Zaak C‑111/02 P
Europees Parlement
tegen
Patrick Reynolds
„Hogere voorziening – Ambtenaren – Detachering bij politieke fractie van Parlement – Besluit tot beëindiging van detachering – Rechten van verdediging ”
Samenvatting van het arrest
Ambtenaren – Detachering in belang van dienst – Detachering bij politieke fractie van Parlement – Besluit tot beëindiging van detachering – Discretionaire bevoegdheid van politieke fractie en gebonden bevoegdheid van tot aanstelling bevoegd gezag – Ontbreken van dwingende noodzaak om belanghebbende te horen vóór vaststelling van besluit
(Ambtenarenstatuut, art. 37, eerste alinea, sub a, tweede streepje, en 90)
Een ambtenaar kan krachtens artikel 37, eerste alinea, sub a, tweede streepje, van het Statuut in het belang van de dienst worden gedetacheerd om tijdelijk een functie te bekleden bij een politieke fractie van het Parlement. Het staat weliswaar aan het tot aanstelling bevoegd gezag om de besluiten tot detachering van een ambtenaar bij een politieke fractie en tot beëindiging van deze detachering vast te stellen, maar het moet daarbij de keuze eerbiedigen van de politieke fractie die om een dergelijke maatregel verzoekt. De betrokken politieke fractie beschikt immers over een discretionaire bevoegdheid inzake de keuze van de medewerkers die zij voor tijdelijke functies in dienst wil nemen, alsmede wat de beëindiging van die aanstellingen betreft. Deze discretionaire bevoegdheid vindt haar rechtvaardiging in de specifieke aard van de bij politieke fracties uitgeoefende functies, en in de noodzaak om in een dergelijk politiek kader een wederzijds vertrouwen in stand te houden tussen de fractie en de bij haar gedetacheerde ambtenaren. Ambtenaren die dergelijke tijdelijke functies bij een politieke fractie aanvaarden, dienen te beseffen dat deze fractie hun aanstelling mogelijkerwijs zal wensen te beëindigen vóór het verstrijken van de aanvankelijk geplande duur van de detachering.
Immers, wanneer het wederzijdse vertrouwen om welke reden ook zoek is, is de betrokken ambtenaar niet meer in staat zijn functies te vervullen. In een dergelijke situatie is het goed beleid dat de betrokken instelling de detachering van deze ambtenaar zo snel mogelijk beëindigt. Een dergelijk besluit vormt uit procedureel oogpunt een voor de ambtenaar bezwarende handeling, zodat deze een persoonlijk belang heeft bij een verzoek tot nietigverklaring ervan. Hieruit kan evenwel niet automatisch, zonder te letten op de aard van de tegen de betrokkene ingeleide procedure, worden afgeleid dat het tot aanstelling bevoegd gezag de betrokken ambtenaar naar behoren moest horen alvorens dat besluit vast te stellen.
Wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag wordt gevraagd de detachering van een ambtenaar bij een fractie te beëindigen, moet het in beginsel zo snel mogelijk aan dit verzoek voldoen, nadat het heeft onderzocht of het verzoek wel degelijk uitgaat van de bevoegde persoon of dienst.
(cf. punten 48‑52, 56‑57, 59‑60)
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
29 april 2004(1)
„Hogere voorziening – Ambtenaren – Detachering bij politieke fractie van Parlement – Besluit tot beëindiging van detachering – Rechten van verdediging”
In zaak C-111/02 P,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door H. von Hertzen en D. Moore als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer) van 23 januari 2002, Reynolds/Parlement (T-237/00, Jurispr. blz. II-163), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Patrick Reynolds, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door P. Legros en S. Rodrigues, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeker in eerste aanleg, wijst
HET HOF (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: P. Jann, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, C. W. A. Timmermans, A. Rosas, A. La Pergola en S. von Bahr (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 september 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 maart 2002, heeft het Europees Parlement krachtens artikel 49 van ’s Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 23 januari 2002, Reynolds/Parlement (T‑237/00, Jurispr. blz. II‑163; hierna: „bestreden arrest”), houdende, enerzijds, nietigverklaring van het besluit van zijn secretaris-generaal van 18 juli 2000 waarbij P. Reynolds’ detachering bij de politieke fractie „Europa van Democratieën in Diversiteit” (hierna: „EDD-fractie”) werd beëindigd en hij met ingang van 15 juli 2000 werd herplaatst bij het directoraat-generaal Voorlichting en Public relations (hierna: „litigieus besluit”), en anderzijds, veroordeling tot vergoeding van de materiële schade die Reynolds door dit besluit heeft geleden.
De feiten
2 De in het bestreden arrest vermelde feiten kunnen als volgt worden samengevat.
3 In september 1999 heeft het Parlement een kennisgeving van vacature voor de post van secretaris-generaal van de EDD-fractie bekendgemaakt.
4 Reynolds, die ambtenaar in de rang LA 5, salaristrap 3, was bij het directoraat-generaal Voorlichting en Public relations van het Parlement, heeft naar deze post gesolliciteerd.
5 Bij brief van 12 november 1999 heeft de voorzitter van de EDD-fractie de secretaris-generaal van het Parlement in kennis gesteld van het besluit van het bureau van de fractie om Reynolds op de post van secretaris-generaal te benoemen, en heeft hij hem verzocht Reynolds’ detachering bij de EDD-fractie goed te keuren.
6 Bij besluit van 11 januari 2000 heeft de secretaris-generaal van het Parlement bevestigd dat Reynolds op basis van artikel 37, eerste alinea, sub a, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Statuut”) in het belang van de dienst in de rang A 2, salaristrap 1, bij de EDD-fractie werd gedetacheerd voor een periode van één jaar, namelijk van 22 november 1999 tot en met 30 november 2000.
7 Op 18 mei 2000 heeft de voorzitter van de EDD-fractie Reynolds voor de eerste keer meegedeeld, dat tijdens een enkele uren eerder gehouden vergadering van de leden van het fractiebureau sommige sub-fracties hadden laten weten dat zij in hem geen vertrouwen meer hadden, zodat was besloten zijn detachering bij de EDD-fractie na 30 november 2000 niet meer te verlengen.
8 Op 24 mei 2000, tijdens een tweede onderhoud met Reynolds, heeft de voorzitter van de EDD-fractie bevestigd dat deze fractie niet langer van zijn diensten gebruik wenste te maken. Op dezelfde dag heeft Reynolds de voorzitter meegedeeld, dat hij vier weken afwezig zou zijn teneinde over bepaalde problemen na te denken, wat door de fractievoorzitter is aanvaard. Ook heeft hij zijn huisarts geraadpleegd, die tot de slotsom kwam dat hij wegens ziekte arbeidsongeschikt was.
9 Vanaf 24 mei 2000 is Reynolds wegens ziekte niet meer op het werk verschenen.
10 Op 23 juni 2000 heeft Reynolds op basis van artikel 90 van het Statuut bij de secretaris-generaal van het Parlement een klacht ingediend tegen praktijken die de uitoefening van zijn functies bij de EDD-fractie bemoeilijkten. Hij verlangde dat een besluit zou worden genomen teneinde die praktijken te beëindigen en de negatieve gevolgen ervan weg te nemen. Reynolds preciseerde echter dat hij niet van plan was ontslag te nemen uit zijn functie van secretaris-generaal van deze fractie.
11 Op dezelfde dag heeft Reynolds de voorzitter van de Rekenkamer formeel verzocht de rekeningen van de EDD-fractie aan een onderzoek te onderwerpen, stellende dat een dergelijk onderzoek in het belang van de fractie en in het openbaar belang was, en verder dat hem de toegang tot die rekeningen was ontzegd.
12 Na met name via de pers te hebben vernomen dat een dergelijk verzoek aan de Rekenkamer was gezonden, heeft de voorzitter van de EDD-fractie de voorzitter van de Rekenkamer bij brief van 30 juni 2000 meegedeeld, dat de Rekenkamer de rekeningen van zijn fractie vrijelijk mocht inzien.
13 In een memorandum van 1 juli 2000 zette Reynolds zijn ervaringen met de detachering bij de EDD-fractie gedetailleerd uiteen.
14 Op 4 juli 2000, na een besluit van het bureau van de EDD-fractie, heeft de fractievoorzitter de secretaris-generaal van het Parlement verzocht Reynolds’ detachering zo snel mogelijk te beëindigen.
15 Op 18 juli 2000 heeft de secretaris-generaal van het Parlement, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”), besloten Reynolds’ detachering bij de EDD-fractie met ingang van 14 juli ’s avonds te beëindigen in het belang van de dienst (artikel 1 van het litigieuze besluit) en hem met ingang van 15 juli 2000 te herplaatsen op een post van hoofdvertaler bij het directoraat-generaal Voorlichting en Public relations van het Parlement in de rang LA 5, salaristrap 3.
16 Reynolds heeft tegen het litigieuze besluit een klacht ingediend en vervolgens, op 8 september 2000, bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring van dit besluit en een beroep tot schadevergoeding tegen het Parlement ingesteld.
Het bestreden arrest
17 Tot staving van zijn beroep tot nietigverklaring heeft Reynolds zeven middelen aangevoerd: schending van artikel 38 van het Statuut, van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, van de motiveringsplicht, van de overeenkomst van november 1974 betreffende de overplaatsing van de personeelsleden van de politieke fracties, en van het vertrouwensbeginsel; voorts niet-nakoming van de zorgplicht, en misbruik van bevoegdheid.
18 Het Gerecht stelde in punt 42 van het bestreden arrest vast dat Reynolds, toen het beroep werd ingesteld, kennelijk een persoonlijk belang had bij een verzoek tot nietigverklaring van het litigieuze besluit, dat voor hem een bezwarend besluit vormt, en verwierp derhalve, in punt 43 van dat arrest, een middel van niet-ontvankelijkheid dat door het Parlement was opgeworpen, betreffende Reynolds’ gebrek aan belang bij een dergelijke nietigverklaring.
19 Ten gronde, onderzocht het Gerecht in de eerste plaats het middel betreffende schending van artikel 38 van het Statuut.
20 Reynolds betoogde immers dat deze bepaling niet voorziet in de mogelijkheid voor het TABG om de detachering in het belang van de dienst vóór het verstrijken van de aanvankelijk vastgestelde periode te beëindigen.
21 Het Gerecht merkte in punt 49 van het bestreden arrest op, dat de duur van de detachering in het belang van de dienst krachtens artikel 38, sub b, van het Statuut door het TABG wordt vastgesteld.
22 In punt 50 van het bestreden arrest oordeelde het Gerecht dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer dat onontbeerlijk blijkt te zijn om te verzekeren dat de detachering in overeenstemming met het belang van de dienst blijft, het TABG te allen tijde de mogelijkheid heeft om de aanvankelijk voor de detachering vastgestelde duur te wijzigen, en dus om de detachering voortijdig te beëindigen.
23 Dienaangaande overwoog het Gerecht in punt 52 van het bestreden arrest dat het TABG in casu terecht van oordeel was dat het gebruik kon maken van deze bevoegdheid om Reynolds’ detachering bij de EDD-fractie te beëindigen, omdat de fractievoorzitter een formeel verzoek had ingediend om Reynolds’ detachering zo spoedig mogelijk te beëindigen. Volgens het Gerecht kon immers uit een dergelijk verzoek als zodanig worden afgeleid dat de detachering niet meer in het belang van de dienst was. Volgens hem gold dit temeer omdat het TABG zelfs vóór de ontvangst van het formele verzoek van de fractievoorzitter reeds op de hoogte was van de spanningen waarmee Reynolds’ detachering gepaard ging.
24 Bijgevolg verklaarde het Gerecht in punt 53 van het bestreden arrest het eerste middel ongegrond.
25 In de tweede plaats onderzocht het Gerecht het middel betreffende schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging.
26 In punt 77 van het bestreden arrest oordeelde het Gerecht dat eerst moest worden onderzocht in hoeverre de rechtspraak volgens welke een ambtenaar geen enkel rechtmatig belang heeft bij de nietigverklaring van een besluit wegens vormgebreken wanneer de administratie gehouden was te handelen zoals zij heeft gedaan, in casu van toepassing was.
27 Dienaangaande overwoog het Gerecht in punt 80 van het bestreden arrest dat het bestaan van een door de dienst of de persoon waarbij de ambtenaar is gedetacheerd tot het TABG gericht verzoek om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de detachering vóór het verstrijken van de aanvankelijk vastgestelde duur te beëindigen, in het algemeen een beslissend element vormt voor de uitoefening door het TABG van deze bevoegdheid.
28 In punt 81 van het bestreden arrest stelde het Gerecht vast dat het beslissende karakter van het verzoek om in het belang van de dienst de detachering van een ambtenaar te beëindigen, niet betekent dat het TABG dienaangaande over geen enkele beoordelingsmarge beschikt en gehouden is om aan dat verzoek te voldoen. Het Gerecht wees erop dat het TABG, wanneer het een dergelijk verzoek ontvangt, in elk geval gehouden is om op neutrale en objectieve wijze na te gaan of het bij hem ingediende verzoek zonder mogelijke twijfel uitgaat van de dienst of van de persoon waarbij de ambtenaar is gedetacheerd, en verder of het verzoek niet op kennelijk onrechtmatige gronden berust.
29 Gelet op het voorgaande, overwoog het Gerecht in punt 83 van het bestreden arrest dat de rechtspraak volgens welke Reynolds geen enkel rechtmatig belang heeft bij een verzoek om nietigverklaring wegens vormgebreken wanneer de administratie over geen enkele beoordelingsmarge beschikt en gehouden is te handelen zoals zij heeft gedaan, in casu niet van toepassing is.
30 In punt 84 van het bestreden arrest preciseerde het Gerecht dat de andere door de partijen aangevoerde argumenten in het kader van het middel betreffende schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, in het licht van deze bevinding moesten worden onderzocht.
31 In punt 86 van het bestreden arrest herinnerde het Gerecht eraan, dat volgens vaste rechtspraak de eerbiediging van de rechten van de verdediging in elke tegen een persoon ingeleide procedure die tot een voor hem bezwarend besluit kan leiden, een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht vormt dat zelfs bij ontbreken van iedere regeling inzake de betrokken procedure in acht moet worden genomen (zie in die zin arresten Gerecht van 6 mei 1997, Quijano/Commissie, T‑169/95, JurAmbt. blz. I‑A‑91 en II‑273, punt 44, en 15 juni 2000, F/Commissie, T‑211/98, JurAmbt. blz. I‑A‑107 en II‑471, punt 28).
32 In punt 87 van het bestreden arrest merkte het Gerecht op dat, zoals het reeds in punt 42 van dat arrest had beklemtoond, het litigieuze besluit een bezwarende handeling vormt. Het oordeelde derhalve dat het TABG verplicht was Reynolds de gelegenheid te geven vóór de vaststelling van dat besluit naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken.
33 Voorts overwoog het Gerecht in punt 94 van het bestreden arrest dat het feit dat artikel 90 van het Statuut in een voorafgaande klachtprocedure voorziet, op zich niet volstaat om uit te sluiten dat het TABG verplicht is om de betrokken ambtenaar te horen alvorens een voor hem bezwarend besluit te nemen.
34 Daarnaast beklemtoonde het Gerecht in punt 98 van het bestreden arrest dat het beginsel van parallellisme van vormvoorschriften vereist dat de in artikel 38, sub a, van het Statuut bedoelde verplichting voor het TABG om de ambtenaar te horen alvorens tot zijn detachering in het belang van de dienst te besluiten, ook geldt wanneer het TABG besluit om de duur van een detachering in het belang van de dienst op basis van artikel 38, sub b, vast te stellen of te wijzigen.
35 In punt 109 van het bestreden arrest stelde het Gerecht vast dat het TABG niet had voldaan aan de verplichting om Reynolds naar behoren de gelegenheid te geven zijn standpunt uiteen te zetten voordat het litigieuze besluit werd vastgesteld.
36 Het Gerecht beklemtoonde in punt 112 van het bestreden arrest dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging is geschonden zodra vaststaat dat de betrokkene niet deugdelijk is gehoord vóór de vaststelling van het voor hem bezwarende besluit, en dat redelijkerwijs niet kan worden uitgesloten dat deze onregelmatigheid een concrete invloed op de inhoud van dit besluit heeft kunnen hebben.
37 In punt 113 van het bestreden arrest wees het Gerecht erop dat de mogelijkheid dat een voorafgaand gesprek een concrete invloed op de inhoud van een bezwarende handeling kan hebben redelijkerwijs slechts kan worden uitgesloten, wanneer vaststaat dat degene die de handeling verricht over geen enkele beoordelingsmarge beschikte en gehouden was te handelen zoals hij heeft gedaan.
38 In punt 114 van het bestreden arrest stelde het Gerecht onder verwijzing naar punt 81 van dat arrest vast, dat het TABG in casu kennelijk beschikte over een weliswaar beperkte maar toch reële beoordelingsmarge met betrekking tot het gebruik van de mogelijkheid om Reynolds’ detachering te beëindigen vóór het verstrijken van de aanvankelijk vastgestelde periode. Volgens het Gerecht kan dus niet volledig worden uitgesloten, dat een voorafgaand gesprek met Reynolds in casu een concrete invloed op de inhoud van het bestreden besluit had kunnen hebben.
39 In punt 115 van het bestreden arrest voegde het Gerecht hieraan toe dat het niet zijn taak was om zich in de plaats te stellen van de administratieve instantie en te onderzoeken of er in casu sprake was van elementen die een concrete invloed op de inhoud van het litigieuze besluit konden hebben.
40 Gelet op een en ander, overwoog het Gerecht in punt 117 van het bestreden arrest, dat het middel betreffende schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging gegrond was, zodat het litigieuze besluit nietig moest worden verklaard zonder dat Reynolds’ andere middelen behoefden te worden onderzocht.
41 Wat het beroep tot schadevergoeding betreft, is het Parlement in de punten 149 en 150 van het bestreden arrest veroordeeld tot betaling aan Reynolds van een bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen de bezoldiging die hij zou hebben ontvangen als gedetacheerd ambtenaar in de rang A 2, salaristrap 1, en die welke hij heeft ontvangen na zijn herplaatsing in de rang LA 5, salaristrap 3, over de periode van 15 juli 2000 tot en met 30 november 2000, vermeerderd met 5,25 % moratoire interesten vanaf de datum waarop voormeld bedrag verschuldigd was tot de datum van werkelijke betaling.
42 Wat de morele schade betreft, stelde het Gerecht in punt 153 van het bestreden arrest vast dat Reynolds, aangezien hij de daartoe vastgestelde precontentieuze procedure niet in acht had genomen niet ontvankelijk was in zijn verzoek om vergoeding van de morele schade die hij had geleden door de „gedragingen” van de EDD-fractie of van sommige van haar leden, van welke gedragingen wordt gesteld dat zij geen besluiten zijn. In punt 154 van dat arrest wees het Gerecht er echter op dat het litigieuze besluit de door Reynolds geleden morele schade slechts heeft kunnen verergeren. Ter vergoeding van deze schade heeft het Gerecht geoordeeld dat het Parlement moest worden veroordeeld tot betaling aan de betrokkene van het symbolische bedrag van 1 euro.
De hogere voorziening
43 Met zijn hogere voorziening verzoekt het Parlement het Hof om het bestreden arrest te vernietigen en de zaak af te doen door het beroep te verwerpen, dan wel de zaak voor afdoening naar het Gerecht te verwijzen. Voorts concludeert het Parlement tot afwijzing van Reynolds’ incidentele hogere voorziening wegens kennelijke ongegrondheid.
44 Tot staving van zijn hogere voorziening voert het Parlement vier middelen aan betreffende schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht, met name gelet op zijn verplichting om arresten te motiveren en op het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging.
45 Reynolds concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening van het Parlement. Hij verzoekt het Hof bij wege van incidentele hogere voorziening om punt 4 van het dictum van het bestreden arrest nietig te verklaren en de zaak af te doen door toewijzing van zijn schadevordering wat de door hem gestelde morele schade betreft, dan wel de zaak naar het Gerecht te verwijzen om opnieuw uitspraak te doen over dit onderdeel van zijn schadevordering.
Inzake de hogere voorziening
46 Met zijn derde middel, dat eerst moet worden onderzocht, stelt het Parlement dat het oordeel van het Gerecht dat elke ambtenaar moet worden gehoord alvorens een maatregel wordt vastgesteld die hem kan bezwaren, in strijd is met de vaste communautaire rechtspraak inzake de rechten van de verdediging.
47 Volgens Reynolds is het Gerecht niet voorbijgegaan aan deze rechtspraak.
48 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat een ambtenaar krachtens artikel 37, eerste alinea, sub a, tweede streepje, van het Statuut in het belang van de dienst kan worden gedetacheerd om tijdelijk een functie te bekleden bij een politieke fractie van het Parlement.
49 Dienaangaande zij gepreciseerd dat het weliswaar aan het TABG staat om de besluiten tot detachering van een ambtenaar bij een politieke fractie en tot beëindiging van deze detachering vast te stellen, maar dat het daarbij de keuze moet eerbiedigen van de politieke fractie die om een dergelijke maatregel verzoekt.
50 De betrokken politieke fractie beschikt immers over een discretionaire bevoegdheid inzake de medewerkers die zij voor tijdelijke functies in dienst wil nemen, alsmede wat de beëindiging van die aanstellingen betreft.
51 Deze discretionaire bevoegdheid vindt haar rechtvaardiging in de specifieke aard van de bij politieke fracties uitgeoefende functies, en wegens de noodzaak om in een dergelijk politiek kader een wederzijds vertrouwen in stand te houden tussen de fractie en de bij haar gedetacheerde ambtenaren.
52 Wanneer zij dergelijke tijdelijke functies bij een politieke fractie aanvaarden, dienen de betrokken ambtenaren te beseffen dat deze fractie hun aanstelling mogelijkerwijs zal wensen te beëindigen vóór het verstrijken van de aanvankelijk geplande duur van de detachering.
53 Wat een ambtenaar als Reynolds betreft, die gedetacheerd is om bij een politieke fractie van het Parlement de functie van secretaris-generaal te bekleden, staat vast dat hij voor een bijzondere taak van in wezen politiek karakter is aangesteld (zie arrest van 18 oktober 1977, Schertzer/Parlement, 25/68, Jurispr. blz. 1729, punt 42).
54 Om deze opdracht te kunnen vervullen is het noodzakelijk dat het wederzijdse vertrouwen dat bij zijn aanstelling tussen hem en de politieke fractie tot stand is gekomen, tijdens de volledige duur van de detachering behouden blijft.
55 Is de betrokken politieke fractie van mening dat dit wederzijdse vertrouwen niet meer bestaat, dan kan zij de aanstelling van de gedetacheerde ambtenaar eenzijdig beëindigen vóór het verstrijken van de aanvankelijk geplande duur van de detachering.
56 Immers, wanneer het wederzijdse vertrouwen om welke reden ook zoek is, is de betrokken ambtenaar niet meer in staat zijn functies te vervullen. In een dergelijke situatie is het goed beleid dat de betrokken instelling de detachering van deze ambtenaar zo snel mogelijk beëindigt (zie naar analogie arresten van 12 juli 1979, List/Commissie, 124/78, Jurispr. blz. 2499, punt 13, en 12 november 1996, Ojha/Commissie, C‑294/95 P, Jurispr. blz. I‑5863, punten 41 en 42).
57 Zoals het Gerecht in punt 42 van het bestreden arrest op goede gronden heeft vastgesteld in antwoord op het middel van niet-ontvankelijkheid, vormt een dergelijk besluit uit procedureel oogpunt inderdaad een voor de ambtenaar bezwarende handeling, zodat deze een persoonlijk belang heeft bij een verzoek tot nietigverklaring ervan. Hieruit kan niet automatisch, zonder te letten op de aard van de tegen de betrokkene ingeleide procedure, zoals het Gerecht in punt 87 van het bestreden arrest ten onrechte heeft gedaan, worden afgeleid dat het TABG Reynolds naar behoren moest horen alvorens het litigieuze besluit vast te stellen.
58 Zoals in de punten 50 tot en met 52 van het onderhavige arrest reeds is gepreciseerd, dient de ambtenaar die een functie met zeer bijzondere kenmerken aanvaardt, zoals die van secretaris-generaal bij een politieke fractie van het Parlement, zich bewust te zijn van de discretionaire bevoegdheid van deze fractie om zijn aanstelling te allen tijde te beëindigen, met name wanneer het wederzijdse vertrouwen tussen de fractie en de betrokken ambtenaar zoek is.
59 Het TABG moet derhalve, wanneer een politieke fractie van het Parlement hem vraagt de detachering van een ambtenaar bij deze fractie te beëindigen, in beginsel zo snel mogelijk aan dit verzoek voldoen, nadat het heeft onderzocht of het verzoek wel degelijk uitgaat van de bevoegde persoon of dienst.
60 Gelet op een en ander, moet worden vastgesteld dat het TABG het litigieuze besluit kon nemen zonder Reynolds vooraf te horen.
61 Vastgesteld moet dus worden dat het Gerecht in de punten 99, 109 en 117 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat het middel betreffende schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging gegrond was omdat het TABG Reynolds niet naar behoren had gehoord alvorens het bestreden besluit vast te stellen.
62 Zonder dat de andere middelen van het Parlement behoeven te worden onderzocht, moet het bestreden arrest dus worden vernietigd voorzover het litigieuze besluit daarbij is nietig verklaard. Bijgevolg moet dit arrest eveneens worden vernietigd voorzover het Parlement is veroordeeld tot vergoeding van de materiële en morele schade die Reynolds wegens dit besluit stelt te hebben geleden.
63 In deze omstandigheden is de incidentele hogere voorziening van Reynolds, inzake de vaststelling van de morele schade die hij wegens het litigieuze besluit zou hebben geleden, zonder voorwerp geraakt, zodat daarop niet behoeft te worden beslist.
Inzake de verwijzing van de zaak naar het Gerecht
64 Volgens artikel 61, eerste alinea, van ’s Hofs Statuut-EG kan het Hof, in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht, zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.
65 Aangezien het Gerecht slechts twee van de zeven door Reynolds aangevoerde middelen heeft onderzocht, is het Hof van oordeel dat het niet in staat is de zaak af te doen en dat deze voor een beslissing over de andere middelen van het beroep naar het Gerecht moet worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer)
rechtdoende:
1) Vernietigt de punten 1, 2, 4 en 5 van het dictum van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 23 januari 2002, Reynolds/Parlement (T‑237/00).
2) Verwijst de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg.
3) Houdt de beslissing omtrent de kosten aan.
Jann
Timmermans
Rosas
La Pergola
von Bahr
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 29 april 2004.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy