Zaak C‑104/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Bondsrepubliek Duitsland
„Niet-nakoming – Verordeningen (EEG) nrs. 2913/92 en 2454/93 – Extern communautair douanevervoer – Douaneautoriteiten – Procedures voor inning van invoerrechten – Termijnen – Niet-inachtneming – Eigen middelen van Gemeenschappen – Terbeschikkingstelling – Termijn – Niet-inachtneming – Vertragingsrente – Betrokken lidstaat – Niet-betaling”
Conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl, zie zaak C‑460/01
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 14 april 2005.
Samenvatting van het arrest
1. Beroep wegens niet-nakoming – Voorwerp – Verzoek om lidstaat te gelasten, bepaalde maatregelen te nemen – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 226 EG)
2. Vrij verkeer van goederen – Communautair douanevervoer – Extern communautair douanevervoer – Overtredingen of onregelmatigheden – Verplichtingen van lidstaten – Niet-inachtneming van termijnen voor procedures tot inning van invoerrechten – Te late vaststelling en terbeschikkingstelling van eigen middelen – Niet-nakoming
(Verordeningen van de Raad nr. 1552/89, art. 2, en nr. 2913/92, art. 218, lid 3, en 221, lid 1)
1. Het op basis van artikel 226 EG ingestelde beroep beoogt te doen vaststellen dat een lidstaat zijn communautaire verplichtingen niet is nagekomen. De vaststelling van een dergelijke niet-nakoming verplicht de betrokken lidstaat, volgens de bewoordingen van artikel 228 EG, de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof. Het Hof kan de lidstaat evenwel niet bevelen, bepaalde maatregelen te nemen.
In het kader van een beroep wegens niet-nakoming kan het Hof zich dus niet uitspreken over grieven die verband houden met een vordering die erop gericht is dat het Hof een lidstaat gelast, vertragingsrente te betalen. Een dergelijke vordering moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
(cf. punten 49‑51)
2. In het geval van douaneschulden die zijn ontstaan als gevolg van onder de regeling extern communautair douanevervoer begane onregelmatigheden, volgt reeds uit de bewoordingen van artikel 379, lid 2, derde volzin, van verordening nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, dat de lidstaten verplicht zijn om tot inning in de zin van deze bepaling over te gaan bij het verstrijken van de termijn van drie maanden nadat door het kantoor van vertrek mededeling is gedaan dat de zending niet binnen de gestelde termijn aan het kantoor van bestemming is aangeboden. Deze uitlegging is tevens noodzakelijk om te verzekeren dat de bepalingen inzake de invordering van de douaneschuld door de bevoegde autoriteiten snel en eenvormig worden toegepast in het belang van een snelle terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap.
De met de artikelen 218, lid 3, en 221, lid 1, van verordening nr. 2913/92 strijdige te late kennisgeving van het bedrag aan de aangever door een lidstaat betekent noodzakelijkerwijs een vertraging bij de vaststelling van het recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen in de zin van artikel 2 van verordening nr. 1552/89 houdende toepassing van besluit 88/376 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen.
(cf. punten 78, 89, 91, dictum 1)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
14 april 2005 (*)
„Niet-nakoming – Verordeningen (EEG) nrs. 2913/92 en 2454/93 – Communautair douanevervoer – Douaneautoriteiten – Procedures voor inning van invoerrechten – Termijnen – Niet-inachtneming – Eigen middelen van Gemeenschappen – Terbeschikkingstelling – Termijn – Niet-inachtneming – Vertragingsrente – Betrokken lidstaat – Niet-betaling”
In zaak C‑104/02,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 20 maart 2002,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Wilms als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door W.‑D. Plessing en R. Stüwe als gemachtigden, bijgestaan door D. Sellner, Rechtsanwalt,
verweerster,
ondersteund door
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door A. Snoecx als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënt,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, R. Schintgen en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: M.‑F. Contet, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 mei 2004,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juli 2004,
het navolgende
Arrest
1 Met haar verzoekschrift verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof, vast te stellen dat
– de Bondsrepubliek Duitsland, door de Gemeenschap te laat haar eigen middelen ter beschikking te stellen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 49 van verordening (EEG) nr. 1214/92 van de Commissie van 21 april 1992 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer (PB L 132, blz. 1), of artikel 379 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1; hierna: „uitvoeringsverordening”), gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1),
– de Bondsrepubliek Duitsland overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 1552/89, voor het tijdvak tot 31 mei 2000, en artikel 11 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1), voor het tijdvak na 31 mei 2000, verplicht is aan de gemeenschapsbegroting de rente te betalen die verschuldigd is in geval van te late inschrijving in de boeken.
De toepasselijke regeling
Het communautaire douanerecht
2 In de periode waarop dit beroep betrekking heeft, 1 januari 1993 tot en met 31 december 1996, waren achtereenvolgens verschillende, zij het inhoudelijk identieke, regelingen van toepassing.
3 Wat het extern communautair vervoer betreft, golden in 1993 verordening (EEG) nr. 2726/90 van de Raad van 17 september 1990 betreffende communautair douanevervoer (PB L 262, blz. 1) en verordening nr. 1214/92, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3712/92 van de Commissie van 21 december 1992 (PB L 378, blz. 15; hierna: „verordening nr. 1214/92”).
4 Wat de regeling van de douaneschuld betreft, golden in 1993 verordening (EEG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987 inzake de douaneschuld (PB L 201, blz. 15), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 4108/88 van de Raad van 21 december 1988 (PB L 361, blz. 2; hierna: „verordening nr. 2144/87”), en verordening (EEG) nr. 597/89 van de Commissie van 8 maart 1989 tot vaststelling van enige nadere bepalingen voor de toepassing van verordening nr. 2144/87 (PB L 65, blz. 11).
5 Op het gebied van berekening en inning van de douaneschuld gold in 1993 verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in‑ of bij uitvoer (PB L 186, blz. 1).
6 Bij verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”) werd een codificatie van de toepasselijke regeling op het gebied van het communautaire douanerecht doorgevoerd. Het douanewetboek is uitgewerkt in de uitvoeringsverordening. Deze teksten gelden sinds 1 januari 1994.
7 Daar in de periode waarop het onderhavige beroep wegens niet-nakoming betrekking heeft, de achtereenvolgens toepasselijke regelingen van douanerecht inhoudelijk identiek waren, verwijzen partijen in hun betoog voor het Hof primair uitsluitend naar de bepalingen die vanaf 1 januari 1994 van kracht waren, namelijk het douanewetboek en de uitvoeringsverordening. Daarom geeft de volgende tabel alleen een opsomming van de in de litigieuze tijdvakken achtereenvolgens toepasselijke bepalingen. De tekst van de bepalingen van het douanewetboek en de uitvoeringsverordening wordt weergegeven na deze tabel.
Kalenderjaar 1993
Kalenderjaren 1994 en 1995
artikelen 1 en 3, lid 2, sub a, van verordening nr. 2726/90
artikel 91, lid 1, sub a, en lid 2, sub a, van het douanewetboek
artikel 11, lid 1, sub a en b, van verordening nr. 2726/90
artikel 96, lid 1, sub a, van het douanewetboek
artikel 2, lid 1, sub c, van verordening nr. 2144/87
artikel 203 van het douanewetboek
artikel 2, lid 1, sub d, van verordening nr. 2144/87
artikel 204 van het douanewetboek
artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1854/89
artikel 217, lid 1, van het douanewetboek
artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1854/89
artikel 218, lid 3, van het douanewetboek
artikel 4 van verordening nr. 1854/89
artikel 219 van het douanewetboek
artikelen 6, lid 1, en 7 van verordening nr. 1854/89
artikel 221, leden 1 en 3, van het douanewetboek
artikel 22, leden 1 en 4, van verordening nr. 2726/90
artikel 356, leden 1 en 5, van de uitvoeringsverordening
artikel 34, lid 3, van verordening nr. 2726/90
artikel 378 van de uitvoeringsverordening
artikel 49 van verordening nr. 1214/92
artikel 379 van de uitvoeringsverordening
artikel 50 van verordening nr. 1214/92
artikel 380 van de uitvoeringsverordening
Het douanewetboek
8 Artikel 91, leden 1, sub a, en 2, sub a, van het douanewetboek bepaalt:
„1. De regeling extern douanevervoer maakt het vervoer mogelijk van een plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap:
a) van niet-communautaire goederen zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer en andere belastingen of aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen;
[...]
2. Het in lid 1 bedoelde vervoer geschiedt:
[...] met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer
[...]”
9 Artikel 96, lid 1, sub a en b, van het douanewetboek bepaalt:
„De aangever is het subject van de regeling extern communautair douanevervoer. Hij is verplicht:
a) de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen;
b) de bepalingen betreffende de regeling communautair douanevervoer na te leven.”
10 Artikel 203 van het douanewetboek luidt als volgt:
„1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
– indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.
2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.
3. Schuldenaren zijn:
– de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken;
– de personen die aan deze onttrekking hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken;
– de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze aan het douanetoezicht waren onttrokken;
alsmede,
– in voorkomend geval, de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen.”
11 Artikel 204 van het douanewetboek luidt als volgt:
„1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a) indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst,
of
b) indien een van de voorwaarden die voor de plaatsing van de goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen zijn gesteld, niet in acht is genomen,
in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.
2. De douaneschuld ontstaat, hetzij op het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de verplichting waarvan de niet-nakoming de douaneschuld doet ontstaan, hetzij op het tijdstip waarop de goederen onder de betrokken douaneregeling werden geplaatst, wanneer achteraf blijkt dat aan een van de voorwaarden voor de plaatsing van de genoemde goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen, niet is voldaan.
3. Schuldenaar is de persoon die, naar gelang van het geval, hetzij de verplichtingen moet nakomen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst, hetzij de aan de plaatsing van de goederen onder de regeling verbonden voorwaarden in acht moet nemen.”
12 Artikel 215 van het douanewetboek bepaalt:
„1. De douaneschuld ontstaat op de plaats waar de feiten zich voordoen die tot het ontstaan van deze schuld leiden.
2. Indien de in lid 1 bedoelde plaats niet kan worden bepaald, wordt de douaneschuld geacht te zijn ontstaan op de plaats waar de douaneautoriteiten vaststellen dat de goederen zich in een situatie bevinden die tot het ontstaan van een douaneschuld heeft geleid.
3. Indien een douaneregeling voor bepaalde goederen niet is beëindigd, wordt de douaneschuld geacht te zijn ontstaan:
– op de plaats waar de goederen onder de regeling zijn geplaatst,
of
– op de plaats waar de goederen de Gemeenschap onder de betrokken regeling zijn binnengekomen.
4. Indien evenwel uit de gegevens waarover de douaneautoriteiten beschikken, blijkt dat de douaneschuld reeds op een eerder tijdstip was ontstaan, toen de goederen zich op een andere plaats bevonden, wordt de douaneschuld geacht te zijn ontstaan op de plaats waarvan kan worden vastgesteld dat zij zich daar bevonden op het vroegste tijdstip waarvan het bestaan van de douaneschuld kan worden vastgesteld.”
13 Artikel 217, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:
„Elk bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, hierna ‚bedrag aan rechten’ genoemd, dient door de douaneautoriteiten te worden berekend zodra deze over de nodige gegevens beschikken en dient door deze autoriteiten in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, te worden geregistreerd (boeking).”
14 Artikel 218, lid 3, van het douanewetboek luidt als volgt:
„Indien een douaneschuld ontstaat onder andere omstandigheden dan die bedoeld in lid 1, dient het overeenkomstige bedrag aan rechten te worden geboekt binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten in staat zijn:
a) het bedrag van de desbetreffende rechten te berekenen,
en
b) de schuldenaar aan te wijzen.”
15 Artikel 219 van het douanewetboek bepaalt:
„1. De in artikel 218 bedoelde termijnen voor de boeking kunnen worden verlengd:
a) hetzij om redenen die met de administratieve organisatie van de lidstaten verband houden, met name in geval van een gecentraliseerde comptabiliteit;
b) hetzij in gevallen waarin bijzondere omstandigheden de douaneautoriteiten beletten deze termijnen na te leven.
De aldus verlengde termijnen mogen niet meer dan veertien dagen bedragen.
2. De in lid 1 bedoelde termijnen zijn niet van toepassing in onvoorziene gevallen of bij overmacht.”
16 Artikel 221, leden 1 en 3, van het douanewetboek luidt als volgt:
„1. Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.
[...]
3. De mededeling aan de schuldenaar mag niet meer geschieden na het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. Wanneer de douaneautoriteiten evenwel ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen, mag de vorenbedoelde mededeling, voorzover de geldende bepalingen daarin voorzien, nog na het verstrijken van de genoemde termijn van drie jaar worden gedaan.”
17 Artikel 236, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:
„Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.
Tot kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.
Er wordt geen terugbetaling of kwijtschelding verleend wanneer de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de betaling of de boeking van een wettelijk niet verschuldigd bedrag het gevolg zijn van een frauduleuze handeling van de zijde van de belanghebbende.”
De uitvoeringsverordening
18 Artikel 356, leden 1 en 5, van de uitvoeringsverordening bepaalt:
„1. De goederen worden, onder overlegging van het document T1, aan het kantoor van bestemming aangebracht.
[...]
5. Wanneer de goederen na het verstrijken van de door het kantoor van vertrek voorgeschreven termijn aan het kantoor van bestemming worden aangebracht en het niet naleven van deze termijn te wijten is aan omstandigheden welke ten genoegen van het kantoor van bestemming kunnen worden aangetoond en die niet zijn toe te schrijven aan de vervoerder of de aangever, wordt deze laatste geacht de voorgeschreven termijn in acht te hebben genomen.”
19 Artikel 378 van de uitvoeringsverordening bepaalt:
„1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, wordt deze overtreding of onregelmatigheid, onverminderd artikel 215 van het wetboek, geacht te zijn begaan:
– in de lidstaat waaronder het kantoor van vertrek ressorteert,
of
– in de lidstaat waaronder het kantoor van doorgang bij binnenkomst in de Gemeenschap ressorteert en waaraan een kennisgeving van doorgang is afgegeven,
tenzij, binnen een nader te bepalen termijn als voorzien in artikel 379, lid 2, ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.
2. Indien, bij gebreke van een dergelijk bewijs, de overtreding of onregelmatigheid geacht blijft te zijn begaan in de lidstaat van vertrek of in de lidstaat van binnenkomst als bedoeld in lid 1, tweede streepje, worden de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door deze lidstaat volgens de communautaire of nationale bepalingen geïnd.
3. Indien, binnen drie jaar na geldigmaking van de aangifte T1, kan worden vastgesteld in welke lidstaat de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, gaat deze lidstaat overeenkomstig de communautaire of nationale bepalingen over tot de inning van de rechten en heffingen op de betrokken goederen (met uitzondering van die welke overeenkomstig lid 2 als eigen middelen van de Gemeenschap werden geïnd). De aanvankelijk geïnde rechten en heffingen worden terugbetaald (met uitzondering van die welke als eigen middelen van de Gemeenschap werden geïnd) zodra het bewijs van deze inning is geleverd.
4. De zekerheid die ten behoeve van het communautair douanevervoer werd gesteld, wordt eerst vrijgegeven na afloop van voornoemde termijn van drie jaar, of eventueel na betaling van de rechten en heffingen die van toepassing zijn in de lidstaat waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om overtredingen en onregelmatigheden te bestrijden en daar doeltreffende sancties op te stellen.”
20 Artikel 379 van de uitvoeringsverordening luidt als volgt:
„1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, deelt het kantoor van vertrek dit zo spoedig mogelijk mede aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer.
2. In de in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt onder andere de termijn vermeld waarbinnen bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de douaneautoriteiten, het bewijs moet worden geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde lidstaat over tot de inning van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen. In de gevallen waarin deze lidstaat niet de lidstaat is waarin het kantoor van vertrek is gelegen, stelt het kantoor van vertrek deze lidstaat daarvan onverwijld in kennis.”
21 Artikel 380 van de uitvoeringsverordening bepaalt:
„Het bewijs van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer in de zin van artikel 378, lid 1, wordt onder meer ten genoegen van de douaneautoriteiten geleverd:
a) door overlegging van een door de douaneautoriteiten gewaarmerkt document, waarin wordt verklaard dat de betrokken goederen bij het kantoor van bestemming of, bij toepassing van artikel 406, bij de toegelaten geadresseerde werden aangebracht. Dit document dient de identificatie van de goederen te bevatten;
of
b) door overlegging van een in een derde land ter zake van de aangifte ten verbruik afgegeven douanedocument, dan wel een kopie of een fotokopie daarvan; deze kopie of fotokopie dient voor conform te worden gewaarmerkt, hetzij door de instantie die het origineel heeft geviseerd, hetzij door de autoriteiten van het betrokken derde land, hetzij door de autoriteiten van een lidstaat. Dit document dient de identificatie van de betrokken goederen te bevatten.”
22 In artikel 859 van de uitvoeringsverordening is bepaald:
„De volgende vormen van verzuim worden beschouwd als zijnde zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of van de betrokken douaneregeling in de zin van artikel 204, lid 1, van het Wetboek, voorzover:
– zij geen poging tot onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht inhouden,
– zij geen duidelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, en
– alle formaliteiten voor het regulariseren van de situatie van de goederen alsnog worden vervuld:
1) het overschrijden van de termijnen binnen welke de goederen een van de douanebestemmingen die voorzien zijn in het kader van de tijdelijke opslag of van de betrokken douaneregeling moeten hebben gevolgd, wanneer, op daartoe tijdig gedaan verzoek, de termijn zou zijn verlengd;
2) het overschrijden van de termijn voor het aanbieden van onder een regeling voor douanevervoer geplaatste goederen bij het kantoor van bestemming, wanneer deze aanbieding achteraf alsnog plaatsvindt;
3) de behandeling van goederen in tijdelijke opslag of van onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen zonder voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten, indien, op daartoe gedaan verzoek, toestemming voor deze behandelingen zou zijn verleend;
4) het gebruik van onder de regeling tijdelijke invoer geplaatste goederen in andere omstandigheden dan in de vergunning vermeld, voorzover, op daartoe gedaan verzoek, voor dit gebruik onder dezelfde regeling toestemming zou zijn verleend;
5) het zonder toestemming wegvoeren van goederen in tijdelijke opslag of goederen die onder een douaneregeling zijn geplaatst, indien deze goederen desgevraagd bij de douaneautoriteiten kunnen worden aangeboden;
6) het verlaten van het douanegebied van de Gemeenschap van goederen in tijdelijke opslag of goederen die onder een douaneregeling zijn geplaatst, dan wel het binnenbrengen van deze goederen in een vrije zone of een vrij entrepot, zonder dat de vereiste formaliteiten zijn vervuld;
7) de overdracht zonder kennisgeving aan de douanedienst van goederen die in verband met hun bijzondere bestemming een gunstige tariefbehandeling hebben gekregen, wanneer deze goederen de betrokken bestemming nog niet hebben gevolgd, op voorwaarde dat:
a) de voorraadadministratie van de overdrager melding maakt van deze overdracht;
b) de cessionaris houder is van een vergunning met betrekking tot de goederen in kwestie.”
Het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen
23 Artikel 2, lid 1, sub a en b, van besluit 88/376/EEG, Euratom van de Raad van 24 juni 1988 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 185, blz. 24) bepaalt:
„De ontvangsten uit:
a) de heffingen, premies, extra bedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen en de overige door de instellingen van de Gemeenschappen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten, alsmede de bijdragen en andere heffingen die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn vastgesteld;
b) de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Gemeenschappen ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten, alsmede de douanerechten op de onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende producten;
vormen eigen middelen die op de begroting van de Gemeenschappen worden opgevoerd.”
24 Artikel 2 van verordening nr. 1552/89 luidt als volgt:
„1. Voor de toepassing van deze verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, sub a en b, van besluit 88/376/EEG, Euratom genoemde middelen als vastgesteld zodra de belastingschuldige door de bevoegde dienst van de lidstaat in kennis wordt gesteld van het verschuldigde bedrag. Deze kennisgeving vindt met inachtneming van alle ter zake toepasselijke communautaire voorschriften plaats zodra de belastingschuldige bekend is en het bedrag van het recht door de bevoegde overheidsorganen kan worden berekend.
2. Lid 1 is eveneens van toepassing wanneer de kennisgeving moet worden gecorrigeerd.”
25 Artikel 11 van deze verordening bepaalt:
„Elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening verplicht de betrokken lidstaat tot het betalen van rente ten belope van de op de vervaldag geldende rentevoet op de geldmarkt van deze lidstaat voor kortetermijnfinanciering, vermeerderd met twee punten. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.”
De precontentieuze procedure
26 Bij brief van 12 januari 1996 heeft de Commissie de Duitse autoriteiten het verslag doen toekomen van een controle op de traditionele eigen middelen, die tussen 6 en 17 maart 1995 door haar diensten in Duitsland was verricht. In dit verslag stelt de Commissie vast dat er met betrekking tot 1993 en 1994 vertraging was opgetreden in het kader van de regeling voor communautair douanevervoer, welke volgens de instelling de oorzaak was van het te laat ter beschikking stellen van de desbetreffende eigen middelen. Volgens de Commissie kwam deze vertraging voort uit de niet-inachtneming van de termijn van veertien maanden, bedoeld in artikel 49 van verordening nr. 1214/92 en artikel 379 van de uitvoeringsverordening, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1552/89.
27 De Commissie heeft vastgesteld dat de te late terbeschikkingstellling van eigen middelen een grond is voor vertragingsrente overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 1552/89, en heeft de Duitse autoriteiten met name verzocht, bij de regionale belastingkantoren onmiddellijk de inning ter hand te nemen voor alle T1‑documenten die langer dan veertien maanden geleden zijn afgegeven en nog niet zijn gezuiverd, de te late terbeschikkingstelling van de eigen middelen te verifiëren en haar daarvan in kennis te stellen, alsook haar een lijst over te leggen waarop voor alle regionale kantoren wordt aangegeven welke vertragingen bij de inning achteraf betreffende niet-gezuiverd communautair douanevervoer sinds 1 januari 1993 zijn opgetreden.
28 Bij een tweede controle door de Commissie, in november 1997, die de jaren 1995 en 1996 betrof, zijn nog meer gevallen van overschrijding van de in artikel 49 van verordening nr. 1214/92 en artikel 379 van de uitvoeringsverordening gestelde termijn van veertien maanden gebleken.
29 De reden die door de Duitse douaneautoriteiten voor deze overschrijding werd aangevoerd, namelijk dat zij allereerst degene voor wie de goederen bestemd zijn of de vervoersonderneming trachten op te sporen om betaling te verkrijgen, is door de Commissie van de hand gewezen op grond van de duidelijke bewoordingen van artikel 49 van verordening nr. 1214/92 en artikel 379 van de uitvoeringsverordening.
30 De Commissie heeft de Duitse autoriteiten verzocht, over te gaan tot inning voor alle T1‑documenten die in de laatste veertien maanden zijn afgegeven en nog niet zijn gezuiverd, haar in kennis te stellen van de vertraging bij de inning, met onmiddellijke ingang te garanderen dat voor niet-gezuiverde transitdocumenten binnen veertien maanden tot inning zou worden overgegaan, en te antwoorden op haar vorige controleverslag.
31 In hun brief van 28 april 1998 hebben de Duitse autoriteiten de overschrijding van de termijn van veertien maanden niet betwist, maar gesteld dat zij niet verplicht waren om de invoerrechten uiterlijk veertien maanden na de geldigmaking van het T1-document te innen. Artikel 379 van de uitvoeringsverordening bevat volgens hen geen vervaltermijn, maar slechts een indicatieve termijn. Het kantoor van vertrek beschikt nog over voldoende tijd, gezien de in artikel 221, lid 3, van het douanewetboek gestelde termijn van drie jaar om tot inning bij de schuldenaar over te gaan. Er kan dan ook geen sprake zijn van vertragingsrente op grond van artikel 11 van verordening nr. 1552/89.
32 Bij brief van 14 juli 1998 heeft de Commissie haar verzoek aan de Duitse autoriteiten herhaald om haar uiterlijk op 1 september 1998 de in haar controleverslag van 1995 gevraagde informatie te verstrekken teneinde de vertragingsrente ingevolge artikel 11 van verordening nr. 1552/89 te kunnen berekenen.
33 In hun brief van 18 september 1998 hebben de Duitse autoriteiten de reeds in hun brief van 28 april 1998 aangevoerde argumenten herhaald en bevestigd. De informatie waarom de inspecteurs van de Commissie in dat verslag opnieuw hadden verzocht, werd hun niet verstrekt.
34 Op 15 november 1999 heeft de Commissie de Duitse autoriteiten een ingebrekestelling gezonden, waarin zij haar hierboven beschreven zienswijze opnieuw uiteenzet, en hun verzoekt, binnen twee maanden hun opmerkingen daarover in te dienen.
35 In haar antwoord van 1 februari 2000, meegedeeld bij brief van 24 februari daaraanvolgend, bevestigt de Duitse regering haar standpunt dat de termijn van veertien maanden zuiver indicatief is, zodat de inning van de rechten nog na die termijn kan plaatsvinden wanneer de onderzoeksprocedure langer heeft geduurd dan elf maanden. Tevens stelt zij dat in vele gevallen de onderzoeksprocedure niet binnen elf maanden kan worden afgerond, daar de informatie-uitwisseling tussen de lidstaten meer tijd kan kosten. Bovendien wordt op grond van de artikelen 217 en 221 van het douanewetboek altijd een totale termijn van drie jaar voor de inning van de rechten toegekend, wanneer de voor de berekening en de boeking van de rechten benodigde gegevens ontbreken.
36 In haar met redenen omkleed advies van 19 juli 2000 benadrukt de Commissie met name dat de argumenten van de Duitse regering niet verenigbaar zijn met de duidelijke bewoordingen van artikel 379 van de uitvoeringsverordening. Bovendien volgt uit zin en strekking van deze bepaling dat een versnelde procedure noodzakelijk is om onregelmatigheden snel te kunnen vaststellen.
37 In een mededeling van 14 september 2000, gedaan per brief van diezelfde datum, heeft de Duitse regering de Commissie laten weten dat zij bij haar standpunt bleef. De Commissie heeft daarop het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
38 Met haar beroep beoogt de Commissie in de eerste plaats te doen vaststellen dat de Bondsrepubliek Duitsland in strijd heeft gehandeld met artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening, in werking getreden op 1 januari 1994, en artikel 49, lid 2, derde volzin, van verordening nr. 1214/92, van toepassing in 1993, gelezen in samenhang met artikel 2 van verordening nr. 1552/89, door niet tijdig over te gaan tot terbeschikkingstellling van de eigen middelen in gevallen van te late zuivering van extern communautair douanevervoer in de jaren 1993 tot en met 1996.
39 In de tweede plaats vordert de Commissie dat het Hof de Bondsrepubliek Duitsland verplicht tot „betaling aan de communautaire begroting van de rente die verschuldigd is wegens te late boeking” ingevolge artikel 11 van verordening nr. 1552/89 voor het tijdvak tot en met 31 mei 2000 en ingevolge artikel 11 van verordening nr. 1150/2000 voor het tijdvak na 31 mei 2000.
A – De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
40 De Duitse regering betwijfelt of het beroep in zijn geheel ontvankelijk is. De niet-nakomingsprocedure beoogt de beëindiging van bestaande gevallen van niet-nakoming. Of er sprake is van niet-nakoming wordt uitsluitend beoordeeld aan de hand van de vraag of de lidstaat bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn in een met het gemeenschapsrecht strijdige situatie verkeerde. De Commissie stelt echter niet dat de Bondsrepubliek Duitsland in strijd met het gemeenschapsrecht heeft gehandeld op het tijdstip dat de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn verstreek, namelijk in september 2000. Volgens de Duitse regering staat vast zij dat lang voor dat tijdstip de opmerkingen van de controleurs van de Commissie ter harte heeft genomen en de douanekantoren heeft verzocht, de termijnen van artikel 379 van de uitvoeringsverordening nog nauwgezetter in acht te nemen, zonder evenwel terug te komen van haar stelling dat deze termijnen geen bindende termijnen zijn, anders dan de Commissie stelt.
41 De Commissie daarentegen meent dat het beroep ontvankelijk is. De inbreuk duurt immers nog voort, aangezien de wegens te late betaling verschuldigde rente niet aan de communautaire begroting is betaald, zodat duidelijk sprake is van een nog bestaande niet-nakoming.
42 De Duitse regering trekt de ontvankelijkheid van het beroep tevens in twijfel op grond dat de Commissie in het tweede onderdeel van haar vordering verweerster wil doen gelasten, aan de communautaire begroting de rente te voldoen die verschuldigd is geworden wegens de te late bijschrijving op haar credit. Uit artikel 228, lid 1, EG volgt dat het Hof zich in een niet-nakomingsprocedure moet beperken tot vaststelling daarvan en dat het aan de nationale organen wordt overgelaten om de consequenties te bepalen die zij uit deze vaststelling dienen te trekken, met dien verstande dat de niet-nakoming onverwijld moet worden beëindigd. Het tweede onderdeel van de vordering moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard, daar de Commissie middels deze vordering niets anders doet dan een verzoek tot betaling indienen van rente die volgens haar verschuldigd is.
43 De Commissie brengt hiertegen in dat artikel 11 van verordening nr. 1552/89 een nauwkeurig bepaalde en onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van vertragingsrente bevat. Het Hof heeft reeds in andere niet-nakomingsberoepen op die verplichting gewezen (arrest van 20 maart 1986, Commissie/Duitsland, 303/84, Jurispr. blz. I‑1171, punt 19). Voorts belet artikel 228 EG het Hof niet, overwegingen te formuleren die kunnen bijdragen tot de beëindiging van een geconstateerde niet-nakoming. Ten slotte is er geen sprake van enige beoordelingsvrijheid van de lidstaat inzake de wijze waarop de niet-nakoming moet worden beëindigd, daar een arrest waarin de betrokken niet-nakoming wordt vastgesteld, alleen ten uitvoer kan worden gelegd door betaling van de desbetreffende vertragingsrente.
Beoordeling door het Hof
44 Wat de eerste niet-ontvankelijkheidsgrond betreft, namelijk dat de Duitse autoriteiten bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn de termijnen van artikel 379 van de uitvoeringsverordening in acht namen, moet worden opgemerkt dat, zo dit al het geval was, de Bondsrepubliek Duitsland weigert de vertragingsrente te betalen die door de Commissie wordt gevorderd voor de periode waarop het beroep betrekking heeft, 1993 tot en met 1996, tijdens welke periode overschrijdingen van deze termijnen zijn vastgesteld en door deze lidstaat zijn erkend.
45 Volgens vaste rechtspraak (zie met name arrest van 16 mei 1991, Commissie/Nederland, C‑96/89, Jurispr. blz. I‑2461, punt 38) bestaat er een onlosmakelijk verband tussen de verplichting om de eigen middelen van de Gemeenschap vast te stellen, de verplichting om ze binnen de gestelde termijn te boeken op de rekening van de Commissie, en ten slotte de verplichting om vertragingsrente te betalen.
46 Wanneer derhalve de grief van de Commissie inzake de te late boeking van het bedrag van de douaneschuld en de te late betaling van de dienovereenkomstige eigen middelen op de rekening van de Commissie gegrond zou zijn, valt niet uit te sluiten dat niet alle consequenties van de niet-nakoming bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn zijn opgeheven, in het bijzonder de betaling van vertragingsrente uit hoofde van verordening nr. 1552/89. De Commissie heeft dus nog steeds belang bij de eventuele vaststelling van de gestelde niet-nakoming.
47 De eerste niet-ontvankelijkheidsgrond moet derhalve worden afgewezen.
48 Wat de tweede niet-ontvankelijkheidsgrond betreft, die uitsluitend is gericht tegen het tweede onderdeel van de vordering, moet erop worden gewezen dat de Commissie het Hof in dat onderdeel van het beroep verzoekt, de Bondsrepubliek Duitsland te veroordelen tot „betaling aan de communautaire begroting van rente die verschuldigd is wegens te late boeking” ingevolge artikel 11 van verordening nr. 1552/89 voor het tijdvak tot en met 31 mei 2000 en ingevolge artikel 11 van verordening nr. 1150/2000 voor het tijdvak na 31 mei 2000.
49 Vaststaat dat het op basis van artikel 226 EG ingestelde beroep beoogt, te doen vaststellen dat een lidstaat zijn communautaire verplichtingen niet is nagekomen. De vaststelling van een dergelijke niet-nakoming verplicht de betrokken lidstaat, volgens de bewoordingen van artikel 228 EG, die maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof. Het Hof kan de lidstaat evenwel niet bevelen, met name genoemde maatregelen te nemen.
50 In het kader van een beroep wegens niet-nakoming kan het Hof zich dus niet uitspreken over grieven die verband houden met een vordering die, zoals in casu, erop gericht is dat het Hof een lidstaat gelast, vertragingsrente te betalen.
51 Voorzover in het onderhavige beroep de betaling van vertragingsrente op grond van artikel 11 van verordening nr. 1552/89 wordt gevorderd, moet het dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard, en bijgevolg dient de ter onderbouwing van deze vordering aangevoerde grief inzake schending van dat artikel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
52 Het onderzoek van het onderhavige beroep zal dan ook beperkt blijven tot de beoordeling van het middel dat de Bondsrepubliek Duitsland in de jaren 1993 tot en met 1996 eigen middelen te laat ter beschikking heeft gesteld in strijd met artikel 49 van verordening nr. 1214/92 of artikel 379 van de uitvoeringsverordening, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1552/89.
Ten gronde
Argumenten van partijen
53 De Commissie stelt dat uit de bewoordingen van artikel 379 van de uitvoeringsverordening en artikel 49 van verordening nr. 1214/92, alsmede uit het door de gemeenschapswetgever nagestreefde doel, volgt dat deze bepalingen de douaneautoriteiten verplichten om zo spoedig mogelijk de inning achteraf van douaneschulden te verzekeren, en wel uiterlijk aan het einde van de termijn van veertien maanden, wanneer deze autoriteiten weten wie de schuldenaar is, en wat het aan hem mee te delen bedrag van de verschuldigde rechten is (artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1552/89).
54 Artikel 379 van de uitvoeringsverordening heeft volgens de Commissie tot doel, de douaneautoriteiten ertoe te bewegen zo snel mogelijk te handelen om negatieve gevolgen voor de gemeenschapsbegroting te voorkomen. Het risico dat de douaneschuld niet kan worden vastgesteld, neemt met de tijd toe (schuldenaar onvindbaar of failliet gegaan). De termijn van veertien maanden, die uitsluitend bij wijze van uitzondering kan worden toegepast, is derhalve een maximumtermijn, die bij niet-inachtneming leidt tot een te late terbeschikkingstelling van de eigen middelen door de betrokken lidstaat.
55 Niet-inachtneming van de termijnen van artikel 379 van de uitvoeringsverordening schaadt de belangen van de Gemeenschap en bovendien ook de belangen van de overige lidstaten, die in geval van te late boeking van eigen middelen in de eventuele financieringsbehoeften van de gemeenschapsbegroting zullen moeten voorzien.
56 Volgens de Bondsrepubliek Duitsland stelt noch artikel 379 van de uitvoeringsverordening noch artikel 49 van verordening nr. 1214/92 de autoriteiten een maximumtermijn of een vervaltermijn.
57 Alleen reeds uit de tekst van artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening blijkt volgens haar dat er geen vervaltermijn is gesteld. Ook dient deze bepaling niet het belang van de Gemeenschap bij een snelle inning van douanerechten; deze inning is uitsluitend geregeld in de artikelen 217 en volgende van het douanewetboek. De voorschriften van de artikelen 378 en volgende van de uitvoeringsverordening, die gebaseerd zijn op artikel 215 EG, hebben betrekking op een voorfase van de inning, namelijk de vaststelling van de aan die inning ten grondslag liggende feiten, welke door bepaalde omstandigheden kan worden vertraagd.
58 De Duitse regering merkt op dat indien het onderzoek vertraging oploopt, de Duitse douaneautoriteiten de termijn van elf maanden niet kunnen halen, meestal wegens omstandigheden die hun niet kunnen worden toegerekend, maar waarvoor de douane van andere lidstaten verantwoordelijk is.
59 Ook artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening stelt de douaneautoriteiten geen maximumtermijn, net zomin als artikel 379, lid 1. Reeds uit de tekst van deze bepaling blijkt dat de gemeenschapswetgever niet eist dat de autoriteiten de rechten en bijdragen reeds hebben geïnd bij of vóór het verstrijken van een termijn van drie maanden.
60 Indien er kort vóór het verstrijken van die termijn van drie maanden bewijsmateriaal wordt overgelegd, moeten de douaneautoriteiten nagaan wat daarvan de bewijskracht is. Voorts kan de aangever alternatieve bewijzen overleggen in de zin van artikel 380 van de uitvoeringsverordening. Pas na onderzoek daarvan zijn de douaneautoriteiten in staat, in voorkomend geval het bestaan van een douaneschuld vast te stellen en het bedrag daarvan te bepalen, alsook wie de belastingschuldige is. Deze verificaties kunnen soms zeer veel tijd kosten.
61 Bovendien is er geen grond voor de conclusie dat de lidstaten jegens de Gemeenschap verplicht zijn om tot inning en terbeschikkingstelling van de eigen middelen over te gaan, terwijl zij jegens het subject van een douaneschuld nog na een termijn van veertien maanden tot inning kunnen overgaan. Voor de douaneautoriteiten is alleen de in artikel 221, lid 3, van het douanewetboek gestelde termijn van drie jaar bindend.
62 De Duitse regering stelt voorts dat zelfs indien deze twee termijnen als bindend zouden worden beschouwd, zij niet bij elkaar mogen worden opgeteld, daar zij tot verschillende adressaten gericht zijn. Artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening heeft immers tot doel, de autoriteiten van de lidstaten aan te zetten tot een zo snel mogelijk onderzoek en een snelle samenwerking, terwijl lid 2 van dit artikel de aangever verplicht, actief mee te werken aan de opheldering van de situatie omdat hij anders de rechten in de lidstaat van het kantoor van vertrek moet betalen. Logischerwijs kunnen alleen maximumtermijnen die tot dezelfde adressaten zijn gericht, bij elkaar worden opgeteld.
63 Bij de termijnen van artikel 379, leden 1 en 2, van de uitvoeringsverordening moet echter noodzakelijkerwijs nog de termijn worden opgeteld waarbinnen de douaneautoriteiten onderzoek en verificaties moeten verrichten met betrekking tot het in artikel 380 van deze verordening bedoelde bewijsmateriaal.
64 Ten slotte is de boeking en de kennisgeving van de douaneschuld geregeld in de artikelen 217 tot en met 221 van het douanewetboek. Zolang de voor de berekening en de boeking van de heffingen benodigde gegevens niet beschikbaar zijn, geeft de gemeenschapswetgever een termijn van drie jaar voor de inning van de rechten.
65 Volgens de Belgische regering, die ter ondersteuning van de conclusies van de Duitse regering heeft geïntervenieerd, is het verstrijken van de veertiende maand geen maximumtermijn, noch een vervaltermijn, maar een proceduretermijn die het begin van de procedure tot vaststelling van de douaneschuld door de lidstaat aangeeft.
66 Volgens de Belgische regering impliceert de vaststelling van de douaneschuld dat de lidstaat overeenkomstig de artikelen 220 en volgende van het douanewetboek over voldoende tijd beschikt. Aan het einde van de veertiende maand beschikte het kantoor van vertrek nog niet over alle voor de berekening van de betrokken douaneschuld benodigde gegevens.
Beoordeling door het Hof
67 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de Duitse regering niet de feiten betwist die de Commissie heeft vastgesteld met betrekking tot de douaneschulden die zijn ontstaan als gevolg van de onder de regeling extern communautair douanevervoer begane onregelmatigheden, welke douaneschulden in het tijdvak waarop het beroep betrekking heeft, 1993 tot en met 1996, niet door de Duitse douaneautoriteiten zijn geïnd binnen de in artikel 218 van het douanewetboek gestelde termijn van twee dagen na het verstrijken van de in artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening en de voorheen toepasselijke overeenkomstige bepalingen gestelde termijn van drie maanden. Anders dan de Commissie, is de Duitse regering evenwel van mening dat zij, door de inning eerst enkele maanden na het verstrijken van deze termijn van drie maanden aan te vangen, niet in strijd heeft gehandeld met de voor haar uit het communautaire douanerecht voortvloeiende verplichtingen.
68 In dit verband moet worden opgemerkt dat ingevolge artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening, wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, het kantoor van vertrek dit zo spoedig mogelijk meedeelt aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer.
69 Weliswaar heeft het Hof in het arrest van 14 november 2002, SPKR (C‑112/01, Jurispr. blz. I‑10655, punt 40), geoordeeld dat de overschrijding van de termijn van elf maanden op zich niet de invordering van de douaneschuld bij de aangever belet, maar het heeft in punt 34 van dat arrest ook opgemerkt dat deze termijn geldt voor de administratieve autoriteiten en tot doel heeft te verzekeren dat de bepalingen inzake de invordering van de douaneschuld door deze autoriteiten snel en eenvormig worden toegepast in het belang van een snelle terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap. Derhalve heeft de inachtneming van deze termijn van elf maanden weliswaar geen gevolgen voor de opeisbaarheid van de douaneschuld, maar heeft zij voor de lidstaten wel een bindend karakter, gelet op hun communautaire verplichtingen met betrekking tot de terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap.
70 Voorts wordt overeenkomstig artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening in de in lid 1 van dat artikel bedoelde kennisgeving onder andere de termijn vermeld waarbinnen bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de douaneautoriteiten, het bewijs kan worden geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie maanden na de in lid 1 van dat artikel bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, „gaat de bevoegde lidstaat over tot de inning” van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen.
71 In de punten 24 en 25 van het arrest van 20 januari 2005, Honeywell Aerospace (C‑300/03, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), heeft het Hof geoordeeld dat uit de tekst van de artikelen 378, lid 1, en 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening volgt dat de kennisgeving, door het kantoor van vertrek aan de aangever, van de termijn waarbinnen het gevraagde bewijs kan worden geleverd, verplicht is en moet voorafgaan aan de inning van de douaneschuld. Deze termijn beoogt de belangen van de aangever te beschermen door hem een termijn van drie maanden te verlenen om in voorkomend geval het bewijs te leveren van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan. Derhalve kan de lidstaat waaronder het kantoor van vertrek ressorteert, de invoerrechten slechts innen wanneer hij de aangever erop heeft gewezen dat hij over drie maanden beschikt om het gevraagde bewijs te leveren en wanneer dat bewijs niet binnen deze termijn is geleverd.
72 Uit het voorgaande volgt dat indien, zoals in casu, de in geding zijnde zendingen niet aan het kantoor van bestemming zijn aangeboden en de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, niet kan worden vastgesteld, het kantoor van vertrek dit in het belang van een snelle terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap zo spoedig mogelijk dient mee te delen aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer. In deze kennisgeving moet de aangever worden meegedeeld dat hij beschikt over een termijn van drie maanden waarbinnen bij het kantoor van vertrek ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs kan worden geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Indien het bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, „gaat de bevoegde lidstaat over tot de inning” van de douaneschuld.
73 Dit is de context waarin artikel 217, lid 1, van het douanewetboek bepaalt dat elk bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, door de douaneautoriteiten dient te worden „berekend” zodra zij „over de nodige gegevens beschikken” en „door deze autoriteiten in de boekhouding [...] dient te worden geregistreerd”.
74 Volgens artikel 218, lid 3, van het douanewetboek dient het „overeenkomstige bedrag aan rechten” te worden geboekt binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten „in staat zijn het bedrag van de desbetreffende rechten te berekenen en de douaneschuldenaar aan te wijzen”. Op grond van artikel 219 van het douanewetboek kan deze termijn worden verlengd tot maximaal veertien dagen, hetzij om redenen die verband houden met de administratieve organisatie van de lidstaten, hetzij in gevallen waarin bijzondere omstandigheden de douaneautoriteiten beletten deze termijnen na te leven. Krachtens artikel 221, lid 1, van het douanewetboek dient het bedrag van de rechten „onmiddellijk na de boeking [...] aan de schuldenaar te worden medegedeeld”.
75 In het kader van het onderhavige beroep verwijt de Commissie de Duitse douaneautoriteiten in wezen dat zij niet binnen twee dagen na het verstrijken van de in artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening gestelde termijn van drie maanden tot inning van de douaneschuld zijn overgegaan. Meer bepaald verwijt zij hun, niet te zijn overgegaan tot boeking van het overeenkomstige bedrag aan rechten overeenkomstig artikel 218, lid 3, van het douanewetboek, noch tot mededeling van het bedrag aan de schuldenaar overeenkomstig artikel 221, lid 1, van het douanewetboek, welke handelingen noodzakelijk zijn om tot vaststelling van de eigen middelen in de zin van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1552/89 te kunnen overgaan.
76 Volgens de Duitse regering zijn de lidstaten niet verplicht om onmiddellijk na het verstrijken van de termijn van drie maanden volgend op het verstrijken van de termijn van elf maanden bedoeld in artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening, over te gaan tot de inning van de douaneschuld.
77 Deze stelling dient te worden verworpen.
78 Zoals de Commissie terecht betoogt, volgt reeds uit de bewoordingen van artikel 379, lid 2, derde volzin, van de uitvoeringsverordening dat de lidstaten verplicht zijn om tot inning in de zin van deze bepaling over te gaan bij het verstrijken van de daartoe gestelde termijn van drie maanden. Deze uitlegging is tevens noodzakelijk om te verzekeren dat de bepalingen inzake de invordering van de douaneschuld door de bevoegde autoriteiten snel en eenvormig worden toegepast in het belang van een snelle terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap.
79 Ook is deze uitlegging niet onverenigbaar met artikel 221, lid 3, van het douanewetboek, dat mededeling van het bedrag van de te betalen rechten toestaat tot drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. Deze bepaling is immers speciaal bedoeld om de rechtszekerheid te garanderen door een maximumtermijn te stellen voor de mededeling van het bedrag van de douaneschuld aan de schuldenaar. Deze bepaling doet echter niet af aan de verplichtingen ten opzichte van de Gemeenschap die voor het overige voor de douaneautoriteiten uit de bepalingen van het douanewetboek en de uitvoeringsverordening voortvloeien teneinde een snelle en eenvormige toepassing van de bepalingen inzake de invordering van de douaneschuld te verzekeren in het belang van een snelle terbeschikkingstelling van de eigen middelen van de Gemeenschap.
80 Overeenkomstig de artikelen 217, lid 1, 218, lid 3, en 219 van het douanewetboek moet de boeking van het bedrag overeenkomend met douaneschulden als de in geding zijnde, plaatsvinden binnen twee dagen, eventueel te verlengen tot maximaal veertien dagen. Voorts moet de mededeling van het met die schulden overeenkomende bedrag aan de debiteur volgens artikel 221, lid 1, van het douanewetboek plaatsvinden onmiddellijk na de boeking. Deze termijn begint te lopen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten over de noodzakelijke gegevens beschikken en dus in staat zijn om het bedrag van de schuld te berekenen en de schuldenaar aan te wijzen. Anders dan de Duitse regering betoogt, is dit ten laatste het geval bij het verstrijken van de termijn van drie maanden bedoeld in artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening.
81 Wat allereerst de vaststelling van het bestaan van een douaneschuld betreft, moet worden opgemerkt dat wanneer, zoals in de gevallen waarop dit beroep betrekking heeft, de zendingen onder extern communautair douanevervoer niet binnen de door het kantoor van vertrek gestelde termijn aan het kantoor van bestemming zijn aangeboden, de douaneschuld wordt geacht te zijn ontstaan en de aangever wordt verondersteld daarvan de debiteur te zijn. In een dergelijk geval, en wanneer de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid is begaan niet kan worden vastgesteld, moet het kantoor van vertrek overeenkomstig artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening daarvan aan de aangever mededeling doen vóór het verstrijken van een termijn van elf maanden na de datum van geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer.
82 Ingevolge artikel 379, lid 2, eerste en tweede volzin, moet deze kennisgeving de termijn van drie maanden vermelden waarover de aangever beschikt om de regelmatigheid van het douanevervoer te bewijzen. Zoals is opgemerkt in punt 71 van dit arrest, kunnen de bevoegde douaneautoriteiten de schuld slechts innen wanneer zij de aangever erop hebben gewezen dat hij over drie maanden beschikt om het bewijs van de regelmatigheid van het douanevervoer te leveren, en dat bewijs niet binnen deze termijn is geleverd.
83 Zoals de advocaat-generaal in punt 50 van haar conclusie heeft opgemerkt, is er evenwel geen reden om te concluderen dat de beoordeling van de voor de regelmatigheid van het douanevervoer overgelegde bewijzen, die in artikel 380 van de uitvoeringsverordening niet-uitputtend zijn opgesomd, zelfs al zouden zij op de laatste dag van eerdergenoemde termijn van drie maanden zijn overgelegd, een uitzondering op het bepaalde in de artikelen 218 en 219 van het douanewetboek rechtvaardigt voor de boeking van de bedragen van de rechten en de mededeling daarvan aan de schuldenaar overeenkomstig artikel 221, lid 1, van het douanewetboek.
84 Wat vervolgens de vaststelling van de schuldenaar van de douaneschuld betreft, moet worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 379, leden 1 en 2, van de uitvoeringsverordening na afloop van deze termijn van drie maanden de aangever wordt beschouwd als degene die belastingplichtig is voor de douaneschuld, ongeacht de mogelijkheid om anderen aansprakelijk te stellen. Uiterlijk bij het verstrijken van de termijn van drie maanden zijn de douaneautoriteiten derhalve duidelijk in staat, de aangever aan te wijzen als schuldenaar van de douaneschuld.
85 Wat voorts de vaststelling van het bedrag van de rechten betreft, moet erop worden gewezen dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 57 tot en met 62 van haar conclusie heeft uiteengezet, zelfs al kan men van het kantoor van vertrek niet verlangen dat het het bedrag van de met de douaneschuld overeenkomende rechten bij invoer stelselmatig voor elk vervoer berekent zodra de aangifte van douanevervoer wordt gedaan, op welk moment dit kantoor in beginsel beschikt over de voor berekening van die rechten noodzakelijke gegevens, er hoe dan ook niets aan in de weg staat dat die berekening wordt gemaakt zodra aan de aangever wordt meegedeeld dat hij drie maanden tijd heeft om het bewijs van de regelmatigheid van het douanevervoer te leveren, dat wil zeggen uiterlijk bij het verstrijken van de termijn van elf maanden bedoeld in artikel 379, lid 1, van de uitvoeringsverordening.
86 Wat ten slotte het bepalen van de douaneautoriteiten betreft die bevoegd zijn om tot inning van de douaneschuld over te gaan, bevat artikel 378, leden 1 en 2, van de uitvoeringsverordening een vermoeden van bevoegdheid van de lidstaat van het kantoor van vertrek. Binnen de in artikel 379, lid 2, van deze verordening gestelde termijn van drie maanden kan het bewijs dat de overtreding in een andere staat is begaan, door de aangever worden geleverd. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, is er geen aanleiding voor de conclusie dat de beoordeling van de daartoe overgelegde documenten, al zouden die op de laatste dag van de termijn van drie maanden worden overgelegd, niet kan plaatsvinden met inachtneming van de termijn van twee dagen na het einde van de termijn van drie maanden, welke in voldoende gemotiveerde bijzondere gevallen nog met twaalf dagen kan worden verlengd tot maximaal veertien dagen.
87 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het betoog van de Duitse regering dat de termijnen van elf maanden en van drie maanden slechts indicatieve termijnen zijn en dat de inningsprocedure niet per se bij het verstrijken van de termijn van drie maanden behoeft te worden ingeleid op grond dat de bevoegde douaneautoriteiten bij het verstrijken van deze termijn feitelijk niet in staat zouden zijn om de procedure tot inning van de douaneschuld onmiddellijk aan te vangen, dient te worden verworpen.
88 Ten slotte is de kennisgeving van het bedrag van de schuld aan de aangever onmiddellijk na het verstrijken van de termijn van drie maanden geen onevenredig zware belasting voor de aangever. Indien immers later blijkt dat het communautair douanevervoer regelmatig en binnen de gestelde termijnen is verlopen of te laat is beëindigd zonder verdere onregelmatigheden, kan de aangever terugbetaling van de betaalde bedragen verkrijgen, hetgeen sinds de vaststelling van het douanewetboek uitdrukkelijk geregeld is in artikel 236, lid 1, daarvan, wanneer is aangetoond dat, overeenkomstig artikel 204, lid 1, van het douanewetboek juncto artikel 859 van de uitvoeringsverordening, dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de betrokken douaneregeling.
89 De met de artikelen 221, lid 1, en 218, lid 3, van het douanewetboek strijdige te late kennisgeving van het bedrag van de overeenkomstige rechten, zoals deze uit het voorgaande is gebleken, betekent noodzakelijkerwijs een vertraging bij de vaststelling van het recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen in de zin van artikel 2 van verordening nr. 1552/89. Overeenkomstig deze bepaling wordt dit recht immers vastgesteld „zodra” de belastingschuldige door de bevoegde dienst in kennis is gesteld van het verschuldigde bedrag, welke kennisgeving moet plaatsvinden zodra de belastingschuldige bekend is, en het bedrag van het recht door de ter zake bevoegde douaneautoriteiten kan worden berekend met inachtneming van de toepasselijke communautaire bepalingen, in casu het douanewetboek en de uitvoeringsverordening.
90 De eerste grief moet dan ook gegrond worden verklaard, zowel gelet op de bepalingen van het douanewetboek en van de uitvoeringsverordening, als op die van de in wezen identieke regelingen die voordien in het tijdvak waarop het beroep betrekking heeft, van toepassing waren.
91 Gelet op het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat de Bondsrepubliek Duitsland, door de eigen middelen te laat aan de Gemeenschap ter beschikking te stellen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 49 van verordening nr. 1214/92 en artikel 379 van de uitvoeringsverordening, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1552/89.
Kosten
92 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten. Overeenkomstig lid 4 van dit artikel draagt het Koninkrijk België zijn eigen kosten.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) Door de eigen middelen te laat aan de Gemeenschap ter beschikking te stellen is de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 49 van verordening (EEG) nr. 1214/92 van de Commissie van 21 april 1992 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer, en artikel 379 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3) De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten.
4) Het Koninkrijk België draagt zijn eigen kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy