Zaak C-161/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Franse Republiek
«Niet-nakoming – Richtlijn 1999/94/EG – Niet-mededeling van uitvoeringsmaatregelen»
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 19 juni 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
Beroep wegens niet-nakoming – Onderzoek van gegrondheid door Hof – In aanmerking te nemen situatie – Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
19 juni 2003 (1)
„Niet-nakoming – Richtlijn 1999/94/EG – Niet-mededeling van omzettingsmaatregelen”
In zaak C-161/02,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Valero Jordana en J. Adda als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues en E. Puisais als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen, dat de Franse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 1999/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO 2 -uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto's (PB 2000, L 12, blz. 16), door de Commissie niet in kennis te stellen van de maatregelen ter omzetting van deze richtlijn in de interne rechtsorde, of althans door haar daarvan niet volledig in kennis te stellen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, C. W. A. Timmermans, D. A. O. Edward, A. La Pergola (rapporteur) en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Bij op 30 april 2002 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld teneinde te doen vaststellen, dat de Franse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 1999/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO 2 -uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto's (PB 2000, L 12, blz. 16; hierna: richtlijn), door de Commissie niet in kennis te stellen van de maatregelen ter omzetting van deze richtlijn in de interne rechtsorde, of althans door haar daarvan niet volledig in kennis te stellen.
2 De richtlijn beoogt te verzekeren dat gegevens over het brandstofverbruik en de CO 2 -uitstoot van nieuwe personenauto's die in de Gemeenschap voor verkoop of leasing worden aangeboden, voor de consument beschikbaar worden gesteld, zodat deze met kennis van zaken een keuze kan maken.
3 Artikel 12 van de richtlijn bepaalt: 1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 18 januari 2001 aan de [...] richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis.[...]2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de voornaamste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder de [...] richtlijn vallende gebied vaststellen.
4 Aangezien de Commissie geen mededeling had ontvangen over de omzetting van de richtlijn in Frans recht, heeft zij de Franse Republiek bij brief van 6 april 2001 aangemaand haar opmerkingen kenbaar te maken. Daar een reactie op deze brief uitbleef, heeft de Commissie op 26 juli 2001 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij deze lidstaat verzocht binnen twee maanden na kennisgeving ervan te voldoen aan de krachtens artikel 12 van de richtlijn op haar rustende verplichtingen.
5 In hun antwoord van 2 oktober 2001 hebben de Franse autoriteiten de Commissie een ontwerp-decreet doen toekomen dat de omzetting van de richtlijn in nationaal recht moest verzekeren.
6 Aangezien de Commissie van oordeel was, dat de Franse Republiek niet aan de krachtens de richtlijn op haar rustende verplichtingen had voldaan, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
7 De Franse regering erkent dat zij de richtlijn niet heeft omgezet. Zij zet uiteen dat het in punt 5 van dit arrest bedoelde ontwerp-decreet is gewijzigd naar aanleiding van een eerste advies van de Conseil d'État (Franse Raad van State) en dat dit ontwerp weldra, tezamen met een ontwerp voor een uitvoeringsverordening, na overleg met de automobielsector, aan de Conseil d'État zal worden voorgelegd, zodat deze maatregelen wellicht in de herfst van 2002 zullen worden gepubliceerd.
8 Voornoemde regering merkt evenwel op, dat sommige omzettingsmaatregelen reeds een feit zijn, zoals de verschijning begin 2002 van een gids over het brandstofverbruik en de CO 2 -uitstoot. Bovendien is aan de fabrikanten verzocht, het bedoelde ontwerp-decreet en de ontwerp-verordening reeds op voorhand toe te passen, met name wat betreft het gebruik van etiketten en affiches die op de verkooppunten aanwezig dienen te zijn. Dit zal wellicht vanaf september 2002 gebeuren.
9 Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich aan het eind van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn bevond, en dat het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan houden.
10 Derhalve kan in casu worden volstaan met de constatering, dat de Franse regering blijkens de punten 7 en 8 van dit arrest erkent dat zij op de dag van verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn niet de nodige maatregelen ter omzetting van de richtlijn had vastgesteld en dat zij dus niet heeft kunnen voldoen aan de verplichting om deze maatregelen uiterlijk op diezelfde datum aan de Commissie mee te delen.
11 Hieruit volgt dat het beroep van de Commissie gegrond moet worden verklaard.
Kosten
12 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door de Commissie van de Europese Gemeenschappen niet de maatregelen mee te delen die nodig zijn ter omzetting in intern recht van richtlijn 1999/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO 2 -uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto's, is de Franse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Republiek Frankrijk wordt in de kosten verwezen.
Wathelet
Timmermans
Edward
La Pergola
van Bahr
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 juni 2003.
De griffier
De president van de Vijfde kamer
R. Grass
M. Wathelet
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy