Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Partijen
In zaak C-114/02,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door L. Ström als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues en E. Puisais als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123, blz. 1), de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet (rapporteur), kamerpresident, P. Jann en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 januari 2003,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 27 maart 2002, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Franse Republiek, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123, blz. 1), de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 34, lid 1, van richtlijn 98/8 moesten de lidstaten binnen 24 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn, dat wil zeggen uiterlijk op 14 mei 2000, de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om aan deze richtlijn te voldoen, en de Commissie hiervan onverwijld in kennis stellen.
3 Omdat zij geen mededeling van de Franse autoriteiten betreffende de uitvoering van de richtlijn had ontvangen, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure ingeleid. Na de Franse Republiek in de gelegenheid te hebben gesteld om haar opmerkingen te maken en bij gebreke van een antwoord van de Franse autoriteiten, heeft de Commissie op 2 februari 2001 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij deze lidstaat verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan de richtlijn te voldoen.
4 Bij brief van 15 maart 2001 hebben de Franse autoriteiten de Commissie op de hoogte gebracht van het bestaan van een ontwerpbesluit houdende implementatie van met name richtlijn 98/8, overeenkomstig loi nº 2001-1 portant habilitation du gouvernement à transposer, par ordonnances, des directives communautaires et à mettre en oeuvre certaines dispositions du droit communautaire van 3 januari 2001 (wet nr. 2001-1 van 3 januari 2001 houdende machtiging van de regering om gemeenschapsrichtlijnen bij besluit te implementeren en een aantal bepalingen van gemeenschapsrecht ten uitvoer te leggen) (JORF van 4 januari 2001, blz. 93). Tevens was een uitvoeringsdecreet inzake biociden opgesteld, dat binnenkort zou worden bekendgemaakt.
5 Bij brief van 26 april 2001 hebben de Franse autoriteiten de Commissie een kopie overgelegd van ordonnance nº 2001-321 relative à la transposition de directives communautaires et à la mise en oeuvre de certaines dispositions du droit communautaire dans le domaine de l'environnement van 11 april 2001 (besluit nr. 2001-321 houdende implementatie van gemeenschapsrichtlijnen en uitvoering van een aantal bepalingen van gemeenschapsrecht inzake leefmilieu)(JORF van 14 april 2001, blz. 5820).
6 Van oordeel dat de implementatie van richtlijn 98/8 onvolledig bleef, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
7 Tot staving van dit beroep betoogt de Commissie dat de ordonnance van 11 april 2001 richtlijn 98/8 slechts zeer ten dele heeft uitgevoerd. Er zijn geen maatregelen genomen ter uitvoering van de artikelen 3, leden 4, 5 en 7, 4, 8, 11, 12, 14, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 25 en 26 van de richtlijn, of in elk geval zijn die maatregelen haar niet meegedeeld.
8 De Franse regering erkent dat zij richtlijn 98/8 niet volledig heeft geïmplementeerd. Deze vertraging is vooral te wijten aan de noodzaak om de procedure ter beoordeling van de dossiers, die de tussenkomst van verschillende instellingen vereist, zo goed mogelijk te organiseren. Zij betoogt echter dat verschillende teksten die zich nog in het stadium van ontwerp bevinden, het mogelijk zullen maken alle bepalingen van de richtlijn in intern recht om te zetten.
9 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie met name arresten van 15 maart 2001, Commissie/Frankrijk, C-147/00, Jurispr. blz. I-2387, punt 26, en 4 juli 2002, Commissie/Griekenland, C-173/01, Jurispr. blz. I-6129, punt 7).
10 In casu staat evenwel vast dat de Franse Republiek niet de nodige maatregelen heeft genomen om richtlijn 98/8 binnen de daartoe gestelde termijn volledig te implementeren.
11 Hieraan moet worden toegevoegd, dat eveneens volgens vaste rechtspraak een lidstaat zich niet kan beroepen op bepalingen, praktijken of omstandigheden van zijn interne rechtsorde ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van de door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen en termijnen (zie met name arresten van 8 maart 2001, Commissie/Portugal, C-276/98, Jurispr. blz. I-1699, punt 20, en 26 september 2002, Commissie/Frankrijk, C-351/01, Jurispr. blz. I-8101, punt 9).
12 Derhalve moet het beroep van de Commissie gegrond worden verklaard.
13 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/8, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
14 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden, is de Franse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy