Zaak C‑147/02
Michelle K. Alabaster
tegen
Woolwich plc en Secretary of State for Social Security
[verzoek van de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) om een prejudiciële beslissing]
„Sociale politiek – Mannelijke en vrouwelijke werknemers – Gelijke beloning – Beloning tijdens zwangerschapsverlof – Berekening van hoogte van beloning – Inaanmerkingneming van loonsverhoging”
Samenvatting van het arrest
1. Sociale politiek – Mannelijke en vrouwelijke werknemers – Gelijke beloning – Zwangerschapsverlof – Vaststelling van beloning tijdens zwangerschapsverlof – Criteria – Verplichting om rekening te houden met loonsverhoging die is ingetreden tussen begin van door referentieloon gedekte periode en einde van zwangerschapsverlof – Voorwaarden
[EG-Verdrag art. 119 (de art. 117‑120 EG-Verdrag zijn vervangen door de art. 136‑143 EG)]
2. Sociale politiek – Harmonisatie van wetgevingen – Bescherming van veiligheid en gezondheid van werknemers – Werkneemsters tijdens zwangerschap, na bevalling en tijdens lactatie – Richtlijn 92/85 – Beloning tijdens zwangerschapsverlof – Verplichting voor lidstaten, te bepalen op welke wijze rekening dient te worden gehouden met salarisverhoging
(Richtlijn 92/85 van de Raad)
1. Artikel 119 van het Verdrag (de artikelen 117‑120 van het Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136‑143 EG) moet aldus worden uitgelegd dat het, voorzover de beloning die de werkneemster tijdens haar zwangerschapsverlof ontvangt, ten minste voor een deel wordt vastgesteld op basis van het loon dat zij vóór aanvang van dat verlof heeft genoten, vereist dat elke tussen het begin van de door het referentieloon gedekte periode en het einde van het zwangerschapsverlof ingetreden loonsverhoging wordt betrokken bij de looncomponenten op basis waarvan die beloning wordt berekend. Dit vereiste is niet beperkt tot het geval waarin deze loonsverhoging terugwerkt tot de door het referentieloon gedekte periode.
(cf. punt 50, dictum 1)
2. Bij gebreke van communautaire regelgeving op dit gebied is het aan de bevoegde nationale autoriteiten om, met inachtneming van het geheel van de regels van gemeenschapsrecht en met name van richtlijn 92/85 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie, te bepalen op welke wijze een voor of tijdens het zwangerschapsverlof ingetreden salarisverhoging dient te worden betrokken bij de looncomponenten op basis waarvan de hoogte van de tijdens dat verlof aan de werkneemster verschuldigde beloning wordt vastgesteld.
(cf. punt 56, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (voltallige zitting)
30 maart 2004 (*)
„Sociale politiek – Mannelijke en vrouwelijke werknemers – Gelijke beloning – Wettelijke zwangerschapsuitkering – Berekening van hoogte van uitkering – Inaanmerkingneming van loonsverhoging”
In zaak C‑147/02,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) (Verenigd Koninkrijk), in het aldaar aanhangige geding tussen
Michelle K. Alabaster
en
Woolwich plc,
Secretary of State for Social Security,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) en het arrest van 13 februari 1996, Gillespie e.a. (C‑342/93, Jurispr. blz. I‑475),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (voltallige zitting),
samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, C. Gulmann, J. N. Cunha Rodrigues en A. Rosas, kamerpresidenten, A. La Pergola, J.-P. Puissochet, R. Schintgen (rapporteur), F. Macken en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
– M. K. Alabaster, vertegenwoordigd door L. Cox, QC, en K. Monaghan, barrister,
– Woolwich plc, vertegenwoordigd door M. Griffiths, barrister, geïnstrueerd door C. Mc Intyre, solicitor,
– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door P. Ormond als gemachtigde, bijgestaan door C. Vajda, QC, en R. Haynes, barrister,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M.‑J. Jonczy en N. Yerrell als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van M. K. Alabaster, vertegenwoordigd door K. Monaghan en A. Reindorf, barrister; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door C. Jackson als gemachtigde, en C. Vajda, en de Commissie, vertegenwoordigd door M.-J. Jonczy en N. Yerrell, ter terechtzitting van 24 juni 2003,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 september 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 27 maart 2002, ingekomen bij het Hof op 22 april daaraanvolgend, heeft de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) krachtens artikel 234 EG drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 119 EG‑Verdrag (de artikelen 117‑120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG‑143 EG) en het arrest van 13 februari 1996, Gillespie e.a. (C‑342/93, Jurispr. blz. I‑475).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen M. K. Alabaster en de vennootschap Woolwich plc (hierna: „Woolwich”) alsmede de Secretary of State for Social Security, met betrekking tot een verzoek om bij de berekening van de wettelijke zwangerschapsuitkering rekening te houden met een loonsverhoging.
Rechtskader
De communautaire regelgeving
3 Artikel 119, eerste en tweede alinea, van het Verdrag, dat ten tijde van de feiten van het hoofdgeding van toepassing was, bepaalt:
„Iedere lidstaat verzekert gedurende de eerste etappe en handhaaft vervolgens de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid.
Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris, en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt.”
4 Volgens artikel 1, eerste alinea, van richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB L 45, blz. 19) houdt het beginsel van gelijke beloning in dat voor gelijke arbeid of voor arbeid waaraan gelijke waarde wordt toegekend, ieder onderscheid naar kunne wordt afgeschaft ten aanzien van alle elementen en voorwaarden van de beloning.
5 Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 348, blz. 1) is vastgesteld op basis van artikel 118 A EG-Verdrag.
6 Overeenkomstig artikel 14, lid 1, moesten de lidstaten deze richtlijn uiterlijk op 19 oktober 1994 hebben omgezet.
7 Artikel 8 van deze richtlijn bepaalt met betrekking tot het zwangerschapsverlof:
„1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de werkneemsters in de zin van artikel 2 recht hebben op een overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken vóór en/of na de bevalling te nemen zwangerschapsverlof van ten minste veertien aaneengesloten weken.
2. Het in lid 1 bedoelde zwangerschapsverlof moet een overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken vóór en/of na de bevalling te nemen verplicht zwangerschapsverlof van ten minste twee weken omvatten.”
8 Met betrekking tot de aan de arbeidsovereenkomst verbonden rechten bepaalt artikel 11 van richtlijn 92/85:
„Teneinde de werkneemsters in de zin van artikel 2 te waarborgen dat zij de in dit artikel erkende rechten inzake de bescherming van hun veiligheid en gezondheid kunnen doen gelden, wordt het volgende bepaald:
[…]
2) in het in artikel 8 bedoelde geval moeten worden gewaarborgd:
a) de andere dan de in onderstaand punt b bedoelde rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst van de werkneemsters in de zin van artikel 2;
b) het behoud van een bezoldiging en/of het genot van een adequate uitkering van de werkneemsters in de zin van artikel 2;
3) de in punt 2, sub b, bedoelde uitkering wordt als adequaat beschouwd, wanneer zij een inkomen waarborgt dat gelijk is aan het inkomen dat de betrokken werkneemster zou ontvangen in geval van een onderbreking van haar werkzaamheden om gezondheidsredenen, binnen de grenzen van een eventueel, door de nationale wetten bepaald maximum;
4) de lidstaten hebben de mogelijkheid om aan het in de punten 1 en 2, sub b, bedoelde recht op bezoldiging of uitkering de voorwaarde te verbinden dat de betrokken werkneemster voldoet aan de door de nationale wetgevingen gestelde voorwaarden voor de opening van het recht op deze inkomsten.
In deze voorwaarden mag in geen geval worden bepaald dat meer dan twaalf maanden, onmiddellijk voorafgaand aan de vermoedelijke datum van de bevalling, moet zijn gewerkt.”
Nationale regelgeving
De Social Security Contributions and Benefits Act 1992
9 De nationale bepalingen met betrekking tot de wettelijke zwangerschapsuitkering staan in deel XII van de Social Security Contributions and Benefits Act 1992 (wet van 1992 inzake socialezekerheidspremies en ‑uitkeringen; hierna: „wet”).
10 Ingevolge Section 164 van de wet heeft de werkneemster die, voorafgaand aan de 15e week vóór de week waarin de bevalling wordt verwacht, gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 26 weken bij dezelfde werkgever heeft gewerkt en wier wekelijkse loon hoger is dan een bepaald minimum, recht op de wettelijke zwangerschapsuitkering indien zij haar werkgever correct op de hoogte heeft gesteld en de bevalling binnen een termijn van 11 weken wordt verwacht.
11 Ingevolge Section 165(1) van de wet wordt de wettelijke zwangerschapsuitkering betaald gedurende ten hoogste 18 weken.
12 Section 166(1) van de wet voorziet in twee uitkeringstarieven: het „hogere tarief” en het „lagere tarief”.
13 Volgens Section 166(2) van de wet is het hogere tarief ofwel gelijk aan 9/10 van het normale weekloon dat de werkneemster heeft verdiend in de 8 weken onmiddellijk voorafgaand aan de 14e week vóór de vermoedelijke bevallingsdatum, ofwel gelijk aan het lagere tarief, waarbij geldt dat de hoogste van deze twee bedragen wordt gekozen. Het lagere tarief komt neer op een forfaitair weekbedrag.
14 Ingevolge Section 166(1) en (4) van de wet ontvangt de werkneemster die recht heeft op de wettelijke zwangerschapsuitkering volgens het hogere tarief, deze uitkering gedurende 6 weken onder toepassing van het hogere tarief en gedurende 12 weken onder toepassing van het lagere tarief.
15 Section 171(4) van de wet bepaalt dat het normale loon van een werkneemster het gemiddelde weekloon is dat haar in de relevante periode is betaald.
De Statutory Maternity Pay (General) Regulations 1986
16 De Statutory Maternity Pay (General) Regulations 1986 (algemene regeling van 1986 inzake de wettelijke zwangerschapsuitkering), zoals per 12 juni 1996 gewijzigd bij Statutory Instrument nr. 1335 uit 1996 (hierna: „regeling”), bevatten enkele voorwaarden voor de toepassing van de wet met betrekking tot de wettelijke zwangerschapsuitkering.
17 Regulation 20 van de regeling geeft een definitie van het begrip „loon” dat wordt gehanteerd bij de berekening van de wettelijke zwangerschapsuitkering.
18 Regulation 21 van de regeling bepaalt hoe het normale weekloon wordt berekend.
19 Regulation 21(2) van de regeling definieert het begrip „relevante datum” als de eerste dag van de 14e week vóór de vermoedelijke bevallingsdatum, dan wel als de eerste dag van de week waarin de vrouw is bevallen, indien die vroeger valt.
20 Regulation 21(3) van de regeling bepaalt dat de relevante periode in de zin van Section 171(4) van de wet de periode is tussen:
„a) de laatste normale betaaldag vóór de relevante datum; en
b) de laatste normale betaaldag die minstens 8 weken vóór de sub a vermelde normale betaaldag valt, met inbegrip van de sub a vermelde normale betaaldag, doch met uitsluiting van de sub b eerst vermelde betaaldag”.
21 Regulation 21(7) van de regeling bepaalt:
„Telkens wanneer een werkneemster met terugwerkende kracht een loonsverhoging ontvangt die een bedrag omvat voor de relevante periode, wordt het normale weekloon berekend alsof dit bedrag in die relevante periode was betaald, ook al werd dit na die periode ontvangen.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
22 Alabaster was van 7 december 1987 tot en met 23 augustus 1996 werkneemster van Woolwich.
23 Op 8 januari 1996 ging zij met zwangerschapsverlof; de vermoedelijke bevallingsdatum was 11 februari 1996.
24 Alabaster ontving de wettelijke zwangerschapsuitkering vanaf de week van 7 januari 1996. Deze uitkering is haar niet alleen gedurende de wettelijke periode van 6 weken volgens het hogere tarief betaald, maar overeenkomstig haar arbeidsovereenkomst nog 4 extra weken. Vervolgens heeft zij de uitkering 8 weken volgens het lagere tarief ontvangen.
25 Op 12 december 1995 had Alabaster een loonsverhoging gekregen die terugwerkte tot 1 december. Bij de berekening van de wettelijke zwangerschapsuitkering werd echter geen rekening gehouden met deze loonsverhoging, omdat zij had plaatsgevonden na de voor de berekening van het normale loon relevante periode.
26 Overeenkomstig Regulation 21(3) van de regeling was de voor de berekening van het gewone loon relevante periode voor Alabaster begonnen op 1 september 1995 en geëindigd op 31 oktober daaraanvolgend.
27 Regulation 21(7) van de regeling was op dat moment niet van toepassing, daar dit pas in werking trad op 12 juni 1996. Deze bepaling zou echter hoe dan ook niet op Alabaster van toepassing zijn geweest, aangezien haar loonsverhoging niet terugwerkte tot de relevante periode.
28 Op 21 januari 1997 daagde Alabaster Woolwich voor het Employment Tribunal (Verenigd Koninkrijk), waarbij zij stelde dat het niet in aanmerking nemen van de loonsverhoging bij de vaststelling van de hoogte van haar wettelijke zwangerschapsuitkering een discriminatie op grond van geslacht inhield en daarmee met name in strijd was met artikel 119 van het Verdrag.
29 De Secretary of State for Social Security is bij beschikking van het Employment Tribunal van 30 mei 1997 in de zaak opgeroepen.
30 Bij vonnis van 10 maart 1999 heeft het Employment Tribunal, zich baserend op het arrest Gillespie e.a., geoordeeld dat het niet in aanmerking nemen van de loonsverhoging van Alabaster bij de vaststelling van de hoogte van haar wettelijke zwangerschapsuitkering een schending inhield van artikel 119 van het Verdrag.
31 Hiertegen hebben Woolwich en de Secretary of State for Social Security hoger beroep ingesteld bij het Employment Appeal Tribunal (Verenigd Koninkrijk). Dit hoger beroep is, eveneens op basis van het arrest Gillespie e.a., verworpen bij arrest van 7 april 2000.
32 Verweerders in het hoofdgeding hebben hogere voorziening ingesteld bij de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) die, van oordeel dat de oplossing van het voor hem aanhangige geding afhangt van een uitlegging van het gemeenschapsrecht, heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„Wanneer
– het inkomensgebonden deel van een wettelijke zwangerschapsuitkering van een vrouw wordt berekend op basis van haar normale weekloon gedurende een periode van acht weken die eindigt in de vijftiende week vóór de week waarin de bevalling wordt verwacht („de relevante periode”), en
– de werkgever op een tijdstip na het einde van de relevante periode die voor de berekening van het inkomensgebonden deel van haar wettelijke zwangerschapsuitkering wordt gebruikt, doch vóór het einde van haar zwangerschapsverlof, een loonsverhoging toekent die niet terugwerkt tot de relevante periode:
1) Moeten [artikel 119 van het Verdrag] en het arrest Gillespie dan aldus worden uitgelegd dat de vrouw er recht op heeft dat deze loonsverhoging in aanmerking wordt genomen bij de berekening of herberekening van het inkomensgebonden deel van haar wettelijke zwangerschapsuitkering?
2) Is het voor het antwoord op de eerste vraag van belang of de effectieve datum van de loonsverhoging valt: i) vóór het begin van het zwangerschapsverlof, ii) vóór het einde van de periode waarvoor haar een inkomensgebonden wettelijke zwangerschapsuitkering wordt toegekend, dan wel iii) op een andere datum, en zo ja, op welke datum?
3) In geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag:
a) Op welke wijze moet bij de berekening of herberekening van het normale weekloon in de relevante periode rekening worden gehouden met de loonsverhoging?
b) Moet de relevante periode worden gewijzigd?
c) In hoeverre dient eventueel rekening te worden gehouden met andere factoren in de periode waarop de loonsverhoging betrekking heeft, zoals het aantal gewerkte uren en de reden voor de loonsverhoging?
d) Moet dan in geval van een loonsverlaging na het einde van de relevante periode maar vóór het einde van het zwangerschapsverlof van de vrouw, haar wettelijke zwangerschapsuitkering worden berekend of herberekend om rekening te houden met de loonsverlaging en, zo ja, op welke wijze?”
Het verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling
33 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 november 2003, heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk het Hof verzocht, krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering de mondelinge behandeling te heropenen.
34 Tot staving van haar verzoek betoogt zij dat de advocaat-generaal zich in zijn conclusie heeft uitgesproken over een vraag die niet uitdrukkelijk door de verwijzende rechter is gesteld.
35 Het Hof kan ambtshalve, op voorstel van de advocaat-generaal dan wel op verzoek van partijen, de mondelinge behandeling krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering heropenen, indien het van oordeel is dat het onvoldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden (zie beschikking van 4 februari 2000, Emesa Sugar, C‑17/98, Jurispr. blz. I‑665, punt 18; arresten van 19 februari 2002, Wouters e.a., C‑309/99, Jurispr. blz. I‑1577, punt 42, en 13 november 2003, Schilling en Fleck‑Schilling, C‑209/01, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 19).
36 In casu evenwel is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het over alle noodzakelijke gegevens beschikt om de gestelde vragen te kunnen beantwoorden en dat over al deze gegevens ten overstaan van hem tussen partijen een discussie heeft plaatsgevonden. Derhalve dient het verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling te worden afgewezen.
De prejudiciële vragen
De eerste en de tweede vraag
37 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 119 van het Verdrag en het arrest Gillespie e.a. aldus moeten worden uitgelegd dat een vrouw er recht op heeft dat de loonsverhoging die haar na de relevante periode is toegekend maar niet tot die periode terugwerkt, in aanmerking wordt genomen bij de berekening van het inkomensgebonden deel van de wettelijke zwangerschapsuitkering. Met zijn tweede vraag wenst hij te vernemen of het voor het antwoord op de eerste vraag van belang is of de effectieve datum van de loonsverhoging valt vóór het begin van het zwangerschapsverlof, vóór het einde van de periode waarvoor haar een inkomensgebonden wettelijke zwangerschapsuitkering wordt toegekend, dan wel op een andere datum. Deze vragen zijn nauw met elkaar verbonden en dienen derhalve gezamenlijk te worden onderzocht.
38 Allereerst dient eraan te worden herinnerd dat richtlijn 92/85, die door de lidstaten uiterlijk op 19 oktober 1994 moest zijn omgezet, niet van toepassing was ten tijde van de feiten in de zaak Gillespie e.a., maar ratione temporis van toepassing is in de onderhavige zaak.
39 Hoewel volgens artikel 11, punten 2 en 3, van deze richtlijn bepaalde rechten, verbonden aan de arbeidsovereenkomst van personen zoals verzoekster in het hoofdgeding, dienen te worden gewaarborgd, volgt uit de richtlijn zelf geen bruikbaar antwoord op de eerste twee vragen van de nationale rechter.
40 Onder deze omstandigheden moet worden onderzocht of het antwoord op deze vragen kan worden afgeleid uit andere bepalingen of beginselen van gemeenschapsrecht.
41 Ingevolge artikel 1 van richtlijn 75/117 houdt het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid, dat is neergelegd in het ten tijde van de feiten van het hoofdgeding toepasselijke artikel 119 van het Verdrag, in dat voor gelijke arbeid of voor arbeid waaraan gelijke waarde wordt toegekend, ieder onderscheid naar kunne wordt afgeschaft ten aanzien van alle elementen en voorwaarden van de beloning.
42 Wat in de eerste plaats het in die bepalingen gebruikte begrip beloning betreft, blijkt uit de in artikel 119, tweede alinea, van het Verdrag gegeven definitie dat dit begrip alle voordelen omvat die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt. Zolang die voordelen uit hoofde van de dienstbetrekking worden toegekend, komt het voor de toepassing van dit artikel niet aan op het rechtskarakter ervan (arrest van 9 februari 1982, Garland, 12/81, Jurispr. blz. 359, punt 10, en arrest Gillespie e.a., punt 12).
43 Tot de als beloning aangemerkte voordelen behoren onder meer de voordelen die door de werkgever op grond van wettelijke bepalingen en uit hoofde van een arbeidsbetrekking worden betaald en tot doel hebben, de werknemers een inkomen te bezorgen wanneer dezen in door de wetgever bepaalde specifieke gevallen de in hun arbeidsovereenkomst vastgelegde werkzaamheid niet verrichten (arrest van 4 juni 1992, Bötel, C‑360/90, blz. I‑3589, punten 14 en 15, en arrest Gillespie e.a., punt 13, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Aangezien de uitkering die de werkgever op grond van de wettelijke bepalingen of uit hoofde van collectieve overeenkomsten tijdens het zwangerschapsverlof aan een vrouwelijke werknemer betaalt, op de arbeidsbetrekking berust, vormt zij een beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117 (arrest Gillespie e.a., punt 14, en arrest van 27 oktober 1998, Boyle e.a., C‑411/96, Jurispr. blz. I‑6401, punt 38).
45 In de tweede plaats is volgens vaste rechtspraak sprake van discriminatie, wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare situaties of wanneer dezelfde regel wordt toegepast op verschillende situaties (zie onder meer arrest van 14 februari 1995, Schumacker, C‑279/93, blz. I‑225, punt 30, en arrest Gillespie e.a., punt 16).
46 Vrouwen die een in de nationale wettelijke regeling voorzien zwangerschapsverlof genieten, bevinden zich in dat opzicht in een specifieke situatie die bijzondere bescherming verlangt, doch die met name niet kan worden gelijkgesteld met de situatie van een man of met die van een vrouw die haar arbeid daadwerkelijk verricht (arrest Gillespie e.a., punt 17). Derhalve kunnen de belanghebbenden zich niet op artikel 119 van het Verdrag beroepen om gedurende hun zwangerschapsverlof het behoud van hun volledige beloning te vorderen, alsof zij evenals de andere werknemers daadwerkelijk hun arbeid zouden verrichten (arrest Gillespie e.a., punt 20).
47 In de derde plaats heeft het Hof in punt 22 van het arrest Gillespie e.a. evenwel geoordeeld dat aangezien de tijdens het zwangerschapsverlof betaalde uitkering neerkomt op een weekloon berekend op basis van het gemiddelde loon dat de vrouwelijke werknemer heeft ontvangen toen zij haar arbeid daadwerkelijk verrichte, dat haar, net als aan elke andere werknemer, week na week wordt betaald, het discriminatieverbod eist, dat de vrouwelijke werknemer, wier arbeidsovereenkomst of dienstbetrekking tijdens het zwangerschapsverlof doorloopt, een tussen het begin van de door het referentieloon gedekte periode en het einde van het zwangerschapsverlof ingetreden loonsverhoging net als elke andere werknemer ontvangt, en dit zelfs met terugwerkende kracht. Wanneer een vrouwelijke werknemer tijdens haar zwangerschapsverlof van een dergelijke verhoging wordt uitgesloten, wordt zij immers gediscrimineerd, aangezien zij het hogere loon zou hebben ontvangen indien zij niet zwanger ware geweest.
48 Hieruit volgt dat in een zaak als in het hoofdgeding, waarin het door de nationale wetgeving aan de werkneemster gegarandeerde inkomen deels wordt berekend op basis van het loon dat de belanghebbende ontving vóór haar zwangerschapsverlof, artikel 119 van het Verdrag haar het recht verleent dat bij de vaststelling van de elementen van haar loon op basis waarvan het door de werkgever te betalen bedrag wordt berekend, rekening wordt gehouden met een tussen het begin van de door het referentieloon gedekte periode en het einde van het zwangerschapsverlof ingetreden loonsverhoging.
49 Overeenkomstig het vereiste waaraan in punt 22 van het arrest Gillespie e.a. is herinnerd, moet iedere na aanvang van de door het referentieloon gedekte periode ingetreden loonsverhoging namelijk worden betrokken bij de looncomponenten op basis waarvan de beloning van de werkneemster gedurende haar zwangerschapsverlof wordt berekend. Anders dan de regering van het Verenigd Koninkrijk stelt, is dit vereiste niet beperkt tot het geval waarin deze loonsverhoging terugwerkt tot de genoemde periode.
50 Derhalve dient op de eerste en de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 119 van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd dat het, voorzover de beloning die de werkneemster tijdens haar zwangerschapsverlof ontvangt ten minste voor een deel wordt vastgesteld op basis van het loon dat zij vóór aanvang van dat verlof heeft genoten, vereist dat elke tussen het begin van de door het referentieloon gedekte periode en het einde van het zwangerschapsverlof ingetreden loonsverhoging wordt betrokken bij de looncomponenten op basis waarvan die beloning wordt berekend. Dit vereiste is niet beperkt tot het geval waarin deze loonsverhoging terugwerkt tot de door het referentieloon gedekte periode.
De derde vraag
51 Voor het geval het Hof zou erkennen dat in omstandigheden als die in het hoofdgeding met een loonsverhoging rekening moet worden gehouden, wenst de verwijzende rechter met zijn derde vraag in wezen te vernemen, op welke wijze bij de berekening van de gedurende haar zwangerschapsverlof aan de werkneemster verschuldigde beloning rekening moet worden gehouden met een dergelijke loonsverhoging, en of tevens rekening moet worden gehouden met een voor de werkneemster na de door het referentieloon gedekte periode en tijdens het zwangerschapsverlof ingetreden loonsverlaging.
52 Ten aanzien van het eerste punt zij eraan herinnerd, dat het Hof krachtens artikel 234 EG, dat op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, uitsluitend bevoegd is, zich, op de grondslag der feiten door de nationale rechterlijke instantie omschreven, over de uitlegging of rechtsgeldigheid van een communautair rechtsvoorschrift uit te spreken (arrest van 2 juni 1994, AC‑ATEL Electronics Vertriebs, C‑30/93, Jurispr. blz. I‑2305, punt 16). Derhalve staat het in het kader van de procedure van artikel 234 EG niet aan het Hof maar aan de nationale rechter om op nationale maatregelen of concrete gevallen de communautaire regels toe te passen die het Hof heeft uitgelegd (arresten van 28 maart 1979, ICAP 222/78, Jurispr. blz. 1163, punt 10, en 22 juni 1999, Lloyd Schuhfabrik Meyer, C‑342/97, Jurispr. blz. I‑3819, punt 11).
53 Aangezien de wijze waarop wordt voldaan aan het vereiste waaraan in punt 50 van dit arrest is herinnerd, geen onderwerp is van communautaire regelgeving, wordt de invulling hiervan overgelaten aan de beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat, voorzover deze dit vereiste en het geheel van de regels van gemeenschapsrecht, in het bijzonder die voortvloeiend uit richtlijn 92/85, eerbiedigen. Het staat dan ook niet aan het Hof om zich uit te spreken over de vraag op welke wijze bij de vaststelling van het referentieloon met een loonsverhoging rekening moet worden gehouden, noch om te beoordelen of de door dat loon gedekte periode dient te worden gewijzigd of, bij gebreke van voldoende gegevens in het dossier, rekening moet worden gehouden met andere factoren die bij de vaststelling van het loon een rol zouden kunnen spelen.
54 Wat de vraag inzake de inaanmerkingneming van eventuele loonsverlagingen betreft, heeft het Hof geoordeeld dat het in het kader van de procedure van artikel 234 EG ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid een onderzoek dient in te stellen naar de omstandigheden waaronder de verwijzende rechter zich tot hem heeft gewend. De geest van samenwerking waarin de prejudiciële verzoeken moeten worden gedaan, impliceert immers dat de verwijzende rechter oog heeft voor de aan het Hof opgedragen taak om bij te dragen tot een goede rechtsbedeling in de lidstaten, doch niet om adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken te formuleren (arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, Jurispr. blz. I‑4921, punt 59; 13 maart 2001, PreussenElektra, C‑379/98, Jurispr. blz. I‑2099, punt 38; 22 januari 2002, Canal Satélite Digital, C‑390/99, Jurispr. blz. I‑607, punt 18, en 21 maart 2002, Cura Anlagen, C‑451/99, Jurispr. blz. I‑3193, punt 16).
55 In het onderhavige geval wordt het hypothetische karakter van het vraagstuk waarover het Hof zich zou dienen uit te spreken bevestigd doordat het hoofdgeding, zoals omschreven in de verwijzingsbeschikking, uitsluitend de weigering om rekening te houden met een loonsverhoging, zonder dat op enigerlei wijze sprake is van een loonsverlaging. Het antwoord op het tweede deel van de derde vraag kan dan ook geen invloed hebben op het hoofdgeding. Derhalve is dit deel van de vraag niet-ontvankelijk.
56 Bijgevolg moet op de derde vraag worden geantwoord dat het bij gebreke van communautaire regelgeving op dit gebied aan de bevoegde nationale autoriteiten is om, met inachtneming van het geheel van de regels van gemeenschapsrecht en met name van richtlijn 92/85, te bepalen op welke wijze een voor of tijdens het zwangerschapsverlof ingetreden salarisverhoging dient te worden betrokken bij de looncomponenten op basis waarvan de hoogte van de tijdens dat verlof aan de werkneemster verschuldigde beloning wordt vastgesteld.
Kosten
57 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (voltallige zitting),
uitspraak doende op de door de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) bij beschikking van 27 maart 2002 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 119 EG‑Verdrag (de artikelen 117‑120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG‑143 EG) moet aldus worden uitgelegd dat het, voorzover de beloning die de werkneemster tijdens haar zwangerschapsverlof ontvangt ten minste voor een deel wordt vastgesteld op basis van het loon dat zij vóór aanvang van dat verlof heeft genoten, vereist dat elke tussen het begin van de door het referentieloon gedekte periode en het einde van het zwangerschapsverlof ingetreden loonsverhoging wordt betrokken bij de looncomponenten op basis waarvan die beloning wordt berekend. Dit vereiste is niet beperkt tot het geval waarin deze loonsverhoging terugwerkt tot de door het referentieloon gedekte periode.
2) Bij gebreke van communautaire regelgeving op dit gebied is het aan de bevoegde nationale autoriteiten om, met inachtneming van het geheel van de regels van gemeenschapsrecht en met name van richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG), te bepalen op welke wijze een voor of tijdens het zwangerschapsverlof ingetreden salarisverhoging dient te worden betrokken bij de looncomponenten op basis waarvan de hoogte van de tijdens dat verlof aan de werkneemster verschuldigde beloning wordt vastgesteld.
Skouris
Jann
Timmermans
Gulmann
Cunha Rodrigues
Rosas
La Pergola
Puissochet
Schintgen
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 30 maart 2004.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy