CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. LÉGER
van 8 juli 2004(1)
Zaak C-409/02 P
Jan Pflugradt
tegen
Europese Centrale Bank
„Hogere voorziening – Artikel 36.1 van ESCB-statuten – Artikel 9, sub c, van arbeidsvoorwaarden voor personeel van ECB – Personeel van ECB – Beoordelingsvrijheid van ECB bij organisatie van haar diensten en bij tewerkstelling van haar personeel – Wijziging van arbeidsovereenkomst – Beoordelingsrapport”
1. J. Pflugradt heeft hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 22 oktober 2002 (2) houdende verwerping van zijn beroep tot nietigverklaring van zijn beoordelingsrapport voor 1999 (3) en van de nota van de directeur-generaal van het directoraat-generaal „Informatiesystemen” (hierna: „DG IS”) van de Europese Centrale Bank (hierna: „ECB”) van 28 juni 2000 betreffende de hem toevertrouwde taken.
I – Het rechtskader
2. Volgens het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (ECB), gehecht aan het EG-Verdrag (hierna: „ESCB-statuten”) staat het aan de Raad van bestuur om, op voorstel van de Directie, de op het personeel van de ECB van toepassing zijnde arbeidsregeling vast te stellen. Deze arbeidsregeling werd goedgekeurd bij besluit 1999/330/EG (4) (hierna: „arbeidsvoorwaarden”).
3. Deze arbeidsvoorwaarden bepalen met name:
„9. (a) De arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeelsleden wordt geregeld door in overeenstemming met de onderhavige arbeidsvoorwaarden gesloten arbeidsovereenkomsten. De personeelsverordeningen en -regelingen die door de directie worden vastgesteld, preciseren de modaliteiten van deze arbeidsvoorwaarden.
[…]
(c) De arbeidsvoorwaarden worden niet door enig specifiek nationaal recht beheerst. De ECB past toe: i) de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, ii) de algemene beginselen van gemeenschapsrecht (EG), iii) de regels in de aan de lidstaten gerichte verordeningen en richtlijnen (EG) betreffende het sociaal beleid. Telkens wanneer dit noodzakelijk is, worden die rechtsnormen door de ECB toegepast. Er zal naar behoren rekening worden gehouden met de aanbevelingen (EG) op het gebied van het sociaal beleid. Voor de uitlegging van de in de onderhavige arbeidsvoorwaarden opgenomen rechten en verplichtingen, houdt de ECB naar behoren rekening met de in de verordeningen, voorschriften en rechtspraak neergelegde beginselen die van toepassing zijn op het personeel van de gemeenschapsinstellingen.
10. (a) De arbeidsovereenkomsten tussen de ECB en haar personeelsleden hebben de vorm van aanstellingsbrieven die door de personeelsleden worden medeondertekend. De aanstellingsbrieven bevatten de elementen van de overeenkomst als gepreciseerd bij richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 […]”5 –Betreffende de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of –verhouding van toepassing zijn (PB L 288, blz. 32)..
4. Op basis van de ESCB-statuten heeft de Raad van bestuur ook het Reglement van orde van de ECB vastgesteld, gewijzigd op 22 april 1999 (6) , dat met name bepaalt:
„Artikel 11
11.1 Elk personeelslid van de ECB wordt op de hoogte gebracht van zijn/haar plaats in de structuur van de ECB, de door hem/haar te volgende rapportageprocedure en zijn/haar taken.
[…]
Artikel 21
Arbeidsvoorwaarden
21.1 De arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeel wordt bepaald door de arbeidsvoorwaarden en de personeelsverordeningen en ‑regelingen.
21.2 De arbeidsvoorwaarden worden op voorstel van de directie door de Raad van bestuur goedgekeurd en aangepast. Uit hoofde van de in dit Reglement van orde vastgelegde procedure wordt de Algemene Raad geraadpleegd.
21.3 De arbeidsvoorwaarden worden ten uitvoer gelegd door middel van personeelsverordeningen en –regelingen, welke door de directie worden goedgekeurd en aangepast.”
II – De feiten en de procedure voor het Gerecht
5. Pflugradt is sinds 1 juli 1998 in dienst van de ECB. Hij is aangesteld bij het DG IS, waar hij de functie van „coördinator UNIX-specialisten” bekleedt. Nadat hij op 9 oktober 1998 had ingestemd met een document getiteld „UNIX co‑ordinator responsibilities”, dat een lijst bevatte van zijn verschillende taken, werd hem vier dagen later een aanstellingsbrief met terugwerkende kracht tot de datum van zijn indiensttreding toegezonden.
6. Voor 1999 heeft de ECB een rapport opgesteld waarin het werk van Pflugradt werd beoordeeld; deze heeft dat rapport via diverse interne beroepswegen binnen de ECB aangevochten zonder ooit in het gelijk te zijn gesteld. Hij stelde, zakelijk weergegeven, dat het rapport ongefundeerde en deloyale opmerkingen bevatte. Daarop heeft hij bij het Gerecht een beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van dat rapport, dat de bestreden handeling in zaak T-178/00 vormt.
7. Bij nota van 28 juni 2000 heeft de directeur-generaal van het DG IS Pflugradt een nieuwe lijst met zijn taken als „coördinator UNIX-specialisten” overhandigd. Omdat Pflugradt geen genoegen kon nemen met de uit deze nota voortvloeiende wijziging van zijn taken, heeft hij – zonder succes – binnen de ECB diverse interne beroepen ingesteld. Daarop heeft hij bij het Gerecht een beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van deze nota, die de bestreden handeling in zaak T-341/00 vormt.
8. Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 juli en 10 november 2000, heeft Pflugradt dus twee beroepen ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van zijn beoordelingsrapport voor 1999 en van de nota van 28 juni 2000.
III – Het bestreden arrest
9. Het Gerecht heeft de twee zaken (T-178/00 en T-341/00) (7) gevoegd en bij arrest van 22 oktober 2002 de twee beroepen verworpen.
A – Het beroep in zaak T-178/00
10. In het kader van zijn beroep tot nietigverklaring in zaak T-178/00 voert Pflugradt aan dat hem in het beoordelingsrapport voor 1999 bepaalde bevoegdheden inzake het personeel zijn ontnomen, te weten de bevoegdheid om de leden van het UNIX-team te beoordelen. Dat rapport bevat bovendien diverse beoordelingen van zijn werk die op onjuiste feiten zijn gebaseerd.
11. Het Gerecht wijst beide middelen af op grond van de volgende redenering: in de eerste plaats herinnert het eraan, dat de ESCB-statuten de ECB een functionele zelfstandigheid toekennen, maar dat de verhouding tussen de ECB en haar personeel wordt geregeld door arbeidsovereenkomsten in de vorm van aanstellingsbrieven die deze instelling aan haar personeelsleden toestuurt en die door deze laatsten worden medeondertekend. Deze brieven bevatten de wezenlijke bestanddelen van de overeenkomst, namelijk de titel, de rang en een beknopte omschrijving van de arbeid. Het Gerecht vermeldt dat de ECB Pflugradt ook een document met een lijst van de specifiek met zijn functie verbonden taken heeft overhandigd. Het preciseert evenwel dat de ECB de voorwaarden voor de uitvoering van arbeidsovereenkomsten slechts kan wijzigen op voorwaarde dat daarbij niet wordt geraakt aan de wezenlijke bestanddelen van de overeenkomst.
12. Voorts preciseert het Gerecht:
„54 Evenals elke andere instelling of onderneming beschikt de ECB immers over beleidsvrijheid bij de organisatie van haar diensten en haar personeelsbeleid. Als gemeenschapsinstelling beschikt zij zelfs over een ruime beoordelingsvrijheid bij de organisatie van haar diensten en de tewerkstelling van haar personeel voor de vervulling van haar taken van algemeen belang (zie, naar analogie, arresten Hof van 21 juni 1984, Lux/Rekenkamer, 69/83, Jurispr. blz. 2447, punt 17, en 12 november 1996, Ojha/Commissie, C-294/95 P, Jurispr. blz. I-5863, punt 40; arresten Gerecht van 6 november 1991, Von Bonkewitz-Lindner/Parlement, T‑33/90, Jurispr. blz. II-1251, punt 88, en 9 juni 1998, Hick/ESC, T‑176/97, JurAmbt. blz. I-A-281 en II‑845, punt 36). De ECB kan bijgevolg in de loop der tijd de arbeidsverhouding met haar personeelsleden in het belang van de dienst bijstellen, om te komen tot een efficiënte werkorganisatie en een coherente taakverdeling tussen de personeelsleden en om zich aan te passen aan veranderende behoeften. Een personeelslid dat is aangesteld voor onbepaalde tijd in een functie die eventueel kan duren tot hij 65 wordt, kan redelijkerwijs niet verwachten dat alle aspecten van de interne organisatie zijn gehele loopbaan lang ongewijzigd blijven of dat hij deze gehele loopbaan de bevoegdheden behoudt die hem bij zijn aanwerving zijn toegekend.
55 De aanwerving van verzoeker en het opstellen van de functieomschrijving van 5 oktober 1998 vonden plaats in de algemene context van de oprichting van de diensten van de ECB in het eerste jaar van haar bestaan. Dit blijkt met name uit het voorlopige karakter van de toedeling van de in de functieomschrijving genoemde taken en verantwoordelijkheden. Voor negen taken bepaalt de functieomschrijving immers dat verzoeker ,in de aanvangsfase van fase 3’ wordt bijgestaan door een medewerker. Bovendien geeft de ECB in dit document aan, dat zij aanbeveelt de toedeling van alle taken en verantwoordelijkheden opnieuw te bezien: ,indien na het eerste kwartaal van 1999 blijkt dat de globale werklast voor UNIX daalt, is een nieuwe beschrijving van al deze taken van de UNIX‑coördinator wenselijk (waarbij moet worden gestreefd naar een adequate beschrijving van de functiecategorieën van de ECB), waarbij rekening wordt gehouden met alle omstandigheden en beleidskeuzes van de ECB op die datum’.
56 Met de clausule dat de ,in voorkomend geval gewijzigde’ arbeidsvoorwaarden integraal deel uitmaken van de arbeidsovereenkomst van verzoeker, legt deze overeenkomst bovendien uitdrukkelijk vast dat de arbeidsverhouding kan variëren naar gelang van de wijzigingen in de arbeidsvoorwaarden.
57 Nagegaan moet worden of de verantwoordelijkheid voor de jaarlijkse beoordeling van het werk van de leden van het UNIX-team een wezenlijk onderdeel vormt van de functie van teamcoördinator en of het ontnemen van deze bevoegdheid bijgevolg de hoofdbestanddelen van de arbeidsovereenkomst van verzoeker aantast.
58 Vaststaat dat verzoeker ondanks de wijziging van zijn bevoegdheden nog steeds de functie bekleedt van ,coördinator UNIX-specialisten’, in de categorie ,professionals’ en rang G, en de bijpassende bezoldiging heeft behouden.
59 Blijkens de functieomschrijving van 5 oktober 1998 is de functie van coördinator UNIX-specialisten hoofdzakelijk van technische aard en zijn de personeels- en beheerstaken van ondergeschikt belang. Het enkele feit dat hem de beoordeling van de leden van het UNIX-team is ontnomen, heeft dus niet tot gevolg dat verzoekers bevoegdheden als geheel duidelijk tot onder het niveau dat met zijn functie overeenstemt, zijn teruggebracht. Vaststaat dat verzoeker nooit gelegenheid heeft gehad de leden van het UNIX-team te beoordelen, aangezien deze verantwoordelijkheid hem is ontnomen nog voordat de ECB met de eerste jaarlijkse beoordeling van haar personeel was begonnen. Deze wijziging is dan ook geen achteruitgang van de functie van verzoeker en kan bijgevolg niet worden beschouwd als een aantasting van een hoofdbestanddeel van de arbeidsovereenkomst.”
13. Aangaande het tweede middel, betreffende de beoordeling van het werk van Pflugradt, oordeelt het Gerecht dat hiermee in werkelijkheid wordt beoogd de geldigheid ter discussie te stellen van het oordeel van de meerderen van Pflugradt over diens werk in 1999, en dat het daarvoor niet bevoegd is. De wettigheidstoetsing door het Gerecht van de beoordelingen in het jaarlijkse rapport heeft immers alleen betrekking op een eventueel misbruik van bevoegdheid. Aangezien Pflugradt dergelijke omstandigheden niet heeft aangetoond, wordt het middel afgewezen.
14. Bijgevolg heeft het Gerecht het beroep van Pflugradt in de eerste zaak verworpen.
B – Het beroep in zaak T-341/00
15. Het door Pflugradt in de tweede zaak ingestelde beroep strekt tot nietigverklaring van de nota van 28 juni 2000 waarbij de ECB zijn bevoegdheden heeft gewijzigd. Op grond van hetzelfde betoog dat hij in zaak T-178/00 heeft ontwikkeld, verklaart Pflugradt dat de ECB zijn recht om een functie te vervullen die overeenstemt met zijn arbeidsovereenkomst, heeft geschonden.
16. Ook het Gerecht grijpt terug naar de redenering die het in de eerste zaak heeft gevolgd, en oordeelt dat Pflugradt geen aanspraak kan maken op het behoud van alle specifieke taken die hem bij zijn aanwerving door de ECB zijn toebedeeld. Het Gerecht overweegt dat de instelling de grenzen van haar organisatiebevoegdheid niet heeft overschreden door de bevoegdheden van Pflugradt eenzijdig te wijzigen, omdat niet wordt betwist dat de wijzigingen in het belang van de dienst hebben plaatsgevonden, en omdat Pflugradt zijn wezenlijke bevoegdheden behoudt en niet aantoont dat deze wijzigingen de hoofdbestanddelen van zijn arbeidsovereenkomst aantasten.
17. Het Gerecht heeft derhalve ook het beroep in de tweede zaak verworpen.
IV – De procedure voor het Hof en de conclusies van partijen
18. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 november 2002, heeft Pflugradt de onderhavige hogere voorziening ingesteld tegen het bestreden arrest. De ECB heeft haar memorie van antwoord ingediend op 3 maart 2003.
19. Rekwirant concludeert dat het het Hof behage:
– het bestreden arrest te vernietigen,
– de twee beslissingen van de ECB nietig te verklaren en
– verweerster te verwijzen in de kosten.
20. De ECB concludeert dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening af te wijzen en
– rekwirant te verwijzen in de kosten.
V – De hogere voorziening
21. Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert Pflugradt verschillende middelen aan. Het eerste middel betreft schending door het Gerecht van artikel 36.1 van de ESCB-statuten en van artikel 9, sub a, eerste volzin, van de arbeidsvoorwaarden, doordat het is voorbijgegaan aan de contractuele aard van de rechtsverhouding tussen de ECB en haar personeel. De ECB kon de overeenkomst van rekwirant niet eenzijdig wijzigen.
22. In zijn tweede middel betoogt rekwirant dat het Gerecht, door de regels van het communautaire ambtenarenrecht toe te passen op de tewerkstelling van het personeel van de ECB, dat beginsel in feite heeft geschonden, met name door niet te oordelen dat de ECB het dienstbelang moest kunnen aanvoeren voor de wijzigingen die zij in de tewerkstelling heeft aangebracht.
23. Het derde middel betreft onjuiste vaststelling van de feiten en het vierde betreft onjuiste beoordeling van de feiten door het Gerecht.
24. Het vijfde en laatste middel betreft onjuiste motivering van het arrest van het Gerecht; rekwirant stelt dat hij voor het Gerecht niet de beoordeling die de ECB in het rapport voor 1999 over hem heeft uitgebracht, ter discussie wou stellen, doch de feiten waarop de ECB haar beoordelingsrapport heeft gebaseerd, en dat het Gerecht geen uitspraak heeft gedaan op dat argument.
25. De middelen zullen in deze volgorde worden behandeld.
A – Het eerste middel: onjuiste rechtsopvatting door schending van artikel 36.1 van de ESCB-statuten en van artikel 9, sub a, eerste volzin, van de arbeidsvoorwaarden
26. Met zijn eerste middel komt rekwirant op tegen het standpunt van het Gerecht betreffende de juridische aard van de arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeelsleden, alsmede tegen de vaststelling door het Gerecht dat de ECB ter zake van de tewerkstelling van haar personeel over een beoordelingsvrijheid beschikt.
27. Volgens rekwirant volgt immers uit artikel 9, sub a, eerste volzin, van de arbeidsvoorwaarden dat de rechtsverhouding tussen de ECB en haar personeelsleden wordt geregeld door aanstellingsovereenkomsten. Hun juridische verhouding is dus van contractuele aard. (8) In het bestreden arrest wordt voorbijgegaan aan de omvang en de opzet van de functionele zelfstandigheid die de ECB volgens deze tekst en volgens artikel 36.1 van de ESCB‑statuten bezit.
28. Pflugradt verklaart dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de beoordelingsvrijheid van de ECB ter zake van de tewerkstelling van haar personeel en de zonder enige twijfel ruime beoordelingsvrijheid ter zake van de organisatie van de instelling. De verhouding met de personeelsleden is een contractuele verhouding waarin de wilsautomonie centraal staat. Bijgevolg kon de ECB na het beoordelingsrapport voor 1999 noch na de nota van 28 juni 2000 de voorwaarden van de door haar met rekwirant gesloten overeenkomst eenzijdig wijzigen. Volgens rekwirant maakt de functiebeschrijving integraal deel uit van zijn arbeidsovereenkomst. Deze beschrijving, die zijn belangrijkste bevoegdheden toelicht, werd hem door de ECB ter goedkeuring voorgelegd. Pas nadat over de inhoud ervan overeenstemming was bereikt, is de in de aanstellingsbrief vervatte arbeidsovereenkomst tussen Pflugradt en de ECB tot stand gekomen. (9) De functiebeschrijving is dus de voorwaarde waaronder Pflugradt met de overeenkomst akkoord is gegaan.
29. In haar memorie van antwoord stelt de ECB dat de rechtsverhouding tussen de ECB en haar personeel weliswaar van contractuele aard is, doch niet zuiver contractueel. Het gaat met name niet om een privaatrechtelijke overeenkomst. De arbeidsovereenkomst bevat een groot aantal in de arbeidsvoorwaarden voorziene statutaire elementen die inhoudelijk dicht aanleunen bij het Ambtenarenstatuut en de Regeling andere personeelsleden. Op grond van deze gelijkenis heeft het Gerecht in casu toepassing gemaakt van de rechtspraak volgens welke de gemeenschapsinstellingen een ruime beoordelingsvrijheid hebben ter zake van de organisatie van hun diensten en de tewerkstelling van hun personeel.
30. Volgens de ECB is de beoordelingsvrijheid van de instelling algemeen en declaratoir en kan zij niet afhangen van de aard van de arbeidsverhouding tussen de instelling en degenen die deze tewerkstelt, ambtenaren dan wel personeelsleden.
Bespreking
31. Anders dan rekwirant denk ik niet dat het Gerecht van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven door te oordelen dat de ECB een ruime beoordelingsvrijheid heeft ter zake van de tewerkstelling van haar personeel en dat de wijziging door de ECB van een aantal bevoegdheden van rekwirant geldig was.
32. Vaststaat dat de arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeelsleden van contractuele aard is. (10) Deze verhouding wordt geconcretiseerd door de ondertekening van een aanstellingsbrief overeenkomstig artikel 10 van de arbeidsvoorwaarden. Hoewel de verhouding van contractuele aard is, zij er niettemin op gewezen dat een van de contractanten een gemeenschapsinstelling is die uit dien hoofde belast is met een taak van gemeenschapsbelang en bevoegd is om de op haar personeel van toepassing zijnde regeling vast te stellen. (11)
33. Daardoor is de verhouding met haar contractueel personeel, via de bepalingen van de arbeidsvoorwaarden, gebaseerd op belangrijke statutaire elementen, die terug te vinden zijn in de door de Raad van bestuur goedgekeurde arbeidsvoorwaarden.
34. Het argument waarin rekwirant het verschil tussen de rechtspositie van de ambtenaren en die van het personeel van de ECB op de voorgrond stelt, en dat hij ontleent aan de contractuele arbeidsverhouding en aan de werking van de wilsautonomie, kan niet slagen. Hoewel de arbeidsvoorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst van Pflugradt, werd daarover niet onderhandeld tussen deze laatste en de instelling. De aanwervingsprocedure omvat immers een discussie en een wilsovereenstemming die volgens de arbeidsvoorwaarden uitmonden in een aanstellingsbrief. Opgemerkt zij dat dit soort van overeenkomst grotendeels statutair van aard is en dat de wilsautonomie van het personeelslid in spe al bij de totstandkoming ervan zeer gering is. Bovendien bepaalt artikel 9, sub c, laatste volzin, van de arbeidsvoorwaarden dat voor de uitlegging van de in dat document opgenomen rechten en verplichtingen naar behoren rekening wordt gehouden met de in de verordeningen, voorschriften en rechtspraak neergelegde beginselen die van toepassing zijn op het personeel van de instellingen.
35. Voorts stel ik vast dat de door de Raad van bestuur goedgekeurde arbeidsvoorwaarden zijn vervat in een document dat is opgesteld in algemene bewoordingen die in de loop der tijd wijzigingen kunnen ondergaan, doch alleen zeer kleine wijzigingen. Uit de verschillende versies van de arbeidsvoorwaarden blijkt dat de bepalingen ervan alle aspecten van de arbeidsverhouding behandelen en weinig ruimte voor wijzigingen laten. Zoals de ECB ter terechtzitting van 18 maart 2004 heeft gepreciseerd, was het enige element waarover Pflugradt wilsvrijheid had bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst, in feite de ondertekening van de aanstellingsbrief. In werkelijkheid hebben de ECB en rekwirant niet echt onderhandeld over deze overeenkomst.
36. Uit het voorgaande concludeer ik dat het argument van rekwirant dat de ruime beoordelingsvrijheid waarover de ECB met betrekking tot haar ambtenaren beschikt, niet mutatis mutandis kan worden toegepast op haar verhouding met haar personeel, ongegrond is. De ECB moet als instelling haar diensten en niet haar personeel kunnen organiseren in het kader van de uitvoering van haar taak van algemeen belang. Het statutaire verschil tussen de ambtenaren en de personeelsleden van de ECB kan geen rechtvaardiging bieden voor een verschillend oordeel met betrekking tot de tewerkstelling van het personeel van deze instelling. Zoals ik hierboven heb uiteengezet, is deze verhouding van contractuele aard, doch niet van zuiver contractuele aard. De instelling, in casu de ECB, beschikt ter zake van de organisatie van haar diensten over een beoordelingsvrijheid, ook al is de rechtshandeling die ten grondslag ligt aan de arbeidsverhouding tussen haar en haar personeel, van contractuele aard. (12) De overweging van het Gerecht in punt 54 van het bestreden arrest, dat de ECB een ruime beoordelingsvrijheid heeft ter zake van de organisatie van haar diensten en de tewerkstelling van haar personeel, is derhalve ter zake dienend.
37. Het eerste door rekwirant tegen het bestreden arrest aangevoerde middel, betreffende een onjuiste rechtsopvatting, is dus ongegrond.
B – Het tweede middel: onjuiste toepassing van de op de ambtenaren van toepassing zijnde regels inzake wijziging van tewerkstelling
38. Voor zijn tweede middel vertrekt rekwirant van de veronderstelling (13) dat de beginselen betreffende de tewerkstelling van het personeel in het communautaire ambtenarenrecht van toepassing zijn op het personeel van de ECB. Hij stelt evenwel dat zelfs in deze veronderstelling het Gerecht die beginselen heeft geschonden.
39. Volgens rekwirant was zijn functie binnen de ECB niet meer dezelfde nadat zijn bevoegdheid inzake de beoordeling van personeelsleden hem was ontnomen, hoewel zijn rang en zijn bezoldiging onveranderd zijn gebleven. Door deze wijziging niet ongeldig te verklaren heeft het Gerecht de beginselen betreffende de tewerkstelling van het personeel in het communautaire ambtenarenrecht verkeerd toegepast. Volgens Pflugradt kon het Gerecht immers niet uitsluitend op basis van de vaststelling dat de indeling van rekwirant dezelfde was gebleven, concluderen dat zijn ambt gelijkwaardig was, maar had het deze gelijkwaardigheid feitelijk moeten onderzoeken.
40. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (14) is het mogelijk een ambtenaar elders tewerk te stellen, op voorwaarde dat dit in het belang van de dienst gebeurt en dat de gelijkwaardigheid van de ambten wordt gewaarborgd. Dit betekent dat bij deze nieuwe tewerkstelling rang en ambt met elkaar moeten overeenstemmen, maar niet de taken die het ambt als zodanig inhoudt.
41. In casu heeft het Gerecht evenwel overeenkomstig genoemde rechtspraak vastgesteld dat het ambt van rekwirant, na de wijziging van zijn bevoegdheden, nog steeds overeenstemt met de rang waarin hij werd aangeworven, en dat hij zijn belangrijkste bevoegdheden heeft behouden. (15) Derhalve is niet aangetoond dat de regels inzake de wijziging van tewerkstelling verkeerd zijn toegepast.
42. Het middel inzake schending van het beginsel van de gelijkwaardigheid van de ambten is dus ongegrond.
C – Het derde middel: onjuiste vaststelling van de feiten
43. In dit middel betoogt Pflugradt dat het Gerecht de feiten onjuist heeft vastgesteld wat de wezenlijke bestanddelen van de arbeidsovereenkomst betreft, met name door de hem ontnomen bevoegdheid – de beoordeling van de leden van het UNIX-team – niet als een essentiële bevoegdheid aan te merken. Het stond immers niet aan hem, het Gerecht ervan te overtuigen dat wezenlijke bestanddelen van zijn overeenkomst waren gewijzigd. Volgens rekwirant is hem wel degelijk een belangrijke bevoegdheid ontnomen, anders dan het Gerecht in punt 58 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, en heeft het Gerecht de feiten dus onjuist vastgesteld.
44. Rekwirant wijst er bovendien op dat de ECB haar beslissing om de bevoegdheden van Pflugradt te wijzigen, niet door het dienstbelang heeft gerechtvaardigd. (16) Derhalve kon het Gerecht niet aannemen dat rekwirant niet betwistte dat deze beslissing in het belang van de dienst was genomen.
45. Pflugradt is bij de ECB tewerkgesteld als coördinator van de UNIX‑specialisten. De beoordeling van de teamleden behoort tot de bevoegdheden die in het door rekwirant aanvaarde en ondertekende document worden genoemd. Deze bevoegdheid is hem ontnomen.
46. In hogere voorziening stelt rekwirant dat het niet aan hem stond, het Gerecht ervan te overtuigen dat de wijzigingen van zijn bevoegdheden wezenlijke bestanddelen van de arbeidsovereenkomst betroffen. Volgens vaste rechtspraak moet rekwirant, overeenkomstig de algemene beginselen, bewijzen wat hij aanvoert. Bijgevolg moest Pflugradt het bewijs leveren van de feiten op basis waarvan het Gerecht, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid als bodemrechter, een juiste kwalificatie kon maken. Rekwirant heeft dit in eerste aanleg nagelaten en kan zich in hogere voorziening niet op dit verzuim beroepen.
47. Het tweede argument dat in dit middel wordt aangevoerd, namelijk dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat rekwirant niet heeft betwist dat zijn bevoegdheden in het belang van de dienst werden gewijzigd, is mijns inziens niet-ontvankelijk. Volgens vaste rechtspraak oordeelt het Gerecht immers soeverein over de te zijner kennis gebrachte feiten en kan rekwirant deze soevereine beoordeling in hogere voorziening niet in twijfel trekken. (17)
48. Bijgevolg dient het derde middel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
D – Het vierde middel: onjuiste beoordeling van de feiten
49. Pflugradt stelt dat het Gerecht de twee bestreden handelingen, te weten het beoordelingsrapport voor 1999 en de nota van 28 juni 2000, verkeerd heeft beoordeeld. (18) Volgens hem gaat de uit deze nota voortvloeiende ontneming van bevoegdheden door de ECB heel wat verder dan die welke in het beoordelingsrapport is verricht. In tegenstrijd daarmee concludeert het Gerecht echter niet dat de contractsituatie van rekwirant ingrijpend is gewijzigd.
50. In dit middel wordt in feite de beoordeling van de feiten door het Gerecht betwist. Zoals ik hierboven heb uiteengezet, kan het Hof zich echter niet in de plaats stellen van het Gerecht, dat de feiten soeverein beoordeelt. Het vierde middel is dus niet-ontvankelijk.
E – Het vijfde middel: onjuiste motivering van het bestreden arrest door het Gerecht
51. In dit middel voert Pflugradt aan dat het Gerecht zijn beslissing onjuist heeft gemotiveerd. Voor het Gerecht heeft rekwirant immers aangevoerd dat zijn beoordelingsrapport voor 1999 op onjuiste feitelijke beweringen was gebaseerd. Volgens rekwirant heeft het Gerecht niet geantwoord op zijn argument en heeft het zijn arrest dus niet correct gemotiveerd. (19)
52. Pflugradt stelt dat het Gerecht is uitgegaan van de verkeerde veronderstelling dat hij het oordeel van de ECB in zijn rapport voor 1999 betwistte, terwijl hij in feite alleen opkwam tegen de feiten waarop de ECB dat beoordelingsrapport heeft gebaseerd. Het Gerecht kon dat betoog dus niet van de hand wijzen op grond van de overweging dat het niet aan het Gerecht stond, het in het beoordelingsrapport vervatte oordeel te toetsen, hetgeen rekwirant betwist.
53. Volgens de rechtspraak van het Hof beantwoordt de op het Gerecht rustende motiveringsplicht aan de behoefte om zijn redenering duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking te brengen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de beslissing en het Hof zijn rechterlijke toetsing kan uitoefenen. (20) Het Gerecht is ertoe gehouden, de door de verzoeker aangevoerde middelen te beantwoorden; anders komt het zijn motiveringsplicht niet na.
54. Deze rechtspraak wordt getemperd door de overweging dat de op het Gerecht rustende verplichting om zijn beslissingen te motiveren niet aldus kan worden uitgelegd dat het op elk argument van de verzoeker in detail moet antwoorden, met name wanneer het argument niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is en niet wordt gestaafd door omstandig bewijs. (21)
55. In casu is rekwirant opgekomen tegen sommige feitelijke stellingen waarop de ECB haar beoordelingsrapport voor 1999 heeft gebaseerd, doch heeft hij het rapport zelf niet betwist. (22) Vaststaat echter dat Pflugradt, afgezien van een opsomming van een aantal in dat rapport besloten liggende feitelijke elementen, geen omstandige aanwijzingen van de onjuistheid van de feiten aanvoert.
56. Mijns inziens is het Gerecht niet in zijn motiveringsplicht te kort geschoten, want het heeft zijn arrest gemotiveerd met betrekking tot de in het verzoekschrift aangevoerde middelen en argumenten. Zonder omstandige toelichting van de ter ondersteuning van zijn middel aangevoerde argumenten kan Pflugradt zich er vervolgens niet op beroepen dat het Gerecht zijn arrest ontoereikend heeft gemotiveerd.
57. Het vijfde middel, te weten onjuiste motivering van het arrest van het Gerecht, is ongegrond.
VI – Conclusie
58. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1) de hogere voorziening af te wijzen, en
2) rekwirant te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Pflugradt/ECB (T-178/00 en T-341/00, Jurispr. blz. II-4035; hierna: „bestreden arrest”).
3 – Van 23 november 1999.
4 – Besluit van de Europese Centrale Bank van 9 juni 1998 inzake de goedkeuring van de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de Europese Centrale Bank, zoals gewijzigd op 31 maart 1999 (PB 1999, L 125, blz. 32).
5 – Betreffende de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of –verhouding van toepassing zijn (PB L 288, blz. 32).
6 – PB L 125, blz. 34.
7 – Bij beschikking van 6 december 2001 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht beslist, beide zaken te voegen voor de mondelinge behandeling die tot het bestreden arrest heeft geleid.
8 – Punt 4 van de hogere voorziening.
9 – Overeenkomstig artikel 10, sub a, van de arbeidsvoorwaarden.
10 – Zie met name arrest Gerecht van 18 oktober 2001, X/ECB (T-333/99, Jurispr. blz. II-3021, punt 61).
11 – Ibidem (punt 63). Het Gerecht heeft erkend dat de ECB in het kader van haar contractuele verhoudingen bevoegd is om in de arbeidsvoorwaarden een tuchtregeling op te nemen, op grond waarvan zij met name in geval van niet-nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst door een van haar personeelsleden de maatregelen kan treffen die noodzakelijk zijn uit het oogpunt van de verantwoordelijkheden en opdrachten waarmee zij is belast. Dit kenschetst de ruime beoordelingsvrijheid waarover de ECB beschikt in haar verhouding met haar personeel.
12 – Zie met name arrest Hof van 14 juli 1988, Aldinger e.a./Parlement (23 en 24/87, Jurispr. blz. 4395), en arrest Gerecht van 11 juli 1996, Aubineau/Commissie (T‑102/95, JurAmbt. blz. I‑A-357 en II-1053, punten 28-30), waarin is geoordeeld dat de beoordelingsvrijheid ter zake van de organisatie van de diensten en ter zake van de tewerkstelling van het personeel ook geldt voor het tot aanstelling bevoegde gezag ten aanzien van de tijdelijke personeelsleden, zoals de ECB in haar memorie van antwoord heeft gesteld (punt 14).
13 – Rekwirant bouwt zijn redenering op deze volgens hem verkeerde veronderstelling.
14 – Zie met name arrest Lux/Rekenkamer, reeds aangehaald (punten 24 en volgende); arrest van 23 maart 1988, Hecq/Commissie (19/87, Jurispr. blz. 1681, punt 6), en arrest Ojha/Commissie, reeds aangehaald (punt 40).
15 – Punten 58 en 90 van het bestreden arrest.
16 – Punten 173 en volgende van de hogere voorziening.
17 – Zie met name arrest van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 49).
18 – Punt 171 van de hogere voorziening.
19 – Punten 192 en volgende van de hogere voorziening.
20 – Zie met name beschikking van 25 juni 1998, Nederlandse Antillen/Raad [C‑159/98 P (R), Jurispr. blz. I-4147, punt 70].
21 – Zie arrest van 6 maart 2001, Connolly/Commissie (C-274/99 P, Jurispr. blz. I-1611, punt 121).
22 – Punt 192 van de hogere voorziening.
Full & Egal Universal Law Academy