Zaak C‑301/02 P
Carmine Salvatore Tralli
tegen
Europese Centrale Bank
„Hogere voorziening – Personeel van Europese Centrale Bank – Aanwerving – Verlenging van proeftijd – Ontslag tijdens proeftijd”
Conclusie van advocaat-generaal P. Léger van 17 februari 2005
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 26 mei 2005.
Samenvatting van het arrest
1. Europese Gemeenschappen – Communautaire instellingen en organen – Uitoefening van bevoegdheden – Delegaties – Voorwaarden – Europese Centrale Bank – Delegatie door Raad van bestuur aan Directie toegekend inzake vaststelling van personeelsverordeningen en ‑regelingen – Wettigheid
(Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, art. 12.3 en 36.1; Reglement van orde van de Europese Centrale Bank, art. 21.3)
2. Ambtenaren – Personeelsleden van Europese Centrale Bank – Personeelsverordeningen en ‑regelingen – Goedkeuring door Directie via delegatie van Raad van bestuur – Nadere voorschriften inzake proeftijd – Voorschriften die door Raad van bestuur vastgestelde arbeidsvoorwaarden en grenzen van delegatie eerbiedigen
(Reglement van orde van de Europese Centrale Bank, art. 21.3; arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de Europese Centrale Bank, art. 10, sub b, en 11, sub a‑i)
3. Europese Centrale Bank – Interne organisatiebevoegdheid – Delegatie door Directie van Bank aan vice-president van bevoegdheid om besluiten te nemen over verlenging van proeftijd van nieuw aangeworven personeelsleden – Toelaatbaarheid
4. Ambtenaren – Personeelsleden van Europese Centrale Bank – Aanwerving – Proeftijd – Uitzonderlijke omstandigheden die verlenging kunnen rechtvaardigen – Twijfel omtrent beroepsbekwaamheid van personeelslid – Daaronder begrepen
(Personeelsverordeningen en ‑regelingen voor het personeel van de Europese Centrale Bank, art. 2.1.2)
5. Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste beoordeling van feiten – Niet-ontvankelijkheid – Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs – Uitgesloten, behoudens geval van verkeerde opvatting
(Art. 225, lid 1, EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51, eerste alinea)
6. Hogere voorziening – Middelen – Middel gericht tegen beslissing van Gerecht over kosten – Niet-ontvankelijkheid in geval van afwijzing van alle andere middelen
(Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51, tweede alinea)
1. Een communautaire instelling of een communautair orgaan is bevoegd om een geheel van maatregelen vast te stellen betreffende de organisatie en de delegatie van bevoegdheden aan besluitvormende organen binnen die instelling of dat orgaan, met name inzake het beheer van het eigen personeel.
Dergelijke bevoegdheidsoverdrachten dienen aan een aantal voorwaarden te voldoen. Om te beginnen kan het delegerend gezag geen bevoegdheden overdragen die ruimer zijn dan die welke het zelf heeft ontvangen. Vervolgens dient de uitoefening van de aan het gezag waaraan is gedelegeerd, toevertrouwde bevoegdheden te zijn onderworpen aan dezelfde voorwaarden als die welke zouden gelden indien het delegerend gezag die bevoegdheden rechtstreeks uitoefende, met name wat de vereisten op het vlak van de motivering en de openbaarmaking betreft. Ten slotte moet het delegerend gezag, zelfs indien het gemachtigd is zijn bevoegdheden over te dragen, een beschikking geven waarbij de bevoegdheden uitdrukkelijk worden gedelegeerd, en kan de overdracht slechts nauwkeurig omschreven uitvoerende bevoegdheden tot voorwerp hebben.
De delegaties van bevoegdheden inzake personeel binnen de Europese Centrale Bank voldoen geheel aan deze voorwaarden. De Raad van bestuur van de Bank, die bevoegd is om de personeelsverordeningen en ‑regelingen vast te stellen, en met name de arbeidsvoorwaarden, heeft in artikel 21.3 van het Reglement van Orde van de Europese Centrale Bank immers uitdrukkelijk bepaald dat het aan de Directie staat om de uitvoeringsmodaliteiten van genoemde arbeidsvoorwaarden goed te keuren en aan te passen.
(cf. punten 42‑45)
2. De artikelen 2.1.2 en 2.1.3 van de door de Directie vastgestelde personeelsverordeningen en ‑regelingen van de Bank, die een aantal omstandigheden noemen die zich tijdens de proeftijd kunnen voordoen en op grond waarvan in het bijzonder enerzijds de proeftijd kan worden verlengd en anderzijds de overeenkomst gedurende deze periode kan worden beëindigd, blijven binnen de grenzen van de bij artikel 21.3 van het Reglement van Orde van de Bank aan de Directie van de Europese Centrale Bank toegekende uitvoeringsbevoegdheden.
Deze bepalingen maken geen inbreuk op artikel 10, sub b, van de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de Europese Centrale Bank, dat bepaalt dat de Directie in overeenstemming met de personeelsverordeningen en ‑regelingen een proeftijdregeling kan opstellen. Deze bepalingen treden evenmin buiten het door artikel 11, sub a‑i, van de arbeidsvoorwaarden vastgelegde kader wat de omstandigheden betreft waarin de Bank de met haar personeelsleden gesloten overeenkomsten kan beëindigen.
Nu de Directie immers overeenkomstig artikel 10, sub b, van de arbeidsvoorwaarden bevoegd is om de nadere regels voor de proeftijd vast te stellen, is zij binnen de grenzen van haar bevoegdheden ter zake gebleven door te bepalen dat een overeenkomst tijdens die periode, waarin in het bijzonder wordt gelet op de prestaties van de betrokken werknemer, kan worden ontbonden „in geval van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het ambt”. Wanneer de Directie de overeenkomst tijdens de proeftijd kan beëindigen, moet zij des te meer de mogelijkheid hebben om deze proeftijd eenzijdig te verlengen.
(cf. punten 47‑50)
3. De communautaire instellingen en organen bezitten een interne organisatiebevoegdheid in die zin dat hun collegiale organen aan één of meer van hun leden de bevoegdheid kunnen delegeren om op het vlak van personeelsbeheer besluiten van individuele aard te nemen op een gebied waarvoor reeds door het betrokken collegiaal orgaan een algemene regeling is opgesteld.
Een besluit van de Directie van de Europese Centrale Bank dat aan haar vice-president de bevoegdheid delegeert om de besluiten te nemen over de verlenging van de proeftijd van nieuw aangeworven personeelsleden is een geldige machtiging. Een dergelijk besluit leidt er niet toe dat de Directie haar regelgevende bevoegdheid uit handen wordt genomen, maar beperkt zich tot individuele besluiten met betrekking tot de verlenging van de proeftijd van een nieuw aangeworven personeelslid en heeft geenszins betrekking op vraagstukken van algemene aard. Bovendien worden de door de vice-president van de Bank genomen besluiten tot verlenging van de proeftijd genomen namens de Directie, die daarvoor de volledige verantwoordelijkheid draagt.
(cf. punten 57, 60)
4. De Europese Centrale Bank beschikt voor het beheer van haar personeel over een ruime beoordelingsvrijheid teneinde de haar toevertrouwde taak van algemeen belang te kunnen vervullen.
Hieruit volgt dat een communautaire instelling of orgaan zich er in het bijzonder tijdens de proeftijd van moet verzekeren dat de betrokkene alle persoonlijke en professionele voorwaarden vervult om de post waarvoor hij was aangeworven, te bezetten en de daarmee samenhangende functies uit te oefenen. In deze context kan een verlenging van de proeftijd een daartoe geschikte maatregel zijn.
Bijgevolg kan het bestaan van twijfel omtrent de bekwaamheid van een nieuw aangeworven werknemer een „uitzonderlijke omstandigheid” in de zin van artikel 2.1.2 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen van de Europese Centrale Bank zijn, die een verlenging van diens proeftijd rechtvaardigt.
(cf. punten 71‑73)
5. Het Hof is niet bevoegd om in het kader van een hogere voorziening de feiten vast te stellen noch, in beginsel, om de bewijzen te onderzoeken op basis waarvan het Gerecht deze feiten heeft vastgesteld. Wanneer deze bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedureregels inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn gerespecteerd, staat het alleen aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen. Deze beoordeling levert dus geen rechtsvraag op die vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs.
(cf. punt 78)
6. Wanneer alle andere middelen in hogere voorziening zijn afgewezen, moeten de conclusies betreffende de beweerde onregelmatigheid van de beslissing van het Gerecht over de kosten niet-ontvankelijk worden verklaard ingevolge artikel 51, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, volgens hetwelk een hogere voorziening niet uitsluitend betrekking kan hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten.
(cf. punt 88)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
26 mei 2005 (*)
„Hogere voorziening – Personeel van Europese Centrale Bank – Aanwerving – Verlenging van proeftijd – Ontslag tijdens proeftijd”
In zaak C-301/02 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 49 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie, ingesteld op 26 augustus 2002,
Carmine Salvatore Tralli, voormalig personeelslid van de Europese Centrale Bank, woonachtig te Nidderau (Duitsland), vertegenwoordigd door N. Pflüger, Rechtsanwalt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirant,
andere partij in de procedure:
Europese Centrale Bank, vertegenwoordigd door V. Saintot en M. Benisch als gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, Rechtsanwalt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, A. Rosas, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), S. von Bahr en K. Schiemann, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 juni 2004,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 februari 2005,
het navolgende
Arrest
1 Tralli verzoekt om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 2002, Tralli/ECB (T‑373/00, T‑27/01, T-56/01 en T-69/01, JurAmbt. blz. I-A-97 en II-453; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van zijn beroepen tot nietigverklaring van een aantal handelingen van de Europese Centrale Bank (ECB).
Toepasselijke bepalingen
2 Het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de ECB, dat is gehecht aan het EG-Verdrag (hierna: „ESCB-statuten”), bevat onder meer de volgende bepalingen:
„Artikel 12
[…]
12.3. De Raad van bestuur neemt een reglement van orde aan waarin de interne organisatie van de ECB en haar besluitvormende organen wordt geregeld.
[…]
Artikel 36
Personeel
36.1. De Raad van bestuur stelt op voorstel van de directie de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de ECB vast.
[…]”
3 Op basis van artikel 36.1 van de ESCB-statuten heeft de Raad van bestuur op 31 maart 1999 het besluit van 9 juni 1998 inzake de goedkeuring van de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de Europese Centrale Bank gewijzigd (PB L 125, blz. 32; hierna: „arbeidsvoorwaarden”). Deze arbeidsvoorwaarden, in de op de litigieuze feiten toepasselijke versie, bepalen onder meer:
„9. (a) De arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeelsleden wordt geregeld door in overeenstemming met de onderhavige arbeidsvoorwaarden gesloten arbeidsovereenkomsten. De personeelsverordeningen en ‑regelingen die door de Directie worden vastgesteld, preciseren de modaliteiten van deze arbeidsvoorwaarden.
[...]
10. (a) De arbeidsovereenkomsten tussen de ECB en haar personeelsleden hebben de vorm van aanstellingsbrieven die door de personeelsleden worden medeondertekend [...]
(b) Aanstellingen kunnen afhankelijk worden gesteld van een proeftijd overeenkomstig de in de personeelsverordeningen en ‑regelingen opgenomen bepalingen. De proeftijd kan in geen geval langer zijn dan twaalf maanden.
11. (a) De ECB kan op basis van een met redenen omkleed besluit van de Directie, in overeenstemming met de in de personeelsverordeningen en ‑regelingen omschreven procedure de met de personeelsleden gesloten overeenkomsten beëindigen om de volgende redenen:
(i) In geval van voortdurende ongeschiktheid voor het ambt […]
[...]
41. De personeelsleden kunnen met gebruikmaking van de in de personeelsverordeningen en -regelingen vastgestelde procedure bezwaren en klachten indienen met het oog op een administratief onderzoek van de samenhang van de in elk individueel geval verrichte handelingen met het personeelsbeleid en de arbeidsvoorwaarden van de ECB. Voor de personeelsleden die geen genoegdoening hebben verkregen na het administratieve onderzoek, staat de in de personeelsverordeningen en ‑regelingen vastgestelde klachtprocedure open.
Bovenbedoelde procedures kunnen niet worden gebruikt ter betwisting van:
[...]
(iii) enig besluit waarbij de aanstelling van een personeelslid op proef niet wordt bevestigd.
42. Na uitputting van alle beschikbare interne procedures is het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevoegd om uitspraak te doen in elk geschil tussen de ECB en een personeelslid of gewezen personeelslid op wie de onderhavige arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn.
Deze bevoegdheid is beperkt tot toetsing van de wettigheid van de maatregel of het besluit, behalve indien het geschil van geldelijke aard is, in welk geval het Hof van Justitie over volledige rechtsmacht beschikt.”
4 Op basis van artikel 12.3 van de ESCB-statuten heeft de Raad van bestuur in 1999 het Reglement van Orde van de ECB vastgesteld (PB L 125, blz. 34; hierna: „Reglement van Orde”). Artikel 21, „Arbeidsvoorwaarden”, van dit reglement luidt als volgt:
„21.1. De arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeel wordt bepaald door de arbeidsvoorwaarden en de personeelsverordeningen en -regelingen.
21.2. De arbeidsvoorwaarden worden op voorstel van de Directie door de Raad van bestuur goedgekeurd en aangepast. Uit hoofde van de in dit Reglement van Orde vastgelegde procedure wordt de Algemene Raad geraadpleegd.
21.3. De arbeidsvoorwaarden worden ten uitvoer gelegd door middel van personeelsverordeningen en -regelingen, welke door de Directie worden goedgekeurd en aangepast.
21.4. Het Personeelscomité wordt geraadpleegd alvorens tot goedkeuring van nieuwe arbeidsvoorwaarden of personeelsverordeningen en ‑regelingen wordt overgegaan. Het advies van het comité wordt aan respectievelijk de Raad van bestuur of de Directie voorgelegd.”
5 Op basis van artikel 21.3 van het Reglement van Orde van de ECB en van artikel 9, sub a, van de arbeidsvoorwaarden heeft de Directie van de ECB de „European Central Bank Staff Rules” vastgesteld (hierna: „personeelsverordeningen en ‑regelingen”), waarin onder meer is bepaald:
„2.1 Proeftijd
Artikel 10, sub b, van de arbeidsvoorwaarden wordt toegepast als volgt:
2.1.1 Voor aanstellingen geldt een proeftijd van drie maanden, tenzij de Directie afziet van de proeftijd. In uitzonderlijke omstandigheden kan de Directie overeenkomstig punt 2.1.2, sub a, hieronder een proeftijd vaststellen die langer is dan drie maanden.
[...]
2.1.2 Wanneer de betrokkene tijdens zijn proeftijd wegens ziekte, ongeval, moederschapsverlof of, in uitzonderlijke omstandigheden, buitengewoon verlof gedurende langer dan één maand verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, kan de Directie de proeftijd met een overeenkomstige periode verlengen.
Bovendien kan de Directie in uitzonderlijke omstandigheden:
a) de proeftijd verlengen tot hooguit twaalf maanden; of
b) de proeftijd verlengen tot hooguit twaalf maanden, en de betrokkene in een andere functie tewerkstellen.
2.1.3 Tijdens de proeftijd kan de Directie de overeenkomst, met een opzegtermijn van één maand, beëindigen in geval van onbekwaamheid of ongeschiktheid van de betrokkene voor het ambt.”
6 Bij besluit ECB/1999/7 (1999/811/EG) van 12 oktober 1999 heeft de ECB op basis van de artikelen 8 en 24 van het Reglement van Orde, het Reglement van Orde van de Directie van de ECB vastgesteld (PB L 314, blz. 34).
7 Volgens dit besluit was het „noodzakelijk [...] te komen tot […] een regime voor de delegatie van bevoegdheden [dat] […] het beginsel van de collegiale verantwoordelijkheid van de Directie in stand [houdt]”.
8 Het besluit bepaalt onder meer:
„Artikel 1
Aanvullend karakter van dit besluit
Dit besluit dient als aanvulling op het Reglement van Orde van de Europese Centrale Bank. De in dit besluit gebruikte termen hebben dezelfde betekenis als in het Reglement van Orde van de Europese Centrale Bank.
[…]
Artikel 5
Delegatie van bevoegdheden
1. De Directie kan één of meer van zijn leden machtigen om, in zijn naam en onder zijn toezicht, duidelijk omschreven maatregelen van beheer of bestuur te nemen, in het bijzonder het gebruik van instrumenten ter voorbereiding van een op een later tijdstip door de Directie vast te stellen besluit, en van instrumenten die definitieve door de Directie vastgestelde besluiten ten uitvoer leggen.
2. De Directie kan tevens, in overeenstemming met de president, een of twee van zijn leden vragen 1. de definitieve tekst van een instrument zoals bedoeld in artikel 5, lid 1, goed te keuren, op voorwaarde dat de Directie de hoofdinhoud van een dergelijk instrument reeds tijdens zijn beraadslagingen heeft vastgelegd, en/of 2. definitieve besluiten goed te keuren, waarbij een dergelijke machtiging betrekking heeft op beperkte en duidelijk omschreven uitvoeringsbevoegdheden, waarvan de uitoefening onderhevig is aan strikte toetsing in het licht van objectieve, door de Directie vastgelegde criteria.
3. De machtigingen en besluiten die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 5, leden 1 en 2, worden vastgelegd in de notulen van de vergaderingen van de Directie.
4. De aldus gedelegeerde bevoegdheden mogen uitsluitend worden gesubdelegeerd indien en voorzover er in het delegatiebesluit een specifieke bepaling voor dit doel is opgenomen.
[…]”
De aan het geding ten grondslag liggende feiten
9 Op 10 maart 2000 heeft de ECB een kennisgeving van vacature gepubliceerd voor de functie van beveiligingsbeambte, wiens taak in wezen bestond in de bewaking van de toegangen tot het gebouw van de ECB en de veiligheidscontrole bij de ontvangst van bezoekers.
10 Bij brief van 20 juni 2000 is rekwirant in deze functie aangesteld met ingang van 1 juli 2000. In deze aanstellingsbrief werd gepreciseerd dat op de arbeidsovereenkomst van de betrokkene de arbeidsvoorwaarden en de personeelsverordeningen en -regelingen van toepassing waren, en dat hij een proeftijd van drie maanden moest volbrengen.
11 Op 21 augustus 2000 heeft de hiërarchieke meerdere van rekwirant hem tijdens een onderhoud meegedeeld dat zijn arbeidsprestaties niet op het voor de betrokken functie vereiste niveau lagen.
12 De kwaliteit van deze prestaties werd eveneens besproken tijdens een onderhoud dat op 1 september 2000 plaatsvond tussen rekwirant, zijn hiërarchieke meerdere en twee andere medewerkers, waaronder de beveiligingscoördinator van de ECB.
13 Op 8 september 2000 heeft rekwirant een kopie van een interne nota ontvangen, waarin de beveiligingscoördinator van de ECB de genoemde hiërarchieke meerdere vroeg de proeftijd te verlengen. In deze nota werd te kennen gegeven dat de extra proeftijd noodzakelijk was wegens de ontoereikende arbeidsprestatie van rekwirant en om hem in staat te stellen om deel te nemen aan een aanvullende opleiding over zijn hoofdtaken alsmede over het beveiligingssysteem van de ECB. Volgens deze nota zou rekwirant zich bereid hebben verklaard om aan deze opleiding deel te nemen en hebben ingestemd met een verlenging van zijn proeftijd tot en met 31 december 2000. Rekwirant heeft op deze nota schriftelijk bevestigd dat hij er kennis van had genomen.
14 Op 18 september 2000 heeft de ECB rekwirant per brief het besluit betekend om zijn proeftijd tot en met 31 december 2000 te verlengen (hierna: „verlengingsbesluit”). Laatstgenoemde werd er eveneens van op de hoogte gesteld dat het besluit tot bevestiging van zijn aanstelling afhing van het niveau van zijn arbeidsprestatie tijdens de verlengde proeftijd.
15 Bij brief van 29 november 2000, op dezelfde dag aan rekwirant betekend en ondertekend door de directeur-generaal Administratie en personeelszaken alsmede door het hoofd van de afdeling Personeelsontwikkeling, is rekwirant op de hoogte gesteld van het besluit van de Directie om zijn overeenkomst te beëindigen met ingang van 31 december 2000 (hierna: „ontslagbesluit”). Ter motivering van dit besluit werd aangevoerd dat de arbeidsprestatie van rekwirant, zelfs tijdens de verlengde proeftijd, niet zodanig was verbeterd dat zij voldeed aan de minimale vereisten voor de functie in kwestie. Rekwirant zou in het bijzonder blijk hebben gegeven van tekortkomingen bij de handhaving van het beveiligingssysteem van de ECB en bij de inachtneming van de administratieve en organisatorische regels en procedures van het werk.
Het procesverloop voor het Gerecht
16 Bij verzoekschrift van 12 december 2000 heeft rekwirant bij het Gerecht beroep ingesteld tot, met name, nietigverklaring van het ontslagbesluit (zaak T-373/00).
17 Bovendien heeft rekwirant drie andere beroepen ingesteld, met name tot:
– nietigverklaring van het besluit van de president van de ECB houdende afwijzing van zijn klacht tegen het verlengingsbesluit (zaak T-27/01);
– vaststelling dat de president van de ECB ten onrechte heeft nagelaten een standpunt in te nemen betreffende zijn verzoek om het ontslagbesluit te onderzoeken (zaak T-56/01), en
– nietigverklaring van het besluit van de president van de ECB houdende afwijzing van zijn klacht tegen het ontslagbesluit (T-69/01).
18 Bij beschikking van 15 januari 2002 zijn deze verschillende beroepen gevoegd voor de mondelinge behandeling. Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht deze beroepen gevoegd voor het arrest, het beroep in zaak T-373/00 verworpen en vastgesteld dat het geen uitspraak meer behoefde te doen in de zaken T‑27/01, T‑56/01 en T-69/01.
19 Bij hetzelfde arrest heeft het Gerecht beslist dat in zaak T-373/00 iedere partij haar eigen kosten zal dragen, en dat in de zaken T-27/01, T-56/01 en T‑69/01 rekwirant zijn eigen kosten alsmede een derde van de kosten van de ECB zal dragen.
Het bestreden arrest
20 Om het beroep in zaak T-373/00 ten gronde te verwerpen, heeft het Gerecht in de eerste plaats overwogen dat de door rekwirant opgeworpen exceptie van onwettigheid met betrekking tot de door de ECB inzake personeelsbeheer vastgestelde voorschriften voor de delegatie van bevoegdheden niet gegrond was. Op dit punt luidde de motivering als volgt:
„43 Volgens verzoeker missen de personeelsverordeningen en ‑regelingen rechtsgrondslag. Zij hebben namelijk betrekking op de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de ECB en hadden dus krachtens artikel 36.1 van de ESCB-statuten door de Raad van bestuur op voorstel van de Directie moeten worden vastgesteld, en niet door de Directie, die hiertoe niet bevoegd was.
44 Dienaangaande volstaat het erop te wijzen dat in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest X/ECB [arrest van 18 oktober 2001, X/ECB, T‑333/99, JurAmbt. blz. I-A-199 en II-921; Jurispr. blz. II-3021] […], voor het Gerecht een exceptie van onwettigheid is opgeworpen die hetzelfde voorwerp had als die welke in casu door verzoeker wordt opgeworpen. In dat arrest heeft het Gerecht in de punten 96 tot en met 109 echter in wezen geoordeeld dat de personeelsverordeningen en ‑regelingen niet onwettig zijn, zoals verzoeker heeft voorgedragen, met name omdat de Raad van bestuur in artikel 21.3 van het Reglement van Orde aan de Directie de bevoegdheid heeft gedelegeerd om de uitvoeringsvoorwaarden voor de arbeidsvoorwaarden vast te stellen, dat wil zeggen de personeelsverordeningen en ‑regelingen.”
21 In de tweede plaats heeft het Gerecht overwogen dat het door rekwirant aangevoerde middel inzake schending van de arbeidsvoorwaarden en de personeelsverordeningen en ‑regelingen alsmede van het evenredigheidsbeginsel, evenmin gegrond was.
22 Het Gerecht heeft eerst opgemerkt dat dit middel uit twee onderdelen bestond, te weten de betwisting van het verlengingsbesluit, enerzijds, en de betwisting van het ontslagbesluit, anderzijds. Het heeft vervolgens elk van de grieven van deze twee onderdelen onderzocht.
23 Het Gerecht heeft aldus in de eerste plaats in punt 49 van het bestreden arrest uiteengezet dat het verlengingsbesluit was genomen in overeenstemming met de in casu toepasselijke vormvereisten. In de tweede plaats heeft het in de punten 51 en 52 van dit arrest geoordeeld dat de ECB de proeftijd mocht verlengen. In de derde plaats heeft het in de punten 56 en 57 van het arrest opgemerkt dat de ECB mocht aannemen dat er sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die de verlenging van de proeftijd rechtvaardigden in de zin van artikel 2.1.2, tweede alinea, van de personeelsverordeningen en ‑regelingen. Wat het ontslagbesluit betreft, heeft het Gerecht in de punten 65 en 66 van het bestreden arrest in de eerste plaats opgemerkt dat rekwirant op de hoogte was van de gemaakte verwijten inzake de kwaliteit van zijn beroepskennis en arbeidsprestaties. Het Gerecht heeft in punt 73 van dit arrest in de tweede plaats opgemerkt dat niets de conclusie rechtvaardigde dat rekwirant niet in staat was gesteld om zijn proeftijd in normale omstandigheden te volbrengen. Het heeft in punt 81 van het arrest in de derde plaats verklaard dat de ECB niet kan worden verweten dat zij bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van rekwirant diens rechten heeft geschonden.
24 De veroordeling van rekwirant in de zaken T-27/01, T-56/01 en T-69/01 in zijn eigen kosten, alsmede in een derde van de kosten van de ECB, heeft het Gerecht ten slotte gemotiveerd als volgt:
„99 Het Gerecht stelt zich op het standpunt dat, in tegenstelling tot wat verzoeker stelt, uit artikel 41, iii, van de arbeidsvoorwaarden ondubbelzinnig blijkt dat tegen besluiten tot verlenging van de proeftijd en tot ontslag tijdens de proeftijd geen verzoek om een precontentieus onderzoek en geen klacht kunnen worden ingediend. Deze twee besluiten zijn immers besluiten „waarbij de aanstelling van een personeelslid op proef niet wordt bevestigd” in de zin van deze bepaling.
100 De instelling van de beroepen in de zaken T-27/01 en T-69/01 heeft derhalve nodeloze kosten veroorzaakt voor verweerster.
101 In zaak T-56/01 heeft verzoeker op 13 maart 2001 bij het Gerecht beroep wegens nalaten ingesteld omdat niet was geantwoord op de op 5 februari 2000 ingediende klacht, ofschoon die klacht krachtens artikel 8.2.1 van het personeelsstatuut één maand na de indiening ervan werd geacht impliciet te zijn afgewezen en voorts door de president van de ECB op 12 maart 2001 was afgewezen.
102 Zonder dat behoeft te worden nagegaan of het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het achterwege blijven van een aanmaning vóór de instelling van een beroep wegens nalaten, wist verzoeker derhalve op het moment van instelling van het beroep in zaak T-56/01 of althans op de onmiddellijk daaropvolgende dagen dat verweerster haar standpunt had bepaald in de zin van artikel 232, tweede alinea, EG. Nochtans heeft hij geen gepaste maatregelen genomen om te vermijden dat dit beroep nodeloze kosten voor verweerster zou veroorzaken.
103 Derhalve dient niet verweerster in de kosten van verzoeker te worden verwezen, zoals door deze gevorderd, maar verzoeker in een derde van verweersters kosten in de zaken T-27/01, T-56/01 en T‑69/01.”
De vorderingen van partijen voor het Hof
25 Rekwirant concludeert dat het het Hof behage:
– het bestreden arrest te vernietigen en de besluiten van de ECB houdende verlenging van de proeftijd en ontslag nietig te verklaren;
– de ECB te veroordelen om hem voor de periode ná 31 december 2000 zijn basisbezoldiging ten belope van 32 304 EUR per jaar te betalen, verhoogd met de in de arbeidsvoorwaarden vastgestelde toeslagen en andere elementen van de bezoldiging;
– de ECB in de kosten te verwijzen.
26 De ECB concludeert dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening af te wijzen;
– rekwirant in de kosten te verwijzen.
De hogere voorziening
27 Rekwirant voert drie middelen aan ter ondersteuning van zijn vorderingen.
Het eerste middel: de regels inzake de delegatie van bevoegdheden
Argumenten van partijen
28 Met dit middel stelt rekwirant in wezen dat het Gerecht, door in de punten 43 en 44 van het bestreden arrest de exceptie van onwettigheid met betrekking tot de artikelen 2.1.2, tweede alinea, en 2.1.3 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen af te wijzen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Hij baseert zijn middel hoofdzakelijk op de volgende argumenten.
29 Rekwirant betoogt in de eerste plaats dat uit artikel 36.1 van de ESCB-statuten voortvloeit dat de Directie van de ECB niet bevoegd was tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van het personeel en dat deze bevoegdheid toekomt aan de Raad van bestuur.
30 In de tweede plaats machtigt artikel 12.3 van de ESCB-statuten de Raad van bestuur niet om bevoegdheden met betrekking tot het personeel te delegeren aan de Directie.
31 Zelfs wanneer de Raad van bestuur gemachtigd was om aan de Directie de bevoegdheid tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van het personeel te delegeren, had hij dit bovendien expliciet moeten doen. Het Gerecht heeft dit argument echter niet onderzocht, maar aangenomen dat er sprake was van een impliciete delegatie in het kader van artikel 21.3 van het Reglement van Orde.
32 Het Gerecht heeft eveneens de rechtspraak met betrekking tot artikel 110 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Ambtenarenstatuut”) inzake het delegeren van bevoegdheden op het gebied van de communautaire openbare dienst verkeerd uitgelegd, door in punt 44 van het bestreden arrest te verklaren dat de Raad van bestuur de bevoegdheid om de personeelsverordeningen en ‑regelingen vast te stellen aan de Directie mocht delegeren. Ten slotte schendt dit arrest het „beginsel van institutioneel evenwicht”, aangezien het Gerecht de discretionaire delegatie van bevoegdheden aan andere organen dan die welke bij het primaire recht werden opgericht, heeft goedgekeurd.
33 In de derde plaats heeft de Directie met de vaststelling van de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen artikel 21.3 van het Reglement van Orde geschonden, aangezien het niet gaat om loutere uitvoeringsmaatregelen van de arbeidsvoorwaarden, maar om autonome materiële regels. Dit artikel 2.1.2 staat immers een eenzijdige verlenging van de proeftijd toe en deze bevoegdheid overschrijdt de werkingssfeer van artikel 10, sub b, van de arbeidsvoorwaarden.
34 Rekwirant voegt daaraan toe dat het voornoemde artikel 2.1.3 een reden voor ontslag tijdens deze proeftijd invoert die verband houdt met het ongepaste gedrag of de ongepaste prestatie van de betrokkene en die verschilt van die van artikel 11, sub a‑i, van de arbeidsvoorwaarden.
35 De ECB betoogt dat alle door rekwirant in het kader van het eerste en het tweede argument geformuleerde overwegingen noch relevant, noch gegrond zijn. Volgens de rechtspraak inzake de toepassing van artikel 110 van het Ambtenarenstatuut mogen de instellingen algemene uitvoeringsbepalingen vaststellen, voorzover zij de werkingssfeer van het Statuut niet beperken. De toekenning door de Raad van bestuur van sommige bevoegdheden aan de Directie is overigens in overeenstemming met het beginsel van institutioneel evenwicht.
36 Rekwirant geeft haars inziens niet aan tegen welk onderdeel van het bestreden arrest zijn derde argument zich wil richten. Dit argument is in ieder geval niet gegrond. De artikelen 2.1.2, tweede alinea, en 2.1.3 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen zijn immers uitvoeringsmaatregelen van artikel 10, sub b, van de arbeidsvoorwaarden, die integrerend deel uitmaken van de arbeidsovereenkomst. Artikel 11 van deze arbeidsvoorwaarden is tijdens de proeftijd overigens niet van toepassing.
Beoordeling door het Hof
37 Met zijn eerste middel wil rekwirant in wezen aantonen dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de regeling van de delegatie van bevoegdheden inzake personeel binnen de ECB en de uitoefening van deze bevoegdheden door de betrokken organen van de ECB wettig zijn.
38 Dienaangaande moet vooraf worden opgemerkt dat de Raad van bestuur krachtens de artikelen 12.3 en 36.1 van het Protocol betreffende de ESCB-statuten een regelgevende bevoegdheid bezit om een reglement van orde vast te stellen om de interne organisatie van de ECB en haar besluitvormende organen te regelen, enerzijds, en om de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de ECB vast te stellen, anderzijds.
39 De aldus afgebakende bevoegdheden met betrekking tot organisatie en beheer komen overeen met die welke aan andere krachtens het primaire recht opgerichte instellingen en organen werden toegekend (zie bijvoorbeeld voor de Europese Commissie artikel 218, lid 2, EG).
40 Overeenkomstig de voornoemde machtigingsbepalingen heeft de Raad van bestuur de arbeidsvoorwaarden van de ECB vastgesteld. Deze voorzien op hun beurt in een machtiging van de Directie om via de personeelsverordeningen en ‑regelingen de algemene modaliteiten voor de uitvoering van deze arbeidsvoorwaarden te preciseren.
41 Aangaande de overeenstemming van dit systeem van delegatie van bevoegdheden met het gemeenschapsrecht moet eraan worden herinnerd dat, zoals volgt uit het arrest van het Hof van 13 juni 1958 (Meroni/Hoge Autoriteit, 9/56, Jurispr. blz. 9, 43 en 44), de aan een instelling toegekende bevoegdheden de mogelijkheid omvatten om een aantal daaronder vallende bevoegdheden, met inachtneming van de eisen van het Verdrag, te delegeren onder de voorwaarden die de instelling bepaalt.
42 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, waar de redenering van het Hof in het voormelde arrest Meroni/Hoge Autoriteit betrekking had op de delegatie van bevoegdheden aan privaatrechtelijke instellingen met een eigen rechtspersoonlijkheid ter uitvoering van bepaalde financiële voorzieningen, een communautaire instelling of een communautair orgaan a fortiori bevoegd is om een geheel van maatregelen vast te stellen betreffende de organisatie en de delegatie van bevoegdheden aan besluitvormende organen binnen die instelling of dat orgaan, met name inzake het beheer van het eigen personeel. Zoals het Hof namelijk in punt 34 van zijn arrest van 14 oktober 2004, Pflugradt/ECB (C‑409/02 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), heeft geoordeeld, is een gemeenschapsorgaan dat een taak van algemeen belang vervult, ertoe gemachtigd om de op zijn personeel toepasselijke bepalingen bij reglement vast te stellen.
43 Wat betreft de bij dergelijke bevoegdheidsoverdrachten te respecteren voorwaarden moet eraan worden herinnerd dat, zoals het Hof in voormeld arrest Meroni/Hoge Autoriteit (zie blz. 41‑46, 48 en 49) heeft gepreciseerd, om te beginnen het delegerend gezag aan het gedelegeerde gezag geen bevoegdheden kan overdragen die ruimer zijn dan die welke het zelf heeft ontvangen. Vervolgens dient de uitoefening van de aan het gedelegeerde gezag toevertrouwde bevoegdheden te zijn onderworpen aan dezelfde voorwaarden als die welke zouden gelden indien het delegerend gezag die bevoegdheden rechtstreeks uitoefende, met name wat betreft de vereisten op het vlak van de motivering en de openbaarmaking. Ten slotte moet het delegerend gezag, zelfs indien het gemachtigd is zijn bevoegdheden over te dragen, een beschikking geven waarbij de bevoegdheden uitdrukkelijk worden gedelegeerd, en kan de overdracht slechts nauwkeurig omschreven uitvoerende bevoegdheden tot voorwerp hebben.
44 Wat de delegatie van bevoegdheden inzake personeel binnen de ECB aangaat, moet, gelet op de door rekwirant aangevoerde argumenten ter ondersteuning van zijn eerste middel, worden vastgesteld dat de door de ECB op het betrokken gebied vastgestelde bepalingen en de omvang van de delegatie ter zake geheel aan de in voormeld arrest Meroni/Hoge Autoriteit geformuleerde voorwaarden voldoen (zie punt 41 van onderhavig arrest).
45 Aangaande de vereiste nauwkeurigheid bij de delegatie van bevoegdheden moet er namelijk op worden gewezen dat de Raad van bestuur, die bevoegd is om met name de arbeidsvoorwaarden van het personeel vast te stellen, in artikel 21.3 van zijn Reglement van Orde uitdrukkelijk heeft bepaald dat het aan de Directie staat om de uitvoeringsmodaliteiten van genoemde arbeidsvoorwaarden goed te keuren en aan te passen.
46 In deze omstandigheden kan het argument van rekwirant dat het Gerecht de rechtspraak inzake de uitlegging van artikel 110 van het Ambtenarenstatuut verkeerd heeft toegepast, niet worden aanvaard. Zoals immers voortvloeit uit punt 37 van voormeld arrest Pflugradt/ECB, bevinden de bestuursorganen van de ECB zich bij de uitoefening van hun bevoegdheid betreffende de nadere uitwerking van de algemene uitvoeringsmaatregelen inzake personeel, geenszins in een andere situatie dan de bestuursorganen van de andere communautaire instellingen en organen in hun verhouding tot hun personeelsleden. In deze context volstaat het aangaande het „beginsel van institutioneel evenwicht” erop te wijzen dat dit beginsel enkel toepassing kan vinden op de verhoudingen tussen communautaire instellingen en organen (zie onder meer arrest van 22 mei 1990, Parlement/Raad, C-70/88, Jurispr. blz. I‑2041, punten 21‑23).
47 Aangaande het argument dat de Directie de door de Raad van bestuur toegekende uitvoeringsbevoegdheden heeft geschonden, moet worden vastgesteld dat de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 van de door de Directie vastgestelde personeelsverordeningen en ‑regelingen voorzien in een aantal omstandigheden die zich tijdens de proeftijd kunnen voordoen. Op grond van deze bepalingen kan in het bijzonder enerzijds de proeftijd worden verlengd en anderzijds de overeenkomst gedurende deze periode worden beëindigd.
48 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de artikelen 2.1.2 et 2.1.3 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen binnen de grenzen van de bij artikel 21.3 van het Reglement van Orde aan de Directie toegekende uitvoeringsbevoegdheden blijven. In tegenstelling tot wat rekwirant betoogt, maken deze bepalingen geen inbreuk op artikel 10, sub b, van de arbeidsvoorwaarden, dat bepaalt dat de Directie in overeenstemming met de personeelsverordeningen en ‑regelingen een proeftijdregeling kan opstellen. De in geding zijnde bepalingen treden evenmin buiten het door artikel 11, sub a‑i, van de arbeidsvoorwaarden vastgelegde kader wat betreft de omstandigheden waarin de ECB de met haar personeelsleden gesloten overeenkomsten kan beëindigen.
49 Zoals de advocaat-generaal in punt 39 van zijn conclusie terecht benadrukt, is de Directie, nu zij overeenkomstig artikel 10, sub b, van de arbeidsvoorwaarden bevoegd is om de nadere regels voor de proeftijd vast te stellen, binnen de grenzen van haar bevoegdheden ter zake gebleven door te bepalen dat een overeenkomst tijdens die periode, waarin in het bijzonder wordt gelet op de prestaties van de betrokken werknemer, kan worden ontbonden „in geval van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het ambt”.
50 Hieraan dient te worden toegevoegd dat, zoals het Gerecht in punt 52 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, wanneer de Directie de overeenkomst tijdens de proeftijd kan beëindigen, zij des te meer de mogelijkheid moet hebben om deze proeftijd eenzijdig te verlengen.
51 Hieruit volgt dat de regeling van de delegatie van bevoegdheden inzake personeel alsmede de uitoefening van deze bevoegdheden door de organen van de ECB, wettig zijn.
52 Bijgevolg heeft het Gerecht terecht overwogen dat de door de ECB ter zake vastgestelde bepalingen niet onwettig zijn. Het eerste middel is dus niet gegrond.
Het tweede middel: de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen
53 Voor het geval dat het Hof de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen wettig zou achten, betoogt rekwirant subsidiair dat het Gerecht in de punten 46 tot en met 83 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de besluiten houdende verlenging van de proeftijd van rekwirant, enerzijds, en zijn ontslag, anderzijds, in overeenstemming waren met de arbeidsvoorwaarden en de personeelsverordeningen en ‑regelingen. Dit middel bestaat uit vijf onderdelen.
Het eerste onderdeel
– Argumenten van partijen
54 In het eerste onderdeel betoogt rekwirant dat het Gerecht in punt 49 van het bestreden arrest heeft miskend dat het verlengingsbesluit was genomen in strijd met artikel 2.1.2 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen. De bevoegdheid om de proeftijd te verlengen staat immers aan de Directie en kan niet worden gedelegeerd aan de vice-president van de ECB.
55 Op dit punt voert de ECB aan dat niet alleen geen enkele bepaling de Directie verbiedt om de verdeling van de taken tussen haar leden te organiseren, maar dat integendeel haar Reglement van Orde uitdrukkelijk in dergelijke machtigingen voorziet.
– Beoordeling door het Hof
56 Er dient om te beginnen aan te worden herinnerd dat, zoals het Gerecht in punt 49 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, de Directie bij besluit van 16 maart 1999 aan de vice-president van de ECB de bevoegdheid heeft gedelegeerd om besluiten over de verlenging van de proeftijd van nieuw aangeworven personeelsleden te nemen.
57 Aangaande de geldigheid van deze machtiging moet worden opgemerkt dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 48 tot en met 54 van zijn conclusie terecht stelt, de communautaire instellingen en organen een interne organisatiebevoegdheid bezitten, in die zin dat hun collegiale organen aan één of meer van hun leden de bevoegdheid kunnen delegeren om op het vlak van personeelsbeheer besluiten van individuele aard te nemen op een gebied waarvoor reeds door het betrokken collegiaal orgaan een algemene regeling is getroffen.
58 Het is namelijk vaste rechtspraak dat de communautaire instellingen en organen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken om hun diensten te organiseren naar de eis van de hun toevertrouwde taken (zie onder meer arrest van 10 juli 2003, Commissie/EIB, C-15/00, Jurispr. blz. I‑7281, punt 67, en arrest Pflugradt/ECB, reeds aangehaald, punt 43).
59 Het Hof heeft in het bijzonder geoordeeld (zie met name arrest van 23 september 1986, AKZO Chemie/Commissie, 5/85, Jurispr. blz. 2585, punten 35‑37) dat de Commissie, zonder inbreuk te maken op het collegialiteitsbeginsel dat haar werkwijze beheerst, haar leden kan machtigen om bepaalde besluiten in haar naam te nemen. Deze machtigingsprocedure leidt er niet toe dat de Commissie haar beslissingsbevoegdheid uit handen wordt genomen, aangezien de door het lid genomen besluiten worden genomen namens de Commissie, die daarvoor de volledige verantwoordelijkheid aanvaardt. Het Hof heeft deze beoordeling met name gebaseerd op de noodzaak om te zorgen voor een goed functioneren van het beslissingsbevoegdheid bezittende orgaan, welke noodzaak beantwoordt aan een beginsel dat inherent is aan elk institutioneel stelsel.
60 Deze rechtspraak met betrekking tot de binnen de Commissie toegepaste machtigingsprocedure kan op het onderhavige geval worden getransponeerd, aangezien de regeling in kwestie niet ertoe leidt dat de Directie haar regelgevende bevoegdheid uit handen wordt genomen en de door de vice-president van de ECB genomen besluiten tot verlenging van de proeftijd worden genomen namens de Directie, die daarvoor de volledige verantwoordelijkheid aanvaardt. De litigieuze machtiging is immers beperkt tot individuele besluiten met betrekking tot de verlenging van de proeftijd van een nieuw aangeworven personeelslid en heeft geenszins betrekking op vraagstukken van algemene aard.
61 In deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de vice-president van de ECB geldig het besluit kon nemen om de proeftijd van rekwirant te verlengen.
62 Het eerste onderdeel van het tweede middel kan derhalve niet worden aanvaard.
Het tweede onderdeel
– Argumenten van partijen
63 In het tweede onderdeel van zijn middel betoogt rekwirant dat het Gerecht in de punten 56 en volgende van het bestreden arrest het dubbelzinnige karakter van de criteria voor de uitvoering van artikel 2.1.2 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen onjuist heeft beoordeeld, daar deze bepalingen het mogelijk maken arbitraire maatregelen te nemen en derhalve onverenigbaar zijn met „hogere regels van het gemeenschapsrecht”. Dat tijdens de proeftijd twijfel wordt gekoesterd omtrent de bekwaamheid van de werknemer, vormt namelijk geen „uitzonderlijke omstandigheid” in de zin van voornoemd artikel 2.1.2. Voorts is het Gerecht eraan voorbijgegaan dat deze bepaling in tegenspraak is met artikel 9, sub a, tweede zin, van de arbeidsvoorwaarden, aangezien zij ongeschikt is om de modaliteiten voor de toepassing ervan te preciseren.
64 De ECB is van mening dat het argument niet gegrond is, aangezien het bestaan van een discretionaire speelruimte niet automatisch kan leiden tot het nemen van arbitraire besluiten.
– Beoordeling door het Hof
65 Vooraf moet worden opgemerkt dat het gebruik van de term „uitzonderlijke omstandigheden” in artikel 2.1.2 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen de wens van het betrokken orgaan, te weten de Directie, weerspiegelt om zich een beoordelingsbevoegdheid voor te behouden, teneinde al naar gelang de feiten van het betrokken geval en de individuele omstandigheden te bepalen in welke situatie een verlenging van de proeftijd van een nieuw aangeworven werknemer wenselijk kan zijn.
66 Zoals de advocaat-generaal in punt 57 van zijn conclusie terecht benadrukt, kunnen de op deze basis genomen besluiten overigens door de rechter worden getoetst. Bovendien kan de mogelijkheid van verlenging van de proeftijd niet van tevoren als een factor in het nadeel van de betrokkene worden beschouwd, daar aldus in het belang van de beide betrokken partijen maatregelen kunnen worden genomen om de arbeidsverhoudingen te verbeteren en daardoor in stand te houden.
67 Derhalve moet worden geconcludeerd dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat het besluit om de proeftijd van rekwirant te verlengen wettig was.
68 Het tweede onderdeel van het middel kan dus niet slagen.
Het derde onderdeel
– Argumenten van partijen
69 In het derde onderdeel van zijn middel betwist rekwirant de beoordeling van het Gerecht volgens welke twijfel omtrent de beroepsbekwaamheid een „uitzonderlijke omstandigheid” in de zin van artikel 2.1.2 van de personeelsverordeningen en -regelingen kan zijn.
70 De ECB geeft te kennen dat de uitdrukking „uitzonderlijke omstandigheden” in artikel 2.1.2 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen geenszins inhoudt dat de instelling de op dit vlak genomen besluiten niet zou hoeven te motiveren. Met de vaststelling dat deze uitdrukking het bestaan van objectieve voorwaarden vereist, heeft het Gerecht een criterium geformuleerd dat het nemen van een arbitrair besluit verhindert.
– Beoordeling door het Hof
71 Er dient aan te worden herinnerd dat, zoals in punt 58 van het onderhavige arrest is opgemerkt, de ECB voor het beheer van haar personeel over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt teneinde de haar toevertrouwde taak van algemeen belang te kunnen vervullen.
72 Hieruit volgt dat een communautaire instelling of orgaan zich er in het bijzonder tijdens de proeftijd van moet verzekeren dat de betrokkene alle persoonlijke en professionele voorwaarden vervult om de post waarvoor hij was aangeworven te bezetten en de daarmee samenhangende functies uit te oefenen. In deze context kan een verlenging van de proeftijd een daartoe geschikte maatregel zijn.
73 Het Gerecht heeft bijgevolg geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het bestaan van twijfel omtrent de bekwaamheid van een nieuw aangeworven werknemer een „uitzonderlijke omstandigheid” in de zin van artikel 2.1.2 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen kon zijn, die een verlenging van diens proeftijd rechtvaardigde.
74 Het derde onderdeel van het middel moet dus worden afgewezen.
Het vierde onderdeel
– Argumenten van partijen
75 In het vierde onderdeel betwist rekwirant de vaststelling van het Gerecht dat zijn proeftijd werd verlengd wegens twijfel omtrent zijn beroepsbekwaamheid. Het Gerecht heeft zich hiervoor gebaseerd op onjuiste feiten, door de bewijslast te miskennen en geen acht te slaan op de verklaringen van de ECB dat de verlenging van de proeftijd te wijten was aan haar eigen verzuim door niet een meer representatieve arbeidsperiode buiten de zomervakanties te hebben gekozen.
76 De ECB is van mening dat dit onderdeel van het tweede middel niet‑ontvankelijk is, omdat het ertoe strekt de vaststelling van het Gerecht ter discussie te stellen dat het besluit om de proeftijd van rekwirant te verlengen was gebaseerd op twijfel omtrent diens bekwaamheid om zijn functies te vervullen. De verlenging van de proeftijd had in het bijzonder tot doel om rekwirant de mogelijkheid te geven zich beter aan de werkomstandigheden aan te passen en zich vertrouwd te maken met de eisen van de dienst bij de ECB.
– Beoordeling door het Hof
77 Met dit onderdeel van zijn middel wil rekwirant in wezen een aantal feitelijke vaststellingen van het Gerecht in twijfel trekken.
78 Zoals de advocaat-generaal in de punten 67 en 68 van zijn conclusie terecht stelt, is het Hof volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld arrest van 8 mei 2003, T. Port/Commissie, C‑122/01 P, Jurispr. blz. I‑4261, punt 27) niet bevoegd om de feiten vast te stellen noch, in beginsel, om de bewijzen te onderzoeken op basis waarvan het Gerecht deze feiten heeft vastgesteld. Wanneer deze bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedureregels inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn gerespecteerd, staat het alleen aan het Gerecht te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen. Deze beoordeling levert dus geen rechtsvraag op die vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs.
79 Aangezien rekwirant, zoals de advocaat-generaal in punt 69 van zijn conclusie heeft uiteengezet, niet heeft aangetoond of zelfs maar serieus heeft betoogd dat het Gerecht de hem voorgelegde feiten en bewijzen verkeerd had opgevat, is diens beoordeling inzake de voor de opleiding van de nieuw aangeworven personeelsleden genomen maatregelen een beoordeling van feiten en bewijzen die in het kader van de hogere voorziening niet ter discussie kan worden gesteld.
80 In deze omstandigheden dient het vierde onderdeel van het middel als niet-ontvankelijk te worden beschouwd.
Het vijfde onderdeel
– Argumenten van partijen
81 In het vijfde onderdeel betoogt rekwirant dat, in tegenstelling tot wat het Gerecht in de punten 70 tot en met 73 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, hij de proeftijd niet in normale omstandigheden had kunnen volbrengen.
82 De ECB stelt dat dit onderdeel eveneens niet-ontvankelijk is, aangezien het de vaststelling van het Gerecht in twijfel wil trekken dat de proeftijd van rekwirant in normale omstandigheden was verlopen.
– Beoordeling door het Hof
83 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat rekwirant met zijn argument een feitelijke vaststelling van het Gerecht in twijfel wil trekken.
84 In punt 73 van het bestreden arrest heeft het Gerecht immers vastgesteld dat „niets de conclusie rechtvaardigt […] dat rekwirant niet in staat is gesteld om zijn proeftijd in normale omstandigheden te volbrengen”.
85 In deze omstandigheden en gelet op de overwegingen in punt 78 hierboven, moet het vijfde onderdeel van het middel niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien rekwirant geen enkele grief inzake verkeerde opvatting van bewijs heeft aangevoerd.
Het derde middel: de kosten
Argumenten van partijen
86 Rekwirant betoogt dat het bestreden arrest in de punten 99 tot en met 103 op een onjuiste rechtsopvatting berust, voorzover het hem in een deel van de kosten in de zaken T‑27/01 en T‑69/01 verwijst. Het Gerecht heeft artikel 87, lid 3, tweede alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering verkeerd uitgelegd, door te oordelen dat deze beroepen zonder geldige reden waren ingesteld. Aangaande het beroep in zaak T-56/01 verklaart rekwirant dat dit beroep was voorafgegaan door een onrechtmatige handelwijze van de ECB.
87 De ECB is van mening dat het middel in zijn geheel niet-ontvankelijk is op grond van artikel 51, tweede alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie.
Beoordeling door het Hof
88 Er dient aan te worden herinnerd dat ingevolge artikel 51, tweede alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie „[h]ogere voorziening […] niet uitsluitend betrekking [kan] hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten”. Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat wanneer alle andere middelen in hogere voorziening zijn afgewezen, de conclusies betreffende de beweerde onregelmatigheid van de beslissing van het Gerecht over de kosten krachtens deze bepaling niet-ontvankelijk moeten worden verklaard (zie arresten van 12 juli 2001, Commissie en Frankrijk/TF1, C‑302/99 P en C‑308/99 P, Jurispr. blz. I-5603, punt 31, en 30 september 2003, Freistaat Sachsen e.a./Commissie, C-57/00 P en C-61/00 P, Jurispr. blz. I‑9975, punt 124).
89 Aangezien alle andere middelen van de door rekwirant ingestelde hogere voorziening moeten worden afgewezen, moet bijgevolg het laatste middel, dat is gericht tegen de beslissing van het Gerecht inzake de verdeling van de kosten, niet-ontvankelijk worden verklaard.
90 Gelet op een en ander dient de hogere voorziening van rekwirant te worden afgewezen.
Kosten
91 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dit Reglement op de procedure in hogere voorziening van toepassing is, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Volgens artikel 70 van dit Reglement blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste. Ingevolge artikel 122, tweede alinea, van dit Reglement is artikel 70 evenwel niet van toepassing in hogere voorzieningen die door de ambtenaren of andere personeelsleden van de instellingen worden ingesteld. Aangezien rekwirant in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van de ECB te worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Tralli wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy