998, aangenomen door het DSB op 13 februari 1998, beschikbaar op de website .
44– Arrest Gerecht van 11 januari 2002, Biret International/Raad (T‑174/00, Jurispr. blz. II‑17, punt 67).
45 – Ibidem, punt 61.
46 – Conclusie in de zaak Biret International/Raad, reeds aangehaald, punt 86.
47 – Ibidem, punten 85‑88.
48 – Arrest reeds aangehaald, punt 18.
49 – Conclusie in de zaak Biret International/Raad, reeds aangehaald, punten 97‑102 (de geciteerde passage staat in punt 102).
50 – Ibidem, punt 103. In casu geeft de advocaat-generaal op basis van deze conclusie het Hof in overweging de schadevordering van Biret tegen de Gemeenschap ontvankelijk te verklaren, juist omdat de handelingen van de Gemeenschap onrechtmatig zijn wegens schending van het WTO-recht.
51 – Zoals het Hof voor het overige in elk geval reeds had geoordeeld in zijn arrest van 14 oktober 1999, Atlanta/Europese Gemeenschap (C‑104/97 P, Jurispr. blz. I‑6983, met name punten 19‑22). Heel andere aanwijzingen komen echter naar voren uit de beschikking OGT Fruchthandelsgesellschaft, waarop ik nog uitvoerig zal ingaan (zie infra, punten 93 e.v.).
52 – Het Hof heeft namelijk vastgesteld dat de Gemeenschap, daar zij tegenover de WTO te kennen had gegeven dat zij voornemens was haar verplichtingen na te leven en daarom had verzocht om overeenkomstig artikel 21, lid 3, DSU over een redelijke termijn te kunnen beschikken, een termijn van vijftien maanden had gekregen, die op 13 mei 1999 verstreek. Daaruit heeft het Hof afgeleid dat „de gemeenschapsrechter voor de periode vóór 13 mei 1999 in elk geval niet de wettigheid van de betrokken gemeenschapshandelingen [...] kan toetsen, omdat anders de toekenning van [deze] termijn [...] haar betekenis zou verliezen” (punt 62, cursivering van mij).
53 – Punt 57, cursivering van mij.
54 – Zie arbitrale uitspraak WT/DS27/15, European Communities – Regime for the Importation, Sale and Distribution of Bananas, van 23 december 1997, aangenomen door het DSB op 7 januari 1998, beschikbaar op de website van de WTO, , punt 12.
55 – Arrest Portugal/Raad, reeds aangehaald, punt 49. Zie ook arrest Nakajima/Raad, reeds aangehaald, punt 31.
56 – PB L 209, blz. 1.
57 – Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, goedgekeurd namens de Gemeenschap bij besluit 80/271/EEG van de Raad van 10 december 1979 betreffende de sluiting van de multilaterale overeenkomsten waarover tijdens de handelsbesprekingen 1973-1979 overeenstemming is bereikt (PB L 71, blz. 1). Luidens de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 2423/88 werden deze voorschriften vastgesteld „in overeenstemming met de bestaande internationale verplichtingen, in het bijzonder met die welke voortvloeien uit artikel VI van [de GATT], [de anti-dumpingcode] en uit de Overeenkomst inzake de uitlegging en de toepassing van de artikelen VI, XVI en XXIII van de GATT (Code inzake subsidies en compenserende rechten)”. In de derde overweging van de considerans heet het dat „het van wezenlijk belang is dat de Gemeenschap bij de toepassing van deze voorschriften, met het oog op de handhaving van het met deze overeenkomsten nagestreefde evenwicht tussen rechten en verplichtingen, rekening houdt met de interpretatie ervan door haar belangrijkste handelspartners, zoals die in de wetgeving of het gevestigde gebruik tot uiting komt”.
58 – Arrest Nakajima/Raad, reeds aangehaald, punten 29‑31.
59 – C‑352/96, Jurispr. blz. I‑6937.
60 – Verordening (EG) nr. 1522/96 van de Raad van 24 juli 1996 inzake de opening en de wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor de invoer van rijst en breukrijst (PB L 190, blz. 1).
61 – Arrest Italië/Raad, reeds aangehaald, punten 19‑21.
62 – Reeds aangehaald.
63 – Ibidem, punt 28.
64 – Een groot gedeelte van de rechtsleer heeft zich vrij kritisch uitgelaten over het antwoord van het Hof. Zie onder meer S. Peers, „WTO dispute settlement and Community law”, in European Law Review, 2001, blz. 605 e.v. („If the 1998 Regulations are not an example of the Community’s intention to implement a WTO obligation, it is hard to see what is”) (blz. 615); P. Eeckhout, „Judicial Enforcement of WTO Law in the European Union”, in Journal of International Economic Law, 2002, blz. 91 e.v. („That statement, with respect, is difficult to understand and accept”) (blz. 107).
65 – Zie arbitrale uitspraak WT/DS27/15, European Communities – Regime for the Importation, Sale and Distribution of Bananas, van 23 december 1997, aangenomen door het DSB op 7 januari 1998, te vinden op de website van de WTO, , punt 12.
66 – Ibidem, punt 12 (cursivering van mij).
67 – Schriftelijke vraag nr. P‑4069/98 van Y. Sandberg-Fries aan de Commissie, „Gevolgen van het handelsgeschil tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie” (PB 1999, C 182, blz. 137).
68 – Arrest van 13 december 2001, Kloosterboer Rotterdam (C‑317/99, Jurispr. blz. I‑9863, punt 28); zie eveneens arresten van 4 februari 1997, België en Duitsland/Commissie (C‑9/95, C‑23/95 en C‑156/95, Jurispr. blz. I‑645, punt 37), en 11 november 1999, Söhl & Söhlke (C‑48/98, Jurispr. blz. I‑7877, punt 36).
69 – Artikel 20, sub e, van gewijzigde verordening nr. 404/93.
Full & Egal Universal Law Academy