Zaak C‑288/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Helleense Republiek
„Zeevervoer – Vrij verrichten van diensten – Cabotage in zeevervoer”
Samenvatting van het arrest
1. Vervoer – Zeevervoer – Vrij verrichten van diensten – Beperkingen – Nationale maatregel waarbij verrichten van cabotage in zeevervoer afhankelijk wordt gesteld van overlegging, door in tweede register of internationaal register ingeschreven schepen uit Gemeenschap, van attest waaruit blijkt dat deze schepen in vlaggenstaat cabotagediensten mogen verrichten – Toelaatbaarheid – Voorwaarden – Bewijslast
(Verordening nr. 3577/92 van de Raad, art. 1)
2. Vervoer – Zeevervoer – Vrij verrichten van diensten – Cabotage in zeevervoer – Verordening nr. 3577/92 – Begrip „eiland”
(Verordening nr. 3577/92 van de Raad)
3. Vervoer – Zeevervoer – Vrij verrichten van diensten – Cabotage in zeevervoer – Beginsel van verantwoordelijkheid van vlaggenstaat voor aangelegenheden in verband met bemanning – Werkingssfeer – Cruiseschepen die cabotage met eilanden verrichten – Daaronder begrepen – Voorwaarde
(Verordening nr. 3577/92 van de Raad, art. 3, lid 1)
1. Een nationale maatregel waarbij het verrichten van cabotage in het zeevervoer afhankelijk wordt gesteld van de overlegging, door in een tweede register of in een internationaal register ingeschreven schepen uit de Gemeenschap, van een attest van een bevoegde instantie van de vlaggenstaat waaruit blijkt dat deze cabotagediensten mogen verrichten, vormt een beperking op het vrij verrichten van deze diensten.
Een dergelijke maatregel kan niettemin worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang indien hij van toepassing is op alle personen of ondernemingen die een activiteit uitoefenen op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst, geschikt is voor de verwezenlijking van het gestelde doel, en niet verder gaat dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is. Met betrekking tot laatstgenoemde voorwaarden inzake de evenredigheid van de desbetreffende maatregel wordt door de Commissie, die in het kader van een procedure wegens niet‑nakoming de bewijslast draagt, waar zij alternatieve oplossingen voorstelt die niet geschikt zijn om de beoogde doelstelling volledig te bereiken of die in de praktijk moeilijker blijken te zijn en het vrij verrichten van diensten meer blijken te beperken dan de attestregeling, niet bewezen, dat er sprake is van niet-nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit verordening nr. 3577/92 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer).
(cf. punten 30‑33, 35)
2. Een eiland in de zin van verordening nr. 3577/92 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer) vormt een landmassa die op duurzame wijze boven het zeewater uitsteekt.
Een dergelijke kwalificatie kan niet worden gegeven aan een landmassa die van de rest van het continent alleen is gescheiden door een kunstmatig kanaal dat enige tientallen meters breed is.
(cf. punten 42‑43)
3. Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 3577/92 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer) is van toepassing op alle cruiseschepen, ongeacht de vorm van cabotage die zij verrichten. Bij cruiseschepen van meer dan 650 bruto ton die cabotage met eilanden verrichten, behoren derhalve alle aangelegenheden in verband met de bemanning tot de verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat.
(cf. punten 54, 56)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
21 oktober 2004(1)
„Zeevervoer – Vrij verrichten van diensten – Cabotage in het zeevervoer”
In zaak C‑288/02, betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG,ingesteld op 9 augustus 2002,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Simonsson en M. Patakia als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door E.‑M. Mamouna als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans (rapporteur), kamerpresident, C. Gulmann en R. Schintgen, rechters,
advocaat-generaal: A. Tizzano,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gelet op de opmerkingen van partijen,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 mei 2004,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Helleense Republiek:
– door het recht om passagiers te vervoeren tussen de havens van het Griekse vasteland en het recht om tussen de Griekse eilanden cruisediensten te verrichten met passagiersschepen van meer dan 650 bruto ton, uitdrukkelijk voor te behouden aan Griekse passagiersschepen;
– door voor schepen uit de Gemeenschap die in een tweede of een internationaal register zijn geregistreerd, een attest van een bevoegde instantie van de vlaggenstaat te verlangen waaruit blijkt dat het schip cabotagediensten mag verrichten;
– door de Peloponnesos als een eiland te beschouwen;
– door op tankschepen, vrachtschepen, passagiersschepen en toeristenschepen uit de Gemeenschap, alsook op cruiseschepen uit de Gemeenschap, die cabotage in het zeevervoer verrichten, als staat van ontvangst haar nationale regels inzake bemanning toe te passen, en door de reders te verplichten, bij de directie controle van koopvaardijschepen (DEEP) een verzoek tot meting van de brutotonnenmaat van het schip in te dienen, opdat de Griekse autoriteiten de samenstelling van de bemanning kunnen beoordelen,
de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 1, 3 en 6 van verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer) (PB L 364, blz. 7; hierna: „verordening”).
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht
2 Artikel 1, lid 1, van de verordening bepaalt:
„Met ingang van 1 januari 1993 wordt het vrij verrichten van zeevervoerdiensten binnen een lidstaat (cabotage in het zeevervoer) ingevoerd voor reders uit de Gemeenschap die met in een lidstaat geregistreerde schepen varen welke de vlag van een lidstaat voeren, mits die schepen voldoen aan alle eisen voor toelating tot cabotage van die lidstaat, met inbegrip van bij EUROS geregistreerde schepen, zodra dit register door de Raad is goedgekeurd.”
3 Artikel 2 van de verordening bepaalt:
„In deze verordening:
1) wordt onder ‚zeevervoerdiensten binnen een lidstaat (cabotage in het zeevervoer)’ verstaan: diensten die gewoonlijk tegen vergoeding worden verricht en met name het volgende omvatten:
a) cabotage met het vasteland: het vervoer over zee van passagiers of goederen tussen havens op het vasteland of het hoofdgrondgebied van een lidstaat, waarbij geen eilanden worden aangedaan;
[…]
c) cabotage met eilanden: het vervoer over zee van passagiers of goederen tussen:
– havens op het vasteland en op een of meer eilanden van een lidstaat;
– havens op eilanden van een lidstaat;
Ceuta en Melilla worden op dezelfde wijze behandeld als havens op eilanden;
[…]”
4 Artikel 3 van de verordening luidt:
„1. Alle aangelegenheden in verband met de bemanning van schepen die cabotage met het vasteland verrichten en van cruiseschepen, behoren tot de verantwoordelijkheid van de staat waar het schip geregistreerd is (vlaggenstaat), behalve in geval van schepen van minder dan 650 bruto ton, waarop de voorwaarden van de staat van ontvangst mogen worden toegepast.
2. Voor schepen die cabotage met eilanden verrichten, behoren alle aangelegenheden in verband met de bemanning tot de verantwoordelijkheid van de staat waarin het schip een zeevervoerdienst verricht (staat van ontvangst).
[…]”
5 Artikel 6 van de verordening bepaalt:
„1. Bij wijze van uitzondering worden de volgende zeevervoerdiensten in de Middellandse Zee en langs de kust van Spanje, Portugal en Frankrijk, tijdelijk uitgesloten van de toepassing van deze verordening:
– cruisediensten, tot 1 januari 1995,
– vervoer van strategische goederen (aardolie, aardolieproducten en drinkwater), tot 1 januari 1997,
– diensten met schepen van minder dan 650 bruto ton, tot 1 januari 1998,
– geregelde passagiers- en veerdiensten, tot 1 januari 1999.
2. Bij wijze van uitzondering wordt cabotage met eilanden in de Middellandse Zee en cabotage ten aanzien van de Canarische eilanden, de Azoren en Madeira, Ceuta en Melilla, de Franse eilanden langs de Atlantische kust en de Franse overzeese departementen tijdelijk vrijgesteld van de toepassing van deze verordening tot 1 januari 1999.
3. Ter wille van de sociaal-economische samenhang is de in lid 2 bedoelde uitzondering tot 1 januari 2004 van toepassing op Griekenland voor geregelde passagiers- en veerdiensten en voor diensten met schepen van minder dan 650 bruto ton.”
6 Artikel 9 van de verordening luidt:
„Voordat de lidstaten ter uitvoering van deze verordening wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen, raadplegen zij de Commissie. Zij stellen haar in kennis van de maatregelen die zij aldus hebben getroffen.”
7 Artikel 10 van de verordening bepaalt:
„De Commissie legt de Raad vóór 1 januari 1995, en na deze datum elke twee jaar, een verslag over de uitvoering van deze verordening voor en dient in voorkomend geval tevens de nodige voorstellen in.”
Bepalingen van nationaal recht
8 Het Ypourgeio Emporikis Naftilias (ministerie van koopvaardij) heeft in augustus en december 1998 drie circulaires voor de binnenlandse havenautoriteiten gepubliceerd.
9 Circulaire nr. 1151.65/1/98 van 4 augustus 1998, met de titel „Activiteiten van vrachtschepen en tankschepen die onder een gemeenschapsvlag cabotage in het zeevervoer verrichten”, bepaalt dat de verordening deel uitmaakt van de Griekse wetgeving en voorrang heeft op elke andersluidende bepaling. Volgens artikel 2.1.1 van deze circulaire behoren de havens van de Peloponnesos tot de havens op eilanden.
10 Krachtens artikel 2.1.2 moet een reder die met in een tweede register of in een internationaal register geregistreerde schepen vaart, om tot cabotage te worden toegelaten, het bewijs overleggen dat het betrokken schip in de oorspronkelijke vlaggenstaat vervoersactiviteiten mag verrichten.
11 Circulaire nr. 1151.65/2/98 van 18 december 1998, met de titel „Activiteiten van passagiers-, toeristen- en cruiseschepen die onder een gemeenschapsvlag in Griekse wateren toeristische rondvaarten (cruises) verrichten”, bevat opnieuw de bepalingen van de voorgaande circulaire met betrekking tot de Peloponnesos. Punt 2.4.1 daarvan luidt:
„In het algemeen is de Griekse wetgeving (als wetgeving van de staat van ontvangst) van toepassing op de samenstelling van de bemanning van passagiers-, toeristen- en cruiseschepen uit de Gemeenschap die gemachtigd zijn om cruises te verrichten tussen de kusthavens van het vasteland en de eilanden of tussen de havens op onze eilanden, terwijl de wetgeving van de vlaggenstaat van toepassing is op cruises tussen kusthavens op het vasteland.”
12 Circulaire nr. 2311.10/10/98 van 21 december 1998, met de titel „Bemanning van vrachtschepen, tankschepen en cruiseschepen die onder communautaire vlag cabotage in het zeevervoer verrichten”, bepaalt dat de voorschriften van de Griekse marine inzake bemanning worden toegepast.
De precontentieuze procedure
13 Na een eerste briefwisseling over de uitvoering van de verordening door de Helleense Republiek na 1 januari 1999, heeft de Commissie, die van mening was dat deze lidstaat niet alle verplichtingen die uit deze verordening voortvloeien, was nagekomen, de Helleense Republiek op 3 mei 2000 een aanmaningsbrief gezonden, waarop deze bij brief van 28 juli 2000 heeft geantwoord.
14 Aangezien dit antwoord en de informatie die haar op een werkvergadering van 16 februari 2001 werden verstrekt, haar geen voldoening gaven, heeft de Commissie de Helleense Republiek op 18 juli 2001 een met redenen omkleed advies gezonden, waarop deze bij brief van 12 oktober 2001 heeft geantwoord.
15 Van oordeel dat de Helleense autoriteiten niet de nodige maatregelen hadden genomen om te voldoen aan de verplichtingen uit hoofde van de verordening, heeft de Commissie besloten het onderhavige beroep in te stellen.
Ten gronde
16 Rekening houdend met een aantal verduidelijkingen van de Griekse regering heeft de Commissie in repliek en ter terechtzitting respectievelijk afgezien van het tweede onderdeel van de vierde grief en van de eerste grief.
17 Derhalve zullen enkel de tweede en de derde grief alsmede het eerste onderdeel van de vierde grief van de Commissie worden onderzocht.
De tweede grief
Argumenten van partijen
18 Volgens de Commissie belemmeren de Griekse autoriteiten het vrij verrichten van diensten door voor schepen uit de Gemeenschap die in een tweede register of in een internationaal register zijn geregistreerd, een attest van een bevoegde instantie van de vlaggenstaat te verlangen waaruit blijkt dat dit vaartuig cabotagediensten mag verrichten.
19 Zelfs indien wordt aangenomen dat deze belemmering haar rechtvaardiging vindt in een dwingende reden van algemeen belang, gaat het volgens de Commissie om een onevenredige maatregel die verder gaat dan hetgeen noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken.
20 Hetzelfde resultaat kan immers worden bereikt door minder beperkende maatregelen, zoals de verplichting tot overlegging van een afschrift van de wetgeving van de lidstaat krachtens welke in internationale registers geregistreerde schepen vervoer binnen de lidstaat mogen verrichten, of het jaarlijks verstrekken van informatie, door de nationale autoriteiten aan de desbetreffende autoriteiten van de andere lidstaten, over de ontwikkelingen in hun scheepvaartwetgeving. In geval van twijfel kunnen de Griekse autoriteiten ook inlichtingen inwinnen bij de Commissie.
21 Voorts zijn de verslagen die de Commissie overeenkomstig artikel 10 van de verordening om de twee jaar ten behoeve van de lidstaten publiceert, een nuttig instrument om na te gaan of is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het verrichten van cabotage in de vlaggenstaat.
22 De doeltreffendheid van deze maatregelen wordt bovendien vergroot door de verbintenis die de Commissie is aangegaan om de lidstaten regelmatig te informeren over de nationale wetswijzigingen met betrekking tot de tweede registers, daaronder begrepen de wijzigingen die tussen twee verslagen hebben plaatsgevonden, voorzover deze krachtens artikel 9 van de verordening aan de Commissie zijn meegedeeld.
23 De Griekse regering verklaart dat er in sommige lidstaten registers bestaan, met name de zogenoemde tweede registers of internationale registers, waarin schepen zijn geregistreerd die niet noodzakelijk tot cabotage binnen deze lidstaten zijn toegelaten. Ter wille van de juiste toepassing van artikel 1 van de verordening moet de staat van ontvangst er zich derhalve van vergewissen dat het schip dat tot cabotage wenst te worden toegelaten, voldoet aan de vereisten om in de vlaggenstaat cabotage te mogen verrichten.
24 Wat deze schepen betreft, betwist de Griekse regering dat er voor het vrij verrichten van diensten minder beperkende maatregelen bestaan dan de verplichting tot overlegging van een attest van de vlaggenstaat waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden om in deze staat cabotage te verrichten.
25 Aangaande artikel 9 van de verordening merkt de Griekse regering op dat deze bepaling veeleer betrekking heeft op de verstrekking van informatie door de lidstaten aan de Commissie, en niet omgekeerd. Deze bepaling voorziet er dus niet echt in dat de Commissie de lidstaten voortdurend informatie verschaft.
26 Wat het krachtens artikel 10 van de verordening op te stellen verslag betreft, merkt de Griekse regering op dat dit meer dan een jaar na het verstrijken van de desbetreffende periode van twee jaar wordt gepubliceerd. Bijgevolg worden wetswijzigingen die een lidstaat op een bepaald ogenblik invoert en waardoor cabotage binnen dat land mogelijk wordt, door dit verslag slechts met aanzienlijke vertraging meegedeeld aan de lidstaten.
27 De Griekse attestregeling sluit dan ook beter aan bij het vrije verrichten van diensten, aangezien een wetswijziging in een andere lidstaat hierdoor onmiddellijk bekend wordt.
28 Bovendien is de door de Commissie voorgestelde oplossing, namelijk het overleggen van een afschrift van de wetgeving van de lidstaat krachtens welke in internationale registers geregistreerde schepen in deze lidstaat cabotage mogen verrichten, niet evenredig met de beoogde doelstelling. Deze oplossing is juist ingewikkelder, aangezien de wettekst volledig door een officiële instantie moet worden vertaald en aan de havenautoriteiten van de staat van ontvangst moet worden overgelegd.
Beoordeling door het Hof
29 Er zij aan herinnerd dat artikel 1 van de verordening duidelijk het beginsel van het vrij verrichten van cabotagediensten in het zeevervoer binnen de Gemeenschap vastlegt (arrest van 20 februari 2001, Analir e.a., C‑205/99, Jurispr. blz. I‑1271, punt 20).
30 Een nationale maatregel die erin bestaat voor in een tweede register of in een internationaal register geregistreerde schepen een attest van een bevoegde instantie van de vlaggenstaat te verlangen waaruit blijkt dat het schip cabotagediensten mag verrichten, belemmert het verrichten van die diensten of maakt dit minder aantrekkelijk en vormt dus een beperking op het vrije verkeer daarvan (zie in die zin arrest Analir e.a., reeds aangehaald, punt 22).
31 Aangaande de toelaatbaarheid van deze beperking zij in de eerste plaats opgemerkt dat de bewoordingen van artikel 1, lid 1, van de verordening op zich geen houvast bieden voor de beantwoording van de vraag, of een attest kan worden verlangd om na te gaan of, zoals deze bepaling voorschrijft, een schip voldoet aan alle eisen voor toelating tot cabotage in de vlaggenstaat (zie in die zin arrest Analir e.a., reeds aangehaald, punt 24).
32 In de tweede plaats moet eraan worden herinnerd, dat de vrijheid van dienstverrichting, als fundamenteel beginsel van het EG-Verdrag, slechts kan worden beperkt door regelingen die hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang en die van toepassing zijn op alle personen of ondernemingen die een activiteit uitoefenen op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst. Bovendien moet de betrokken nationale regeling, wil zij gerechtvaardigd zijn, geschikt zijn om de verwezenlijking van het gestelde doel te waarborgen en mag zij niet verder gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is (zie in die zin arrest Analir e.a., reeds aangehaald, punt 25, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 De tweede grief van de Commissie valt binnen deze laatste context, te weten de evenredigheid van de desbetreffende nationale regeling. De Commissie verwijt de Helleense Republiek hiermee immers dat zij van een schip uit de Gemeenschap een door de vlaggenstaat afgegeven attest verlangt, terwijl ter bereiking van de doelstelling, namelijk nagaan of dit schip voldoet aan alle voorwaarden om in deze staat cabotage te mogen verrichten, maatregelen bestaan die de vrijheid van dienstverrichting minder beperken.
34 Zoals de advocaat-generaal in de punten 27 tot en met 37 van zijn conclusie verklaart, zijn de door de Commissie voorgestelde alternatieve oplossingen evenwel niet geschikt om de beoogde doelstelling volledig te bereiken of blijken deze in de praktijk moeilijker te zijn en de vrijheid van dienstverrichting meer te beperken dan de thans bestaande attestregeling.
35 In deze omstandigheden is de Commissie, die in het kader van een procedure wegens niet-nakoming de bewijslast draagt (zie met name arrest van 23 oktober 1997, Commissie/Frankrijk, C‑159/94, Jurispr. blz. I‑5815, punt 102, en aldaar aangehaalde rechtspraak), er niet in geslaagd te bewijzen dat de Helleense Republiek, door dit attest te verlangen, haar verplichtingen uit hoofde van de verordening niet is nagekomen.
36 Bijgevolg moet de tweede grief worden afgewezen.
De derde grief
Argumenten van partijen
37 Volgens de Commissie betogen de Griekse autoriteiten, enkel op basis van de etymologie van de naam, ten onrechte dat de Peloponnesos een eiland is, waardoor de in artikel 6, lid 3, van de verordening bedoelde uitzondering kunstmatig wordt uitgebreid tot de cabotagediensten in het zeevervoer tussen de havens van de Peloponnesos en tussen de havens van het vasteland en die van de Peloponnesos.
38 Zij merkt dienaangaande op dat de Peloponnesos voorheen met het Griekse vasteland verbonden was, maar daarvan is gescheiden door een door mensenhand gegraven kanaal. Voorts zijn de Peloponnesos en het Griekse vasteland met elkaar verbonden door een spoorweglijn en een nationale weg over het Kanaal van Korinthe.
39 Volgens de Griekse regering gebruikt de verordening andere criteria dan de daadwerkelijke omringing door de zee, om havens aan te merken als havens op eilanden. Zij verwijst dienaangaande naar Ceuta en Melilla, die in artikel 2, lid 1, sub c, van de verordening als havens op eilanden worden aangemerkt, terwijl zij door hun ligging op de kust van het Afrikaanse continent duidelijk havens op het vasteland zijn.
40 Voorts stelt de Griekse regering onder verwijzing naar het arrest van 19 oktober 2000, Italië en Sardegna Lines/Commissie (C‑15/98 en C‑105/99, Jurispr. blz. I‑8855), dat het beslissende criterium om uit te maken of een geografisch gebied al dan niet een eiland vormt, is gelegen in statistisch onderzoek van het handelsverkeer over zee.
41 Rekening houdend met de geest van tolerantie en begrip ten aanzien van bepaalde economieën van de Gemeenschap die bijzondere kenmerken vertonen, getuige de considerans van de verordening alsook artikel 6, lid 3, daarvan, dat ter wille van de sociaal-economische samenhang in een uitzondering voorziet voor Griekenland, moet deze uitzondering eveneens op de Peloponnesos worden toegepast.
Beoordeling door het Hof
42 Aangezien de verordening geen omschrijving van het begrip „eiland” omvat, moet te rade worden gegaan met de gebruikelijke betekenis van dit begrip, dat, in een maritieme context, kan worden omschreven als een landmassa die op duurzame wijze boven het zeewater uitsteekt.
43 Zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie opmerkt, staat vast dat de Peloponnesos in geografisch opzicht een schiereiland is. Het is overigens van de rest van Griekenland enkel gescheiden door een kunstmatig kanaal dat enige tientallen meters breed is. Om die reden kan het niet worden aangemerkt als eiland in de zin van de verordening.
44 Het feit dat artikel 2 van de verordening de havens van Ceuta en Melilla gelijkstelt met havens op eilanden, verzet zich niet tegen deze uitlegging.
45 Deze twee havens vormen immers enkel havens op eilanden omdat zij krachtens artikel 2 van de verordening met die havens zijn gelijkgesteld. Naar hun aard zijn zij dat niet. Een vergelijking tussen Ceuta en Melilla enerzijds en de havens van de Peloponnesos anderzijds, die in artikel 2 van de verordening niet met havens op eilanden worden gelijkgesteld, vormt derhalve veeleer een weerlegging dan een bevestiging van de stelling van de Griekse regering dat de Peloponnesos een eiland is.
46 Overigens zijn de havens van deze steden, zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie opmerkt, weliswaar continentaal ten opzichte van het Afrikaanse vasteland, maar kunnen zij ten opzichte van het Europese vasteland, met name het Iberische schiereiland, worden gelijkgesteld met havens op eilanden omdat er geen verbindingen over land met Spanje zijn.
47 Aangaande het reeds aangehaalde arrest Italië en Sardegna Lines/Commissie, waarnaar de Griekse regering verwijst, kan worden volstaan met de vaststelling dat het Hof zich in dat arrest niet heeft uitgesproken over het begrip „eiland”.
48 Ten slotte kan de door de Griekse regering voorgestane ruime uitlegging van artikel 6, lid 3, van de verordening niet worden aanvaard omdat deze bepaling, die een uitzondering vormt op de algemene regels van de verordening inzake het vrij verrichten van zeevervoerdiensten binnen een lidstaat, strikt moet worden uitgelegd.
49 Bijgevolg is de derde grief van de Commissie gegrond.
Het eerste onderdeel van de vierde grief
Argumenten van partijen
50 Ter terechtzitting heeft de Commissie verduidelijkt dat het eerste onderdeel van de vierde grief enkel betrekking heeft op het feit dat de Griekse wetgeving inzake scheepsbemanning krachtens punt 2.4.1 van circulaire nr. 1151.65/2/98 van toepassing is op cruiseschepen van meer dan 650 bruto ton uit de Gemeenschap, die cabotage met eilanden verrichten.
51 Zij betoogt dat deze bepaling van de circulaire in strijd is met artikel 3, lid 1, van de verordening, krachtens hetwelk alle aangelegenheden in verband met de bemanning tot de verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat behoren, behalve in geval van schepen van minder dan 650 bruto ton, waarop de voorwaarden van de staat van ontvangst mogen worden toegepast. Volgens de Commissie volgt uit de letter van voormelde bepaling dat deze van toepassing is op alle cruiseschepen, ongeacht of zij cabotage met het vasteland dan wel met eilanden verrichten.
52 Volgens de Griekse regering behoren alle aangelegenheden in verband met de bemanning, voor alle categorieën van schepen die cabotage tussen havens op eilanden verrichten, cruiseschepen inbegrepen, ingevolge artikel 3, lid 2, van de verordening tot de verantwoordelijkheid van de staat van ontvangst.
Beoordeling door het Hof
53 Zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 3, lid 1, van de verordening, is deze van toepassing op schepen die cabotage met het vasteland verrichten en op cruiseschepen. Artikel 3, lid 2, is van toepassing op schepen die cabotage met eilanden verrichten.
54 Nu een omschrijving van de term „cruiseschepen” in artikel 3, lid 1, van de verordening ontbreekt, is deze bepaling van toepassing op alle cruiseschepen, ongeacht de vorm van cabotage die zij verrichten.
55 Deze uitlegging wordt bevestigd door het feit dat, zoals de advocaat-generaal in punt 54 van zijn conclusie opmerkt, de vermelding van cruiseschepen in artikel 3, lid 1, van de verordening geen zin meer zou hebben indien cruiseschepen die cabotage met eilanden verrichten, moesten worden geacht onder artikel 3, lid 2, te vallen, aangezien de bewoordingen „schepen die cabotage met het vasteland verrichten” reeds cruiseschepen omvatten die deze vorm van cabotage verrichten.
56 Wat cruiseschepen van meer dan 650 bruto ton betreft die cabotage met eilanden verrichten, behoren derhalve alle aangelegenheden in verband met de bemanning tot de verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat. Aangezien punt 2.4.1 van de circulaire het tegendeel bepaalt, is de Helleense Republiek de verplichtingen uit hoofde van de verordening niet nagekomen.
57 Bijgevolg is het eerste onderdeel van de vierde grief gegrond.
Kosten
58 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Volgens artikel 69, lid 3, eerste alinea, van dit reglement kan het Hof evenwel beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Nu de Commissie en de Helleense Republiek gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, moet worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) Door de Peloponnesos als een eiland te beschouwen en door op cruiseschepen uit de Gemeenschap van meer dan 650 bruto ton die cabotage met eilanden verrichten, als staat van ontvangst haar nationale regels inzake bemanning toe te passen, is de Helleense Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 1, 3 en 6 van verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer).
2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.
3) Elke partij wordt verwezen in haar eigen kosten.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy