Zaak C-22/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Italiaanse Republiek
«Niet-nakoming – Niet-uitvoering van richtlijn 1999/94/EG»
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 11 september 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
1.. Beroep wegens niet-nakoming – Onderzoek van gegrondheid door Hof – In aanmerking te nemen situatie – Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
2.. Lidstaten – Verplichtingen – Uitvoering van richtlijnen – Niet-nakoming – Rechtvaardiging op basis van interne orde – Ontoelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
11 september 2003 (1)
„Niet-nakoming – Niet-omzetting van richtlijn 1999/94/EG”
In zaak C-22/02,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Valero Jordana en R. Amorosi als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door J. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door A. De Stefano, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 1999/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO 2 -uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto's (PB 2000, L 12, blz. 16), althans deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, niet heeft voldaan aan de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,
samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, V. Skouris en N. Colneric (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 29 januari 2002, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 226 EG verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 1999/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO 2 -uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto's (PB 2000, L 12, blz. 16; hierna: richtlijn), althans deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 12 van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen.
Toepasselijke bepalingen en precontentieuze procedure
2 Artikel 12 van de richtlijn bepaalt: 1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 18 januari 2001 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis.[...]2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de voornaamste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
3 Van mening dat de richtlijn niet binnen de gestelde termijn in Italiaans recht was omgezet, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure ingeleid. Nadat zij de Italiaanse Republiek had aangemaand haar opmerkingen te maken, bracht de Commissie op 26 juli 2001 een met redenen omkleed advies uit waarin zij deze lidstaat verzocht binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen. Toen een antwoord van de Italiaanse Republiek op dit advies uitbleef, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
Argumenten van de Italiaanse Republiek
4 De Italiaanse regering betwist niet dat zij de richtlijn niet tijdig heeft omgezet, maar voert aan dat aan de omzetting wordt gewerkt. Een aantal institutionele, bestuursrechtelijke, technische en financiële problemen hebben tot op heden verhinderd dat de omzettingsprocedure, die is aangevat en nog steeds loopt, wordt beëindigd.
5 Het onderwerp van de richtlijn valt binnen de bevoegdheidssfeer van verschillende ministeries, zodat een en ander moet worden gecoördineerd en bij verschillende diensten inlichtingen moeten worden ingewonnen. Bovendien moet ingevolge de recente herziening van titel V van de Grondwet, die tot een nieuwe wettelijke en bestuursrechtelijke bevoegdheidsverdeling tussen de Staat en de regio's heeft geleid, worden nagegaan welke rol deze territoriale publiekrechtelijke instellingen thans spelen inzake regelgeving, uitvoering en controle.
6 Volgens de Italiaanse regering kan de richtlijn slechts worden omgezet nadat talrijke technische en financiële problemen zijn opgelost. Zij herinnert eraan dat de gemeenschapsregeling een gedetailleerd, dwingend en nauwkeurig consumenteninformatiesysteem invoert met verschillende, nog te creëren instrumenten, zoals etiketten, affiches en gidsen, en dat in de staatsbegroting de middelen moeten worden gevonden om de kosten van dat nieuwe informatiesysteem te helpen dragen.
Beoordeling door het Hof
7 Volgens vaste rechtspraak moet de vraag of sprake is van een niet-nakoming worden beoordeeld volgens de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het eind van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie met name arresten van 11 september 2001, Commissie/Duitsland, C-71/99, Jurispr. blz. I-5811, punt 29, en 11 oktober 2001, Commissie/Oostenrijk, C-110/00, Jurispr. blz. I-7545, punt 13).
8 In casu is de richtlijn niet binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn omgezet.
9 Voor het overige heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-uitvoering van een richtlijn binnen de gestelde termijn (zie met name arrest van 7 november 2002, Commissie/Spanje, C-352/01, Jurispr. blz. I-10263, punt 8).
10 Het beroep van de Commissie moet dus worden toegewezen.
11 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, niet heeft voldaan aan de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen.
Kosten
12 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 1999/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO 2 -uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto's, is de Italiaanse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Schintgen
Skouris
Colneric
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 september 2003.
De griffier
De president van de Tweede kamer
R. Grass
R. Schintgen
1 – Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy