CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. POIARES MADURO
van 16 maart 2004(1)
Zaak C-411/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Republiek Oostenrijk
„Niet-nakoming – Onjuiste omzetting – Richtlijn 98/10/EG – Telecommunicatie – Begrip gedetailleerde factuur”
I – Inleiding, toepasselijke bepalingen, precontentieuze procedure en procesverloop
1. Met het onderhavige beroep verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 14 van richtlijn 98/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 1998 inzake de toepassing van Open Network Provision (ONP) op spraaktelefonie en inzake de universele telecommunicatiedienst in een door concurrentie gekenmerkt klimaat (hierna: „richtlijn 98/10”). (2)
2. De Commissie stelt dat de Republiek Oostenrijk niet de nodige maatregelen heeft genomen om artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10 juist om te zetten. Volgens dit artikel moet elke lidstaat verzekeren dat het basisniveau van detaillering van periodieke facturen van telecommunicatiediensten die over het vaste net worden aangeboden, voldoende is, zodat verificatie en controle van de kosten van het gebruik van de vaste openbare telefoondiensten mogelijk is.
3. Richtlijn 98/10, die reeds aan de orde was in twee niet-nakomingszaken tegen respectievelijk Italië en Frankrijk, die de niet-nakoming overigens niet betwistten (3) , heeft overeenkomstig artikel 1, lid 1, tweede alinea, tot doel ervoor te zorgen dat in de gehele Gemeenschap vaste openbare telefoondiensten van hoge kwaliteit beschikbaar zijn evenals het dienstenpakket te definiëren waartoe alle gebruikers, consumenten inbegrepen, in het kader van de universele dienst tegen een aanvaardbare prijs toegang moeten hebben in het licht van specifieke nationale voorwaarden.
4. Hiertoe bepaalt artikel 14 van richtlijn 98/10, betreffende gespecificeerde facturen, toonkiezen en selectieve nummerblokkering:
„1. Teneinde ervoor te zorgen dat de gebruikers via de vaste openbare telefoonnetwerken zo spoedig mogelijk toegang hebben tot de volgende faciliteiten:
– […]
– gespecificeerde facturen en selectieve nummerblokkering als op verzoek beschikbare faciliteiten,
mogen de lidstaten een of meer exploitanten aanwijzen die deze faciliteiten vóór 31 december 1998 aan het merendeel van de gebruikers zullen aanbieden en ervoor zullen zorgen dat de faciliteiten per 31 december 2001 algemeen beschikbaar zijn.
[…]
2. Onverminderd de voorschriften van de relevante wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens en van de persoonlijke levenssfeer, zoals richtlijn 95/46/EG en richtlijn 97/66/EG, worden de gespecificeerde facturen in voldoende mate gedetailleerd, zodat verificatie en controle van de kosten van het gebruik van het vaste openbare telefoonnet en/of de vaste openbare telefoondiensten mogelijk is.
Een basisniveau van detaillering is zonder extra kosten beschikbaar voor de gebruiker. In voorkomend geval kan de abonnee tegen een redelijke vergoeding of gratis een hogere mate van detaillering worden aangeboden. De nationale regelgevende instantie kan het basisniveau voor de mate van detaillering van de gespecificeerde factuur vaststellen.
Gesprekken die voor de gebruikende abonnee kosteloos zijn, met inbegrip van gesprekken met hulplijnen, worden niet op de gespecificeerde factuur van de gebruikende abonnee vermeld”.
5. In dit verband dient erop te worden gewezen dat richtlijn 98/10, waarvan de omzetting in casu aan de orde is, sinds 25 juli 2003 is ingetrokken krachtens artikel 26 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn). (4) Richtlijn 98/10 is aldus vervangen door een nieuw regelgevingskader, bestaande uit de aangehaalde richtlijn 2002/21, richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn) (5) , richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn) (6) en richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten (universeledienstrichtlijn). (7)
6. Laatstgenoemde richtlijn 2002/22 sluit, met betrekking tot de controle van de uitgaven aan de hand van gespecificeerde facturen, aan bij richtlijn 98/10, waarvoor zij in de plaats is gekomen. (8)
7. Weliswaar gaat het in casu niet om de omzetting en de uitlegging van de nieuwe richtlijn 2002/22/EG, maar wel om de omzetting en de uitlegging van richtlijn 98/10, die inmiddels is ingetrokken. Het is in ieder geval interessant te benadrukken dat de twee richtlijnen in wezen dezelfde lijn volgen met betrekking tot gespecificeerde facturen. Zo bevat ook richtlijn 2002/22 de verplichting om een basisniveau van specificatie vast te stellen dat het mogelijk maakt de kosten van het gebruik van het vaste openbare telefoonnet te verifiëren en te controleren. Deze richtlijn verduidelijkt de zin en de strekking van het basisniveau van detaillering op exhaustieve wijze en zonder af te wijken van de lijn van artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10. (9)
8. Richtlijn 98/10 moest volgens artikel 32, lid 1, vóór 30 juni 1998 door de lidstaten zijn omgezet.
9. Bij brief van 23 september 1998 deelde de Oostenrijkse regering de Commissie mee dat richtlijn 98/10 in Oostenrijks recht was omgezet door het Telekommunikationsgesetz (telecommunicatiewet, hierna: „TKG”) en vier besluiten [de Rahmenrichtlinienverordnung (besluit inzake de kaderrichtlijn), de Telekomtarifgestaltungsverordnung (besluit inzake de vaststelling van telecommunicatietarieven), de Numerierungsverordnung (besluit inzake de toekenning van nummers) en de Zusammenschaltungsverordnung (besluit inzake interconnectie)].
10. Van de diverse bepalingen van het TKG moet artikel 94, lid 1, worden vermeld. Dit artikel zou zijn vastgesteld tot omzetting van artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10, en luidt als volgt:
„De kosten van de abonnees moeten worden weergegeven in een factuur die een overzicht geeft van de kosten volgens soort. Op vraag van de abonnee moet de factuur de vermelding van alle kosten bevatten of een andere mate van detaillering hebben, zoals in de commerciële voorwaarden is vastgesteld. Voor facturen die gedetailleerder zijn dan de standaardfacturen, kan in de commerciële voorwaarden een vergoeding worden gevraagd. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van de kosten die de hogere mate van detaillering meebrengt.
[…]”
11. Bij brief van 20 april 2001 liet de Commissie weten dat zij twijfels had over de juiste omzetting van artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10 door de Oostenrijkse regering, en nodigde zij deze overeenkomstig artikel 226 EG uit om binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen te maken.
12. Bij brief van 20 juni 2001 gaven de Oostenrijkse autoriteiten aan de Commissie te kennen dat artikel 94 van het TKG in overeenstemming was met artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10, daar de door artikel 94 voorgeschreven standaardfactuur voldoende gedetailleerd is, zodat de gebruiker zijn telefoonkosten overeenkomstig richtlijn 98/10 doeltreffend kan controleren en verifiëren.
13. Op 20 december 2001 bracht de Commissie een met redenen omkleed advies uit waarin zij haar twijfels herhaalde en stelde dat het basisniveau van detaillering naar Oostenrijks recht absoluut niet de mogelijkheid bood de telefoonkosten overeenkomstig richtlijn 98/10 doeltreffend te controleren, en de Republiek Oostenrijk uitnodigde om hiertoe binnen een termijn van twee maanden de nodige maatregelen te treffen. Bij brief van 27 februari 2002 bevestigde de Oostenrijkse regering haar standpunt dat artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10 juist was omgezet.
14. De Commissie stelde vast dat zij over dit punt van mening verschilde met de Republiek Oostenrijk en dat deze dus niet aan haar verplichtingen zou voldoen. Daarop heeft de Commissie krachtens artikel 226 EG bij het Hof van Justitie beroep ingesteld, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 18 november 2002.
15. De Commissie verzoekt het Hof:
1) vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk, door te kiezen voor een factuur die enkel een overzicht geeft van de kosten volgens soort, en die niet voldoende gedetailleerd is om de consument een doeltreffende controle en verificatie te waarborgen, de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10 op haar rusten;
2) de Republiek Oostenrijk in de kosten te verwijzen.
16. Ter terechtzitting van 12 februari 2004 hebben de vertegenwoordigers van de Republiek Oostenrijk en van de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt.
II – Argumenten van partijen
A – Argumenten van de Commissie
17. Volgens de Commissie maakt artikel 94, lid 1, van het TKG, dat bepaalt dat de aanbieders van telefoondiensten die over het vaste net worden aangeboden, facturen moeten opstellen waarvan het basisniveau van detaillering enkel een overzicht geeft van de kosten volgens soort, het voor de exploitanten mogelijk de kosten per categorie gesprekken op de factuur te groeperen, zonder elk gesprek afzonderlijk op te nemen.
18. Blijkens de telecommunicatierekening die de Oostenrijkse regering bij wijze van voorbeeld aan de Commissie heeft overgemaakt, houdt het door artikel 94, lid 1, van het TKG vereiste kosteloze basisniveau van detaillering enkel in dat het totaalbedrag van de factuur, die op een periode van twee maanden betrekking heeft, wordt verdeeld in verschillende bedragen die overeenkomen met verschillende categorieën gesprekken: regionale, interregionale, internationale gesprekken en gesprekken naar iedere mobiele telefoonoperator. Op dezelfde wijze worden het geheel van de gesprekken met (on line) informatiediensten en het geheel van de gesprekken met diensten met toegevoegde waarde afzonderlijk behandeld. Binnen elke categorie gesprekken vermeldt de factuur enkel het aantal gevoerde gesprekken, het totale aantal gebruikte tariefeenheden en de globale kosten van elk van deze categorieën gesprekken.
19. De Commissie is van mening dat uit artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10 uitdrukkelijk volgt dat het basisniveau van detaillering voldoende moet zijn om het de gebruiker mogelijk te maken zijn uitgaven te verifiëren en te controleren. Dit wordt door de Oostenrijkse regering niet betwist. De partijen zijn het echter oneens over de vraag of het basisniveau van detaillering naar Oostenrijks recht de gebruiker al dan niet de mogelijkheid biedt zijn uitgaven doeltreffend te controleren en te verifiëren.
20. Dat artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10 een onderscheid maakt tussen facturen die een basisniveau van detaillering bevatten en die kosteloos zijn, en facturen met een hogere mate van detaillering, die de klanten tegen een aanvullende vergoeding kunnen worden aangeboden, doet volgens de Commissie geenszins af aan de noodzaak om een minimumniveau van detaillering van de facturen te verzekeren, zodat de gebruiker zijn uitgaven doeltreffend kan verifiëren. De Commissie vindt dat het net deze mogelijkheid tot verificatie is die door de Republiek Oostenrijk niet wordt gewaarborgd.
21. Volgens de Commissie geeft de gespecificeerde standaardfactuur naar Oostenrijks recht de gebruiker niet voldoende informatie om de kosten van elk gevoerd gesprek te kunnen verifiëren, en zo de kosten van het gebruik van de telefoondiensten doeltreffend te kunnen controleren. Deze informatie veronderstelt onder meer informatie die het mogelijk maakt de aard van het gesprek te identificeren, zoals de kengetallen van het land en/of de plaats naar waar gebeld is, en informatie over de duur, de datum en de kosten van het gesprek.
B – Argumenten van de Republiek Oostenrijk
22. De Oostenrijkse regering antwoordt dat noch de bewoordingen noch de algemene doelstelling van richtlijn 98/10 vereisen dat elk gesprek op de factuur wordt gespecificeerd opdat de gebruiker zijn kosten doeltreffend zou kunnen controleren.
23. Volgens de Oostenrijkse regering is het basisniveau van detaillering van de Oostenrijkse facturen voldoende om het mogelijk te maken onregelmatigheden, eigenaardigheden of fouten onmiddellijk op te sporen door de gefactureerde bedragen, die per categorie gesprekken zijn gegroepeerd, te vergelijken met de bedragen van vorige facturen. Deze vergelijking laat toe de gefactureerde bedragen te controleren door, in het bijzonder, soorten gesprekken waarvan de kosten erg hoog oplopen, te verifiëren of door gesprekken die talrijker of langer zijn dan voordien gebruikelijk was, te identificeren.
24. De Oostenrijkse regering stelt ook dat klanten die twijfels hebben over een factuur, de kwestie kunnen voorleggen aan een administratieve bemiddelingscommissie, die over gedetailleerde gegevens van de gevoerde gesprekken beschikt. In 2001 zijn bij deze bemiddelingscommissies 1418 bezwaren over telefoonrekeningen ingediend. Deze bezwaren hadden niet kunnen worden geformuleerd als de facturen in hun huidige vorm geen verificatie van de bedragen en de onregelmatigheden mogelijk maakten.
25. De Oostenrijkse regering stelt bovendien dat het basisniveau van detaillering van de facturen niet hoger kan zijn dan het door artikel 94 van het TKG beoogde niveau, omdat anders noodzakelijkerwijs een van de volgende twee onaanvaardbare gevolgen optreedt: ofwel wordt de uitdrukkelijk in artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10 voorgeschreven mogelijkheid om meer gedetailleerde facturen op te stellen, overbodig en zinloos, ofwel bevatten deze meer gedetailleerde facturen dermate specifieke informatie over de gevoerde telefoongesprekken (zoals de volledige vermelding van het opgeroepen nummer) dat zich onvermijdelijk een conflict voordoet met de wetgeving inzake de bescherming van de persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer, en inzonderheid met richtlijn 97/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de telecommunicatiesector (hierna: „richtlijn 97/66”). (10)
III – Beoordeling
26. Er bestaan kennelijk belangrijke verschillen van mening tussen de partijen met betrekking tot drie essentiële aspecten. Het eerste punt betreft de vraag wat moet worden begrepen onder het basisniveau van detaillering van facturen dat voldoende is om het de gebruikers mogelijk te maken de kosten van het gebruik van de telefoondiensten te verifiëren en te controleren. Een tweede aspect betreft de vraag of een basisniveau van detaillering van de Oostenrijkse facturen tot gevolg heeft dat het hogere niveau van detaillering, dat ook in artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10 is voorgeschreven, overbodig wordt. In de derde plaats rijst de vraag of het voor de Republiek Oostenrijk werkelijk onmogelijk is om een hogere mate van detaillering van de standaardfacturen voor te schrijven zonder daarbij het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer te schenden.
A – De bepaling van het basisniveau van detaillering dat voldoende is om het de gebruiker mogelijk te maken zijn uitgaven te controleren
27. Richtlijn 98/10 geeft geen nauwkeurige definitie van het geheel van informatie dat facturen met het basisniveau van detaillering, dat zonder extra kosten voor de gebruiker beschikbaar is, moeten vermelden. Dit is begrijpelijk in het licht van artikel 14, lid 2, tweede alinea, dat immers bepaalt dat de nationale regelgevende instantie het basisniveau voor de mate van detaillering van de gespecificeerde factuur kan vaststellen. Het is duidelijk het nationale recht dat concreet moet vaststellen welk niveau van detaillering de telefoonrekeningen verplicht en zonder extra kosten moeten bevatten, evenals de hogere niveaus van detaillering die mogelijk zijn. In het laatste geval kan, overeenkomstig de uitdrukkelijke bepalingen van artikel 14, lid 2, tweede alinea, een vergoeding worden gevraagd.
28. Artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10 geeft in ieder geval aan welke doelstellingen het basisniveau van detaillering wil waarborgen. Zo bepaalt het dat „[…] de gespecificeerde facturen in voldoende mate gedetailleerd zijn, zodat verificatie en controle van de kosten van het gebruik van het vaste openbare telefoonnet en/of de vaste openbare telefoondiensten mogelijk is”. Uit deze uitdrukkelijke bepaling volgt dat er een minimumniveau van detaillering bestaat dat de gespecificeerde facturen moeten eerbiedigen. Het is deze minimumdrempel die moet worden vastgesteld, teneinde het verschil van mening tussen de Commissie en de Oostenrijkse regering te kunnen wegnemen.
29. Hiertoe kan ik er slechts aan herinneren dat richtlijn 98/10 is aangenomen krachtens artikel 100 A van het EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 95 EG). Het derde lid van dit artikel bepaalt dat „de Commissie bij haar in lid 1 bedoelde voorstellen op het gebied van […] de consumentenbescherming, zal uitgaan van een hoog beschermingsniveau […]”.
30. Aldus dient bij de beoordeling van het minimumniveau van detaillering van een factuur dat voldoende is om het de gebruiker van telefoondiensten, als consument, mogelijk te maken het bedrag dat hij voor de gevoerde telefoongesprekken zal uitgeven, te verifiëren, rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de gemeenschapswetgever de gebruikers van telefoondiensten een hoog beschermingsniveau wou waarborgen door deze mogelijkheid van controle en verificatie van de uitgaven aan de hand van de factuur, verplicht en zonder extra kosten op te leggen.
31. Bijgevolg moet worden bepaald welke minimuminformatie een factuur moet vermelden om de gebruiker in staat te stellen zijn uitgaven voor het gebruik van telefoondiensten doeltreffend te controleren.
32. In dit verband moet worden opgemerkt dat de kosten van de gevoerde gesprekken de som zijn van de individuele kosten van alle gesprekken die gevoerd zijn tijdens de periode waarop de factuur betrekking heeft. Bovendien zijn de kosten van elk gesprek niet altijd dezelfde, daar zij van verschillende factoren afhankelijk zijn, zoals de duur van het gesprek, het land, de plaats of de telefoonoperator van de ontvanger van het gesprek (met name voor mobiele telefonie), de dag van de week (er kunnen speciale tarieven bestaan voor gesprekken op bepaalde dagen, in het bijzonder in het weekend), en het uur van het gesprek (er kunnen immers tarieven bestaan die variëren naargelang het uur van de dag).
33. Uitgaande van deze elementen kan gemakkelijk worden vastgesteld dat het basisniveau van detaillering van de Oostenrijkse facturen blijk geeft van een opvallende schaarste aan informatie met betrekking tot de factoren die uiteindelijk de kosten van elk gesprek, en bijgevolg ook het totaalbedrag van de gevoerde gesprekken tijdens de periode waarop de factuur betrekking heeft, bepalen.
34. Weliswaar maken de Oostenrijkse facturen een onderscheid tussen verschillende categorieën gesprekken, maar de kosten van elk gesprek binnen elk van de gespecificeerde categorieën kunnen namelijk variëren naar gelang van factoren die op de factuur gewoon niet voorkomen. Aangezien op de factuur geen enkele informatie over deze factoren die de kosten van elk gesprek bepalen, is vermeld, kan de klant niet elk gesprek dat hem werd aangerekend, identificeren, noch de berekening van het gefactureerde bedrag voor elk van deze gesprekken opnieuw maken.
35. Zo kan men pogen een criterium te formuleren op basis waarvan kan worden bepaald, welke minimuminformatie een basisniveau van detaillering van de facturen moet bevatten, waarbij zij opgemerkt dat het voor een doeltreffende mogelijkheid tot verificatie en controle van de uitgaven voor de gevoerde telefoongesprekken volgens artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10 noodzakelijk is dat de klant minstens de kosten van elk gevoerd gesprek kan verifiëren en hun bestaan kan bevestigen door de informatie die op de factuur is vermeld, te verbinden met de tarieven die met de exploitant contractueel zijn vastgelegd.
36. Niets staat eraan in de weg dat in de Republiek Oostenrijk conform artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10 uitdrukkelijk wordt bepaald welke gegevens op de gedetailleerde standaardfactuur moeten voorkomen. Van belang is dat deze beoordelingsmarge steeds moet worden gesitueerd binnen de waaier aan opties die de consument, volgens het hierna uitgelegde criterium, toelaten zijn telefoonkosten te verifiëren en te controleren.
37. In het licht van dit criterium moet worden vastgesteld dat het basisniveau van detaillering van de Oostenrijkse facturen onvoldoende is, omdat de kosten van de gesprekken, binnen elk van de tariefgroepen die op deze telefoonrekeningen voorkomen, van gesprek tot gesprek variëren naar gelang van factoren die aan de hand van de factuur gewoon niet kunnen worden geverifieerd. Opdat het basisniveau van detaillering van de Oostenrijkse facturen zou toelaten een doeltreffende controle van de kosten van de gevoerde gesprekken te waarborgen, moeten de gedetailleerde standaardfacturen informatie bevatten over de factoren die in Oostenrijk bepalend zijn voor de geïndividualiseerde vaststelling van de kosten van elk gesprek.
38. De tekortkomingen van het basisniveau van detaillering van de Oostenrijkse facturen blijken overigens niet enkel bij internationale gesprekken en gesprekken met mobiele nummers, maar ook bij regionale en nationale gesprekken. Voor elk soort gesprek variëren de kosten naar gelang van factoren die op de factuur niet zijn aangegeven, zoals de dag of het uur waarop het gesprek is gevoerd. Bij internationale gesprekken variëren de kosten van elk gesprek niet enkel naar gelang van de dag en het uur van het gesprek, maar kunnen zij ook variëren naar gelang van het land, en bovendien ook naargelang het gaat om een gesprek met een vast nummer in het buitenland of met een mobiel nummer in dit land van bestemming. Het basisniveau van detaillering van de Oostenrijkse facturen heeft ook tot gevolg dat de klant zelfs niet precies kan bepalen naar welk van de landen die tot een van de op de factuur vermelde tariefzones behoren, hij heeft gebeld.
39. Hier komt nog bij dat de gebruiker, indien hij niet de mogelijkheid heeft de kosten van elk gesprek doeltreffend te verifiëren en te controleren, ook niet aan de hand van de analyse van de Oostenrijkse standaardfacturen de kosten van elk gevoerd gesprek kan vergelijken met de kosten van een gesprek van dezelfde duur en naar hetzelfde nummer, maar via een andere telefoonoperator.
40. Deze mogelijkheid tot vergelijking van het tariefaanbod van verschillende exploitanten, evenals overigens de mogelijkheid tot vergelijking met de kosten van andere communicatiediensten dan de telefoon, zijn middelen die de daadwerkelijke ontwikkeling van een concurrentiële markt in dit domein mogelijk maken. (11) Dit is ook een van de doelstellingen van richtlijn 98/10. (12)
41. Tenslotte moet worden benadrukt dat, anders dan de Oostenrijkse regering beweert, de omstandigheid dat consumenten bezwaar kunnen maken tegen telefoonrekeningen en dat in 2001 bij de bemiddelingscommissies 1418 dergelijke bezwaren zijn ingediend, waardoor de gebruikers toegang kunnen krijgen tot gedetailleerde gegevens over de gevoerde gesprekken, niet kan aantonen dat het basisniveau van detaillering van de Oostenrijkse facturen toereikend is om de gebruikers in staat te stellen de kosten van het gebruik van de telefoondiensten conform artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10 doeltreffend te verifiëren en te controleren.
42. De enkele mogelijkheid om de zaak voor te leggen aan een bemiddelingscommissie of de omstandigheid dat een bepaald aantal bezwaren is ingediend, volstaan zeker niet om te stellen dat het niet noodzakelijk is om een hoger basisniveau van detaillering van de Oostenrijkse facturen dan nu in deze lidstaat vereist is, voor te schrijven. Het is integendeel net door deze hogere mate van detaillering dat de consumenten de beschikking krijgen over de nodige gegevens om grieven te kunnen formuleren ter ondersteuning van hun bezwaren en dat dus een betere doeltreffendheid van de bemiddelingssystemen wordt gewaarborgd.
43. De Oostenrijkse regering voerde ter terechtzitting ook aan dat bepaalde telefoonoperatoren hun klanten gedetailleerdere telefoonrekeningen aanbieden en dat deze operatoren minder vaak met bezwaren worden geconfronteerd dan operatoren die het door de Commissie onvoldoende geachte niveau van detaillering hanteren. Parallel hieraan, maar omgekeerd, haalde de Oostenrijkse regering ook voorbeelden aan van andere ondernemingen die hun cliënten heel gedetailleerde facturen aanbieden, die toch tot een veel groter aantal bezwaren bij de bemiddelingscommissie aanleiding geven.
44. Met deze gegevens kan eenvoudig worden aangetoond dat, anders dan de Republiek Oostenrijk sinds de precontentieuze procedure aanvoert, het bestaan van een mogelijkheid tot het indienen van een bezwaar bij de genoemde bemiddelingscommissies evenals het aantal ingediende bezwaren geen argumenten zijn op grond waarvan kan worden gesteld dat het door Oostenrijk voorgeschreven basisniveau van detaillering van de telefoonrekeningen voldoende is uit het oogpunt van artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10. De tegenstrijdige voorbeelden die de Republiek Oostenrijk gaf, tonen juist aan dat er geen direct verband bestaat tussen het niveau van detaillering van de facturen en de bij de bemiddelingscommissies ingediende bezwaren.
45. Enerzijds, en in strijd met wat de Republiek Oostenrijk stelt, kan het groter aantal bezwaren tegen minder gedetailleerde facturen juist het gevolg zijn van de moeilijkheden die de klanten in dit geval ondervinden om hun facturen doeltreffend te controleren. Met andere woorden, een groter aantal klachten wordt niet noodzakelijk verklaard door het bestaan van een doeltreffende controle van de kosten, maar kan integendeel het gevolg zijn van de onduidelijkheid en de onzekerheid die worden veroorzaakt doordat de mate van detaillering niet volstaat om een toereikende controle van de kosten door de consumenten mogelijk te maken.
46. Anderzijds is het ook mogelijk dat er bij een hogere mate van detaillering van de facturen meer bezwaren met betrekking tot bepaalde ondernemingen zijn, aangezien het aantal fouten bij de facturering van telefoongesprekken vanzelfsprekend afhankelijk is van de betrokken telefoonoperator en deze fouten uiteraard beter zichtbaar zijn op een meer gedetailleerde factuur.
B – De zienswijze dat de standaardfactuur niet gedetailleerder hoeft te zijn, aangezien de klant om een meer gedetailleerde factuur kan vragen
47. Artikel 14, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 98/10 voorziet in de mogelijkheid om klanten, tegen een redelijke vergoeding of gratis, hogere niveaus van detaillering van de facturen aan te bieden.
48. Er zij echter op gewezen dat, anders dan de Oostenrijkse regering stelt, deze bepaling niet elke nuttige werking wordt ontnomen door het vaststellen van een hoger basisniveau van detaillering van de facturen dan het niveau van de thans in Oostenrijk gebruikelijke facturen. Er blijft een marge om op de facturen andere informatie te vermelden, die overeenkomstig artikel 14, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 98/10, gratis of tegen een redelijke vergoeding kan worden aangeboden.
49. De klanten kunnen immers extra gedetailleerde facturen krijgen, zulks om, naar gelang van de marktvoorwaarden, de controle van de uitgaven door de consument nog te vergemakkelijken of om de klanten andere informatie over het gebruik van de telefoondiensten te verstrekken.
50. Het is niet uitgesloten dat bepaalde klanten geïnteresseerd kunnen zijn in de mogelijkheid om over facturen te beschikken die voor elk gesprek de kostenberekeningen gedetailleerd beschrijven, of die de verschillende bestanddelen van de kosten van elk gesprek specificeren door bijvoorbeeld een onderscheid te maken tussen nettokosten en brutokosten.
51. Het is ook mogelijk dat een klant geïnteresseerd is in de mogelijkheid om informatie te krijgen over het aantal en de totale duur van de ontvangen telefoongesprekken tijdens de periode waarop de factuur betrekking heeft, zodat hij de duur en de kosten van de uitgaande gesprekken kan vergelijken met de ontvangen gesprekken.
52. Het is informatie van deze aard die eventueel kan worden vermeld op facturen met een hogere mate van detaillering dan het basisniveau, en dit in zoverre er klanten zijn die geïnteresseerd zijn in de mogelijkheid om deze bijkomende informatie tegen betaling te ontvangen en in zoverre de Oostenrijkse autoriteiten het natuurlijk nuttig achten om deze informatie aan de klanten aan te bieden, gezien de specifieke situatie op elke nationale markt.
53. Uit het voorgaande blijkt dat, anders dan wat de Oostenrijkse regering beweert aan te tonen, de in artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10 uitdrukkelijk opgenomen mogelijkheid om facturen op te stellen die een hogere mate van detaillering bevatten, haar betekenis niet verliest door de omstandigheid dat de Oostenrijkse gespecificeerde standaardtelefoonrekeningen gedetailleerder zijn dan het thans door artikel 94, lid 1, van het TKG voorgeschreven niveau, teneinde artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10 te eerbiedigen.
C – De gestelde schending van de wetgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
54. Met betrekking tot gedetailleerde facturen bepaalt artikel 7, lid 1, van richtlijn 97/66/EG dat „de abonnees het recht hebben om niet-gespecificeerde nota's te ontvangen”. Deze bepaling is overigens helemaal in overeenstemming met artikel 14, lid 1, tweede streepje, van richtlijn 98/10, waarin is bepaald dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de gebruikers toegang hebben tot „gespecificeerde facturen en selectieve nummerblokkering als op verzoek beschikbare faciliteiten”. Krachtens artikel 7, lid 2, van richtlijn 97/66 passen „de lidstaten nationale bepalingen toe om de rechten van de abonnees die gespecificeerde nota's ontvangen, te verzoenen met het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de oproepende gebruikers en de opgeroepen abonnees […]”.
55. De manoeuvreerruimte waarover de lidstaten beschikken om het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de oproepende gebruikers en de opgeroepen abonnees te waarborgen, is echter niet onverenigbaar met de mogelijkheid voor de gebruiker aan wie de factuur is gericht, om de te betalen telefoonkosten te verifiëren en te controleren.
56. Zoals de Commissie in repliek stelt, valt in dit verband moeilijk in te zien hoe de enkele aanduiding van de kengetallen van het land en de plaats van bestemming van het gesprek of de aanduiding van de datum en het uur van elk gesprek, persoonsgegevens kunnen zijn in de zin van de aangehaalde richtlijn 97/66, die de Oostenrijkse regering zou kunnen inroepen om de opname van deze gegevens in de gedetailleerde telefoonrekeningen te verhinderen. Enerzijds gaat dit soort beslissing veel verder dan wat nodig lijkt om het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van telefoondiensten te beschermen. Anderzijds offert zij onvermijdelijk het recht van de persoon aan wie de factuur is gericht om de kosten van elk gevoerd gesprek te verifiëren en te controleren op, door hem de toegang te ontzeggen tot gegevens die beslissend zijn voor de bepaling van de kosten van elk gesprek.
57. De eventuele opname van bijkomende gegevens, zoals de gegevens die ik in de punten 49 tot en met 52 van deze conclusie heb vermeld, op facturen die een bijkomende mate van detaillering bevatten, heeft evenmin een schending van de door de Oostenrijkse regering ingeroepen wetgeving tot gevolg.
58. De Oostenrijkse regering kan natuurlijk van mening zijn dat het op de gedetailleerde facturen aanduiden van slechts een deel van het telefoonnummer van de opgeroepen abonnee (13) (bijvoorbeeld door de identificatie van de laatste vier cijfers onmogelijk te maken), een noodzakelijke maatregel is om het recht van de abonnee op gespecificeerde facturen te verzoenen met het recht van de oproepende gebruikers op eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Deze maatregel rechtvaardigt echter niet dat het basisniveau van detaillering van de facturen niet elk gesprek afzonderlijk mag vermelden, met een weergave van de relevante aanduidingen voor de verificatie en de controle van de kosten, zoals het uur, de duur en het kengetal van het land, de plaats of de mobiele telefoon.
IV – Conclusie
59. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging te verklaren:
1) Door te kiezen voor een gespecificeerde factuur met een basisniveau van detaillering dat enkel een overzicht geeft van de kosten volgens soort, en die niet voldoende gedetailleerd is om de consument de mogelijkheid van een doeltreffende controle en verificatie van de kosten van het gebruik van telefoondiensten te geven, is de Republiek Oostenrijk de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 14, lid 2, van richtlijn 98/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 1998 inzake de toepassing van Open Network Provision (ONP) op spraaktelefonie en inzake de universele telecommunicatiedienst in een door concurrentie gekenmerkt klimaat.
2) De Republiek Oostenrijk wordt verwezen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Portugees.
2 – − PB L 101, blz. 24.
3 – − Arresten van 7 december 2000, Commissie/Italië (C-423/99, Jurispr. blz. I-11167), en 13 juni 2002, Commissie/Frankrijk (C-286/01, Jurispr. blz. I-5463).
4 – − PB L 108, blz. 33.
5 – − PB L 108, blz. 21.
6 – − PB L 108, blz. 7.
7 – − PB L 108, blz. 51.
8 – − Deze continuïteit blijkt in het bijzonder uit punt 15 van de considerans van richtlijn 2002/22, waarin het heet dat „de betaalbaarheid van de telefoondienst verband houdt met de informatie die de gebruikers ontvangen over de uitgaven voor het telefoongebruik en de relatieve kosten van het telefoongebruik in verhouding tot die van andere diensten, en ook verband houdt met hun vermogen om de uitgaven te beheersen. Betaalbaarheid betekent bijgevolg de consumenten rechten verlenen door verplichtingen op te leggen aan aangewezen ondernemingen met universeledienstverplichtingen. Deze verplichtingen omvatten een bepaald niveau van detaillering van de rekeningen […]”.
9 – − Bijlage I bij richtlijn 2002/22 bepaalt immers dat de lidstaten ervoor zorgen dat de nationale regelgevende instanties, „het basisniveau van specificatie van telefoonrekeningen kunnen vaststellen dat aangewezen ondernemingen […] kosteloos aan de consumenten moeten verstrekken, zodat deze
i) de kosten van het gebruik van het openbare telefoonnetwerk op een vaste locatie en/of bijbehorende openbare telefoondiensten kunnen verifiëren en controleren en
ii) adequaat toezicht kunnen houden op hun gebruik en uitgaven en zodoende in redelijke mate hun rekeningen kunnen beheersen.
In voorkomend geval kan de abonnee tegen een redelijke vergoeding of gratis een hogere mate van detaillering worden aangeboden”.
10 – − PB L 24, blz. 1.
11 – − Hieromtrent bepaalt punt 4 van de considerans van richtlijn 98/10 dat „[…] de betaalbaarheid van de telefoondienst verband houdt met de informatie die de gebruikers ontvangen over de kosten van het telefoongebruik, alsmede met die kosten in verhouding tot die van andere diensten”.
12 – − Zoals blijkt uit de punten 3, 5, 11, 14 en 17 van de considerans van richtlijn 98/10.
13 – − Zoals punt 18 van de considerans van richtlijn 97/66 overigens uitdrukkelijk bepaalt: „overwegende dat de invoering van gespecificeerde nota's de abonnees betere mogelijkheden biedt om de juistheid van de door de dienstverstrekker aangerekende bedragen te toetsen, maar tegelijkertijd ook een bedreiging kan vormen voor de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van algemeen beschikbare telecommunicatiediensten; overwegende derhalve, dat de lidstaten, met het oog op de vrijwaring van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers, de ontwikkeling moeten aanmoedigen van telecommunicatiediensten waaraan opties zijn gekoppeld zoals alternatieve betalingsfaciliteiten waardoor anonieme of strikt persoonlijke toegang tot algemeen beschikbare telecommunicatiediensten wordt gewaarborgd, bijvoorbeeld gebruikspasjes en betalingen per kredietkaart; dat de lidstaten anderzijds met hetzelfde doel kunnen verlangen dat een aantal cijfers worden weggelaten uit de opgeroepen nummers die in de gespecificeerde nota's zijn vermeld”.
Full & Egal Universal Law Academy