Zaak C-303/02
Peter Haackert
tegen
Pensionsversicherungsanstalt der Angestellten
[verzoek van het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Gelijke behandeling van mannen en vrouwen – Sociale zekerheid – Vervroegd ouderdomspensioen voor werklozen – Pensioenleeftijd verschillend naar geslacht”
Samenvatting van het arrest
1. Sociale politiek – Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid – Richtlijn 79/7 – Afwijking toegestaan voor consequenties die voor andere uitkeringen kunnen voortvloeien uit verschillende pensioenleeftijd – Draagwijdte – Mogelijkheid voor lidstaten om na verstrijken van termijn voor uitvoering aan dat leeftijdsverschil gerelateerde maatregelen vast te stellen of te wijzigen – Beperking tot discriminaties die objectieve en noodzakelijke band hebben met verschil in pensioenleeftijd
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 7, lid 1, sub a)
2. Sociale politiek – Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid – Richtlijn 79/7 – Afwijking toegestaan voor consequenties die voor andere uitkeringen kunnen voortvloeien uit verschillende pensioenleeftijd – Discriminatie ter zake van vervroegd ouderdomspensioen bij werkloosheid – Toelaatbaarheid
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 7, lid 1, sub a)
1. De tijdelijke handhaving van een naar geslacht verschillende pensioenleeftijd in de wettelijke regeling van een lidstaat kan tot gevolg hebben dat later, na het verstrijken van de termijn voor uitvoering van richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, maatregelen moeten worden getroffen die onlosmakelijk zijn verbonden met de uitzonderingsregeling van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn. Door een lidstaat die een voor mannen en vrouwen verschillende pensioenleeftijd heeft vastgesteld, te verbieden na het verstrijken van de termijn voor uitvoering van de richtlijn maatregelen vast te stellen of te wijzigen die aan die verschillende leeftijd zijn gerelateerd, zou de uitzondering waarin het genoemde artikel voorziet, immers haar nuttig effect worden ontnomen.
Wanneer een lidstaat met toepassing van dezelfde bepaling van de richtlijn voorziet in een voor mannen en vrouwen verschillende leeftijd voor de toekenning van ouderdoms‑ en rustpensioenen, is de werkingssfeer van de toegestane afwijking, die in deze bepaling is geformuleerd als „de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties”, beperkt tot de discriminaties in andere uitkeringsregelingen, die een objectieve en noodzakelijke band hebben met dat verschil in pensioenleeftijd. Dit is het geval indien deze discriminaties objectief noodzakelijk zijn om te vermijden dat het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel wordt verstoord, of om de samenhang tussen het stelsel van de rustpensioenen en de andere uitkeringsregelingen te bewaren.
(cf. punten 29‑30)
2. De uitzondering op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, waarin artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid voorziet, moet aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing is op een uitkering als een vervroegd ouderdomspensioen bij werkloosheid, waarvoor een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde is vastgesteld, aangezien een dergelijke voorwaarde in de zin van deze bepaling kan worden aangemerkt als een gevolg van het vaststellen in de nationale wettelijke regeling van een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde voor de toekenning van de ouderdomspensioenen.
Enerzijds houden de pensioenleeftijd voor de betrokken uitkering en de normale pensioenleeftijd immers objectief verband met elkaar, niet alleen omdat het ouderdomspensioen in de plaats treedt van het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid wanneer de betrokkenen de normale pensioenleeftijd bereiken, maar ook omdat de leeftijd waarop aanspraak kan worden gemaakt op deze uitkering, zowel voor mannen als voor vrouwen drieënhalf jaar voor de normale pensioenleeftijd is. Anderzijds beoogt de regeling inzake het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid een vervroegd recht op ouderdomspensioen in te stellen in gevallen waarin de verzekerde als gevolg van leeftijd, ziekte, verminderde werkkracht of om andere redenen niet meer of slechts zeer moeilijk binnen een bepaalde periode in het arbeidsproces kan terugkeren, zodat die uitkering een inkomen beoogt te verzekeren aan personen die niet meer in staat zijn op de arbeidsmarkt terug te keren vóór zij de leeftijd hebben bereikt waarop zij recht hebben op een ouderdomspensioen. Daaruit volgt dat de invoering van een dergelijke discriminatie objectief noodzakelijk is om de samenhang tussen het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid en het ouderdomspensioen te bewaren.
(cf. punten 34‑38 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
4 maart 2004(1)
„Gelijke behandeling van mannen en vrouwen – Sociale zekerheid – Vervroegd ouderdomspensioen voor werklozen – Pensioenleeftijd verschillend naar geslacht”
In zaak C-303/02,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk), in het aldaar aanhangige geding tussen
Peter Haackert
en
Pensionsversicherungsanstalt der Angestellten,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24),
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: P. Jann, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, C. W. A. Timmermans, A. Rosas, A. La Pergola (rapporteur) en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
– P. Haackert, vertegenwoordigd door J. Winkler, Rechtsanwalt,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door E. Riedl als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Yerrel en H. Kreppel als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 september 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 23 juli 2002, ingekomen bij het Hof op 26 augustus daaraanvolgend, heeft het Oberste Gerichtshof krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24; hierna: „richtlijn”).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen P. Haackert en de Pensionsversicherungsanstalt der Angestellten (ouderdomsverzekeringsorgaan voor werknemers) over de weigering van deze laatste om hem een vervroegd ouderdomspensioen bij werkloosheid uit te keren.
Rechtskader
De communautaire regeling
3 Artikel 1 van de richtlijn bepaalt:
„Deze richtlijn beoogt de geleidelijke tenuitvoerlegging, voor wat betreft de in artikel 3 genoemde gebieden van de sociale zekerheid en van de andere factoren van sociale bescherming, van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, hierna ‚beginsel van gelijke behandeling’ genoemd.”
4 Artikel 2 van de richtlijn bepaalt:
„Deze richtlijn is van toepassing op de beroepsbevolking – met inbegrip van zelfstandigen, van werknemers en zelfstandigen wier arbeid is onderbroken door ziekte, ongeval of onvrijwillige werkloosheid en van werkzoekenden – alsmede op gepensioneerde of invalide werknemers en zelfstandigen.”
5 Artikel 3, lid 1, van de richtlijn bepaalt:
„Deze richtlijn is van toepassing op:
a) de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de volgende eventualiteiten:
[…]
– ouderdom,
[…]
– werkloosheid;
[…]”
6 Artikel 4, lid 1, van de richtlijn verbiedt elke vorm van discriminatie op grond van geslacht, in het bijzonder met betrekking tot de berekening van de prestaties.
7 Artikel 7 van de richtlijn bepaalt:
„1. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om van haar werkingssfeer uit te sluiten:
a) de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties;
[…]
2. De lidstaten onderzoeken periodiek de gebieden die krachtens lid 1 zijn uitgezonderd, teneinde na te gaan of het, gelet op de sociale ontwikkeling ter zake, gerechtvaardigd is deze uitzonderingen te handhaven.”
De nationale regeling
8 § 253a van het Allgemeines Sozialversicherungsgesetz (hierna: „ASVG”), met als opschrift „Vervroegd ouderdomspensioen bij werkloosheid”, in de uit het Sozialrechtsänderungsgesetz 2000 (BGBl. I 2000/92) voortvloeiende versie, geldend vanaf 1 oktober 2000, bepaalt:
„(1) De verzekerde heeft bij werkloosheid, voor mannen na het bereiken van de 738e levensmaand, voor vrouwen na het bereiken van de 678e levensmaand, recht op een vervroegd ouderdomspensioen indien:
1. de wachttijd (§ 236) is vervuld,
2. op de referentiedatum ten minste 180 maanden van bijdragebetaling aan de verplichte verzekering zijn vervuld […], en
3. de verzekerde op de referentiedatum (§ 223, lid 2) aan de voorwaarde van § 253b, lid 1, punt 4, voldoet en in de loop van de laatste 15 maanden vóór de referentiedatum (§ 223, lid 2) ten minste 52 weken wegens voortdurende werkloosheid een uitkering uit de werkloosheidsverzekering heeft ontvangen […]
[…]”
9 § 253a, lid 4, ASVG bepaalt dat het pensioen als ouderdomspensioen wordt uitgekeerd wanneer de uitkeringsgerechtigde de in § 253 van deze wet vastgestelde normale pensioenleeftijd bereikt, te weten 65 jaar voor mannen en 60 jaar voor vrouwen.
10 § 253 ASVG met als opschrift „Ouderdomspensioen” bepaalt:
„(1) De verzekerde heeft, voor mannen vanaf 65 jaar (de normale pensioenleeftijd) en voor vrouwen vanaf 60 jaar (de normale pensioenleeftijd), recht op een ouderdomspensioen wanneer de wachttijd (§ 236) is vervuld.
[…]
(3) Een persoon die reeds recht heeft op een vervroegd ouderdomspensioen bij werkloosheid (§ 253a) […], kan geen ouderdomspensioen aanvragen overeenkomstig lid 1.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
11 Bij beschikking van 5 december 2000 wees de Pensionsversicherungsanstalt der Angestellten een aanvraag van Haackert, geboren op 14 februari 1944, om toekenning van een vervroegd ouderdomspensioen bij werkloosheid af op grond dat mannelijke verzekerden, om deze uitkering te kunnen genieten, overeenkomstig § 253a ASVG de leeftijd van 738 maanden (61 jaar en 6 maanden) moeten hebben bereikt. Aangezien Haackert deze leeftijd pas op 14 augustus 2005 zou bereiken, was het verzekerde ouderdomsrisico derhalve nog niet ingetreden.
12 Bij vonnis van 1 augustus 2001 verwierp het Arbeits- und Sozialgericht Wien (Oostenrijk), de rechter in eerste aanleg in het hoofdgeding, het beroep dat Haackert tegen de beschikking van 5 december 2000 had ingesteld om te verkrijgen dat hem vanaf 1 oktober 2000 de aangevraagde uitkering zou worden toegekend. Deze rechter volgde hierbij de motivering van de Pensionsversicherungsanstalt der Angestellten in die beschikking.
13 Bij arrest van 29 januari 2002 bevestigde het Oberlandesgericht Wien het vonnis van 1 augustus 2001. Het oordeelde dat de aangevraagde uitkering onder de uitzondering van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn viel, en dat de voor mannen en vrouwen verschillende pensioenleeftijd bijgevolg niet in strijd was met het gemeenschapsrecht.
14 Daarop stelde Haackert bij het Oberste Gerichtshof beroep „in Revision” in tegen het arrest van de appelrechter. De Pensionsversicherungsanstalt der Angestellten voert als verweerster tegen de vordering van Haackert aan dat deze laatste op de referentiedatum in zijn 678e levensmaand (te weten 56 jaar en 6 maanden) was. Aangezien Haackert nog niet de leeftijd van 738 maanden (te weten 61 jaar en 6 maanden) had bereikt, had hij op grond van § 253a ASVG geen recht op de aangevraagde uitkering. De andere toekenningsvoorwaarden worden niet betwist. Haackert stelt dat het vaststellen van een voor mannen en vrouwen verschillende pensioenleeftijd in strijd is met het gemeenschapsrechtelijke gelijkheidsbeginsel en dat het, om recht te hebben op de aangevraagde uitkering, volstaat de leeftijd van 56 jaar en 6 maanden te hebben bereikt.
15 De verwijzende rechter wijst er enerzijds op dat het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid, zoals geregeld in § 253a ASVG, een vervroegd recht op ouderdomspensioen beoogt in te stellen in gevallen waarin de verzekerde als gevolg van leeftijd, ziekte, verminderde werkkracht of andere redenen niet meer of slechts zeer moeilijk binnen een bepaalde periode in het arbeidsproces kan terugkeren.
16 Anderzijds valt Haackert binnen de personele werkingssfeer van de richtlijn, valt de regeling inzake vervroegd ouderdomspensioen bij werkloosheid binnen de materiële werkingssfeer van genoemde richtlijn en heeft deze regeling bovendien een discriminerend karakter, omdat de minimumleeftijd om voor die regeling in aanmerking te komen, voor mannen en vrouwen verschillend is. Volgens de verwijzende rechter dient derhalve te worden uitgemaakt of de in artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn vastgestelde afwijking van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, van toepassing is op het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid, waarvoor een voor mannen en vrouwen verschillende leeftijdsvoorwaarde geldt.
17 Dienaangaande is de verwijzende rechter van oordeel dat het niet zeker is of het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid een ouderdoms- of rustpensioen is in de zin van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn. Tegen de achtergrond van het doel van deze regeling vormt het recht op een financiële uitkering uit de werkloosheidsverzekering gedurende 52 weken immers een wezenlijk element voor de kwalificatie ervan. Zo vormt de werkloosheid van de betrokkene het doorslaggevende criterium voor de uitkering, terwijl het bereiken van een bepaalde leeftijd en het voldoen aan de voorwaarden betreffende de periodes waarin de rechten zijn verworven, slechts aanvullende voorwaarden zijn.
18 Wordt het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid niet als ouderdomspensioen aangemerkt, dan rijst volgens de verwijzende rechter de vraag of deze uitkering onder het begrip „andere prestaties” in de zin van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn valt, prestaties waarvoor de verschillende pensioenleeftijd gevolgen heeft.
19 Dienaangaande verwijst de verwijzende rechter naar de rechtspraak van het Hof volgens welke het vaststellen van een naar geslacht verschillende leeftijd in een regeling betreffende andere uitkeringen dan het ouderdoms- en rustpensioen alleen gerechtvaardigd is indien dit verschil in behandeling objectief noodzakelijk is om te vermijden dat het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel wordt verstoord, of om de samenhang tussen het stelsel van de rustpensioenen en de andere uitkeringsregelingen te bewaren (arresten van 30 maart 1993, Thomas e.a., C‑328/91, Jurispr. blz. I‑1247, punt 12, en 23 mei 2000, Buchner e.a., C‑104/98, Jurispr. blz. I‑3625, punt 26).
20 In deze context preciseert de verwijzende rechter met betrekking tot het behoud van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel dat in december 2001 in Oostenrijk 1 083 134 ouderdomspensioenen, 123 220 vervroegde ouderdomspensioenen bij lange verzekeringsduur, 82 852 vervroegde ouderdomspensioenen wegens verminderde arbeidsgeschiktheid of arbeidsongeschiktheid (dit soort pensioenen werd door de wetgever op 30 juni 2000 afgeschaft) en 15 386 vervroegde ouderdomspensioenen bij werkloosheid (waarvan 2 860 aan mannen en 12 526 aan vrouwen) werden uitgekeerd. De in december 2001 uitbetaalde vervroegde ouderdomspensioenen bij werkloosheid vormden dus amper 1,2 % van het totale aantal uitgekeerde ouderdomspensioenen en vervroegde ouderdomspensioenen. Bovendien werden in december 2001 in totaal 381 228 pensioenen wegens verminderde arbeidsgeschiktheid of arbeidsongeschiktheid uitbetaald.
21 Volgens de verwijzende rechter zou de opheffing van de discriminatie waar het in het hoofdgeding om gaat, dus geen zwaarwegende gevolgen hebben voor het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel in zijn geheel.
22 Wat het behoud van de samenhang tussen het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid en het ouderdomspensioen van § 253 ASVG betreft, merkt de verwijzende rechter op dat er in de eerste plaats in zoverre samenhang tussen deze twee uitkeringen bestaat dat de laatste uitkering in plaats van de eerste komt indien de verzekerde de wettelijke pensioenleeftijd bereikt. Bovendien zou er een rechtstreeks verband bestaan tussen de minimumleeftijd voor het verkrijgen van de betrokken uitkering en de wettelijke pensioenleeftijd, aangezien de vereiste leeftijd voor mannen en vrouwen oorspronkelijk werd vastgesteld op vijf jaar vóór de wettelijke pensioenleeftijd en vervolgens, na de verhoging van de leeftijd om in aanmerking te komen voor het vervroegde ouderdomspensioen, op drieënhalf jaar vóór de wettelijke pensioenleeftijd.
23 Onder deze omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof, van oordeel dat voor de beslechting van het geding uitlegging van gemeenschapsrecht nodig is, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moet de uitzondering in artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn […] aldus worden uitgelegd dat deze van toepassing is op een uitkering als het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid, waarvoor in het nationale recht een voor mannen en vrouwen verschillende pensioenleeftijd is vastgesteld?”
De prejudiciële vraag
24 Om de prejudiciële vraag te kunnen beantwoorden moet allereerst worden nagegaan of een uitkering zoals die in het hoofdgeding, als een ouderdomspensioen in de zin van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn moet worden aangemerkt. Indien dit niet het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de voorwaarde van een naar geslacht verschillende pensioenleeftijd voor de toekenning van die uitkering, in de zin van deze bepaling kan worden aangemerkt als een gevolg van de in de nationale wettelijke regeling vastgestelde leeftijd voor de toekenning van een ouderdomspensioen.
25 Allereerst behoeft slechts te worden vastgesteld dat voor de toekenning van het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid weliswaar een leeftijdsvoorwaarde geldt, maar dat deze uitkering volgens de betrokken nationale regeling alleen wordt uitgekeerd aan personen die in de loop van de laatste 15 maanden vóór de referentiedatum ten minste 52 weken een uitkering uit de werkloosheidsverzekering hebben ontvangen.
26 Daaruit volgt dat een dergelijke uitkering niet kan worden aangemerkt als een ouderdomspensioen in de zin van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn, dat een uitzonderingsbepaling vormt die volgens vaste rechtspraak strikt moet worden uitgelegd, gelet op het fundamentele belang van het beginsel van gelijke behandeling (zie met name de reeds aangehaalde arresten Thomas e.a., punt 8, en Buchner e.a., punt 21).
27 Derhalve moet ten tweede worden nagegaan of de vaststelling van een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde voor de toekenning van de in het hoofdgeding bedoelde uitkering, in de zin van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn kan worden aangemerkt als een gevolg van de in de nationale wettelijke regeling vastgestelde leeftijd voor de toekenning van een ouderdomspensioen.
28 Haackert, de Oostenrijkse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen verwijzen, net zoals de verwijzende rechter, naar de uitlegging die het Hof in het reeds aangehaalde arrest Buchner e.a. van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn heeft gegeven. In deze context zijn zowel Haackert als de Commissie van mening dat de voor mannen en vrouwen verschillende leeftijdsvoorwaarde voor de toekenning van een vervroegd ouderdomspensioen bij werkloosheid geen gevolg is van de in de nationale regeling vastgestelde verschillende leeftijd voor de toekenning van de ouderdomspensioenen. Het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid valt dus niet binnen de werkingssfeer van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn. De Oostenrijkse regering betoogt daarentegen dat die uitkering wel binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt, aangezien de discriminatie die zij invoert, objectief noodzakelijk is om de samenhang tussen het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid en het ouderdomspensioen te bewaren.
29 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat volgens vaste rechtspraak de tijdelijke handhaving van een naar geslacht verschillende pensioenleeftijd tot gevolg kan hebben, dat later, na het verstrijken van de termijn voor uitvoering van de richtlijn, maatregelen moeten worden getroffen die onlosmakelijk zijn verbonden met die uitzonderingsregeling, of dergelijke maatregelen moeten worden gewijzigd. Door een lidstaat die een voor mannen en vrouwen verschillende pensioenleeftijd heeft vastgesteld, te verbieden na het verstrijken van de termijn voor uitvoering van de richtlijn maatregelen vast te stellen of te wijzigen die verband houden met die verschillende leeftijd, zou de uitzondering waarin artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn voorziet, immers haar nuttig effect worden ontnomen.
30 Wanneer een lidstaat met toepassing van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn voorziet in een voor mannen en vrouwen verschillende leeftijd voor de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen, is de werkingssfeer van de toegestane afwijking, die in deze bepaling is geformuleerd als „en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties”, beperkt tot de discriminaties in andere uitkeringsregelingen, die een objectieve en noodzakelijke band hebben met dat verschil in pensioenleeftijd. Dit is het geval indien deze discriminaties objectief noodzakelijk zijn om te vermijden dat het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel wordt verstoord, of om de samenhang tussen het stelsel van de rustpensioenen en de andere uitkeringsregelingen te bewaren (arrest Buchner e.a., reeds aangehaald, punten 23–26, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Wat om te beginnen de voorwaarde van behoud van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel betreft, blijkt uit de verwijzingsbeschikking dat de in december 2001 uitbetaalde vervroegde ouderdomspensioenen bij werkloosheid amper 1,2 % van het totale aantal uitgekeerde ouderdomspensioenen bij werkloosheid en vervroegde ouderdomspensioenen vormden. Bovendien heeft de Oostenrijkse regering voor het Hof geen enkel argument betreffende het behoud van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel aangevoerd.
32 Onder die omstandigheden dient te worden geoordeeld dat het opheffen van de betrokken discriminatie geen ernstige gevolgen kan hebben voor het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel.
33 Wat vervolgens het behoud van de samenhang tussen het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid en het ouderdomspensioen betreft, oordeelde het Hof in het reeds aangehaalde arrest Buchner e.a., weliswaar dat de naar geslacht verschillende leeftijd voor de toekenning van een vervroegd ouderdomspensioen bij arbeidsongeschiktheid niet objectief noodzakelijk was om de samenhang tussen die uitkering en het ouderdomspensioen te waarborgen. Volgens de regeling die aanleiding gaf tot dat arrest, hadden vrouwen echter recht op een vervroegd ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid op 55 jaar, dus vijf jaar vóór de normale pensioenleeftijd, terwijl mannen daar recht op hadden op 57 jaar, dus acht jaar vóór de normale pensioenleeftijd.
34 In de onderhavige zaak houden de pensioenleeftijd voor de in het hoofdgeding bedoelde uitkering en de normale pensioenleeftijd echter objectief verband met elkaar, niet alleen omdat het ouderdomspensioen in de plaats treedt van het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid wanneer de betrokkenen de normale pensioenleeftijd bereiken, maar ook omdat de leeftijd waarop aanspraak kan worden gemaakt op deze uitkering, dezelfde is voor mannen en vrouwen, te weten drieënhalf jaar voor de normale pensioenleeftijd (zie in die zin arrest van 30 januari 1997, Balestra, C‑139/95, Jurispr. blz. I‑549, punt 40).
35 Volgens de betrokken nationale regeling is immers enerzijds de normale pensioenleeftijd 65 jaar voor mannen en 60 jaar voor vrouwen en kan anderzijds het vervroegde pensioen bij werkloosheid worden verkregen vanaf 61 jaar en 6 maanden voor mannen en vanaf 56 jaar en 6 maanden voor vrouwen.
36 Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeschikking en uit de opmerkingen van de Oostenrijkse regering dat de regeling inzake het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid, zoals vastgesteld in § 253a ASVG, een vervroegd recht op ouderdomspensioen beoogt in te stellen in gevallen waarin de verzekerde als gevolg van leeftijd, ziekte, verminderde werkkracht of andere redenen niet meer of slechts zeer moeilijk binnen een bepaalde periode in het arbeidsproces kan terugkeren. Die uitkering beoogt bijgevolg een inkomen te verzekeren aan personen die niet meer in staat zijn op de arbeidsmarkt terug te keren vóór zij de leeftijd hebben bereikt waarop zij recht hebben op een ouderdomspensioen.
37 Onder die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de invoering van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde discriminatie objectief noodzakelijk is om de samenhang tussen het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid en het ouderdomspensioen te bewaren.
38 Gelet op een en ander moet op de vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord dat de uitzondering van artikel 7, lid 1, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat zij van toepassing is op een uitkering als het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid, waarvoor een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde is vastgesteld, aangezien een dergelijke voorwaarde in de zin van deze bepaling kan worden aangemerkt als een gevolg van het vaststellen in de nationale wettelijke regeling van een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde voor de toekenning van de ouderdomspensioenen.
Kosten
39 De kosten door de Oostenrijkse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Oberste Gerichtshof bij beschikking van 23 juli 2002 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De uitzondering van artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing is op een uitkering als het vervroegde ouderdomspensioen bij werkloosheid, waarvoor een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde is vastgesteld, aangezien een dergelijke voorwaarde in de zin van deze bepaling kan worden aangemerkt als een gevolg van het vaststellen in de nationale wettelijke regeling van een naar geslacht verschillende leeftijdsvoorwaarde voor de toekenning van de ouderdomspensioenen.
Jann
Timmermans
Rosas
La Pergola
von Bahr
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 4 maart 2004.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy