Zaak C-2/02
Emil Färber GmbH & Co. KG
tegen
Landkreis Alzey-Worms
(verzoek van het Verwaltungsgericht Mainz om een prejudiciële beslissing)
«Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Retributies voor keuringen en sanitaire controles van vers vlees – Richtlijn 85/73/EEG»
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 16 oktober 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen inzake sanitaire controles – Financiering van keuringen en sanitaire controles van vers vlees – Richtlijn 85/73 – Niveau van retributies – Uitsnijden – Extra forfaitair bedrag – Berekening – Criterium
(Richtlijn 85/73 van de Raad, bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, eerste alinea, sub a)Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, eerste alinea, sub a, van richtlijn 85/73 inzake de financiering van de keuringen en veterinaire controles zoals bedoeld in de richtlijnen 89/662, 90/425, 90/675 en 91/496, zoals gewijzigd en gecodificeerd bij richtlijn 96/43, moet aldus worden uitgelegd dat het extra forfaitair bedrag waarin deze bepaling voorziet ter dekking van de controle- en keuringskosten in verband met het uitsnijden, moet worden betaald voor al het vlees dat in de uitsnijderij wordt binnengebracht, ongeacht of het ook werkelijk wordt uitgesneden in deze . punt 29 en dictum
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
16 oktober 2003 (1)
„Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Retributies voor keuringen en sanitaire controles van vers vlees – Richtlijn 85/73/EEG”
In zaak C-2/02,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Verwaltungsgericht Mainz (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Emil Färber GmbH & Co.
en
Landkreis Alzey-Worms,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, eerste alinea, sub a, van richtlijn 85/73/EEG van de Raad van 29 januari 1985 inzake de financiering van de keuringen en veterinaire controles zoals bedoeld in de richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG, 90/675/EEG en 91/496/EEG (PB L 32, blz. 14), in de gewijzigde en gecodificeerde versie van richtlijn 96/43/EG van de Raad van 26 juni 1996 (PB L 162, blz. 1),wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,
samengesteld als volgt: R. Schintgen (rapporteur), kamerpresident, V. Skouris en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
─ Emil Färber GmbH & Co., vertegenwoordigd door M. Stephani, Rechtsanwalt,
─ Landkreis Alzey-Worms, vertegenwoordigd door D. Sell als gemachtigde,
─ de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door M. Salvatorelli, avvocato dello Stato,
─ de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Braun als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Emil Färber GmbH & Co., vertegenwoordigd door M. Stephani en L. Liebenau, Rechtsanwalt, en de Commissie, vertegenwoordigd door G. Braun, ter terechtzitting van 8 mei 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 10 december 2001, ingekomen bij het Hof op 7 januari 2002, heeft het Verwaltungsgericht Mainz krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, eerste alinea, sub a, van richtlijn 85/73/EEG van de Raad van 29 januari 1985 inzake de financiering van de keuringen en veterinaire controles zoals bedoeld in de richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG, 90/675/EEG en 91/496/EEG (PB L 32, blz. 14), in de gewijzigde en gecodificeerde versie van richtlijn 96/43/EG van de Raad van 26 juni 1996 (PB L 162, blz. 1; hierna: richtlijn 85/73).
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een geding tussen Emil Färber GmbH & Co. (hierna: Färber) en de Landkreis Alzey-Worms (hierna: Landkreis) ter zake van retributies die de Landkreis van Färber heeft geheven voor keuringen en sanitaire controles van vlees in Färbers uitsnijderij te Alzey (Duitsland).
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
3 Ter bevordering van de handel in vers vlees binnen de Gemeenschap voorziet richtlijn 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 betreffende de gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van vers vlees (PB 1964, 121, blz. 2012), in de gecodificeerde versie van richtlijn 91/497/EEG van de Raad van 29 juli 1991 (PB L 268, blz. 69), zoals gewijzigd bij richtlijn 95/23/EG van de Raad van 22 juni 1995 (PB L 243, blz. 7; hierna: richtlijn 64/433), in een onderlinge aanpassing van de bepalingen van de lidstaten inzake gezondheid en streeft zij meer in het bijzonder naar eenvormige gezondheidsvoorschriften voor vlees in de slachthuizen en uitsnijderijen, alsmede inzake het opslaan en het vervoer van vlees (zie tweede, derde en vierde overweging van richtlijn 64/433).
4 Hiertoe schrijft artikel 3, lid 1, punten A en B, van richtlijn 64/433 met name voor dat de lidstaten erop toezien dat het slachten en het versnijden in erkende slachthuizen en uitsnijderijen plaatsvinden, met inachtneming van de regels en de in bijlage I van dezelfde richtlijn nader omschreven gezondheidsvoorschriften.
5 In verband met het versnijden bepaalt artikel 3, lid 1, punt B van richtlijn 64/433 dat elke lidstaat erop toeziet dat: uitgesneden delen of stukken die kleiner zijn dan die bedoeld onder A of uitgebeend vlees met of zonder onmiddellijke verpakking:
a) uitgesneden of uitgebeend worden in een uitsnijderij die voldoet aan de voorwaarden van bijlage I, hoofdstukken I en III, en die overeenkomstig artikel 10 is erkend en gecontroleerd;
b) uitgesneden of uitgebeend en verkregen worden overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk IX, en
─ afkomstig zijn van vers vlees dat voldoet aan de onder A genoemde voorwaarden, behalve die welke zijn genoemd onder h en dat overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk XV, is vervoerd; of
─ afkomstig zijn van vers vlees dat uit derde landen is ingevoerd overeenkomstig richtlijn 90/675/EEG;
c) onder omstandigheden die beantwoorden aan bijlage I, hoofdstuk XIV, worden opgeslagen in overeenkomstig artikel 10 erkende en overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk C, gecontroleerde inrichtingen;
d) gekeurd worden door een officiële dierenarts, overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk X;
e) voldoen aan de voorschriften van bijlage I, hoofdstuk XII, inzake onmiddellijke en eindverpakking;
f) voldoen aan het bepaalde sub A, c, e, f en h
.
6 Bijlage I van richtlijn 64/433 bevat een hoofdstuk X, met als titel Keuring van uitgesneden en opgeslagen vlees, waarnaar artikel 3, lid 1, B, sub d, ervan verwijst. Dit hoofdstuk luidt als volgt:
47. De erkende uitsnijderijen en de erkende koel- en vrieshuizen zijn onderworpen aan een controle door een officiële dierenarts.
48. De controle van de officiële dierenarts omvat de volgende taken:
─ het controleren van het binnenkomende en uitgaande verse vlees,
─ de keuring van het vlees dat aanwezig is in de inrichtingen als bedoeld in punt 47,
─ de keuring van vers vlees vóór het uitsnijden en bij de afvoer uit de in punt 47 bedoelde inrichtingen,
─ het controleren van de reinheid van de lokalen, installaties en werktuigen, bedoeld in hoofdstuk V, alsmede van de hygiëne van het personeel, inclusief de kleding,
─ elke andere controle die hij nuttig acht voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze richtlijn.
7 Ter voorkoming van concurrentieverstoringen die zouden kunnen ontstaan doordat in de verschillende lidstaten uiteenlopende financieringswijzen voor keuringen en sanitaire controles bestaan, voorziet richtlijn 85/73 in geharmoniseerde voorschriften voor de financiering van deze keuringen en controles (zie vijfde en zevende overweging van richtlijn 96/43).
8 In dit kader bepaalt artikel 1 van richtlijn 85/73 met name dat de lidstaten overeenkomstig de voorschriften in bijlage A ervan zorg dragen voor de heffing van een communautaire retributie voor de kosten die verbonden zijn aan de keuringen en controles van de in deze bijlage vermelde producten.
9 Artikel 5, lid 1, van richtlijn 85/73 luidt: De communautaire retributies dekken de kosten die de bevoegde autoriteit moet maken, in verband met:
─ de loonkosten en sociale premies voor de keuringsdienst,
─ de administratiekosten in het kader van de uitvoering van de controles en keuringen, eventueel met inbegrip van de kosten voor de na- en bijscholing van de inspecteurs,
voor de uitvoering van de in de artikelen 1, 2 en 3 bedoelde controles en keuringen.
10 In bijlage A, hoofdstuk I, van richtlijn 85/73 zijn overeenkomstig artikel 5, lid 1, ervan de retributies vastgesteld die van toepassing zijn op het vlees dat met name onder richtlijn 64/433 valt. Zo zijn in punt 1 van dit hoofdstuk I de forfaitaire bedragen per diersoort vastgelegd voor de keuringskosten in verband met slachtwerkzaamheden.
11 Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, van richtlijn 85/73 bepaalt: De controles en keuringen in verband met het uitsnijden met name als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt B, van richtlijn 64/433/EEG en in artikel 3, lid 1, punt B, van richtlijn 71/118/EEG worden gedekt:
a) hetzij op forfaitaire wijze, door een extra forfaitair bedrag van 3 ecu per ton voor vlees dat in een uitsnijderij wordt binnengebracht. Dit bedrag wordt opgeteld bij de in punt 1 bedoelde bedragen;
b) hetzij via heffing van de reële keuringskosten per werkuur.
Wanneer het uitsnijden wordt verricht in de inrichting waar het vlees verkregen is, wordt op de in de eerste alinea bedoelde bedragen een korting toegepast van maximaal 55 %.De lidstaat die voor de werkurenregeling kiest, moet de Commissie het bewijs kunnen overleggen dat de sub a bedoelde retributie niet de reële keuringskosten dekt.
12 In haar oorspronkelijke versie bepaalde richtlijn 85/73 in artikel 2, lid 1, eerste alinea, dat de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen het forfaitaire niveau of de forfaitaire niveaus vaststelt van de retributies waarvan zij de heffing door de lidstaten voorschreef. Op grond van deze bepaling stelde de Raad beschikking 88/408/EEG van 15 juni 1988 vast betreffende de niveaus van de overeenkomstig richtlijn 85/73 te heffen retributies voor de keuringen en sanitaire controles van vers vlees (PB L 194, blz. 24).
13 Artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408 luidt: Het gedeelte van de retributie dat dient ter dekking van de controles en keuringen in verband met het uitsnijden als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt B, van richtlijn 64/433/EEG en in artikel 3, lid 1, punt B, sub b, van richtlijn 71/118/EEG, wordt forfaitair vastgesteld op 3 Ecu/ton nog uit te benen vlees met been dat bestemd is voor de uitsnijderij.
14 Bij richtlijn 93/118/EG van de Raad van 22 december 1993 tot wijziging van richtlijn 85/73 (PB L 340, blz. 15), is beschikking 88/408 per 1 januari 1994 ingetrokken. Vanaf deze datum worden de retributies die van toepassing zijn op het met name in richtlijn 64/433 bedoelde vlees, direct vastgelegd door de richtlijnen tot wijziging van richtlijn 85/73. Zo bepaalt de bijlage, hoofdstuk I, punt 2, van richtlijn 85/73, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/118: De controles en keuringen in verband met het uitsnijden als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt B, van richtlijn 64/433/EEG en in artikel 3, lid 1, punt B, van richtlijn 71/118/EEG worden gedekt
a) hetzij op forfaitaire wijze, door een extra forfaitair bedrag van 3 ecu per ton voor vlees dat in een uitsnijderij wordt binnengebracht. Dit bedrag wordt toegevoegd aan de in punt 1 bedoelde bedragen;
b) hetzij via inning van de reële keuringskosten per werkuur, met dien verstande dat elk begonnen uur als werkuur moet worden beschouwd.
Wanneer het uitsnijden wordt verricht in de inrichting waar het vlees verkregen is, wordt op de in de eerste alinea bedoelde bedragen een korting toegepast van maximaal 55 %.
Bepalingen van nationaal recht
15 Richtlijn 85/73 is in het recht van de deelstaat Rheinland-Pfalz omgezet bij het Landesgesetz zur Ausführung fleisch- und geflügelfleischhygienerechtlicher Vorschriften (wet van de deelstaat Rheinland-Pfalz tot uitvoering van gezondheidsvoorschriften met betrekking tot vers vlees en vlees van pluimvee) van 17 december 1998 (GVBl. 1998, blz. 422), welke wet per 1 januari 2000 aan de Landkreis de bevoegdheid overdroeg om de retributies voor keuringen en sanitaire controles van vers vlees en vlees van pluimvee vast te stellen en te heffen.
16 Ter uitoefening van deze bevoegdheid stelde de Landkreis de Satzung über die Erhebung von Gebühren nach fleisch- und geflügelfleischhygienerechtlichen Vorschriften (reglement betreffende de heffing van retributies op grond van bepalingen betreffende de sanitaire controles op vers vlees en vlees van pluimvee) van 24 februari 2000 (hierna: Satzung) vast. § 9, lid 1, van de Satzung, zoals gewijzigd bij besluit van de Landkreis van 17 mei 2000, bepaalt: Voor het toezicht, de controles en de keuringen in verband met het uitsnijden van vlees wordt een retributie geheven, waarvan de hoogte wordt bepaald volgens het gewicht van het in de uitsnijderij binnengebrachte vlees met been. De hoogte van de retributie wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, sub a, van richtlijn 85/73/EEG, in de thans geldende gecodificeerde versie (zie bijlage 5). Als het uitsnijden plaatsvindt in de inrichting waar het vlees is verkregen, wordt deze retributie met betrekking tot het aldaar verkregen vlees met 55 % verminderd.
17 Krachtens bijlage 5 van de Satzung bedraagt de retributie voor administratieve handelingen in de volgens de gemeenschapsregeling erkende uitsnijderijen 3 euro of 5,87 DEM per ton vlees met been dat in de uitsnijderij wordt binnengebracht.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
18 Färber exploiteert een slachthuis en een uitsnijderij in Alzey. In deze uitsnijderij worden ook halve dieren en vierendelen binnengebracht, die daar niet worden uitgesneden, maar die van daaruit onuitgesneden worden verkocht. Voor de sanitaire controles in de uitsnijderij van Färber hief de Landkreis retributies die overeenkomstig § 9, lid 1, van de Satzung op basis van de in totaal in de uitsnijderij binnengebrachte hoeveelheid vlees zijn berekend, ongeacht of het vlees er al dan niet is uitgesneden.
19 Färber diende een bezwaarschrift in tegen de retributieaanslagen van de Landkreis van 25 februari, 6 april, 10 mei en 23 juni 2000, op grond dat bij de berekening van deze retributies geen rekening was gehouden met het feit dat een deel van het vlees was verkocht als halve dieren of vierendelen in één stuk, en dat volgens het gemeenschapsrecht voor dit vlees geen retributie mocht worden geheven, aangezien het niet in haar uitsnijderij was uitgesneden.
20 Op 12 oktober 2000 stelde Färber bij het Verwaltungsgericht Mainz beroep in tegen de afwijzing door de Landkreis van haar bezwaarschrift. Tot staving van haar beroep stelde zij dat blijkens het arrest van 24 oktober 1996, De Venhorst (C-86/94, Jurispr. blz. I-5261), voor de retributies wegens controles en keuringen in haar uitsnijderij enkel met het vlees dat daadwerkelijk is uitgesneden rekening mag worden gehouden.
21 Voor de nationale rechter stelde de Landkreis met name dat zelfs het vlees dat niet moet worden uitgesneden, enkel door het binnenkomen, de aanwezigheid ervan in de uitsnijderij, de ermee verbonden verplichte behandeling en het buitengaan aanleiding geeft tot sanitaire controle- of keuringsmaatregelen waarvoor retributies moeten worden betaald. Dit verklaart waarom de gemeenschapswetgever geen onderscheid maakt naargelang het vlees al dan niet wordt uitgesneden, maar heeft bepaald dat de berekeningsgrondslag voor de retributies al het vlees omvat dat in een uitsnijderij wordt binnengebracht.
22 Van oordeel dat de beslechting van het bij hem aanhangige geschil afhing van de uitlegging van bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, eerste alinea, sub a, van richtlijn 85/73, heeft het Verwaltungsgericht Mainz besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: Moet hoofdstuk I, punt 2, sub a, van bijlage A bij richtlijn 85/73/EEG, in de versie van richtlijn 96/43/EEG, aldus worden uitgelegd dat het extra forfaitair bedrag waarin deze bepaling voorziet ter dekking van de controles en de keuringen in verband met het uitsnijden, enkel moet worden betaald voor vlees dat in de uitsnijderij ook werkelijk wordt uitgesneden, of moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat het extra forfaitair bedrag moet worden betaald voor al het in de uitsnijderij binnengebrachte vlees, ongeacht of het wordt uitgesneden?
De prejudiciële vraag
23 Voor het antwoord op deze vraag moet erop worden gewezen dat het arrest De Venhorst, zoals ook de verwijzende rechter, de partijen in het hoofdgeding, de Italiaanse regering en de Commissie hebben opgemerkt, de uitlegging betreft van artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408, bepalende dat het gedeelte van de retributie dat dient ter dekking van de controles en de keuringen in verband met het uitsnijden als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt B, van richtlijn 64/433, forfaitair wordt vastgesteld op 3 ecu per ton nog uit te benen vlees met been dat bestemd is voor de uitsnijderij.
24 Blijkens punt 14 van het onderhavige arrest is beschikking 88/408 evenwel per 1 januari 1994 opgeheven bij richtlijn 93/118, die ter vervanging van artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408, in hoofdstuk I van de bijlage bij richtlijn 85/73 ─ in de destijds geldende versie ─ een punt 2, eerste alinea, sub a, heeft ingevoerd, bepalende dat controles en keuringen voortaan met name moesten worden gedekt door aan de in punt 1 van datzelfde hoofdstuk I bedoelde retributie voor de keuringskosten in verband met slachtwerkzaamheden een forfaitair bedrag toe te voegen van 3 ecu per ton voor vlees dat in een uitsnijderij wordt binnengebracht. Het voor deze zaak relevante deel van deze bepaling uit de bijlage bij richtlijn 85/73, in de versie van richtlijn 93/118, is ongewijzigd overgenomen in bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, eerste alinea, sub a, van richtlijn 85/73.
25 Gelet op de nieuwe tekst van deze bepaling, moet om te beginnen worden vastgesteld dat de uitlegging van het Hof in punt 29 van voormeld arrest De Venhorst, volgens welke de in artikel 3, lid 1, van beschikking 88/408 bedoelde retributie moet worden berekend op basis van het gewicht van vlees met been dat in de uitsnijderij daadwerkelijk wordt uitgesneden, niet kan worden toegepast op de bepaling die inmiddels in bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, eerste alinea, sub a, van richtlijn 85/73 is opgenomen.
26 Vervolgens moet, gelet op de ondubbelzinnige en duidelijke bewoordingen van deze bepaling, worden aanvaard dat de gemeenschapswetgever door te bepalen dat het forfaitaire bedrag bovenop de retributie, ter dekking van de controles en de keuringen in verband met het uitsnijden, wordt toegepast op het vlees dat in een uitsnijderij wordt binnengebracht, bewust van de regel van beschikking 88/408 heeft willen afwijken en uitdrukkelijk heeft willen voorschrijven dat dit bedrag eveneens geldt voor vlees dat in een uitsnijderij wordt binnengebracht zonder er uitgesneden te worden.
27 Zoals de Landkreis, de Italiaanse regering en de Commissie hebben benadrukt, is een dergelijke letterlijke uitlegging van bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, eerste alinea, sub a, van richtlijn 85/73 des te meer gerechtvaardigd, omdat al het vlees, zelfs het vlees dat niet wordt uitgesneden, zoals met name blijkt uit bijlage I, hoofdstuk X, van richtlijn 64/433, alleen reeds door het binnenkomen, de aanwezigheid ervan in de uitsnijderij en het buitengaan aanleiding geeft tot sanitaire controle- of keuringsmaatregelen waarvan de kosten met de hiervoor bedoelde retributies moeten worden gedekt.
28 Zoals de Commissie bovendien op goede gronden stelt, is het extra bedrag waarin bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, eerste alinea, sub a, van richtlijn 85/73 voorziet, een forfaitair bedrag, zodat het feit dat het vlees dat in een uitsnijderij wordt binnengebracht en er werkelijk wordt uitgesneden, meer controle- en keuringskosten met zich brengt dan de controle en keuring van vlees dat er niet wordt uitgesneden, niet wegneemt dat dit extra forfaitair bedrag voor al het vlees geldt.
29 Gelet op een en ander, moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, eerste alinea, sub a, van richtlijn 85/73 aldus moet worden uitgelegd, dat het extra forfaitair bedrag waarin deze bepaling voorziet ter dekking van de controle- en keuringskosten in verband met het uitsnijden, moet worden betaald voor al het vlees dat in de uitsnijderij wordt binnengebracht, ongeacht of het in deze uitsnijderij ook werkelijk wordt uitgesneden.
Kosten
30 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Verwaltungsgericht Mainz bij beschikking van 10 december 2001 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Schintgen
Skouris
Colneric
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 oktober 2003.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy