Zaak C‑87/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Italiaanse Republiek
„Niet-nakoming – Milieu – Richtlijn 85/337/EEG – Milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare of particuliere projecten – Project ‚Lotto Zero’”
Samenvatting van het arrest
1. Lidstaten – Verplichtingen – Uitvoering van richtlijnen – Niet-nakoming – Rechtvaardiging op basis van toerekenbaarheid van niet-nakoming aan decentrale overheden – Ontoelaatbaarheid
(Art. 226 EG)
2. Beroep wegens niet-nakoming – Nationale maatregelen die onverenigbaar zijn met gemeenschapsrecht – Bestaan van nationale beroepsmogelijkheden – Geen invloed op mogelijkheid om beroep wegens niet-nakoming in te stellen
(Art. 226 EG)
3. Milieu – Milieu-effectbeoordeling van bepaalde projecten – Richtlijn 85/337 – Onderwerping aan beoordeling van projecten die tot in bijlage II genoemde categorieën behoren – Beoordelingsvrijheid van lidstaten – Omvang en grenzen
(Richtlijn 85/337 van de Raad, art. 4, lid 2)
1. De omstandigheid dat een lidstaat de uitvoering van richtlijnen opdraagt aan zijn regio’s, laat de toepassing van artikel 226 EG onverlet. Een lidstaat kan zich immers niet op interne situaties beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van verplichtingen en termijnen die in communautaire richtlijnen besloten liggen. Elke lidstaat is weliswaar vrij de interne regelgevende bevoegdheden naar eigen goeddunken te verdelen, doch dit neemt niet weg dat krachtens artikel 226 EG alleen de lidstaat jegens de Gemeenschap verantwoordelijk blijft voor de nakoming van de gemeenschapsrechtelijke verplichtingen.
(cf. punt 38)
2. Wanneer bij een nationale rechter beroep is ingesteld tegen het besluit van een nationale instantie dat in een beroep wegens niet-nakoming in geding is, en deze rechter heeft besloten de tenuitvoerlegging van dit besluit niet op te schorten, heeft dit geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het door de Commissie ingestelde beroep wegens niet-nakoming. Het feit dat wegen openstaan langs welke men zich tot de nationale rechter kan wenden, kan immers niet afdoen aan de mogelijkheid het in artikel 226 EG bedoelde beroep in te stellen, aangezien beide acties een ander doel en verschillende gevolgen hebben.
(cf. punt 39)
3. Artikel 4, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 85/337 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten noemt voorbeelden van methoden waarvan de lidstaten gebruik kunnen maken om te bepalen, welke van de in bijlage II bij de richtlijn bedoelde projecten aan een beoordeling in de zin van de richtlijn moeten worden onderworpen.
Richtlijn 85/337 laat de lidstaten in dat opzicht derhalve een beoordelingsmarge en belet hen niet, andere methoden te gebruiken om de projecten te specificeren die overeenkomstig de richtlijn aan een milieu-effectbeoordeling moeten worden onderworpen. De richtlijn sluit dus niet uit, een methode die erin bestaat dat op basis van een individueel onderzoek van het betrokken project of krachtens een nationale wetgevende handeling een in bijlage II bij de richtlijn bedoeld specifiek project wordt aangewezen als zijnde niet onderworpen aan de milieu-effectbeoordelingsprocedure.
Het feit dat de lidstaat over een beoordelingsmarge beschikt, volstaat op zich echter niet om een bepaald project van de beoordelingsprocedure in de zin van de richtlijn uit te sluiten. Ware dit wel het geval, dan zouden de lidstaten de hun bij artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 toegekende beoordelingsmarge kunnen gebruiken om een specifiek project aan de beoordelingsplicht te onttrekken, ofschoon het wegens zijn aard, afmetingen of ligging aanzienlijke milieu-effecten kan hebben.
Hieruit volgt dat, welke methode een lidstaat ook heeft gekozen om te bepalen of een specifiek project al dan niet moet worden beoordeeld, te weten aanwijzing van een specifiek project door middel van een wetgevende handeling dan wel op basis van een individueel onderzoek van het project, die methode geen afbreuk mag doen aan de doelstelling van de richtlijn, te weten dat geen enkel project dat aanzienlijke milieu-effecten in de zin van de richtlijn kan hebben, van de beoordeling wordt uitgesloten, tenzij het specifieke project op grond van een algemene beoordeling kan worden geacht geen aanzienlijk milieu-effect te hebben.
Dienaangaande moet een besluit waarbij de bevoegde nationale instantie te kennen geeft dat een project, gezien de kenmerken ervan, niet hoeft te worden onderworpen aan een milieu-effectbeoordeling, voorzien zijn of vergezeld gaan van alle gegevens aan de hand waarvan kan worden getoetst of het besluit is gebaseerd op een passende voorafgaande verificatie die overeenkomstig de vereisten van richtlijn 85/337 is verricht.
(cf. punten 41-44, 49)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
10 juni 2004(1)
„Niet-nakoming – Milieu – Richtlijn 85/337/EEG – Milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten – Project ‚Lotto Zero’”
In zaak C-87/02,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. van Beek en R. Amorosi als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door M. Massella Ducci Teri, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40), doordat de Regione Abruzzo niet heeft geverifieerd of het project voor de aanleg van een ringweg rond de stad Teramo (Italië) (project bekend onder de benaming „Lotto zero – Variante, tra Teramo e Giulianova, alla strada statale SS 80” ), dat tot de in bijlage II bij deze richtlijn genoemde projecten behoort, een milieueffectbeoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van deze richtlijn vereiste,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),,
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, A. Rosas (rapporteur), A. La Pergola, R. Silva de Lapuerta en K. Lenaerts, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 januari 2004,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 maart 2002, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld teneinde te doen vaststellen dat de Italiaanse Republiek niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40), doordat de Regione Abruzzo niet heeft geverifieerd of het project voor de aanleg van een ringweg rond de stad Teramo (Italië) (project bekend onder de benaming „Lotto zero ? Variante, tra Teramo e Giulianova, alla strada statale SS 80”; hierna: „project Lotto zero”), dat tot de in bijlage II bij deze richtlijn genoemde projecten behoort, een milieueffectbeoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van deze richtlijn vereiste.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsrecht
2 Volgens artikel 1, lid 1, van richtlijn 85/337 is deze van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
3 Volgens artikel 1, lid 2, van de richtlijn wordt onder „project” verstaan:
„? de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken,
? andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten”.
4 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337 bepaalt:
„De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat, voordat een vergunning wordt verleend, de projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, met name gezien hun aard, omvang of ligging, worden onderworpen aan een beoordeling van die effecten.
Deze projecten worden omschreven in artikel 4.”
5 Artikel 4 van richtlijn 85/337 luidt:
„1. Projecten van de in bijlage I genoemde categorieën worden onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.
2. Projecten van de in bijlage II genoemde categorieën worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 indien de lidstaten van oordeel zijn dat hun kenmerken zulks noodzakelijk maken.
Met het oog hierop kunnen de lidstaten met name bepaalde projecttypes die aan een beoordeling moeten worden onderworpen, specificeren of criteria en/of drempelwaarden vaststellen die noodzakelijk zijn om te bepalen welke projecten van de in bijlage II genoemde categorieën moeten worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.”
6 Punt 10 („Infrastructuurprojecten”) van bijlage II bij richtlijn 87/337, betreffende de in artikel 4, lid 2, bedoelde projecten, vermeldt sub d:
„Aanleg van wegen, havens (met inbegrip van visserijhavens) en luchthavens (projecten die niet zijn opgenomen in bijlage I).”
7 Artikel 5 specificeert in wezen de informatie die de opdrachtgever ten minste moet verstrekken. Artikel 6 verplicht de lidstaten de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de instanties en het publiek worden geïnformeerd en hun mening kunnen geven alvorens aan het project wordt begonnen. Ingevolge artikel 8 dienen de bevoegde instanties rekening te houden met de overeenkomstig de artikelen 5 en 6 ingewonnen informatie. Artikel 9 bepaalt dat de bevoegde instanties het publiek in kennis moeten stellen van de genomen beslissing en van de voorwaarden die daaraan eventueel zijn verbonden.
8 Artikel 12 van richtlijn 85/337 schrijft voor dat de lidstaten de nodige maatregelen treffen om binnen drie jaar na de kennisgeving van deze richtlijn daaraan te voldoen. Van de richtlijn is aan de lidstaten kennis gegeven op 3 juli 1985.
9 Deze richtlijn is gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (PB L 73, blz. 5), die ingevolge artikel 3, lid 1, vóór 14 maart 1999 moest worden omgezet. Richtlijn 97/11 was dus niet van toepassing ten tijde van de in deze zaak in geding zijnde feiten.
10 Artikel 4, leden 2 en volgende, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, bepaalt:
„2. Onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten:
a) door middel van een onderzoek per geval,
of
b) aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria,
of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.
De lidstaten kunnen besluiten om beide sub a en b genoemde procedures toe te passen.
3. Bij het onderzoek per geval of bij de vaststelling van drempelwaarden of criteria bij de toepassing van lid 2 moet met de relevante selectiecriteria van bijlage III rekening worden gehouden.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat de overeenkomstig lid 2 door de bevoegde instanties verrichte bepalingen ter beschikking van het publiek worden gesteld.”
Nationaal recht
11 Artikel 1 van het decreet van de president van de Republiek van 12 april 1996, getiteld „Atto di indirizzo e coordinamento per l’attuazione dell’art. 40, comma 1, della L. 22 febbraio 1994, n. 146, concernente disposizioni in materia di valutazione di impatto ambientale” (Oriëntatie- en coördinatiebesluit voor de toepassing van artikel 40, lid 1, van wet nr. 146 van 22 februari 1994 betreffende bepalingen inzake milieueffectbeoordeling, GURI nr. 210 van 7 september 1996, blz. 28; hierna: „decreet van 12 april 1996”), luidt:
„1. De autonome regio’s en provincies Trento en Bolzano zien erop toe dat voor de in de bijlagen A en B genoemde projecten de milieueffectbeoordelingsprocedure wordt toegepast met inachtneming van de bepalingen van richtlijn 85/337/EEG, overeenkomstig de in dit besluit vervatte richtsnoeren.
[…]
4. Aan de milieueffectbeoordelingsprocedure zijn onderworpen de in bijlage B bedoelde projecten die – zelfs gedeeltelijk – binnen de bij wet nr. 394 van 6 december 1991 vastgestelde beschermde natuurgebieden plaatsvinden.
[…]
6. Voor de in bijlage B genoemde projecten die niet binnen beschermde natuurgebieden plaatsvinden, verifieert de bevoegde instantie overeenkomstig de in artikel 10 voorgeschreven regels en op basis van de gegevens van bijlage D, of de kenmerken van het project een milieueffectbeoordelingsprocedure noodzakelijk maken.”
12 Artikel 10, leden 1 en 2, van het decreet van 12 april 1996 bepaalt:
„1. Voor de in artikel 1, lid 6, bedoelde projecten verzoekt de opdrachtgever of de instantie die het project voorstelt, om de in die alinea bedoelde verificatie. De informatie die de opdrachtgever of de instantie die het project voorstelt, voor deze verificatie moet verstrekken, omvat een omschrijving van het project en de gegevens die nodig zijn om de voornaamste effecten die het project op het milieu kan hebben, te onderkennen en te beoordelen.
2. De bevoegde instantie neemt binnen zestig dagen een besluit op basis van de gegevens van bijlage D en wijst eventuele maatregelen aan om de milieueffecten te beperken en de voortgang van de werkzaamheden en/of installaties te bewaken. Na het verstrijken van de genoemde termijn wordt het project in geval van stilzwijgen van de bevoegde instantie geacht te zijn uitgesloten van de procedure. De autonome regio’s en provincies Trento en Bolzano nemen de nodige maatregelen om de lijst van projecten waarvoor om verificatie is verzocht, en de desbetreffende resultaten openbaar te maken.”
13 Bijlage B bij het decreet van 12 april 1996, betreffende de verschillende soorten projecten bedoeld in artikel 1, lid 4, vermeldt in punt 7, sub g en h:
„g) Secundaire wegen buiten de bebouwde kom,
h) Aanleg van doorgaande wegen in stedelijk gebied of uitbreiding van bestaande wegen tot vier rijstroken of meer, met een lengte in stedelijk gebied van meer dan 1 500 meter.”
14 Bijlage D bij het decreet van 12 april 1996 bevat de gegevens waarmee de bevoegde instantie rekening moet houden bij het onderzoek van de kenmerken en de ligging van het project in het kader van de in artikel 1, zesde alinea, van dit decreet bedoelde verificatie.
15 De Regione Abruzzo heeft het decreet van 12 april 1996 omgezet bij regionale wet nr. 112 van 23 september 1997, getiteld „Norme urgenti per il recepimento del decreto del Presidente della Repubblica 12 aprile 1996” (Dringende voorschriften voor de omzetting van het decreet van de president van de Republiek van 12 april 1996).
Precontentieuze procedure
16 Blijkens het verzoekschrift van de Commissie van 11 mei 1998 heeft deze de Italiaanse autoriteiten verzocht, haar informatie te verstrekken over het project Lotto zero. Volgens de informatie waarover de Commissie op dat ogenblik beschikte, was voor dit project een vergunning afgegeven zonder dat het aan een milieueffectbeoordelingsprocedure was onderworpen en zonder dat vooraf was geverifieerd of het noodzakelijk was een beoordeling van de milieueffecten van het project te verrichten.
17 De Commissie had naar aanleiding van een vraag van een lid van het Europees Parlement vernomen dat het project bestond in de aanleg van een strook van een snelweg met een breedte van 10,50 meter, met vier viaducten en vier tunnels. De weg, die een nabijgelegen woonwijk op enkele meters van het historische centrum van de gemeente Teramo in de Abruzzen (Italië) zou doorkruisen, zou de bedding van de Tordino aandoen, waarvoor een door de Gemeenschap gefinancierd project voor milieubescherming, „Fiume Tordino medio corso” genoemd, bestond. Dit gebied was door de Italiaanse Republiek voorgesteld als gebied van communautair belang in de procedure voor de totstandbrenging van het zogenoemde Europees ecologisch netwerk „Natura 2000” in de zin van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7).
18 Bij brief van 23 juli 1998 heeft de Italiaanse Republiek de Commissie bevestigd dat het project inderdaad betrekking had op de aanleg van een weg van twee rijstroken met een breedte van 10,50 meter en een niet nader gepreciseerde lengte, waarvan het weggedeelte over het grondgebied van de gemeente Teramo de rechterzijde van het rivierbekken van de Tordino aandeed over een lengte van 5 440 meter, waarvan 2 260 meter viaduct et 930 meter tunnel.
19 Blijkens de correspondentie tussen de Commissie, het Italiaanse ministerie van Milieu en de Permanente Vertegenwoordiging verleende de Regione Abruzzo haar goedkeuring voor de uitvoering van het project en had de voor dit project aangewezen bijzondere commissaris besloten de ingreep niet te onderwerpen aan een milieueffectbeoordeling of aan een voorafgaande verificatie.
20 Bij brief van 21 mei 1999 heeft het ministerie gewezen op de voorschriften van het decreet van 12 april 1996 en de bijzondere commissaris voor de uitvoering van het project en de Regione Abruzzo verzocht, het besluit om dit project niet aan een milieueffectbeoordeling of aan een voorafgaande verificatie te onderwerpen, met redenen te omkleden. De bijzondere commissaris heeft de Regione Abruzzo daarop verzocht overeenkomstig het decreet van 12 april 1996 de regionale procedures voor de verificatie van de milieugevolgen in te leiden.
21 Het project is onderworpen aan de procedure ter verificatie van de verplichting om een milieueffectbeoordeling te verrichten. Overwegende met name dat het betrokken gebied geen deel uitmaakte van de beschermde gebieden in de zin van wet nr. 394/91 en regionale wet nr. 38/96, heeft de Regione Abruzzo bij regionaal decreet nr. 25/99, protocol nr. 3624 van 15 november 1999, besloten gunstig te adviseren over de verificatie van de milieugevolgen en het project dus uit te sluiten van de milieueffectbeoordelingsprocedure.
22 Bij brief van 30 mei 2000, aan de Commissie gezonden bij nota van 16 juni 2000 van de permanente vertegenwoordiging, heeft het Italiaanse Ministerie van Milieu meegedeeld dat regionaal decreet nr. 25/99 was vastgesteld op gunstig advies van het Comitato di Coordinamento Regionale sulla Valutazione di Impatto Ambientale (regionaal coördinatiecomité voor milieueffectbeoordeling; hierna: „coördinatiecomité”) nr. 3/76 van 22 oktober 1999, dat op zijn beurt verwees naar een advies van de wegenbouwkundige dienst, waarvan in regionaal decreet nr. 25/99 geen melding werd gemaakt. Het decreet heeft dit verzuim niet verklaard en bevat geen argumenten tot staving van het besluit van het regionaal bestuur.
23 Op 24 oktober 2000 heeft de Commissie de Italiaanse Republiek een aanmaningsbrief gezonden, waarin zij uiteenzette dat uit de haar ter beschikking staande gegevens niet bleek dat de Regione Abruzzo het betrokken project, dat onder bijlage II bij richtlijn 85/337 viel, aan een verificatie had onderworpen om vast te stellen of de kenmerken van het project een milieueffectbeoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van de richtlijn noodzakelijk maakten.
24 Aangezien de diverse antwoorden van de Italiaanse autoriteiten op deze aanmaningsbrief de Commissie geen voldoening gaven, heeft deze de Italiaanse Republiek op 18 juli 2001 een met redenen omkleed advies gezonden en haar een termijn van twee maanden gesteld voor het treffen van de maatregelen die nodig waren om daaraan te voldoen.
Procedure bij het Hof
25 Het Hof heeft besloten de Italiaanse Republiek en de Commissie enkele vragen te stellen en hen te verzoeken om overlegging van een aantal stukken. Het heeft de Italiaanse Republiek met name verzocht het in de precontentieuze procedure aangehaalde advies van de wegenbouwkundige dienst over te leggen. Na onderzoek van de antwoorden en de stukken heeft het overeenkomstig artikel 44 bis van het Reglement voor de procesvoering beslist uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling.
Ten gronde
Argumenten van partijen
26 De Commissie herinnert eraan dat krachtens artikel 4, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 85/337 projecten van de in bijlage II genoemde categorieën aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van deze richtlijn moeten worden onderworpen indien de lidstaten van oordeel zijn dat hun kenmerken zulks noodzakelijk maken. Ingevolge artikel 4, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 85/337 kunnen de lidstaten met name criteria of drempelwaarden vaststellen om te bepalen welke projecten van de in bijlage II genoemde categorieën moeten worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van dezelfde richtlijn.
27 De Commissie merkt op dat, zoals blijkt uit het arrest van 16 september 1999, WWF e.a. (C-435/97, Jurispr. blz. I‑5613), de lidstaten bij gebreke van een nationale wetgevende handeling waarin de aan een milieueffectbeoordelingsprocedure te onderwerpen projecten vooraf algemeen worden omschreven, niet bevoegd zijn om een bepaald project van deze procedure uit te sluiten dan na een concreet onderzoek van dit project, waarin op basis van een volledige beoordeling wordt toegelicht om welke redenen dit geen milieueffecten kan hebben.
28 Met het decreet van 12 april 1996 heeft de Italiaanse Republiek niet overeenkomstig artikel 4, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 85/337 vooraf algemeen omschreven, welke projecten aan een milieueffectbeoordeling moesten worden onderworpen. Zij heeft enkel de projecten aangewezen waarvoor een verificatie kan worden verricht om na te gaan of een milieueffectbeoordeling noodzakelijk is. Dat geldt voor de projecten bedoeld in bijlage B bij het decreet van 12 april 1996, met name in punt 7, sub g (secundaire wegen buiten de bebouwde kom), of h (aanleg van doorgaande wegen in stedelijk gebied of verbreding van bestaande wegen tot vier rijstroken of meer met een lengte in stedelijk gebied van meer dan 1 500 meter), die overeenstemmen met de projecten genoemd in bijlage II bij richtlijn 85/337, met name in punt 10, sub d en e (aanleg van wegen, havens, met inbegrip van visserijhavens, en luchthavens).
29 Aangezien het project Lotto zero behoort tot de in die bepalingen bedoelde projecten, had het aan een verificatie moeten worden onderworpen en had het besluit om geen beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van richtlijn 85/337 te verrichten, in duidelijke en nauwkeurige bewoordingen moeten zijn gemotiveerd. In het besluit om het project niet aan een beoordeling te onderwerpen wordt evenwel geen enkel vooraf vastgesteld beoordelingscriterium vermeld en wordt evenmin verklaard of de in artikel 1, zesde alinea, van het decreet van 12 april 1996 bedoelde verificatie had plaatsgevonden, noch, ingeval het antwoord op die vraag bevestigend luidt, hoe die verificatie was verlopen. De wijze waarop regionaal decreet nr. 25/99 is gemotiveerd, laat aldus vermoeden dat de Regione Abruzzo niet heeft geverifieerd of het project aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van richtlijn 85/337 moest worden onderworpen. In repliek merkt de Commissie op dat het advies van het coördinatiecomité, waarnaar decreet nr. 25/99 verwijst, haar nooit ter kennis is gebracht.
30 Zelfs indien de inhoud en het mechanisme van de in artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 bedoelde verificatie pas nader zijn uitgewerkt door richtlijn 97/11, die richtlijn 85/337 wijzigt maar in casu niet van toepassing is, is het volgens de Commissie ontoelaatbaar dat daaraan volledig wordt voorbijgegaan en dat het besluit geen enkele motivering bevat.
31 Voorts is de stelling dat de Commissie niet kan nagaan of een lidstaat de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen is nagekomen wanneer beroepen die door milieuverenigingen zijn ingesteld, door de nationale rechterlijke instanties worden verworpen, ongegrond en in strijd met de rechtspraak van het Hof. Uit het reeds aangehaalde arrest WWF e.a. blijkt immers dat het aan de nationale rechter staat om na te gaan, of de bevoegde instanties de al dan niet aanzienlijke gevolgen van een project voor het milieu juist hebben beoordeeld. Dat belet echter niet dat het Hof zich kan uitspreken over de uit artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 voortvloeiende verplichtingen van de lidstaten en dat de Commissie op basis van de bevoegdheden die artikel 226 EG haar verleent, derhalve de plicht heeft op te treden om schending van een bepaling van gemeenschapsrecht aan het licht te brengen.
32 Ten slotte wijst de Commissie erop dat een lidstaat niet alleen moet instaan voor verzuimen van zijn centrale regering, maar ook voor die van plaatselijke en gedecentraliseerde besturen.
33 De Italiaanse Republiek herinnert aan de omstandigheden waarin regionaal decreet nr. 25/99 van 15 november 1999 door de Regione Abruzzo is vastgesteld.
34 Wat de motivering van dit besluit betreft, betoogt zij dat op basis van artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 per geval kan worden geverifieerd of het project aan een beoordeling moet worden onderworpen. Deze richtlijn voorziet aldus in de vaststelling van een uitdrukkelijk besluit alvorens het project aan een beoordeling wordt onderworpen. Bijgevolg is het gerechtvaardigd dat de bevoegde instanties het stilzwijgen kunnen bewaren wanneer geen beoordeling noodzakelijk is, en dat zij enkel formele maatregelen hoeven te treffen wanneer het project aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen.
35 Dit is de in artikel 10, lid 2, van het decreet van 12 april 1996 voorziene regeling, volgens welke de bevoegde instantie, indien zij van oordeel is dat het project geen beoordeling behoeft, stilzwijgend kan besluiten, hetgeen neerkomt op een besluit om de verificatieprocedure te beëindigen.
36 De Italiaanse Republiek betwist hoe dan ook de verweten niet-nakoming, aangezien de bevoegde nationale instantie een uitdrukkelijk besluit heeft vastgesteld, namelijk decreet nr. 25/99, dat door verwijzing naar een advies van het coördinatiecomité is gemotiveerd.
37 Zij wijst erop dat, zoals blijkt uit het reeds aangehaalde arrest WWF e.a., het aan de nationale rechterlijke instantie staat om na te gaan of de bevoegde instanties de aanzienlijke gevolgen van een project voor het milieu juist hebben beoordeeld. In casu is het project Lotto zero getoetst door het Tribunale amministrativo regionale del Lazio naar aanleiding van een beroep van de Associazione Italiana Nostra-Onlus en de Associazione Italiana per il World Wildlife Fund. Bij beschikking van 21 juni 2000 heeft deze rechterlijke instantie het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten betreffende dit project verworpen.
Beoordeling door het Hof
38 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de omstandigheid dat een lidstaat de uitvoering van richtlijnen opdraagt aan zijn regio’s, de toepassing van artikel 226 EG onverlet laat. Volgens vaste rechtspraak kan een lidstaat zich immers niet op interne situaties beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van verplichtingen en termijnen die in communautaire richtlijnen besloten liggen. Elke lidstaat is weliswaar vrij de interne wetgevende bevoegdheden naar eigen goeddunken te verdelen, doch dit neemt niet weg dat krachtens artikel 226 EG enkel de lidstaat jegens de Gemeenschap verantwoordelijk blijft voor de nakoming van de gemeenschapsrechtelijke verplichtingen (arrest van 13 december 1991, Commissie/Italië, C‑33/90, Jurispr. blz. I‑5987, punt 24; in die zin eveneens beschikking van 1 oktober 1997, Regione Toscana/Commissie, C‑180/97, Jurispr. blz. I‑5245, punt 7). Derhalve is het in casu van geen belang dat de niet-nakoming voortkomt uit een besluit van de Regione Abruzzo.
39 Voor het overige zij opgemerkt, dat wanneer bij een nationale rechter beroep is ingesteld tegen het besluit van een nationale instantie dat in een beroep wegens niet‑nakoming in geding is, en deze rechter heeft besloten de tenuitvoerlegging van dit besluit niet op te schorten, zulks geen gevolgen kan hebben voor de ontvankelijkheid van het door de Commissie ingestelde beroep wegens niet-nakoming. Het feit dat wegen openstaan langs welke men zich tot de nationale rechter kan wenden, kan immers niet afdoen aan de mogelijkheid het in artikel 226 EG bedoelde beroep in te stellen, aangezien beide acties een ander doel en verschillende gevolgen hebben (zie arresten van het Hof van 17 februari 1970, Commissie/Italië, 31/69, Jurispr. blz. 25, punt 9, en 18 maart 1986, Commissie/België, 85/85, Jurispr. blz. 1149, punt 24).
40 Met betrekking tot het onderhavige beroep zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 4, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 85/337 projecten van de in bijlage II genoemde categorieën aan een beoordeling worden onderworpen indien de lidstaten van oordeel zijn dat de kenmerken van de projecten zulks noodzakelijk maken. Ingevolge artikel 4, lid 2, tweede alinea, van deze richtlijn „kunnen de lidstaten met name bepaalde projecttypes die aan een beoordeling moeten worden onderworpen, specificeren of criteria en/of drempelwaarden vaststellen die noodzakelijk zijn om te bepalen welke projecten van de in bijlage II genoemde categorieën moeten worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10”.
41 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat artikel 4, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 85/337 voorbeelden van methoden noemt waarvan de lidstaten gebruik kunnen maken om te bepalen, welke van de in bijlage II bedoelde projecten aan een beoordeling in de zin van de richtlijn moeten worden onderworpen (arrest WWF e.a., reeds aangehaald, punt 42).
42 Richtlijn 85/337 laat de lidstaten in dat opzicht derhalve een beoordelingsmarge en belet hen niet, andere methoden te gebruiken om de projecten te specificeren die overeenkomstig de richtlijn aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen. De richtlijn sluit dus niet een methode uit die erin bestaat, dat op basis van een individueel onderzoek van het betrokken project of krachtens een nationale wetgevende handeling een in bijlage II bij de richtlijn bedoeld specifiek project wordt aangewezen als zijnde niet onderworpen aan de milieueffectbeoordelingsprocedure (arrest WWF e.a., reeds aangehaald, punt 43).
43 Het feit dat de lidstaat over de in het vorige punt aangehaalde beoordelingsmarge beschikt, volstaat op zich echter niet om een bepaald project van de beoordelingsprocedure in de zin van de richtlijn uit te sluiten. Ware dit wel het geval, dan zouden de lidstaten de hun bij artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 toegekende beoordelingsmarge kunnen gebruiken om een specifiek project aan de beoordelingsplicht te onttrekken, ofschoon het wegens zijn aard, afmetingen of ligging aanzienlijke milieueffecten kan hebben (arrest WWF e.a., punt 44).
44 Hieruit volgt dat, welke methode een lidstaat ook heeft gekozen om te bepalen of een specifiek project al dan niet moet worden beoordeeld, door aanwijzing van een specifiek project door middel van een wetgevende handeling dan wel op basis van een individueel onderzoek van het project, die methode geen afbreuk mag doen aan de doelstelling van de richtlijn, te weten dat geen enkel project dat aanzienlijke milieueffecten in de zin van de richtlijn kan hebben, van de beoordeling wordt uitgesloten, tenzij het specifieke project op grond van een algemene beoordeling kan worden geacht geen aanzienlijk milieueffect te hebben (arrest WWF e.a., punt 45).
45 In casu betreft de niet‑nakoming een project voor de aanleg van een weg, waarvoor ingevolge de Italiaanse wetgeving tot omzetting van richtlijn 85/337 en deze richtlijn zelf een voorafgaande verificatie had moeten plaatsvinden met betrekking tot de noodzaak om het project aan een milieueffectbeoordeling te onderwerpen. De Commissie verwijt de Italiaanse Republiek hoofdzakelijk dat het besluit van de Regione Abruzzo om geen milieueffectbeoordeling te verrichten, niet gemotiveerd was, hetgeen laat vermoeden dat er geen voorafgaande verificatie heeft plaatsgevonden.
46 Blijkens het onderzoek van de overgelegde stukken is decreet nr. 25/99, waarbij de Regione Abruzzo gunstig adviseert over het resultaat van de voorafgaande verificatieprocedure en het project uitsluit van de milieueffectbeoordelingsprocedure, slechts summier gemotiveerd en wordt hierin enkel verwezen naar het gunstige advies van het coördinatiecomité. Laatstgenoemd advies, dat uit de handgeschreven notulen van de vergadering van 22 oktober 1999 van dit comité blijkt, bestaat uit één zin, waarin het gunstige advies besloten ligt met de vermelding dat het comité voor de verstrekking van dit advies beschikte over advies nr. 8634 van 6 juli 1999 van de wegenbouwkundige dienst.
47 Zoals de advocaat-generaal in punt 33 van zijn conclusie terecht opmerkt, is dit advies van de wegenbouwkundige dienst van Teramo, dat op verzoek van het Hof is overgelegd, geen advies over de milieugevolgen van het project, maar een „enkel voor waterbouwkundige doeleinden” bedoelde vergunning met betrekking tot de overbrugging van de Tordino en de uitvoering van een aantal werkzaamheden. Het door de Italiaanse Republiek bij haar verweerschrift gevoegde document, waarvan het titelblad met daarop de nodige vermeldingen over de aard van het stuk is overgelegd op verzoek van het Hof, blijkt niet bij wet te zijn voorgeschreven in het kader van de voorafgaande verificatieprocedure. Voorts beschikt het Hof niet over gegevens waaruit kan worden opgemaakt dat de bevoegde instantie zich hierop heeft gebaseerd in haar besluitvorming.
48 Uit het voorgaande blijkt dat niet vooraf is geverifieerd of het project Lotto zero aan een milieueffectbeoordeling moest worden onderworpen en dat de niet‑nakoming zoals die door de Commissie in haar conclusies is omschreven, bewezen is.
49 Vastgesteld zij evenwel dat, indien dit advies van de wegenbouwkundige dienst niet op verzoek van Hof was meegedeeld, onmogelijk had kunnen worden getoetst of de voorafgaande verificatie al dan niet had plaatsgevonden. Dienaangaande zij opgemerkt dat een besluit waarbij de bevoegde nationale instantie te kennen geeft dat een project gezien de kenmerken ervan niet hoeft te worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling, voorzien moet zijn of vergezeld moet gaan van alle gegevens aan de hand waarvan kan worden getoetst of het besluit gebaseerd is op een passende voorafgaande verificatie die overeenkomstig de vereisten van richtlijn 85/337 is verricht.
50 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, doordat de Regione Abruzzo niet heeft geverifieerd of het project voor de aanleg van een ringweg rond de stad Teramo (project bekend onder de benaming „Lotto zero ? Variante, tra Teramo e Giulianova, alla strada statale SS 80”), dat tot de in bijlage II bij deze richtlijn genoemde projecten behoort, een milieueffectbeoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van deze richtlijn vereiste.
Kosten
51 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) De Italiaanse Republiek heeft niet voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, doordat de Regione Abruzzo niet heeft geverifieerd of het project voor de aanleg van een ringweg rond de stad Teramo (project bekend onder de benaming „Lotto zero ? Variante, tra Teramo e Giulianova, alla strada statale SS 80”), dat tot de in bijlage II bij deze richtlijn genoemde projecten behoort, een milieueffectbeoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van deze richtlijn vereiste.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Jann
Rosas
La Pergola
Silva de Lapuerta
Lenaerts
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 juni 2004.
De griffier
De president van de Eerste kamer
R. Grass
P. Jann
1 – Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy