CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 12 februari 2004 (1)
Zaak C-397/02
Clinique La Ramée ASBL,
Winterthur Europe Assurance SA
tegen
Jean-Pierre Riehl
en
Raad van de Europese Unie
[verzoek van het Hof van Beroep te Brussel (België) om een prejudiciële beslissing]
„Ambtenaren – Statuut – Artikel 85 bis – Subrogatie van de Europese Gemeenschappen – Draagwijdte van de subrogatieregel”
1. Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen(2) legt de Gemeenschappen, wanneer een ambtenaar overlijdt of het slachtoffer van een ongeluk of een ziekte is, een aantal financiële verplichtingen op ten gunste van deze ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden. Wanneer het overlijden, het ongeval of de ziekte aan een derde is te wijten, bepaalt het statuut in artikel 85 bis ook dat de Gemeenschappen van rechtswege in alle rechten en rechtsvorderingen van deze ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden ten aanzien van de aansprakelijke derde treden.
2. In deze zaak wordt het Hof verzocht om een uitspraak over de draagwijdte van deze subrogatie. Het gaat erom vast te stellen of de Gemeenschappen op grond van artikel 85 bis van het statuut voor de nationale rechter terugbetaling kunnen vorderen van alle krachtens het statuut aan het slachtoffer of zijn rechtverkrijgenden betaalde bedragen, dan wel of de vordering van de Gemeenschappen moet worden beperkt tot het bedrag dat volgt uit de schadeberekening volgens de regels van het toepasselijke nationale recht.
I – Rechtskader
3. Volgens artikel 70 van het statuut ontvangt bij overlijden van een ambtenaar de overlevende echtgenoot met name de totale bezoldiging of het pensioen van de overledene tot en met de derde maand na de maand van overlijden, en volgens artikel 10 van de gemeenschappelijke regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen een vaste vergoeding voor begrafeniskosten.(3) Volgens de artikelen 79 en 79 bis van het statuut heeft de overlevende echtgenoot van een ambtenaar of een gewezen ambtenaar ook recht op een overlevingspensioen.
4. Artikel 85 bis van het statuut vormt het enige artikel van hoofdstuk 5, „Subrogatie van de Gemeenschappen”, van titel V die is gewijd aan „Financiële en sociale bepalingen voor de ambtenaar”. Het luidt als volgt:
„1. Wanneer het overlijden, een ongeval of een ziekte van een in dit statuut bedoelde persoon aan een derde is te wijten, treden de Gemeenschappen, voorzover er voor hen uit de schadebrengende gebeurtenis op grond van dit statuut verplichtingen voortvloeien, van rechtswege in alle rechten en rechtsvorderingen van die persoon of zijn rechtverkrijgenden ten aanzien van de aansprakelijke derde.
2. De in lid 1 bedoelde subrogatie is met name van toepassing in de volgende gevallen:
– de bezoldiging die overeenkomstig artikel 59 aan de ambtenaar gedurende zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid is uitbetaald,
– de betalingen die overeenkomstig artikel 70 zijn verricht als gevolg van het overlijden van een ambtenaar of gepensioneerd ambtenaar,
– de uitkeringen en vergoedingen uit hoofde van de artikelen 72 en 73 en van de desbetreffende uitvoeringsbepalingen, betreffende de ziektekosten en ongevallenverzekering,
– de vergoeding van de kosten van het vervoer van het stoffelijk overschot als bedoeld in artikel 75,
– de uitbetaling van extra gezinstoelagen […]
– de uitkering van invaliditeitspensioenen op grond van een ongeval of ziekte waardoor het de ambtenaar blijvend niet mogelijk is zijn werkzaamheden te verrichten,
– de uitbetaling van overlevingspensioenen als gevolg van het overlijden van een ambtenaar of gewezen ambtenaar of het overlijden van de echtgenoot van een ambtenaar of gepensioneerd ambtenaar, die zelf geen ambtenaar of tijdelijk functionaris is,
[…]
3. De subrogatie van de Gemeenschappen strekt zich evenwel niet uit tot de rechten op schadeloosstelling uit hoofde van strikt persoonlijke schade, zoals met name schadeloosstelling wegens immateriële schade en smartengeld, alsmede dat deel van de schade wegens esthetisch verlies en gederfde levensvreugde dat het bedrag van de eventuele vergoeding uit hoofde van artikel 73 te boven gaat.
4. Het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 kan geen beletsel vormen voor het instellen van een rechtstreekse vordering van de kant van de Gemeenschappen.”
II – De feiten en het hoofdgeding
5. M. Guette was ambtenaar van de Raad en echtgenote van J.-P. Riehl. Zij ontving op grond van artikel 78 van het statuut een invaliditeitspensioen. Zij overleed op 25 september 1990 tijdens haar opname in het ziekenhuis La Ramée. Vaststaat dat het overlijden is te wijten aan een fout van een personeelslid van dit ziekenhuis.
6. Naar aanleiding van het overlijden van Guette heeft de Raad de volgende bedragen aan Riehl uitbetaald:
– op grond van artikel 10 van de regeling een bedrag van 94 000 BEF als forfaitaire vergoeding van de begrafeniskosten;
– op grond van artikel 70 van het statuut een bedrag van 221 551 BEF, dat overeenkomt met het invaliditeitspensioen van mevrouw Guette tot en met de derde maand na haar overlijden, en
– op grond van de artikelen 79 en 79 bis van het statuut een geïndexeerd overlevingspensioen van 46 294 BEF, dat maandelijks wordt uitgekeerd vanaf de vierde maand na de maand van overlijden.
7. Bij vonnis van 15 december 1997 deed de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België) uitspraak over de gevolgen van de civielrechtelijke aansprakelijkheid van het ziekenhuis La Ramée. Op de vordering van Riehl veroordeelde dit gerecht het ziekenhuis tot vergoeding van zowel zijn schade wegens het verlies van de huishoudelijke hulp van zijn echtgenote als van zijn immateriële schade. Zijn vordering tot vergoeding van zijn inkomensverlies werd afgewezen, omdat dit verlies minder bedroeg dan het door de Raad uitgekeerde overlevingspensioen.
8. De door de Raad op grond van artikel 85 bis van het statuut ingestelde vorderingen tot vergoeding van de aan Riehl betaalde of verschuldigde bedragen voor de begrafeniskosten, voor de doorbetaling van het invaliditeitspensioen gedurende drie maanden en voor het overlevingspensioen werden toegewezen.
9. Het ziekenhuis La Ramée en de verzekeringsmaatschappij Winterthur Europe Assurance SA, jegens wie deze beslissing eveneens bindend en uitvoerbaar was verklaard, hebben hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. Zij voerden aan dat de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de grenzen van de subrogatie had miskend, door de Raad, die in de rechten van Riehl was getreden, hogere bedragen toe te kennen dan laatstgenoemde van de aansprakelijke derde kon vorderen.
10. Bij arrest van 6 november 2002 heeft het Hof van Beroep te Brussel (België) het betwiste vonnis bekrachtigd en het ziekenhuis La Ramée veroordeeld tot terugbetaling van 2 330,20 euro (94 000 BEF) en 5 491,11 euro (221 511 BEF) aan de Raad, bedragen die de Raad aan Riehl had betaald voor de begrafeniskosten en voor het tot de derde maand na overlijden verschuldigde pensioen. Het heeft een nieuwe beslissing genomen over de door het ziekenhuis La Ramée aan Riehl verschuldigde bedragen ter vergoeding van zijn schade door het verlies van huishoudelijke hulp en van zijn immateriële schade.
11. Het Hof van Beroep te Brussel is bij de berekening van de vergoeding van Riehls inkomensverlies door het overlijden van zijn echtgenote echter op een juridisch probleem gestuit.
12. Om te beginnen heeft het eraan herinnerd dat de aan Riehl te betalen vergoeding wegens inkomensverlies is bedoeld om het verlies van de door zijn overleden echtgenote in de huishouding verleende materiële steun te compenseren.(4) Vervolgens heeft het dit inkomensverlies berekend. Rekening houdend met het bij leven door mevrouw Guette ontvangen invaliditeitspensioen en haar aandeel in de kosten van de huishouding, heeft het Hof van Beroep dit verlies geraamd op 479,80 euro per maand vanaf 1 oktober 1990.(5)
13. Ten slotte heeft het Hof van Beroep te Brussel onderzocht hoeveel van dit bedrag moest worden afgetrokken. Het op grond van artikel 70 van het statuut gedurende drie maanden doorbetaalde pensioen, zijnde 5 491,11 euro (221 511 BEF), moest naar zijn oordeel worden afgetrokken, omdat dit bedrag en de naar Belgisch recht aan Riehl verschuldigde vergoeding voor het inkomensverlies dezelfde oorzaken hebben, namelijk de fout van het ziekenhuis La Ramée, en omdat zij tot herstel van dezelfde schade strekken.(6)
14. Met betrekking tot de vraag of het door de Raad aan Riehl uitgekeerde overlevingspensioen moest worden meegerekend, zag het Hof van Beroep zich geconfronteerd met de volgende tegengestelde opvattingen: enerzijds de mening van de Raad, dat het overlevingspensioen op grond van artikel 85 bis van het statuut volledig moet worden terugbetaald, omdat dit artikel deel uitmaakt van een eigen rechtsregeling, en anderzijds zijn eigen bevinding, dat de Gemeenschappen volgens artikel 85 bis van het statuut worden gesubrogeerd voorzover er voor hen uit(7) de schadebrengende gebeurtenis op grond van dit statuut verplichtingen voortvloeien, en dat in de Belgische rechtsorde het recht op overlevingspensioen losstaat van de verplichting van de dader van het schadebrengende feit om de schade volledig te vergoeden.
15. Het Hof van Beroep vraagt zich dus af of er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen het gemeenschapsrecht en het op de vordering toepasselijke nationale recht.
III – De prejudiciële vraag
16. Tegen deze achtergrond heeft het Hof van Beroep te Brussel besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Moet artikel 85 bis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, zoals vastgesteld bij de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 en de verordeningen tot wijziging van deze verordening, aldus worden uitgelegd dat het aan de Gemeenschappen het recht verleent om van de voor het overlijden van een ambtenaar aansprakelijke derde de volledige vergoeding te vorderen van het overlevingspensioen dat op grond van de artikelen 79 en 79 bis van dit statuut aan de overlevende echtgenoot wordt betaald, wanneer het op de schadevordering toepasselijke recht bepaalt dat het recht op een overlevingspensioen losstaat van de verplichting van degene die een onrechtmatige daad heeft gepleegd, om de schade volledig te vergoeden, en de schade die de overlevende echtgenoot lijdt als gevolg van het verlies van de inkomsten van zijn overleden echtgenote, lager is dan het bedrag van het aan hem betaalde overlevingspensioen?”
IV – Beoordeling
17. De Raad, de Commissie van de Europese Gemeenschappen en Riehl zijn van mening dat het Hof de vraag bevestigend moet beantwoorden. Zij betogen dat de in artikel 85 bis van het statuut voorziene subrogatie een specifiek mechanisme van het gemeenschapsrecht is, dat wegens de voorrang en rechtstreekse werking van dat recht niet door een nationale rechtsregel terzijde kan worden geschoven. Volgens hen volgt de bijzondere aard van de bij artikel 85 bis ingevoerde subrogatie uit de inhoud van dit artikel, dat bepaalt dat de vordering op het moment van de schadebrengende gebeurtenis van rechtswege overgaat. Dit is ook door het Hof erkend in het arrest van 26 februari 1992, Joris.(8) Volgens de Commissie wordt dat ook bevestigd door het bepaalde in artikel 85 bis, lid 4, van het statuut, waarmee de gemeenschapswetgever voor de Gemeenschappen de mogelijkheid van een rechtstreekse vordering heeft willen openen. De subrogatie van de Gemeenschappen is dus niet beperkt tot de aan de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden naar nationaal recht verleende schadevergoeding, maar strekt zich uit tot alle in artikel 85 bis, lid 2, van het statuut genoemde uitkeringen.
18. Ik deel dit standpunt niet. Hoewel het statuut voornamelijk dient ter vaststelling van de rechten en verplichtingen van de ambtenaren ten opzichte van de instellingen die hen tewerkstellen(9), staat vast dat het ook rechtsgevolgen voor derden kan hebben en de lidstaten verplichtingen oplegt voorzover hun medewerking noodzakelijk is voor de uitvoering ervan.(10) Het statuut is immers, omdat het een verordening is, in alle lidstaten rechtstreeks toepasselijk en kan zowel aan de ambtenaren als aan de Gemeenschappen rechten verlenen die de nationale rechterlijke instanties dienen te beschermen.(11)
19. De rechten waarop de Raad voor een nationale rechter op grond van het statuut aanspraak maakt, moeten hem echter wel daadwerkelijk door het statuut zijn verleend. Anders dan de Raad, de Commissie en Riehl, kan ik in artikel 85 bis van het statuut geen steun vinden voor hun standpunt en bevestigende beantwoording van de prejudiciële vraag van het Hof van Beroep te Brussel. Integendeel, evenals het ziekenhuis La Ramée ben ik van oordeel dat het op grond van artikel 85 bis van het statuut de Gemeenschappen niet mogelijk is om van derden die aansprakelijk voor de dood van een ambtenaar zijn, terugbetaling van aan zijn rechtverkrijgenden betaalde uitkeringen te verkrijgen, zoals het aan de overlevende echtgenoot overeenkomstig de artikelen 79 en 79 bis van het statuut toegekende overlevingspensioen, wanneer het nationale aansprakelijkheidsrecht dergelijke uitkeringen uitsluit van de schade die kan worden vergoed.
20. Teneinde de betekenis en de draagwijdte van artikel 85 bis te begrijpen, dient te worden nagegaan wat het rechtsbegrip „subrogatie” in de verschillende nationale rechtsordes inhoudt en hoe het zich heeft ontwikkeld.
21. De term „subrogatie” betekent dat een persoon of een zaak wordt vervangen door een andere persoon of zaak.(12) Juridisch betekent het begrip „persoonlijke subrogatie”, het enige dat ons in dit geval interesseert, in het rechtsstelsel van de meeste lidstaten(13), dat een persoon, de gesubrogeerde, treedt in de rechten verbonden aan een vordering van een ander, de oorspronkelijke schuldeiser, nadat eerstgenoemde aan laatstgenoemde heeft betaald. De subrogatie houdt dus in dat de vordering van de oorspronkelijke schuldeiser op de gesubrogeerde overgaat ten gevolge van de betaling van laatstgenoemde aan de eerstgenoemde. Omdat de subrogatie het effect heeft van een overgang wordt zij, wat de aan de gesubrogeerde overgedragen rechten op de werkelijke debiteur betreft, gekenmerkt door twee beperkingen: in de eerste plaats de betalingen door de gesubrogeerde zelf, en in de tweede plaats de rechten van de oorspronkelijke schuldeiser. Dat betekent om te beginnen dat de gesubrogeerde de debiteur slechts kan aanspreken tot het bedrag van zijn eigen betalingen aan de oorspronkelijke schuldeiser. Het betekent verder dat de gesubrogeerde die de plaats van de oorspronkelijke schuldeiser in diens betrekking met de debiteur inneemt, tegen laatstgenoemde niet meer rechten kan hebben dan degene wiens plaats hij inneemt. Deze laatstgenoemde beperking heeft tot gevolg dat de subrogatie de situatie van de debiteur niet kan verslechteren. Dit is een volkomen logisch gevolg, want de subrogatie voltrekt zich los van de debiteur, zonder dat zijn toestemming is vereist.
22. In de meeste lidstaten heeft de subrogatie een belangrijke ontwikkeling gekend door de erkenning van de wettelijke subrogatie ten behoeve van organisaties of instellingen die schadevergoedingen uitkeren. Reeds vóór de oprichting van de Europese Gemeenschappen werd de vergoeding van lichamelijk letsel collectief gedragen, onder meer door sociale zekerheidsinstellingen of door de staat als werkgever. Indien de schade aan een derde kan worden toegerekend, sluit de betaling van de door deze instellingen of de staat verschuldigde uitkeringen echter een schadevordering van het slachtoffer tegen de aansprakelijke derde niet uit. Het slachtoffer zou dezelfde schade dus twee keer vergoed kunnen krijgen. Teneinde deze cumulatie van vergoedingen te voorkomen, heeft de nationale wetgever dan ook bepaald dat de sociale zekerheidsinstellingen of de staat van rechtswege in de rechten en vorderingen van het slachtoffer tegen de aansprakelijke derde worden gesubrogeerd. Deze instellingen of de staat kunnen aldus van de aansprakelijke derde terugbetaling verkrijgen van de uitkeringen die hetzelfde doel dienen als diens verbintenis volgens het toepasselijke aansprakelijkheidsrecht, dat wil zeggen vergoeding van de schade van het slachtoffer. Deze wettelijke subrogatie bood tevens de oplossing voor de controverse over de vraag, of de sociale zekerheidsinstellingen of de staat de aansprakelijke derde wel konden aanspreken, terwijl de door hen aan het slachtoffer betaalde uitkeringen op de toepassing van een wettelijke regeling berustten en dus niet geacht konden worden rechtstreeks voort te vloeien uit het handelen van deze derde.
23. Artikel 85 bis van het statuut voorziet, op enkele nuances na, in dezelfde regels. Het bepaalt dat, wanneer de schade waarvan een in het statuut bedoelde persoon het slachtoffer is, aan een derde kan worden toegerekend, de Gemeenschappen, voorzover voor hen uit het statuut verplichtingen voortvloeien, van rechtswege in alle rechten en rechtsvorderingen van het slachtoffer of zijn rechtverkrijgenden tegen deze derde treden. Hetzelfde artikel bevat in lid 2 een lijst van in het statuut bepaalde uitkeringen die onder deze subrogatie vallen. Daarvan zijn volgens lid 3 uitgesloten de schadevergoedingen die de aansprakelijke derde verschuldigd is uit hoofde van strikt persoonlijke schade, zoals schadeloosstelling wegens immateriële schade en smartengeld.
24. Hieruit volgt in de eerste plaats dat de subrogatie in artikel 85 bis van het statuut een subrogatie van rechtswege is. Dit betekent enerzijds dat deze subrogatie automatisch plaatsvindt zonder voorafgaande toestemming van de oorspronkelijke schuldeiser(14), en anderzijds dat zij volgens de beginselen van voorrang en rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht door alle rechterlijke instanties van de lidstaten moet worden erkend en dat zij effect moet sorteren zonder dat daarvoor een nationale rechtsregel noodzakelijk is en ook zonder dat een nationale rechtsregel zich daartegen kan verzetten.
25. In de tweede plaats blijkt uit artikel 85 bis van het statuut dat de Gemeenschappen worden gesubrogeerd binnen de grenzen van hun statutaire verplichtingen, dat wil zeggen voor niet meer dan de bedragen die zij zelf aan het slachtoffer of zijn rechtverkrijgenden verschuldigd zijn. Zoals de Raad, de Commissie en Riehl in hun schriftelijke opmerkingen hebben aangevoerd, en zoals advocaat-generaal Tesauro in zijn conclusie in de zaak Joris(15) had beklemtoond, is artikel 85 bis inderdaad enigszins bijzonder vergeleken met de algemene regeling van de subrogatie in de meeste lidstaten. Terwijl, zoals reeds gezegd, de subrogatie in beginsel plaats vindt door de betaling van de gesubrogeerde aan de oorspronkelijke schuldeiser, is dit bij de communautaire subrogatie de schadebrengende gebeurtenis, in die zin dat de Gemeenschappen van rechtswege worden gesubrogeerd zodra deze gebeurtenis zich heeft voorgedaan.
26. Echter, de bepalingen van artikel 85 bis van het statuut bevatten geen enkele aanwijzing dat de communautaire subrogatie zou afwijken van de tweede beperking die voortvloeit uit de overdragende werking van de subrogatie, te weten dat de gesubrogeerde slechts de rechten verkrijgt waarover de oorspronkelijke schuldeiser beschikte. Integendeel, artikel 85 bis, lid 1, van het statuut bepaalt uitdrukkelijk dat de Gemeenschappen in alle „rechten en rechtsvorderingen” van het slachtoffer of zijn rechtverkrijgenden „ten aanzien van de aansprakelijke derde” treden. Uit deze passage volgt dus duidelijk dat de Gemeenschappen tegen de aansprakelijke derde niet over meer rechten beschikken dan het slachtoffer of zijn rechtverkrijgenden. Deze beperking is overigens volkomen logisch, want deze uit het statuut voortvloeiende subrogatie werkt van rechtswege, onafhankelijk van de wil van de aansprakelijke derde, zodat diens situatie daardoor niet slechter mag worden. De communautaire subrogatie in artikel 85 bis van het statuut is dus op dit punt niet anders dan de subrogatie zoals de rechtsordes van de lidstaten die kennen.
27. Artikel 85 bis, lid 4, van het statuut luidt: „Het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 kan geen beletsel vormen voor het instellen van een rechtstreekse vordering van de kant van de Gemeenschappen.” Deze bepaling zegt dus eenvoudig dat de omstandigheid dat de Gemeenschappen van rechtswege in de rechten van het slachtoffer of zijn rechtverkrijgenden treden, geen beletsel voor hen vormt om rechtstreeks voor de nationale rechter terugbetaling van de door de aansprakelijke derde veroorzaakte schade te vorderen. Met andere woorden, een nationale rechter kan de Gemeenschappen dit recht van subrogatie niet tegenwerpen om hun het recht op instelling van een rechtstreekse vordering tot terugbetaling van hun eigen schade te ontzeggen.(16) Artikel 85 bis, lid 4, bepaalt echter niet dat de nationale rechter, ongeacht zijn nationale aansprakelijkheidsrecht, de aansprakelijke derde zou moeten veroordelen om alle in artikel 85, lid 2, van het statuut bedoelde uitkeringen aan de Gemeenschappen terug te betalen.
28. Bovendien vindt het door de Raad, de Commissie en Riehl verdedigde standpunt, wanneer het niet al op grond van de bewoordingen van artikel 85 bis van het statuut zou moeten worden verworpen, geen steun in de context of de doelstellingen van het daarin aan de Gemeenschappen verleende subrogatierecht.
29. Zoals reeds gezegd, hebben de Gemeenschappen, wat betreft het rechtskader waarin dit subrogatierecht is verleend, op grond van het statuut verschillende financiële verplichtingen tegenover de daarin bedoelde personen in geval van schade. Wanneer deze schade aan een derde kan worden toegerekend, is het volkomen logisch dat de Gemeenschappen, evenals een nationale socialezekerheidsinstelling, in de rechten en rechtsvorderingen van het slachtoffer en zijn rechtverkrijgenden tegen de aansprakelijke derde treden. Zoals bekend, behoren vorderingen van de ambtenaren en de andere in het statuut bedoelde personen tot vergoeding van de hun door een derde toegebrachte schade echter tot de bevoegdheid van de nationale rechter en zijn deze vorderingen onderworpen aan de nationale regels betreffende contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid. Het subrogatierecht van de Gemeenschappen heeft nu tot gevolg dat de rechten en rechtsvorderingen die het slachtoffer en zijn rechtverkrijgenden naar het geldende nationale aansprakelijkheidsrecht tegen een aansprakelijke derde bezitten, overgaan op de Gemeenschappen. Uit geen enkele bepaling van het statuut kan worden afgeleid dat dit subrogatierecht beoogt de Gemeenschappen verdergaande rechten op schadevergoeding te verlenen en hen in staat te stellen om alle uitkeringen die zij krachtens het statuut moesten betalen, stelselmatig terug te vorderen.
30. In dit verband kan een vergelijking worden gemaakt tussen de bepalingen van artikel 85 bis van het statuut en die van artikel 93 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad(17), betreffende het recht van nationale socialezekerheidsinstellingen tegen de schadeplichtige derde wanneer deze instellingen uitkeringen hebben betaald wegens een schade die voortvloeit uit een op het grondgebied van een andere lidstaat voorgevallen gebeurtenis.(18) Evenals artikel 85 bis van het statuut dit ten gunste van de Gemeenschappen doet, biedt artikel 93, lid 1, van verordening nr. 1408/71 een socialezekerheidsinstelling die uitkeringen heeft betaald naar aanleiding van een schade die voortvloeit uit een op het grondgebied van een andere lidstaat voorgevallen gebeurtenis, de mogelijkheid om verhaal te zoeken op de aansprakelijke derde met de juridische middelen die het door deze instelling toegepaste recht biedt, zoals subrogatie en een rechtstreekse vordering. Het Hof was in het arrest van 2 juni 1994, DAK(19) echter van oordeel dat artikel 93, lid 1, geen wijziging brengt in de regels volgens welke moet worden bepaald of en in hoeverre de schadeveroorzakende derde wettelijk aansprakelijk is, zodat deze aansprakelijkheid blijft vallen onder de materiële regels die de nationale rechter bij wie de betrokken instelling of het slachtoffer zelf de vordering indient, normaal dient toe te passen, dat wil zeggen in beginsel onder de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ontstaan.
31. Ook uit de overwegingen van de considerans van verordeningen waarbij de subrogatie van rechtswege van de Gemeenschappen is ingevoerd(20), blijkt niet dat het de bedoeling van de communautaire wetgever is geweest om alle uitkeringen die de Gemeenschappen het slachtoffer en zijn rechtverkrijgenden volgens het statuut moeten betalen, dwingend ten laste van de aansprakelijke derde te laten komen. Zoals het Hof herhaaldelijk heeft vastgesteld, moet het subrogatierecht van de Gemeenschappen eenvoudig voorkomen dat een ambtenaar twee keer vergoeding van dezelfde schade ontvangt.(21) Het wil de Gemeenschappen dus niet meer rechten verlenen dan de rechten waarover de oorspronkelijke schuldeiser beschikt.
32. Bestudering van het reeds aangehaalde arrest Joris leidt eveneens tot dezelfde conclusie. In die zaak moest het Hof de vraag beantwoorden of de aansprakelijke derde aan de gemeenschapsinstelling een dading kon tegenwerpen die hij met de ambtenaar was aangegaan voordat de Gemeenschappen tot uitkering overgingen. Het Hof was van oordeel dat, ofschoon de subrogatie plaatsvindt op het tijdstip van de schadebrengende gebeurtenis, een aansprakelijke derde die met een gemeenschapsambtenaar een dading is aangegaan, deze overeenkomst aan de instelling kan tegenwerpen, tenzij deze instelling de aansprakelijke derde vóór de dading met de betrokken ambtenaar in kennis heeft gesteld van het recht van subrogatie en van haar voornemen dit recht uit te oefenen, dan wel aantoont dat de aansprakelijke derde vóór de dading met de ambtenaar wist van het bestaan van het recht van subrogatie.(22) Uit dit arrest blijkt dat de gesubrogeerde niet over meer rechten tegen de debiteur beschikt dan de oorspronkelijke schuldeiser tevoren. Juist omdat de Gemeenschappen in de rechten van de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden tegen de aansprakelijke derde treden, kan laatstgenoemde hun een dergelijke overeenkomst tegenwerpen onder de door het Hof vastgestelde voorwaarden.
33. De communautaire subrogatie als geregeld in artikel 85 bis van het statuut, kan de Gemeenschappen dus niet meer rechten verlenen dan de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden naar het toepasselijke nationale aansprakelijkheidsrecht zelf bezitten. Hieruit volgt dat, wanneer het nationale aansprakelijkheidsrecht een overlevingspensioen als bedoeld in de artikelen 79 en 79 bis van het statuut niet beschouwt als schade waarvan de echtgenoot van het slachtoffer vergoeding kan vorderen, de Gemeenschappen dit niet op grond dat zij in diens rechten zijn getreden, kunnen terugvorderen.
34. Deze uitlegging van artikel 85 bis van het statuut heeft wel tot gevolg dat de rechten van de Gemeenschappen op terugvordering van de door hen aan het slachtoffer of zijn rechtverkrijgenden naar aanleiding van een schade betaalde uitkeringen verschillen naargelang het op de schadeberekening toepasselijke nationale recht. Anders dan de Raad, de Commissie en Riehl hebben betoogd, moet deze dispariteit echter niet worden toegeschreven aan een tekortkoming in de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht. De gemeenschapswetgever heeft de aansprakelijkheidsvoorwaarden weliswaar op enkele bijzondere terreinen geharmoniseerd(23), met name op het gebied van de consumentenbescherming(24), dit neemt echter niet weg dat elke lidstaat in zijn eigen rechtsorde mag blijven bepalen wanneer er contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid ontstaat en welke schade voor vergoeding in aanmerking komt. Er bestaat dus momenteel geen gemeenschapsrechtelijke bepaling waarin voor de gehele Gemeenschap de aansprakelijkheidsvoorwaarden en de regels ter berekening van de voor vergoeding in aanmerking komende schade worden vastgesteld.(25) Er bestaat evenmin een gemeenschapsrechtelijke bepaling ter harmonisatie van de rechten op schadevergoeding van de rechtverkrijgenden van iemand die, zoals in het onderhavige geval, door een medische fout is overleden. Het is dus logisch dat de vorderingen van de Gemeenschappen in hun hoedanigheid van gesubrogeerde van een ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden tot verschillende oplossingen kunnen leiden naargelang het toepasselijke nationale recht.
35. Ik geef het Hof dus een overweging om het Hof van Beroep te Brussel te antwoorden, dat artikel 85 bis van het statuut aldus moet worden uitgelegd dat het de Gemeenschappen niet het recht verleent om van de voor het overlijden van een ambtenaar aansprakelijke derde de volledige vergoeding te vorderen van het overlevingspensioen dat op grond van de artikelen 79 en 79 bis van dit statuut aan de overlevende echtgenoot wordt betaald, wanneer het op de schadevordering toepasselijke recht bepaalt dat het recht op een overlevingspensioen losstaat van de verplichting van degene die een onrechtmatige daad heeft gepleegd, om de schade volledig te vergoeden, en de schade die de overlevende echtgenoot lijdt als gevolg van het verlies van de inkomsten van zijn overleden echtgenote lager is dan het bedrag van het aan hem betaalde overlevingspensioen.
V – Conclusie
36. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof een overweging om de vraag van het Hof van Beroep te Brussel te beantwoorden als volgt:
„Artikel 85 bis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen moet aldus worden uitgelegd, dat het de Gemeenschappen niet het recht verleent om van de voor het overlijden van een ambtenaar aansprakelijke derde de volledige vergoeding te vorderen van het overlevingspensioen dat op grond van de artikelen 79 en 79 bis van dit statuut aan de overlevende echtgenoot wordt betaald, wanneer het op de schadevordering toepasselijke recht bepaalt dat het recht op een overlevingspensioen losstaat van de verplichting van degene die een onrechtmatige daad heeft gepleegd, om de schade volledig te vergoeden, en de schade die de overlevende echtgenoot lijdt als gevolg van het verlies van de inkomsten van zijn overleden echtgenote lager is dan het bedrag van het aan hem betaalde overlevingspensioen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Hierna: „statuut”.
3 – Hierna: „regeling”.
4 – Verwijzingsbeschikking (blz. 5, punt 5).
5 – Ibidem (blz. 6).
6 – Ibidem (blz. 7).
7 – Cursivering door het Hof van Beroep.
8 – C-333/90, Jurispr. blz. I-1135, punt 8.
9 – Arrest van 10 juni 1999, Johannes (C-430/97, Jurispr. blz. I- 3475, punt 19).
10 – Arresten van 20 oktober 1981, Commissie/België (137/80, Jurispr. blz. 2393, punt 8), en 20 maart 1986, Commissie/Nederland (72/85, Jurispr. blz. 1219, punt 20).
11 – Zie in die zin arrest van 7 mei 1987, Commissie/België (186/85, Jurispr. blz. 2029, punten 21 en 23), en arrest Commissie/Duitsland (189/85, Jurispr. blz. 2061, punten 14 en 16).
12 – Anders dan de etymologie van het woord suggereert (subrogare), is het woord „subrogation” niet van Latijnse oorsprong, maar is het ontleend aan het canonieke recht. Het Romeinse recht erkende het beginsel dat iemand door de betaling in de plaats van een ander treedt, slechts in twee specifieke gevallen, namelijk de cessie van vorderingen aan de borg en de successio in locum, waarbij degene die de betaling verricht in de plaats van de oorspronkelijke schuldeiser kon treden, maar alleen wanneer het om een hypotheek ging (Mestre, J., „La subrogation personelle”, LGDJ 1979, inleiding).
13 – Bijvoorbeeld in het Belgische, Deense, Duitse, Spaanse, Franse, Italiaanse, of Oostenrijkse recht. In het recht van de Common law-staten wordt de term „subrogation” omschreven als volgt: „Subrogation is literally ‚substitution’. The term is used in the context of English and Commonwealth law to describe a process by which one party is substituted for another so that he may enforce that other’s rights against a third party for his own benefits” (The law of subrogation, Mitchell, C., Clarendon press, Oxford, 1994, blz. 3).
14 – Artikel 85 bis van het statuut verschilt dus van artikel 8 van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten. Dat artikel luidt: „De ingevolge deze regeling te verrichten uitkeringen, schadeloosstellingen en vergoedingen van medische kosten worden de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden slechts uitbetaald op voorwaarde dat deze de Gemeenschappen tot het bedrag dier uitkeringen, schadeloosstellingen en vergoedingen subrogeren in al hun rechten en vorderingen tegen eventuele aansprakelijke derden.”
15 – Punten 4 en 5.
16 – Op grond van deze bepaling kunnen de Gemeenschappen dus, parallel aan hun vordering in hun hoedanigheid van gesubrogeerde, van de aansprakelijke derde terugbetaling te vorderen van bedragen die niet door de subrogatie zijn gedekt, zoals administratieve kosten, kosten van het medische onderzoek van de ambtenaar, enz.
17 – Verordening van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschappen verplaatsen (PB L 149, blz. 2).
18 – Lid 1, sub a, bepaalt: „wanneer het orgaan dat de prestaties verschuldigd is krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving in de rechten treedt welke de rechthebbende ten opzichte van die derde heeft, erkent elke lidstaat die subrogatie.” Lid 1, sub b, luidt: „wanneer het orgaan dat de prestaties verschuldigd is een onmiddellijk recht ten opzichte van die derde heeft, erkent elke lidstaat dat recht.”
19 – C-428/92, Jurispr. blz. I-2259 (punt 16).
20 – De subrogatie van rechtswege van de Gemeenschappen is in het statuut opgenomen bij verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 912/78 van de Raad van 2 mei 1978 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 119, blz. 1). Het daarbij ingelaste artikel 73, lid 4 luidt: „De Gemeenschappen treden, binnen de grenzen van de voor hen uit de artikelen 72, 73 en 75 voortvloeiende verplichtingen, van rechtswege in de plaats van de ambtenaar of van zijn rechtverkrijgenden, wat betreft hun recht van verhaal tegen de derde die aansprakelijk is voor het ongeval dat het overlijden of de verwondingen van de ambtenaar of de uit zijnen hoofde verzekerde personen tot gevolg heeft gehad.” Artikel 73, lid 4, van het statuut is geschrapt bij verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 2799/85 van de Raad van 27 september 1985 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 265, blz. 1), waarbij artikel 85 bis is ingevoerd.
21 – Arrest van 18 maart 1982, Chaumont-Barthel/Parlement (103/81, Jurispr. blz. 1003, punt 11); arrest Joris, reeds aangehaald (punt 9), en arrest van 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie (C-237/98 P, Jurispr. blz. I-5251, punt 20).
22 – Punt 19.
23 – Zie met name verordening (EG) nr. 2027/97 van de Raad van 9 oktober 1997 betreffende de aansprakelijkheid van luchtvervoerders bij ongevallen (PB L 285, blz. 1).
24 – Zie met name richtlijnen 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 210, blz. 29); 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PB L 372, blz. 31); 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PB L 42, blz. 48); 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepaketten en rondreispaketten (PB L 158, blz. 59); Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB L 171, blz. 12). Zie recentelijk resolutie van de Raad van 1 december 2003 over de veiligheid van consumentendiensten (PB 2003, C 299, blz. 1).
25 – De invloed van de verschillen tussen de nationale rechtsregels betreffende contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid op de werking van de interne markt heeft echter de aandacht en wordt diepgaand bestudeerd. Zo heeft de Commissie in juli 2001 een consultatieprocedure ingeleid over de middelen voor een communautaire aanpak van de problemen die uit de verschillen tussen de in de Europese Unie geldende stelsels van verbintenissenrecht voortvloeien [Zie Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad- Een coherenter Europees verbintenissenrecht - Een actieplan (COM/2003/0068, def)]. Het Europees Parlement en de Raad hebben verzocht om ook op het gebied van het zakenrecht en het aansprakelijkheidsrecht onderzoek te doen.
Full & Egal Universal Law Academy