CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 29 april 2004 (1)
Zaak C‑422/02 P
Europe Chemi-Con (Deutschland) GmbH
tegen
Raad van de Europese Unie
1. De onderhavige hogere voorziening betreft de toepassing van het non-discriminatiebeginsel van artikel 9, lid 5, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap(2) (hierna: „basisverordening”). Het gaat om de vraag hoe dit beginsel moet worden toegepast wanneer importen van dezelfde soort producten uit twee verschillende groepen landen tegelijkertijd zijn onderworpen aan uiteenlopende antidumpingonderzoeken: een aanvankelijk onderzoek ten aanzien van de ene groep landen en een heronderzoek naar aanleiding van het vervallen van een maatregel(3) ten aanzien van de andere groep. Indien het aanvankelijke onderzoek niet uitmondt in de instelling van antidumpingrechten, in hoeverre zijn de communautaire autoriteiten dan verplicht de maatregelen die worden onderworpen aan een heronderzoek naar aanleiding van het vervallen ervan, te beëindigen? Meer in het bijzonder: in hoeverre heeft deze verplichting een terugwerkend karakter?
Relevante antidumpingwetgeving
2. Volgens de basisverordening – die onder meer is vastgesteld om in de praktijk te voldoen aan de nieuwe internationale verplichtingen die voortvloeien uit de „antidumpingcode” van 1994, overeengekomen ter gelegenheid van de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde(4) – voert de Commissie, in overleg met het raadgevend comité waarin de lidstaten zijn vertegenwoordigd, onderzoek naar dumping en kan zij voorlopige antidumpingrechten instellen. De Raad is van zijn kant verantwoordelijk voor de instelling van definitieve antidumpingrechten. Artikel 5 bepaalt dat de onderzoeksprocedure, die naar aanleiding van een klacht van een bedrijfstak van de Gemeenschap wordt geopend, volgens de bepalingen van artikel 6 moet worden gevoerd.
3. Artikel 7, lid 1, bepaalt: „Voorlopige rechten kunnen worden ingesteld indien [...] er voorlopig is vastgesteld dat dumping plaatsvindt en daaruit schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap voortvloeit, en het belang van de Gemeenschap maatregelen ter voorkoming van dergelijke schade noodzakelijk maakt. [...].” Volgens artikel 7, lid 3, dienen de voorlopige rechten door een zekerheid te worden gewaarborgd.
4. Artikel 9, lid 4, bepaalt: „Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er dumping plaatsvindt en daardoor schade wordt veroorzaakt en het belang van de Gemeenschap maatregelen [...] noodzakelijk maakt, stelt de Raad, met een gewone meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het raadgevend comité, een definitief antidumpingrecht in. [...]”
5. Artikel 9, lid 5, bepaalt: „In elke zaak wordt op niet discriminerende grondslag een passend antidumpingrecht geheven op alle producten, ongeacht de oorsprong, waarvan is vastgesteld dat zij met dumping worden ingevoerd en dat daardoor schade wordt veroorzaakt [...].”
6. Artikel 9, lid 5, vertoont sterke gelijkenissen met artikel 9.2 van de antidumpingcode: „Wordt op een product een antidumpingrecht ingesteld, dan wordt dit recht, op niet-discriminerende basis, per geval geheven op de invoer van dat product uit alle dumping‑ en schadeveroorzakende bronnen [...].”
7. Verzoekster in de onderhavige procedure stelt dat in deze laatste bepaling de algemene clausule van de meestbegunstigde natie van artikel I van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel („GATT 1947”) tot uitdrukking komt. Dit artikel bepaalt dat „met betrekking tot douanerechten en andere rechten die worden geheven op of in verband met invoer of uitvoer ieder voordeel, [...] iedere gunst, ieder privilege of immuniteit die door een verdragsluitende partij [wordt] toegekend aan een product dat afkomstig is uit of bestemd is voor een ander land, onmiddellijk en onvoorwaardelijk wordt toegekend aan alle soortgelijke producten die afkomstig zijn uit of bestemd zijn voor de grondgebieden van alle andere verdragsluitende partijen”.
8. Artikel 11 van de basisverordening heeft betrekking op de duur, het nieuwe onderzoek en de terugbetaling van ingestelde rechten. Artikel 11, lid 2, eerste en tweede alinea, bepaalt:
„Een definitieve antidumpingmaatregel vervalt vijf jaar nadat hij is ingesteld of vijf jaar na de datum van beëindiging van het meest recente nieuwe onderzoek dat zowel op de dumping als op de schade betrekking heeft gehad, tenzij bij een nieuw onderzoek wordt vastgesteld, dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot een voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden. Een nieuw onderzoek bij het vervallen van een maatregel wordt op initiatief van de Commissie dan wel op verzoek van of namens een bedrijfstak van de Gemeenschap geopend en de maatregel blijft van kracht, totdat de resultaten van dit onderzoek bekend zijn.
Een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van een maatregel wordt geopend, wanneer het verzoek daartoe voldoende bewijs bevat, dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot voortzetting of herhaling van dumping en schade zou leiden. [...]”
9. De Commissie kan ook op enig tijdstip na het verstrijken van ten minste een jaar sinds de instelling van een definitief recht een tussentijds onderzoek in de zin van artikel 11, lid 3, van de basisverordening openen, waarbij zij vooral nagaat of de handhaving van het recht nog steeds noodzakelijk en toereikend is dan wel of de relevante omstandigheden ingrijpend zijn gewijzigd.
10. Artikel 11, lid 5, bepaalt: „De bepalingen van deze verordening betreffende procedures en onderzoeken, met uitzondering van die welke betrekking hebben op termijnen, zijn van toepassing op alle nieuwe onderzoeken uit hoofde van de leden 2, 3 en 4. [...].”
De relevante antidumpingprocedures
11. De onderhavige zaak heeft betrekking op de invoer van zogenoemde grote elektrolytische aluminiumcondensatoren (hierna: „GEAC’s”), alhoewel vast lijkt te staan dat de term „groot” in casu niet adequaat is. Condensatoren zijn elektronische componenten die elektrische lading kunnen vasthouden en vervolgens afgeven. Zij maken deel uit van de elektrische circuits van vrijwel alle soorten elektronische apparatuur die wordt gebruikt in computers, telecommunicatietoestellen en meetinstrumenten, voor industriële en militaire doeleinden, in motorvoertuigen en andere consumptiegoederen. De betrokken GEAC’s worden vooral gebruikt in de elektrische circuits van duurzame consumentenelektronica, zoals televisieapparaten, videorecorders en personal computers.
12. Per 4 december 1992 werd een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van GEAC’s uit Japan.(5) Deze maatregel zou uit hoofde van artikel 11, lid 2, eerste alinea, van de basisverordening op 4 december 1997 vervallen. Per 19 juni 1994 werd tevens een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van bepaalde GEAC’s uit Korea en Taiwan.(6) Op 27 november 1997 kondigde de Commissie vervolgens aan, een onderzoek te zullen openen naar de invoer van GEAC’s uit de Verenigde Staten en Thailand.(7)
13. Op 3 december 1997, de laatste dag waarop de rechten op de invoer uit Japan uit hoofde van verordening nr. 3482/92 werden geïnd, verklaarde de Commissie, op verzoek van een bedrijfstak van de Gemeenschap een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregel en tegelijkertijd op eigen initiatief een tussentijds onderzoek te zullen openen.(8) Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening bleef de maatregel dus van kracht totdat de resultaten van het nieuwe onderzoek bekend waren. Op 7 april 1998 werd een tussentijds onderzoek van de antidumpingrechten op de invoer uit Korea en Taiwan aangekondigd.(9)
14. In haar onderzoek naar GEAC’s uit de Verenigde Staten en Thailand kwam de Commissie tot de conclusie dat de industrie in de Gemeenschap door de invoer met dumping materiële schade ondervond en dat het in het belang van de Gemeenschap was om antidumpingrechten in te stellen. Zij stelde derhalve per 28 augustus 1998 voor een duur van zes maanden voorlopige rechten in op de invoer van bepaalde GEAC’s.(10) Overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de basisverordening werden deze rechten niet geïnd, maar door een zekerheid gewaarborgd.
15. De Commissie stelde de Raad vervolgens voor, ten aanzien van de betrokken importen definitieve antidumpingrechten in te stellen. Deze laatste heeft dit voorstel echter niet aanvaard binnen de termijn van vijftien maanden die in artikel 6, lid 9, van de basisverordening is voorgeschreven. Dientengevolge werden ten aanzien van de invoer uit de Verenigde Staten en Thailand geen definitieve rechten ingesteld en kwamen de voorlopige maatregelen op 28 februari 1999 te vervallen. De voorlopige antidumpingrechten op deze importen zijn voorts nooit definitief geïnd.
16. Ook in haar heronderzoek van de maatregelen betreffende de invoer uit Japan, Korea en Taiwan kwam de Commissie tot de conclusie dat de industrie in de Gemeenschap nog steeds materiële schade ondervond en dat het derhalve in haar belang was, de antidumpingrechten op deze importen te vernieuwen. Aangezien echter geen rechten waren ingesteld ten aanzien van de invoer uit de Verenigde Staten en Thailand, stelde zij de Raad voor, de maatregelen betreffende de invoer uit Japan, Korea en Taiwan te beëindigen. De Raad heeft dit voorstel aangenomen in verordening nr. 173/2000(11) (hierna: „bestreden verordening”).
17. Overeenkomstig artikel 3, tweede alinea, ervan was de bestreden verordening met terugwerkende kracht van toepassing vanaf 28 februari 1999, de datum waarop de voorlopige maatregelen ten aanzien van de invoer uit de Verenigde Staten en Thailand waren vervallen.
18. De redenen voor de beëindiging en de terugwerkende kracht werden in de overwegingen 132 tot en met 139 van de considerans toegelicht. De overwegingen 133 tot en met 135 luiden met name:
„(133) De nieuwe procedure ten aanzien van de Verenigde Staten en de twee onderhavige herzieningsprocedures verliepen grotendeels gelijktijdig. Zoals hierboven reeds vermeld, werden in het kader van de nieuwe procedure betreffende hetzelfde product uit de Verenigde Staten en Thailand in wezen dezelfde conclusies bereikt. Op grond van deze conclusies moeten de definitieve maatregelen die ten aanzien van Japan, de Republiek Korea en Taiwan zijn genomen in principe worden gewijzigd.
Volgens artikel 9, lid 5, van de basisverordening worden antidumpingrechten evenwel op niet-discriminerende wijze ingesteld op producten, uit welke bron dan ook, waarvan is vastgesteld dat zij met dumping zijn ingevoerd en dat hierdoor schade is ontstaan.
(134) In de afwezigheid van maatregelen ten aanzien van de Verenigde Staten en Thailand wordt derhalve geconcludeerd dat wanneer als gevolg van onderhavig onderzoek maatregelen tegen GEAC’s uit Japan, de Republiek Korea en Taiwan zouden worden genomen, dit een discriminatie van die landen zou betekenen.
(135) Gezien het bovenstaande moet de procedure betreffende de invoer van GEAC’s uit Japan, de Republiek Korea en Taiwan op grond van het in artikel 9, lid 5, van de basisverordening opgenomen beginsel van niet-discriminatie en in het belang van een coherente werkwijze zonder het nemen van antidumpingmaatregelen worden beëindigd.”
19. Eén Japanse exporteur had geargumenteerd dat, om discriminatie te voorkomen, de maatregelen ten aanzien van de importen uit Japan met terugwerkende kracht per 3 december 1997, de datum waarop het heronderzoek was geopend, moesten worden beëindigd. Zolang dit onderzoek niet was afgerond, waren de importen uit Japan immers nog steeds onderworpen aan antidumpingrechten, terwijl op importen uit de Verenigde Staten en Thailand geen dergelijke rechten werden geïnd.
20. De Raad bepaalde evenwel dat de beëindiging slechts terugwerkte tot 28 februari 1999, waarvoor hij in de overwegingen 137 en 138 van de considerans de volgende redenen opgaf:
„(137) [...] de invoer van GEAC’s uit de Verenigde Staten en Thailand [was] van december 1997 tot en met 28 februari 1999, evenals de invoer van GEAC’s uit Japan het onderwerp van een onderzoek. Het feit dat in die periode geen maatregelen van toepassing waren ten aanzien van de Verenigde Staten en Thailand, maar wel ten aanzien van Japan vloeit uitsluitend voort uit het feit dat de procedure betreffende de Verenigde Staten en Thailand zich in een ander stadium bevond, namelijk dat van het oorspronkelijke onderzoek, terwijl ten aanzien van Japan bij verordening (EEG) nr. 3482/92 reeds maatregelen waren genomen. Daarom was er geen sprake van discriminatie omdat de situatie in elke procedure anders was.
(138) Niettemin werd aanvaard dat de invoer uit Japan, om de in de overwegingen 132 tot en met 135 gegeven redenen, vanaf 28 februari 1999 op dezelfde wijze moest worden behandeld als de invoer uit de Verenigde Staten en Thailand. Hetzelfde gold voor de Republiek Korea en Taiwan. De procedure betreffende de Verenigde Staten en Thailand moest op 28 februari 1999 worden beëindigd, al dan niet met het nemen van maatregelen. Omdat de conclusies van onderhavige procedures gelijk zijn aan de conclusies van de procedure betreffende de invoer van GEAC’s uit de Verenigde Staten en Thailand, moeten onderhavige procedures tot dezelfde maatregelen leiden.”
Procesverloop in eerste aanleg
21. Europe Chemi-Con (Deutschland) GmbH (hierna: „Chemi-Con”) is een 100 %-dochteronderneming van de Japanse GEAC‑producent Nippon Chemi-Con Corporation en is in de Europese Gemeenschap alleenverkoper en ‑importeur van de door de moederonderneming vervaardigde GEAC’s. Nippon Chemi-Con is een van de exporteurs die in verordening nr. 3482/92 bij name werden genoemd en er lijkt overeenstemming over te bestaan dat het deze onderneming was die vóór de vaststelling van de bestreden verordening argumenteerde dat de rechten op de invoer uit Japan met terugwerkende kracht per 3 december 1997 dienden te worden opgeheven.
22. Op 14 april 2000 stelde Chemi-Con bij het Gerecht van eerste aanleg beroep in tot nietigverklaring van „artikel 3, tweede alinea, van de bestreden verordening [...] voorzover daarin niet is bepaald dat de verordening met terugwerkende kracht vanaf 4 december 1997(12) van toepassing is”. Chemi-Con voerde twee middelen aan: kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten en gebrekkige motivering.
23. Het Gerecht heeft dit beroep bij arrest van 12 september 2002 verworpen.(13)
24. Het Gerecht ging in de punten 48 tot en met 60 van het bestreden arrest in op het eerste middel van Chemi-Con. In punt 48 stelde het om te beginnen vast:
„[...] dat er volgens verzoekster in wezen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van het gelijkheidsbeginsel in de bestreden verordening, en niet van een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten door de Raad die ten onrechte zou hebben gemeend dat de discriminatie slechts terugging tot 28 februari 1999 en niet tot 4 december 1997. Verzoekster meent immers dat de Raad voorrang had moeten geven aan het gelijkheidsbeginsel, een van de fundamentele rechtsbeginselen van het gemeenschapsrecht, dat is neergelegd in artikel 9, lid 5, van de basisverordening, boven de toepassing van artikel 11, lid 2, van de basisverordening, die tot discriminatie leidde.”
25. In punt 52 oordeelde het vervolgens dat „een instelling slechts discriminatie [kan] worden verweten, wanneer zij vergelijkbare situaties verschillend heeft behandeld en daardoor bepaalde marktdeelnemers ten opzichte van anderen heeft benadeeld, zonder dat dit verschil in behandeling door het bestaan van objectieve verschillen van een zeker gewicht wordt gerechtvaardigd”.(14)
26. In deze context stelde het Gerecht in de punten 53 tot en met 56 vast dat het heronderzoek betreffende de invoer uit Japan en het aanvankelijk onderzoek betreffende de invoer uit de Verenigde Staten en Thailand geregeld werden door verschillende bepalingen van de basisverordening, hetgeen uiteenlopende consequenties had voor de inning van de antidumpingrechten. Het heronderzoek viel onder artikel 11, lid 2, dat bepaalt dat de antidumpingmaatregel van kracht blijft totdat de resultaten van het betrokken onderzoek bekend zijn. In het tweede geval ging het daarentegen om een aanvankelijk onderzoek, en wanneer een dergelijke procedure wordt beëindigd zonder dat antidumpingrechten worden ingesteld, worden de voorlopige rechten niet definitief geïnd.(15)
27. Het Gerecht oordeelde derhalve in punt 57 van zijn arrest dat, hoewel de onderzoeken betrekking hadden op vergelijkbare producten en leidden tot vergelijkbare conclusies, de uiteenlopende behandeling van de invoer uit Japan en die uit de Verenigde Staten en Thailand een normatieve grondslag vond in de basisverordening en derhalve geen schending van het gelijkheidsbeginsel opleverde. Het Gerecht verwees in dit verband naar het arrest Sermes.(16)
28. Bovendien was de Raad op grond van artikel 9, lid 5, van de basisverordening, dat enkel het „opleggen” van antidumpingrechten betreft, niet verplicht artikel 11, lid 2, van die verordening buiten toepassing te laten. In casu werden de antidumpingrechten tussen 4 december 1997 en 28 februari 1999 verder geheven op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening, „dat een ‚specifieke regel’ is”, ongeacht de opening van een aanvankelijk onderzoek betreffende de invoer uit de Verenigde Staten en Thailand (punt 58 van het bestreden arrest).
29. In de punten 65 tot en met 69 wees het Gerecht het tweede middel van Chemi-Con, inzake gebrekkige motivering, af.
Hogere voorziening
30. Chemi-Con heeft op 22 november 2002 hogere voorziening ingesteld en ondersteunt deze met drie middelen, die alle betrekking hebben op de verwerping van het eerste middel door het Gerecht. Deze drie middelen kunnen als volgt worden samengevat:
i) In punt 48 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het door Chemi-Con aangevoerde middel inzake „kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten” ten onrechte geherkwalificeerd als een middel inzake schending van het algemene gelijkheidsbeginsel en niet als een middel inzake schending van het non-discriminatiebeginsel.
ii) In punt 58 heeft het Gerecht ten onrechte vastgesteld dat artikel 9, lid 5, van de basisverordening uitsluitend betrekking heeft op de aanvankelijke instelling van antidumpingrechten en niet op de handhaving hiervan en dat het hierbij om een niet-bindende bepaling gaat die de Raad naar goeddunken kan toepassen. Artikel 9, lid 5, is geen loutere uitdrukking van het gemeenschapsrechtelijke beginsel van gelijke behandeling, maar een specifieke regel die moet worden uitgelegd in het licht van de antidumpingcode en dus van de GATT-clausule van de meestbegunstigde natie. Op grond van deze uitlegging dient deze bepaling ten volle te worden toegepast in alle situaties waarin een antidumpingrecht wordt geïnd, ongeacht de specifieke rechtsgrondslag of de stand van de procedure. Artikel 11, lid 2, van de basisverordening is bovendien geen lex specialis die buiten het toepassingsgebied van artikel 9, lid 5, valt.
iii) Zelfs wanneer in casu wordt uitgegaan van het gelijkheidsbeginsel en niet van het non-discriminatiebeginsel, heeft het Gerecht in punt 57 van zijn arrest ten onrechte geoordeeld dat dit beginsel niet was geschonden omdat de respectieve rechten uit hoofde van uiteenlopende rechtsgrondslagen werden geheven. De redenering van het Gerecht in dit opzicht is dubbelzinnig. In elk geval ging het om soortgelijke situaties en het verschil in de rechtsgrondslag kan op geen enkele wijze worden vergeleken met dat in de zaak Sermes.
31. Chemi-Con vordert derhalve vernietiging van het bestreden arrest en toewijzing van de vordering in eerste aanleg dan wel om verwijzing van de zaak naar het Gerecht voor afdoening. In de twee gevallen verzoekt zij de Raad in de kosten van beide instanties te verwijzen.
32. De Raad en de Commissie, die in eerste aanleg is tussengekomen ter ondersteuning van de conclusies van de Raad, hebben geconcludeerd tot afwijzing van de hogere voorziening en verwijzing van Chemi-Con in de kosten.
33. Er is niet om een mondelinge behandeling verzocht en er heeft er ook geen plaatsgevonden.
Beoordeling van de hogere voorziening
34. De Raad en de Commissie hebben terecht opgemerkt dat de drie middelen van de hogere voorziening in wezen met elkaar verband houden en elkaar overlappen. Zij stellen éénzelfde materiële vraag aan de orde, zij het dat deze twee kanten heeft. Teneinde deze overlapping in aanmerking te nemen, zal ik de argumenten in een iets andere volgorde behandelen dan waarin zij in de hogere voorziening zijn aangevoerd.
35. Voorafgaand aan de beoordeling van de materiële vraag zal ik kort ingaan op drie andere aspecten.
Gelijkheidsbeginsel of non-discriminatiebeginsel?
36. Aangaande het eerste middel van de hogere voorziening, wijs ik erop dat „gelijke behandeling” en „non-discriminatie” simpelweg twee benamingen zijn voor een en hetzelfde beginsel van gemeenschapsrecht. Dit wordt in de omvangrijke rechtspraak van het Hof ter zake over het algemeen omschreven als een verbod om vergelijkbare situaties verschillend te behandelen, dan wel verschillende situaties op gelijke wijze te behandelen, tenzij objectieve redenen dat rechtvaardigen.
37. Chemi-Con bedoelt blijkbaar in feite dat het Gerecht het eerste door haar aangevoerde middel had moeten uitleggen als betrekking hebbend op het specifieke discriminatieverbod in antidumpingprocedures van artikel 9, lid 5, van de basisverordening, waarvan de uitlegging en toepassing aan specifieke regels zouden kunnen zijn onderworpen, en niet op het algemene gemeenschapsrechtelijke beginsel, hoe dit ook genoemd wordt.
38. Het lijdt echter geen twijfel dat het Gerecht bij zijn beoordeling zowel artikel 9, lid 5, van de basisverordening als het gelijkheids‑ of non-discriminatiebeginsel in aanmerking heeft genomen. Het argument van Chemi-Con betreffende de kwalificatie van haar voor het Gerecht aangevoerde middel houdt dus geen steek. De vraag die moet worden beoordeeld, is of het Gerecht ten onrechte heeft vastgesteld dat geen van deze regels is geschonden, zoals Chemi-Con in haar overige middelen stelt. Het eerste middel van de hogere voorziening faalt derhalve.
Bindend karakter van artikel 9, lid 5, van de basisverordening
39. In het derde onderdeel van haar tweede middel voert Chemi-Con vervolgens aan dat artikel 9, lid 5, van de basisverordening een dwingende bepaling is en dat de Raad, in tegenstelling tot de opvatting van het Gerecht, met betrekking tot de toepassing ervan geen beoordelingsbevoegdheid heeft.
40. Uit punt 58 van het bestreden arrest volgt echter op geen enkele wijze dat artikel 9, lid 5, een discretionaire bepaling zou zijn. Het Gerecht stelt veeleer vast dat het niet van toepassing is wanneer van twee situaties de ene onder artikel 11, lid 2, valt en de andere niet. Ook hier moet worden nagegaan of deze uitlegging juist is.
Onduidelijke motivering
41. Ten derde argumenteert Chemi-Con in het eerste onderdeel van haar derde middel dat uit de punten 52 tot en met 57 van het bestreden arrest, tezamen beschouwd, niet duidelijk blijkt of het Gerecht van opvatting is dat a) de twee betrokken situaties niet vergelijkbaar zijn zodat het gelijkheidsbeginsel niet van toepassing kan zijn, of b) dat zij wel vergelijkbaar zijn, maar dat objectieve redenen een uiteenlopende behandeling rechtvaardigen.
42. Chemi-Con erkent zelf dat zowel de ene als de andere uitlegging tot dezelfde conclusie leidt, namelijk dat, zoals het Gerecht heeft vastgesteld, het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. De motivering kan dan ook niet ontoereikend worden geacht.
Het materiële vraagstuk
43. Chemi-Con verwijt het Gerecht in wezen dat het ten onrechte heeft geoordeeld dat, in de omstandigheden van de onderhavige zaak, de Raad de antidumpingrechten op GEAC’s uit Japan terecht per 28 februari 1999 heeft beëindigd en de beëindiging niet nog verder hoefde te laten terugwerken dan tot 4 december 1997.
44. Chemi-Con acht deze beslissing in strijd met een juiste uitlegging en toepassing van artikel 9, lid 5, van de basisverordening, en met het algemene gemeenschapsrechtelijke beginsel van gelijke behandeling (of non-discriminatie).
45. Het staat buiten kijf dat artikel 9, lid 5, een uitwerking is van het gelijkheidsbeginsel en dat het geen enkel element bevat waaruit afwijkingen van of beperkingen op dit beginsel voortvloeien. Een van de voornaamste argumenten van Chemi-Con is evenwel dat artikel 9, lid 5, verder gaat dan dit algemene beginsel. Mocht dus blijken dat het algemene beginsel niet is geschonden, maar dat artikel 9, lid 5, nadere specifieke voorwaarden bevat die niet zijn nageleefd, dan zou deze bepaling in de onderhavige zaak een geheel eigen rol kunnen spelen.
46. Derhalve zal ik de kwestie in haar geheel in het licht van het gelijkheidsbeginsel beoordelen en indien noodzakelijk ook de concretisering van dit beginsel in artikel 9, lid 5, van de basisverordening in aanmerking nemen.
47. De hierboven in de punten 12 tot en met 20 toegelichte feitelijke achtergrond wordt niet betwist.
48. In de punten 54 en 56 van het bestreden arrest stelde het Gerecht vast dat het aanvankelijke onderzoek (betreffende de Verenigde Staten en Thailand) onder artikel 5 van de basisverordening viel, hetgeen inhoudt dat wanneer de procedure in dit stadium wordt beëindigd, geen – voorlopige of definitieve – rechten worden geïnd. Het heronderzoek (onder meer betreffende Japan) viel daarentegen onder artikel 11, lid 2, uit hoofde waarvan de maatregelen van kracht blijven totdat de resultaten van het onderzoek bekend zijn.
49. In punt 57, waarop Chemi-Con in het tweede onderdeel van haar derde middel ingaat, stelde het Gerecht het volgende vast: „Hoewel [...] gelijktijdig onderzoeken plaatsvonden inzake vergelijkbare producten uit verschillende landen voor dezelfde onderzoeksperiode, en hoewel vergelijkbare conclusies zijn getrokken wat de dumping, de schade en het gemeenschapsbelang betreft, vindt de verschillende behandeling [...] een normatieve grondslag in de basisverordening, en levert zij derhalve geen schending van het gelijkheidsbeginsel op [...].” Ter staving van deze conclusie verwees het Gerecht naar de punten 45 tot en met 48 van het arrest Sermes.(17)
50. In de zaak Sermes waren antidumpingrechten op bepaalde importen uit onder meer de toenmalige Duitse Democratische Republiek aan de orde. Ingevolge het aan het EEG-Verdrag gehechte Protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland en de daarmee samenhangende vraagstukken was de Bondsrepubliek Duitsland ontheven van de verplichting de algemene regels van het gemeenschapsrecht op de Duitse binnenlandse handel toe te passen, en was de Duitse Democratische Republiek, ofschoon deze niet tot de Gemeenschap behoorde, ten opzichte van de Bondsrepubliek geen derde land. De maatregel was dus niet van toepassing op importen uit de Duitse Democratische Republiek in de Bondsrepubliek Duitsland. Sermes, een importeur van dezelfde goederen in Frankrijk, waar zij wel aan antidumpingrechten onderworpen waren, voerde schending van het beginsel van gelijke behandeling aan. Het Hof oordeelde echter „dat de verschillende behandeling waarop Sermes wijst, een normatieve grondslag vindt in dit tot het Verdrag behorende Protocol en derhalve geen discriminatie oplevert”.
51. Chemi-Con legt de nadruk op de vele gelijkenissen tussen de twee onderzoeken in de onderhavige zaak, die zowel in de bestreden verordening als in het bestreden arrest worden erkend. Zij argumenteert dat de motivering in de zaak Sermes – de enige zaak waarin een verschil in rechtsgrondslag als objectieve rechtvaardiging voor een afwijking van het gelijkheidsbeginsel werd beschouwd – gebaseerd is op het feit dat het betrokken Protocol als primair gemeenschapsrecht voorrang genoot boven de toenmalige basisverordening. Het is op de onderhavige situatie niet van toepassing, aangezien hierin hiërarchisch gelijkwaardige bepalingen aan de orde zijn.
52. De Raad en de Commissie beklemtonen van hun kant dat de beslissende factor in de zaak Sermes het verschil in rechtsgrondslag was en dat de verhouding tussen de verschillende grondslagen binnen de hiërarchie der normen irrelevant was. In casu wordt het wezenlijke verschil tussen de twee onderzoeken gevormd door het verschil in rechtsgrondslag, de verschillende stadia waarin de procedures zich bevonden en het feit dat in het ene geval reeds een recht was ingesteld en geïnd, in het andere daarentegen nog niet.
53. Ik plaats vraagtekens bij de door de Raad en de Commissie bepleite uitlegging van het arrest Sermes, die blijkbaar ook door het Gerecht is gevolgd.
54. Ten eerste volgt uit de door het Hof gekozen formulering in het arrest Sermes duidelijk dat het zich niet alleen baseerde op een verschil in rechtsgrondslag, maar ook op het feit dat de ene rechtsgrondslag deel uitmaakte van het Verdrag.
55. Ten tweede heeft het Hof dit arrest nooit aangehaald als precedent ten betoge dat twee feitelijke situaties automatisch objectief van elkaar verschillen wanneer daarop uiteenlopende bepalingen van toepassing zijn, zodat het gelijkheidsbeginsel geen rol kan spelen. Een dergelijke gedachte, die de vorm boven de inhoud zou plaatsen, is door het Hof ook nooit geopperd, voorzover ik weet.
56. Indien dit zo algemeen geformuleerde standpunt juist was, zou dit betekenen dat de communautaire wetgever voor willekeurig van elkaar gedifferentieerde situaties uiteenlopende regelingen zou kunnen vaststellen, zonder dat deze door het Hof aan het gelijkheidsbeginsel zouden kunnen worden getoetst. Dit kan niet het geval zijn.
57. Integendeel, wanneer twee situaties op basis van verschillende gemeenschapsrechtelijke bepalingen op uiteenlopende wijze worden behandeld, moet het Hof in staat zijn te toetsen of de verschillen tussen de situaties de toepassing van uiteenlopende bepalingen rechtvaardigen. Het feit dat verschillende bepalingen van toepassing zijn, maakt deel uit van de behandeling zelf en niet van de objectieve situatie, die ofwel gelijke behandeling vereist, dan wel een uiteenlopende behandeling rechtvaardigt.
58. Op het voor het arrest Sermes relevante tijdstip verschilde de verhouding tussen de toenmalige Duitse Democratische Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland om voor de hand liggende historische en politieke redenen objectief van die tussen de Duitse Democratische Republiek en de overige lidstaten van de Gemeenschap.
59. Er kan ook niet worden volstaan met het door de Raad en de Commissie aangevoerde argument dat de twee onderzoeken zich in uiteenlopende procedurele fases bevonden. Verschillende fases van een antidumpingprocedure kunnen immers genoeg gemeenschappelijke kenmerken hebben om bij het nemen van het besluit om al dan niet rechten in te stellen, het gelijkheidsbeginsel te kunnen toepassen.
60. In het bestreden arrest is het Gerecht niet nagegaan of het aanvankelijke onderzoek uit hoofde van artikel 5 van de basisverordening en het heronderzoek in verband met het vervallen van de maatregel in de zin van artikel 11, lid 2, van de basisverordening objectief van elkaar verschilden, maar heeft het louter op grond van het verschil in rechtsgrondslag geconcludeerd dat het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden.
61. In dit opzicht heeft het Gerecht in mijn ogen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het tweede onderdeel van Chemi-Con’s derde middel in hogere voorziening moet derhalve worden aanvaard en het bestreden arrest moet worden vernietigd voorzover het eerste middel van Chemi-Con hierin wordt afgewezen.
62. In het licht van deze conclusie is het wellicht niet noodzakelijk te beoordelen of het Gerecht ook meer in het bijzonder artikel 9, lid 5, van de basisverordening onjuist heeft uitgelegd of toegepast, zoals Chemi-Con in het eerste en tweede onderdeel van haar tweede middel stelt. Desalniettemin wil ik hierop in het kort ingaan.
63. In punt 58 van zijn arrest oordeelde het Gerecht als volgt: „[...] artikel 9, lid 5, van de basisverordening [brengt] voor de Raad niet de verplichting mee artikel 11, lid 2, van die verordening buiten toepassing te laten. Artikel 9, lid 5, betreft enkel het opleggen van antidumpingrechten. In casu zijn de antidumpingrechten die verzoekster tussen 4 december 1997 en 28 februari 1999 heeft moeten betalen, echter ingesteld bij verordening nr. 3482/92, en werden zij verder geheven op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening, dat een specifieke regel is. Ongeacht de opening van een aanvankelijk onderzoek betreffende de invoer uit de Verenigde Staten en Thailand, moest verzoekster dus antidumpingrechten blijven betalen op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening.”
64. Chemi-Con betwist dat artikel 9, lid 5, van de basisverordening „enkel het opleggen van antidumpingrechten” betreft en dat artikel 11, lid 2, van de basisverordening „een specifieke regel is”, hetgeen zou impliceren dat het discriminatieverbod van artikel 9, lid 5, van de basisverordening hierop niet van toepassing is.
65. In dit verband hebben de deelnemers aan de procedure enige aandacht besteed aan het onderscheid tussen de instelling en de inning van antidumpingrechten. Hun opvattingen verschillen echter slechts op het eerste gezicht van elkaar. Chemi-Con, de Raad en de Commissie zijn het in feite erover eens dat – los van de juiste uitlegging van artikel 9.2 van de antidumpingcode(18) – artikel 9, lid 5, van de basisverordening niet alleen van toepassing is op het aanvankelijke besluit tot instelling van de rechten, maar ook op de handhaving (en dus de verdere inning) ervan uit hoofde van artikel 11, lid 2. Deze opvatting ligt ten grondslag aan het besluit om de maatregelen betreffende de invoer uit Japan met terugwerkende kracht per 28 februari 1999 te beëindigen, hetgeen in het bijzonder in de overwegingen 135 en 138 van de considerans van de bestreden verordening wordt toegelicht. Ook uit de opzet of formulering van de basisverordening valt niets op te maken dat voor een andere uitlegging pleit – die hoe dan ook niet zou stroken met een bepaling die als uitwerking van het beginsel van gelijke behandeling is bedoeld.
66. Het is niet geheel duidelijk hoe het Gerecht de basisverordening in punt 58 van zijn arrest precies heeft uitgelegd, maar voorzover het heeft willen stellen dat artikel 9, lid 5, niet van toepassing is op de handhaving van antidumpingrechten uit hoofde van artikel 11, lid 2, heeft het mijns inziens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Beroep tot nietigverklaring
67. Indien het bestreden arrest wordt vernietigd, kan het Hof van Justitie krachtens artikel 61 van het Statuut de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. In casu is er voldoende over de zaak gedebatteerd.
68. De bestreden verordening is ongetwijfeld terecht met terugwerkende kracht in werking getreden. De enige vraag is vanaf welke datum die terugwerkende kracht diende te gelden.
69. Volgens de bestreden verordening diende deze datum te worden vastgesteld op 28 februari 1999, vooral omdat geen antidumpingrechten werden ingesteld voor importen uit de Verenigde Staten of Thailand vanaf die datum zodat ook de invoer uit Japan niet aan dergelijke maatregelen mocht worden onderworpen.
70. Dit argument, dat door de Raad en de Commissie ook in de onderhavige procedure is aangevoerd, snijdt mijns inziens geen hout.
71. De betrokken datum markeert in wezen niet het begin van een periode waarin geen rechten voor importen uit de Verenigde Staten en Thailand golden. Als datum waarop de Raad uiterlijk definitieve rechten ten aanzien van de betrokken producten had kunnen instellen, had dit tijdstip veeleer een dubbele betekenis: er werden geen toekomstige definitieve rechten ingesteld en de in het verleden ingestelde voorlopige rechten werden niet geïnd.
72. In de situatie van de importen uit deze landen kwam dus op 28 februari 1999 in feite geen verandering. Zowel voor als na die datum werden er geen rechten ingesteld. In de situatie van de importen uit Japan kwam evenmin verandering. Zowel voor als na die datum golden maatregelen uit hoofde van artikel 11, lid 2, van de basisverordening, die werden gehandhaafd zolang het heronderzoek niet was afgerond; de conclusie dat zij vernieuwd moesten worden, werd blijkbaar later getrokken.(19)
73. Aangezien de bepaling van de juiste datum voor de inwerkingtreding van de bestreden verordening afhangt van de toepassing van het gelijkheidsbeginsel, kan een datum waarop de facto in geen van de te vergelijken situaties verandering kwam, niet adequaat worden geacht.
74. De door Chemi-Con bepleite datum, 4 december 1997, is in het licht van dit beginsel daarentegen wel adequaat. Op die datum kwam er verandering in de situatie van de importen uit Japan. De definitieve rechten werden niet langer geheven op basis van de oorspronkelijke bevindingen inzake het bestaan van dumping, schade en het gemeenschapsbelang, maar op basis van een bepaling die er impliciet van uitgaat dat deze elementen nog steeds aanwezig zijn zolang het heronderzoek in verband met het vervallen van de maatregel nog niet is afgerond.
75. Bovendien ligt aan de voorlopige rechten die in dezelfde periode ten aanzien van de invoer uit de Verenigde Staten en Thailand werden ingesteld een soortgelijk vermoeden ten grondslag. In beide gevallen was op 4 december 1997 een onderzoek geopend dat nog niet was afgerond. Bij beide onderzoeken kwam de Commissie in wezen tot dezelfde conclusie betreffende soortgelijke producten. Het lijkt niet meer dan billijk dat beide situaties gelijk worden behandeld wat de instelling van rechten betreft en dat, indien tijdens deze periode geen rechten op importen uit de Verenigde Staten en Thailand werden geïnd, ook geen rechten over de invoer uit Japan hadden mogen worden geheven.
76. Ik ben derhalve van mening dat de verordening per 4 december 1997 in werking diende te treden.
77. De uitbreiding van de terugwerkende kracht geldt echter alleen ten aanzien van Chemi-Con. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid in punt 30 van het bestreden arrest, dat niet wordt betwist, stelde het Gerecht vast dat Chemi-Con verzocht om nietigverklaring van artikel 3, tweede alinea, van de bestreden verordening „voorzover deze bepaling haar betreft”. In het arrest Nachi Europe(20) bevestigde het Hof voorts dat „wanneer een verordening tot instelling van een antidumpingrecht verschillende rechten aan een reeks ondernemingen oplegt, een onderneming enkel individueel wordt geraakt door de bepalingen die haar een bijzonder antidumpingrecht opleggen en de hoogte ervan vaststellen, en niet door die waarbij antidumpingrechten aan andere ondernemingen worden opgelegd, zodat het beroep van die onderneming slechts ontvankelijk is voorzover het strekt tot nietigverklaring van de bepalingen van de bestreden verordening die uitsluitend haar betreffen”.
78. Dit betekent dat de beslissing van het Hof in de onderhavige zaak slechts betrekking kan hebben op de bestreden verordening voorzover deze de invoer door Europe Chemi-Con van door haar moederonderneming Nippon Chemi-Con in Japan vervaardigde GEAC’s raakt.
Conclusie
79. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1) het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in zaak T‑89/00 te vernietigen voorzover hierin het door Chemi-Con aangevoerde eerste middel is verworpen;
2) artikel 3, tweede alinea, van verordening nr. 173/2000 van de Raad van 24 januari 2000 tot beëindiging van de antidumpingprocedures met betrekking tot de invoer van grote elektrolytische aluminiumcondensatoren uit Japan, de Republiek Korea en Taiwan nietig te verklaren voorzover dit betrekking heeft op door Europe Chemi-Con in Europa ingevoerde GEAC’s die in Japan zijn vervaardigd door Nippon Chemi-Con en niet bepaalt dat de verordening vanaf 4 december 1997 op deze invoer van toepassing is;
3) de Raad in de kosten van beide instanties te verwijzen, met uitzondering van die van de Commissie, die de kosten van haar tussenkomst zelf dient te dragen.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – PB 1996, L 56, blz. 1.
3 – Ook wel aanschouwelijker omschreven als „sunset review”.
4 – Multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986-1994) – Bijlage 1 – Bijlage 1A – Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (WTO-GATT 1994), PB 1994, L 336, blz. 103; zie derde tot en met vijfde overweging van de considerans van de basisverordening.
5 – Verordening (EEG) nr. 3482/92 van de Raad van 30 november 1992 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van bepaalde grote elektrolytische aluminiumcondensatoren van oorsprong uit Japan en definitieve inning van het voorlopig antidumpingrecht (PB 1992, L 353, blz. 1).
6 – Verordening (EG) nr. 1384/94 van de Raad van 13 juni 1994 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van grote elektrolytische aluminiumcondensatoren van oorsprong uit de Republiek Korea en Taiwan (PB 1994, L 152, blz. 1).
7 – PB 1997, C 363, blz. 2.
8 – PB 1997, C 365, blz. 5.
9 – PB 1998, C 107, blz. 4.
10 – Verordening (EG) nr. 1845/98 van de Commissie van 27 augustus 1998 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van bepaalde grote elektrolytische aluminiumcondensatoren uit de Verenigde Staten van Amerika en Thailand (PB 1998 L 240, blz. 4).
11 – Verordening van 24 januari 2000 tot beëindiging van de antidumpingprocedures met betrekking tot de invoer van grote elektrolytische aluminiumcondensatoren uit Japan, de Republiek Korea en Taiwan (PB 2000, L 22, blz. 1).
12 – Het kleine verschil tussen deze vordering en de eerdere vordering van Nippon Chemi-Con, volgens welke de verordening met terugwerkende kracht vanaf 3 december 1997 van toepassing diende te zijn, is wellicht simpelweg te wijten aan het feit dat hiermee „vanaf 3 december 1997 om middernacht” werd bedoeld. Hoe dan ook, het is duidelijk dat in de onderhavige procedure wordt geëist dat de terugwerkende kracht geldt vanaf 4 december 1997, de eerste dag waarop de rechten werden geïnd uit hoofde van artikel 11, lid 2, van de basisverordening in plaats van uit hoofde van verordening nr. 3482/92.
13 – Zaak Europe Chemi-Con (Deutschland)/Raad (T‑89/00, Jurispr. blz. II‑3651).
14 – Het Gerecht verwees daarbij naar het arrest Banks (C‑390/98, Jurispr. blz. I‑6117), punt 35.
15 – Wanneer geen definitieve antidumpingmaatregelen worden ingesteld, wordt in de praktijk door de Gemeenschap afgezien van de inning van de voorlopige rechten, alhoewel dit niet wettelijk is voorgeschreven.
16 – Arrest van 11 juli 1990 (C‑323/88, Jurispr. blz. I‑3027), punten 45‑48.
17 – Aangehaald in voetnoot 16.
18 – De Raad heeft een verslag van een GATT-panel van 4 juli 1995 (ADP/137 EC betreffende de instelling van antidumpingrechten op katoengaren uit Brazilië) voorgelegd dat (in het bijzonder in de punten 557 en 558) stelt dat artikel 9.2 (eigenlijk de identiek geformuleerde voorganger, artikel 8.2 van de antidumpingcode van 1979) alleen van toepassing is op de fase van de inning, en niet op besluiten tot instelling van de rechten.
19 – Zie mededeling van 21 mei 1999, als bijlage IX bij het verzoekschrift in eerste aanleg gevoegd.
20– Arrest van 15 februari 2001 (C‑239/99, Jurispr. blz. I‑1197), punt 22.
Full & Egal Universal Law Academy