Zaak C-218/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
«Niet-nakoming – Richtlijn 96/29/Euratom – Bescherming van gezondheid van bevolking en werknemers tegen aan ioniserende straling verbonden gevaren – Ontbreken van uitvoering op gehele grondgebied»
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 29 januari 2004
Samenvatting van het arrest
Beroep wegens niet-nakoming – Onderzoek van gegrondheid door Hof – In aanmerking te nemen situatie – Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 141 EA)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
29 januari 2004 (1)
„Niet-nakoming – Richtlijn 96/29/Euratom – Bescherming van gezondheid van bevolking en werknemers tegen aan ioniserende straling verbonden gevaren – Geen omzetting op het gehele grondgebied”
In zaak C-218/02,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. F. Cusack en vervolgens door X. Lewis als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door K. Manji als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, door niet voor zijn gehele grondgebied de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PB L 159, blz. 1), althans door de Commissie niet van die bepalingen in kennis te stellen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),,
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans (rapporteur), waarnemend voor de president van de Vierde kamer, A. La Pergola en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 juni 2002, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 141, tweede alinea, EA beroep ingesteld tot vaststelling dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, door niet voor zijn gehele grondgebied de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PB L 159, blz. 1; hierna: richtlijn), of de Commissie niet van die bepalingen in kennis te stellen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Toepasselijke bepalingen
Het EGA-Verdrag
2 Volgens artikel 2, sub b, EA moet de Gemeenschap onder de in het EGA-Verdrag bepaalde voorwaarden uniforme veiligheidsnormen vaststellen voor de gezondheidsbescherming van de bevolking en de werknemers en ervoor waken dat deze worden toegepast.
3 Ingevolge artikel 30, eerste alinea, EA worden hiertoe in de Gemeenschap met name basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werknemers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren vastgesteld.
4 Luidens artikel 30, tweede alinea, EA wordt onder basisnormen verstaan:
a) de met voldoende veiligheid maximaal toelaatbare doses;
b) de maximaal toelaatbare bestraling en besmetting;
c) de grondbeginselen van het medisch toezicht op de werknemers
.
5 Artikel 31 EA bepaalt op welke wijze deze basisnormen worden voorbereid en vastgesteld, terwijl artikel 32, eerste alinea, EA bepaalt dat deze normen op verzoek van de Commissie of van een lidstaat volgens de in artikel 31 bepaalde procedure kunnen worden herzien of geactualiseerd.
6 Ten slotte bepaalt artikel 33 EA: Elke lidstaat vaardigt passende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen uit om de vastgestelde basisnormen te doen naleven en neemt de nodige maatregelen met betrekking tot het onderwijs, de opvoeding en de beroepsopleiding.De Commissie doet alle aanbevelingen om de te dien aanzien in de lidstaten toepasselijke bepalingen met elkander in overeenstemming te brengen.Hiertoe moeten de lidstaten deze bepalingen, zoals zij van toepassing zijn bij de inwerkingtreding van dit Verdrag, alsmede de latere ontwerpbepalingen van gelijke aard aan de Commissie mededelen.De eventuele aanbevelingen van de Commissie, die betrekking hebben op de ontwerpbepalingen, moeten worden gedaan binnen drie maanden na de mededeling van deze ontwerpen.
De richtlijn
7 De op basis van de artikelen 31 en 32 EGA-Verdrag vastgestelde richtlijn heeft tot doel, de bestaande basisnormen te herzien rekening houdend met de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis omtrent stralingsbescherming. Zoals uit de formulering van de negende overweging van de considerans van de richtlijn blijkt, houdt deze richtlijn met name in dat de lidstaten bepaalde handelingen die risico's ten gevolge van ioniserende straling met zich brengen, aan een stelsel van melding en voorafgaande vergunningen dienen te onderwerpen of bepaalde handelingen dienen te verbieden. Voorts moeten de lidstaten, volgens de veertiende overweging van de considerans van de richtlijn, nauwer met elkaar en met derde landen samenwerken, zodat zij voorbereid zijn op eventuele radiologische noodsituaties en deze gemakkelijker kunnen beheersen zo zich voordoen.
8 Wat de omzetting van de richtlijn in de wetgeving van de lidstaten betreft, bepaalt artikel 55 van de richtlijn:
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om voor 13 mei 2000 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
[...]
2. De lidstaten delen de Commissie de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Precontentieuze procedure
9 Bij brieven van 20 december 1999 en 17 mei 2000, hebben de Britse autoriteiten drie teksten tot omzetting van de richtlijn in nationaal recht aan de Commissie meegedeeld, namelijk de Ionizing Radiations Regulations 1999 (England and Wales), de Radioactive Substances (Basic Safety Standards) (Scotland) Regulations 2000, en de Radioactive Substances (Basic Safety Standards) (Scotland) Direction 2000.
10 De Commissie oordeelde echter op grond van deze teksten dat de richtlijn niet volledig binnen de gestelde termijn was omgezet, aangezien de meegedeelde omzettingsmaatregelen niet voldeden aan sommige bepalingen van de richtlijn, met name artikel 38, dat onder meer de erkenning van dosimetrische diensten betreft, artikel 42 inzake bescherming van vliegtuigbemanningen, en de artikelen 48 tot en met 53 betreffende interventies bij een radiologische noodsituatie of voortdurende blootstelling, en bovendien niet van toepassing waren in Noord-Ierland en Gibraltar. Bijgevolg leidde zij de procedure van artikel 141 EA in. Nadat zij het Verenigd Koninkrijk had aangemaand zijn opmerkingen te maken, heeft de Commissie op 9 februari 2001 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij deze lidstaat verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de ontvangst ervan, de nodige maatregelen te nemen om eraan te voldoen.
11 In de loop van de precontentieuze procedure hebben de Britse autoriteiten verschillende aanvullende maatregelen tot omzetting van de richtlijn aan de Commissie meegedeeld, met name op het gebied van bescherming van vliegtuigbemanningen, radiologische noodsituaties en de toepassing van de richtlijn in Noord-Ierland, doch geen van deze maatregelen strekte tot omzetting van de richtlijn in Gibraltar. Dienaangaande beschikte de Commissie in juni 2002 slechts over twee ontwerpteksten die de Britse autoriteiten op 30 april 2001 bij haar hadden aangemeld, namelijk die van de Ionizing Radiation Regulations (2001) en de Radiation (Emergency Preparedness and Public Information) Regulations (2001).
12 Van oordeel dat deze maatregelen dus niet op het gehele grondgebied van het Verenigd Koninkrijk van toepassing waren, zodat de richtlijn slechts ten dele was omgezet, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
De niet-nakoming
13 Dienaangaande behoeft slechts te worden vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk niet ontkent dat het, bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, de voor de omzetting van de richtlijn in Gibraltar noodzakelijke maatregelen nog niet had genomen.
14 Aangezien volgens vaste rechtspraak deze termijn bepalend is om uit te maken of er sprake is van een niet-nakoming (zie met name arresten van 4 juli 2002, Commissie/Griekenland, C-173/01, Jurispr. blz. I-6129, punt 7, en 15 mei 2003, Commissie/Frankrijk, C-483/01, Jurispr. blz. I-4961, punt 22), moet het beroep van de Commissie gegrond worden verklaard.
15 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk, door niet binnen de gestelde termijn voor zijn gehele grondgebied de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
16 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Daar het Verenigd Koninkrijk in het ongelijk is gesteld, dient het, overeenkomstig de vordering van de Commissie, in de kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn voor zijn gehele grondgebied de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren, is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt verwezen in de kosten.
Timmermans
La Pergola
von Bahr
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 29 januari 2004.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy