Zaak C-58/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk Spanje
«Niet-nakoming – Richtlijn 98/84/EG – Informatiemaatschappij – Radio-omroep – Diensten gebaseerd op voorwaardelijke toegang – Diensten bestaande uit voorwaardelijke toegang – Beschermde diensten – Rechtsbescherming – Uitrusting die ongeoorloofde toegang verschaft»
Conclusie van advocaat-generaal L. A. Geelhoed van 10 juli 2003 Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 7 januari 2004
Samenvatting van het arrest
Handelingen van de instellingen – Richtlijnen – Uitvoering door lidstaten – Uitvoering van richtlijn zonder optreden van wetgever – Voorwaarden – Bestaan van algemene juridische context die volledige toepassing van richtlijn verzekert
(Art. 249, derde alinea, EG; richtlijn 98/84 van het Europees Parlement en de Raad) De omzetting van een richtlijn in nationaal recht vereist niet noodzakelijkerwijs dat de bepalingen van de richtlijn formeel en letterlijk in een uitdrukkelijke en specifieke wetsbepaling worden overgenomen, en een algemene juridische context volstaat wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze verzekert. Een nationale regeling die niet alle in richtlijn 98/84 betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang vermelde onwettige activiteiten verbiedt, voldoet niet aan een dergelijke . punten 26, 28
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
7 januari 2004 (1)
„Niet-nakoming – Richtlijn 98/84/EG – Informatiemaatschappij – Radio-omroep – Diensten gebaseerd op voorwaardelijke toegang – Diensten bestaande uit voorwaardelijke toegang – Beschermde diensten – Rechtsbescherming – Uitrusting die ongeoorloofde toegang verschaft”
In zaak C-58/02,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Valero Jordana en M. Shotter als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door S. Ortiz Vaamonde als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 1998 betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang (PB L 320, blz. 54), of althans de Commissie niet van deze bepalingen in kennis te stellen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: P. Jann, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. A. O. Edward (rapporteur) en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juli 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 februari 2002, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk Spanje, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 1998 betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang (PB L 320, blz. 54; hierna richtlijn), of althans haar niet van deze bepalingen in kennis te stellen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
2 Volgens artikel 1 van de richtlijn is het doel ervan de onderlinge aanpassing van de bepalingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen illegale uitrusting die ongeoorloofde toegang verschaft tot beschermde diensten.
3 Artikel 2, sub a, van de richtlijn omschrijft een beschermde dienst als elk van de volgende diensten, voorzover deze tegen betaling en op basis van voorwaardelijke toegang worden verricht:
─ televisieomroep, zoals omschreven in artikel 1, sub a, van richtlijn 89/552/EEG; televisieomroep, zoals omschreven in artikel 1, sub a, van richtlijn 89/552/EEG;
─ radio-omroep: het uitzenden via de kabel of via de ether, inbegrepen via satelliet, van voor ontvangst door het publiek bestemde radioprogramma's; radio-omroep: het uitzenden via de kabel of via de ether, inbegrepen via satelliet, van voor ontvangst door het publiek bestemde radioprogramma's;
─ diensten van de informatiemaatschappij in de zin van artikel 1, punt 2, van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij [...] diensten van de informatiemaatschappij in de zin van artikel 1, punt 2, van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij [...]
of de verschaffing, beschouwd als een op zichzelf staande dienst, van voorwaardelijke toegang tot deze diensten.
4 Artikel 4 van de richtlijn bepaalt: De lidstaten verbieden op hun grondgebied de volgende activiteiten:
a) het vervaardigen, invoeren, verspreiden, verkopen, verhuren of in bezit hebben voor commerciële doeleinden van illegale uitrusting;
b) het installeren, onderhouden of vervangen voor commerciële doeleinden van illegale uitrusting;
c) het gebruikmaken van commerciële communicatie om illegale uitrusting aan te prijzen.
5 Om de naleving van deze verboden te verzekeren, bepaalt artikel 5, lid 1, van de richtlijn dat de lidstaten sancties vaststellen die doeltreffend, afschrikkend en evenredig aan de mogelijke gevolgen van de inbreuk zijn.
6 Artikel 5, lid 2, van de richtlijn bepaalt: Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat voor verrichters van beschermde diensten wier belangen door een op zijn grondgebied gepleegde inbreuk als bedoeld in artikel 4 zijn geschaad, passende rechtsvorderingen openstaan, zodat zij bijvoorbeeld schadevergoeding kunnen vorderen of om een rechterlijk bevel of andere preventieve maatregelen kunnen verzoeken en, in voorkomend geval, de verwijdering van de illegale uitrusting uit het commerciële circuit kunnen vorderen.
7 Artikel 6 van de richtlijn bepaalt:
1. Uiterlijk op 28 mei 2000 doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Wanneer de lidstaten deze bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van alle bepalingen van nationaal recht mede die zij op het door deze richtlijn gecoördineerd gebied vaststellen.
Bepalingen van nationaal recht
8 Artikel 270 van het Spaanse wetboek van strafrecht (hierna: wetboek van strafrecht) luidt als volgt: Wordt gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar of met een geldboete, eenieder die, met winstoogmerk en ten nadele van een derde, een literair, kunstzinnig of wetenschappelijk werk geheel of gedeeltelijk reproduceert, nabootst, in het openbaar verspreidt of uitzendt, dan wel zich schuldig maakt aan de omzetting, interpretatie of de artistieke uitvoering van een werk, ongeacht het middel van verspreiding, zonder toestemming van de houders van de rechten van intellectuele eigendom of hun rechtverkrijgenden.[...]Dezelfde straf geldt voor het vervaardigen, verspreiden en het in bezit hebben van ieder middel dat speciaal bedoeld is om de ongeoorloofde opheffing of het neutraliseren van elke technische voorziening ter bescherming van software te vergemakkelijken.
9 Artikel 248, lid 2, van het wetboek van strafrecht bepaalt: Tevens wordt als schuldig aan oplichting beschouwd, eenieder die, met winstoogmerk en door middel van manipulatie van informatica of een vergelijkbaar middel, erin slaagt zonder toestemming een vermogensbestanddeel door te geven aan een ander, ten nadele van een derde.
10 Artikel 255 van het wetboek van strafrecht stelt: Wordt gestraft met een geldboete of een gevangenisstraf van drie tot twaalf maanden hij die voor een waarde van meer dan 50 000 ESP bedrog pleegt door op andermans kosten elektrische energie, gas, water, telecommunicatie of enig ander element, energie of vloeistof te gebruiken, met één van de volgende middelen:
1° met gebruikmaking van technische middelen die zijn geïnstalleerd om het bedrog te plegen;
2° door bedrieglijke wijziging van de opgenomen meterstanden of van de meters;
3° met gebruikmaking van enig ander heimelijk middel.
De precontentieuze procedure
11 Nadat de termijn voor de vaststelling van de omzettingsmaatregelen was verstreken zonder dat deze aan de Commissie werden medegedeeld, heeft laatstgenoemde het Koninkrijk Spanje bij brief van 8 augustus 2000 in gebreke gesteld. In haar antwoord van 7 november 2000 stelden de Spaanse autoriteiten dat deze richtlijn zou worden omgezet door een wijziging van het wetboek van strafrecht, en dat de omzettingswerkzaamheden vertraging hadden opgelopen door de verkiezingen van maart 2000 en de daaropvolgende kabinetswijziging.
12 Bij brief van 26 juli 2001 deed de Commissie het Koninkrijk Spanje een met redenen omkleed advies toekomen, waarin zij vaststelde dat het Koninkrijk Spanje, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, of althans haar niet van de vaststelling van deze bepalingen in kennis te stellen, de krachtens artikel 6 van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen. Bij dit met redenen omkleed advies werd deze lidstaat uitgenodigd de vereiste maatregelen te nemen om eraan te voldoen binnen twee maanden na de kennisgeving ervan.
13 Met haar antwoord van 1 oktober 2001 op dit met redenen omkleed advies deden de Spaanse autoriteiten de Commissie een kopie van het voorontwerp van organieke wet betreffende de hervorming van het wetboek van strafrecht toekomen dat in het bijzonder bedoeld was tot omzetting van de richtlijn. De Commissie ontving geen verdere mededelingen van de Spaanse regering over het verloop van de wetgevingsprocedure.
14 Van mening dat het Koninkrijk Spanje de niet-nakoming niet had beëindigd, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
De niet-nakoming
15 De Commissie verwijt het Koninkrijk Spanje dat het aan de hem door de richtlijn opgelegde verplichtingen niet heeft voldaan, daar de nodige omzettingsmaatregelen niet binnen de voorgeschreven termijn werden vastgesteld, of althans de vaststelling van deze maatregelen niet ter kennis van de Commissie werd gebracht.
16 De Spaanse regering stelt ten eerste dat het voorontwerp van organieke wet betreffende de hervorming van het wetboek van strafrecht, waarin bijna woordelijk de omschrijving van de in de richtlijn beschreven activiteiten is overgenomen, door de bevoegde instanties is opgesteld en onderzocht, en, ten tweede, dat de bestaande Spaanse wetgeving reeds sancties voorziet ter verzekering van de door de richtlijn vereiste bescherming.
17 De Spaanse regering is in dat verband van mening dat de artikelen 248, lid 2, 255 en 270 van het wetboek van strafrecht de omzetting van de richtlijn verzekeren, met name wat de strafmaatregelen bij overtreding van de in artikel 4 van de richtlijn bedoelde verbodsbepalingen betreft. Aanvullend stelt de Spaanse regering dat de artikelen 28 en 29 van het wetboek van strafrecht op algemene wijze van toepassing zijn indien iemand openbaar zou maken hoe het programma en de nodige middelen om het signaal bedrieglijk te decoderen kunnen worden verkregen. De regering stelt bovendien dat artikel 127 van hetzelfde wetboek daarnaast voorziet in de verbeurdverklaring van de middelen waarmee de strafbare gedraging kon worden uitgevoerd. Tevens voorzien de artikelen 721 tot en met 747 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering in conservatoire maatregelen en de artikelen 334 en volgende van het wetboek van strafvordering in de inbeslagneming en bewaring van aan het strafbare feit gerelateerde apparatuur en voorwerpen. Ten slotte is artikel 1902 van het burgerlijk wetboek, dat betrekking heeft op de burgerlijke aansprakelijkheid, volgens de Spaanse regering van toepassing op de gebruiker die bedrieglijk profiteert van diensten met voorwaardelijke toegang of op een persoon die software maakt of op het net zet ter omzeiling van technische middelen ter bescherming tegen onrechtmatig gebruik.
18 De Commissie brengt in herinnering dat het opstellen van een voorontwerp van organieke wet niet als een geldige en toereikende maatregel ter uitvoering van een richtlijn kan worden beschouwd. Zij voegt hieraan toe dat de door de Spaanse regering aangevoerde bepalingen duidelijk ontoereikend zijn voor een correcte en volledige omzetting van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn in Spaans recht, a fortiori nu artikel 4, lid 1, van het wetboek van strafrecht bepaalt dat de strafwetten niet van toepassing zijn op andere gevallen dan die welke zij uitdrukkelijk omschrijven.
19 Met betrekking tot artikel 270 van het wetboek van strafrecht merkt de Commissie op dat dit de intellectuele eigendom betreft, terwijl het belang dat de richtlijn wil beschermen erin bestaat dat de leveranciers van diensten gebaseerd op voorwaardelijke toegang voor hun diensten moeten worden vergoed. Met betrekking tot het strafbare feit van oplichting met gebruikmaking van informatica als bedoeld in artikel 248, lid 2, van het wetboek van strafrecht, stelt de Commissie dat dit de ongeoorloofde doorgifte van een vermogensbestanddeel ten nadele van een derde vereist, terwijl de richtlijn betrekking heeft op het vervaardigen, invoeren, verspreiden, verkopen, verhuren of in bezit hebben voor commerciële doeleinden van illegale uitrusting, en het gebruikmaken van commerciële communicatie om deze aan te prijzen. Wat artikel 255 van het wetboek van strafrecht betreft, merkt de Commissie op dat dit artikel van toepassing is op bedrieglijke ontvreemding voor particulier gebruik, terwijl de richtlijn betrekking heeft op onregelmatigheden van commerciële aard.
20 Aangaande de bepalingen die de Spaanse regering aanvullend vermeldt, stelt de Commissie dat geen van deze bepalingen uitvoering geeft aan de verplichting van de lidstaten om maatregelen vast te stellen die beogen te verzekeren dat de vordering van aanbieders van beschermde diensten tot verwijdering van de illegale uitrusting uit het commerciële circuit zal worden onderzocht.
21 Tot staving van haar stelling dat de maatregelen ter uitvoering van de richtlijn reeds in het Spaanse recht zijn vervat, haalt de Spaanse regering eveneens twee uitspraken van verschillende rechterlijke instanties aan, waarbij de door de richtlijn beoogde strafbare feiten zijn bestraft. Bij vonnis van de Juzgado de lo Penal n° 1 de Cordoba (Spanje) van 11 februari 2002 is de verspreiding van namaakkaarten ten nadele van Canal Satélite Digital SL als oplichting en inbreuk op de intellectuele eigendom gekwalificeerd en is de dader tot gevangenisstraf en een geldboete veroordeeld, alsmede tot schadevergoeding aan deze vennootschap. Bij vonnis van de Juzgado de lo Penal n° 9 de Barcelona (Spanje) is de verkoop aan derden van namaakkaarten die het mogelijk maken zonder toestemming het signaal van een aanbieder van kabeltelevisie te decrypteren, als oplichting gekwalificeerd.
22 Volgens de Spaanse regering biedt het wetboek van strafrecht zelfs een effectievere bescherming van de verstrekker van diensten gebaseerd op voorwaardelijke toegang dan de richtlijn voorschrijft, en zou de invoering van nieuwe strafbare feiten in het wetboek van strafrecht tot verwarring kunnen leiden.
23 De Commissie is van mening dat het om enkele alleenstaande uitspraken met een beperkte reikwijdte gaat, die enkel betrekking hebben op de toepassing van artikel 248, lid 2, van het wetboek van strafrecht op de verkoop of de verdeling van niet-goedgekeurde decoderingskaarten, anders gezegd van namaakkaarten, welke feiten als oplichting worden aangemerkt. Bovendien stelt de Commissie dat de interpretatie die de Spaanse regering van de nationale rechtsorde geeft, geen steun vindt in de rechtspraak van het Tribunal Supremo (Spanje).
Beoordeling door het Hof
24 Anders dan de Spaanse regering voorhoudt, kunnen de twee door haar aangevoerde rechterlijke uitspraken op zichzelf niet het bewijs vormen van de omzetting van de richtlijn in de Spaanse rechtsorde.
25 Zoals de Commissie heeft opgemerkt, gaat het om alleenstaande uitspraken met beperkte reikwijdte, die slechts betrekking hebben op de toepassing van artikel 248, lid 2, van het wetboek van strafrecht op de verkoop of de verdeling van niet-goedgekeurde decoderingskaarten. Zelfs indien het om beslissingen van de hoogste rechterlijke instantie ging, zou nog altijd het bewijs moeten worden geleverd dat de Spaanse rechtsorde de bepalingen bevat die het mogelijk maken de doelstellingen van de richtlijn te verwezenlijken door alle gedragingen te verbieden die deze, met name in artikel 4, voorziet.
26 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof inderdaad heeft geoordeeld, dat de uitvoering van een richtlijn niet noodzakelijkerwijs vereist dat de bepalingen van de richtlijn formeel en letterlijk in een uitdrukkelijke en specifieke wetsbepaling worden overgenomen, doch dat een algemene juridische context kan volstaan wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende bepaalde en duidelijke wijze verzekert (zie met name arresten van 23 mei 1985, Commissie/Duitsland, 29/84, Jurispr. blz. 1661, punt 23; 8 juli 1987, Commissie/België, 247/85, Jurispr. blz. 3029, punt 9, en 9 september 1999, Commissie/Duitsland, C-217/97, Jurispr. blz. I-5087, punt 31).
27 Met betrekking tot de door de Spaanse regering aangevoerde bepalingen, kan worden volstaan met vast te stellen dat artikel 270 van het wetboek van strafrecht slechts betrekking heeft op de schending van de rechten van de houder van het intellectuele-eigendomsrecht, terwijl de richtlijn niet daarop, maar op illegale uitrusting betrekking heeft. Artikel 248 van het genoemde wetboek vereist de doorgifte van een vermogensbestanddeel, terwijl de richtlijn enkel betrekking heeft op het bezit van genoemde uitrusting. Artikel 255 van hetzelfde wetboek heeft betrekking op bedrog, terwijl de richtlijn objectieve gedragingen verbiedt. Evenzo dienen de lidstaten krachtens artikel 4, sub c, van de richtlijn de promotie van illegale uitrusting te verbieden, doch naar Spaans recht bestaat er geen dergelijk verbod. Zoals de Commissie terecht opmerkt, kunnen de bepalingen van het burgerlijk wetboek of het wetboek van strafrecht, of van de wetboeken van burgerlijke rechtsvordering respectievelijk strafvordering, die de Spaanse regering aanvullend aanvoert, dit verzuim niet goedmaken.
28 Hieruit volgt dat de Spaanse wetgeving niet alle in de richtlijn vermelde onwettige activiteiten verbiedt, en dat de bepalingen die de Spaanse regering aanvoert, ontoereikend zijn om de correcte en volledige omzetting in Spaans recht van de artikelen 4 en 5 ervan te verzekeren. Zelfs bij een richtlijnconforme interpretatie van het strafrecht, kunnen de leemten en gebreken die de Commissie heeft aangehaald niet worden verholpen zonder het legaliteits- en het rechtszekerheidsbeginsel te schenden, welke eraan in de weg staan dat gedragingen worden bestraft die door het wetboek van strafrecht niet duidelijk en uitdrukkelijk als strafbare feiten zijn aangemerkt.
29 Bovendien, zoals de Commissie eveneens heeft opgemerkt, kan de opstelling van een voorontwerp van organieke wet niet als een geldige en toereikende maatregel ter uitvoering van een richtlijn worden beschouwd.
30 Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
31 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk Spanje in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 1998 betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang, is het Koninkrijk Spanje de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten.
Jann
Edward
von Bahr
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 7 januari 2004.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy