Zaak C-325/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Groothertogdom Luxemburg
«Niet-nakoming – Niet-uitvoering van richtlijn 98/81/EG»
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 16 oktober 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
Beroep wegens niet-nakoming – Onderzoek van gegrondheid door Hof – In aanmerking te nemen situatie – Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
16 oktober 2003 (1)
„Niet-nakoming – Niet-omzetting van richtlijn 98/81/EG”
In zaak C-325/02,
Commissie van de Europese Gemeenschappen , vertegenwoordigd door U. Wölker en F. Simonetti als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door P. Gramegna als gemachtigde,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door enkel uitvoering te geven aan een deel van artikel 1 en aan de bijlagen IV en V van richtlijn 98/81/EG van de Raad van 26 oktober 1998 tot wijziging van richtlijn 90/219/EEG inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (PB L 330, blz. 13), niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 2 van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,
samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, V. Skouris en N. Colneric (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 16 september 2002, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld teneinde te doen vaststellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door enkel uitvoering te geven aan een deel van artikel 1 en aan de bijlagen IV en V van richtlijn 98/81/EG van de Raad van 26 oktober 1998 tot wijziging van richtlijn 90/219/EEG inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (PB L 330, blz. 13), niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 2 van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen.
Rechtskader
2 Richtlijn 90/219/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (PB L 117, blz. 1), is gewijzigd bij richtlijn 98/81.
3 Artikel 1 van richtlijn 98/81 heeft de artikelen 2 tot en met 16 en 18 tot en met 20 van richtlijn 90/219 volledig herschreven, aan deze richtlijn een nieuw artikel 20 bis ingevoegd en met zijn enige bijlage de bijlagen van deze laatste richtlijn door nieuwe bijlagen I tot en met V vervangen.
4 Bijlage III bij richtlijn 90/219, in de versie van richtlijn 98/81, somt de beginselen op volgens welke de in artikel 5, lid 2, van genoemde richtlijn bedoelde ingeperkte gebruiken moeten worden geanalyseerd. Bijlage IV bij richtlijn 90/219, in de versie voortvloeiend uit richtlijn 98/81, somt de krachtens artikel 6, lid 1, van genoemde richtlijn te treffen inperkings- en andere beschermingsmaatregelen op. Bijlage V bij richtlijn 90/219, in de uit richtlijn 98/81 voortvloeiende versie, regelt welke gegevens de gebruiker ingevolge de artikelen 7, 9 en 10 van die richtlijn aan de bevoegde autoriteiten moet meedelen.
5 Volgens artikel 2, lid 1, van richtlijn 98/81 doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn uiterlijk achttien maanden na haar inwerkingtreding te voldoen en stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Richtlijn 98/81 is op 5 december 1998 in werking getreden.
6 Ingevolge artikel 2, lid 2, van richtlijn 98/81 delen de lidstaten de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder de richtlijn vallende gebied vaststellen.
Administratieve procedure
7 Aangezien de Luxemburgse regering de Commissie niet in kennis had gesteld van de ter uitvoering van richtlijn 98/81 getroffen maatregelen van intern recht, terwijl de Commissie evenmin beschikte over andere gegevens die de conclusie wettigden dat deze lidstaat de noodzakelijke maatregelen had getroffen, heeft zij de Luxemburgse regering op 8 augustus 2000 een aanmaningsbrief gestuurd en deze regering verzocht binnen twee maanden haar opmerkingen dienaangaande kenbaar te maken. Vervolgens heeft zij op 24 januari 2001 een met redenen omkleed advies doen uitgaan waarin zij vaststelde dat haar geen uitvoeringsmaatregelen ter kennis waren gebracht.
8 De Luxemburgse regering had bij brief van 27 december 2000 evenwel geantwoord, dat bij règlement grand-ducal van 6 december 1999 ( Mémorial A 1999, blz. 2590) in bijlage III de inhoud van bijlage IV bij richtlijn 98/81 was overgenomen.
9 Dit geeft deze regering eveneens te kennen in haar antwoord van 17 april 2001 op het met redenen omkleed advies, met de opmerking dat ter uitvoering van andere bepalingen van richtlijn 98/81 twee reglementen in voorbereiding waren, terwijl voor de omzetting bovendien tussenkomst van de wetgever noodzakelijk was.
10 Bij aanvullende aanmaningsbrief van 25 juli 2001 heeft de Commissie het Groothertogdom Luxemburg verweten, niet te hebben voldaan aan de krachtens artikel 2 van richtlijn 98/81 op hem rustende verplichtingen, door enkel bijlage IV bij die richtlijn om te zetten en, hoe dan ook, geen mededeling te doen van andere maatregelen ter uitvoering van deze richtlijn, en deze regering verzocht binnen twee maanden haar opmerkingen dienaangaande kenbaar te maken.
11 In een eerste antwoord, van 27 september 2001, heeft de Luxemburgse regering gewezen op twee ontwerpreglementen en één wetsontwerp, als maatregelen om de uitvoering van richtlijn 98/81 aan te vullen.
12 In een tweede antwoord, van 8 november 2001, heeft de Luxemburgse regering de Commissie in kennis gesteld van een règlement grand-ducal van 5 oktober 2001 betreffende de gegevens die moeten zijn vervat in verzoeken om goedkeuring van projecten voor ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen ( Mémorial A 2001, blz. 2591).
13 Van oordeel dat het Groothertogdom Luxemburg nog steeds had verzuimd, binnen de gestelde termijn alle maatregelen te treffen die noodzakelijk waren om te voldoen aan de ingevolge richtlijn 98/81 op hem rustende verplichtingen, met name doordat het règlement grand-ducal van 5 oktober 2001 enkel uitvoering geeft aan artikel 1 van richtlijn 98/81 voorzover het de artikelen 7, 9, lid 1, en 10, lid 1, van richtlijn 90/219 alsmede bijlage V bij richtlijn 98/81 wijzigt, heeft de Commissie de Luxemburgse regering bij brief van 21 december 2001 een aanvullend met redenen omkleed advies gezonden. De Commissie heeft het Groothertogdom Luxemburg daarin verzocht, binnen twee maanden na ontvangst van het aanvullende met redenen omkleed advies de vereiste maatregelen te treffen.
Het beroep
Argumenten van partijen
14 De Commissie stelt vast dat het Groothertogdom Luxemburg, ondanks het verstrijken van de gestelde termijn, enkel een gedeelte van artikel 1 van richtlijn 98/81 en de bijlage IV en V daarbij heeft omgezet.
15 De Luxemburgse regering geeft te kennen dat de Luxemburgse Conseil d'État op 8 oktober 2002 advies heeft uitgebracht over het wetsontwerp ter afronding van de omzetting in Luxemburgs recht van richtlijn 98/81. Na bekendmaking van het advies van de Conseil d'État is dit wetsontwerp voorgelegd aan de Chambre des Députés, met het verzoek om het met voorrang te behandelen. De bevoegde commissies van de Chambre des Députés zijn begonnen met het onderzoek van het wetsontwerp, zodat hierover in elk geval in de loop van het eerste kwartaal 2003 zal kunnen worden gestemd.
16 Om te beginnen moet worden gepreciseerd dat het beroep, voorzover het betrekking heeft op de bijlagen IV en V bij richtlijn 98/81, alsook het verweer van de Luxemburgse regering dienaangaande aldus moeten worden begrepen, dat zij betrekking hebben op de bijlagen bij richtlijn 90/219 in de versies voortvloeiend uit de enige bijlage bij richtlijn 98/81.
17 Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie onder meer arresten van 11 september 2001, Commissie/Duitsland, C-71/99, Jurispr. blz. I-5811, punt 29, en 11 oktober 2001, Commissie/Oostenrijk, C-110/00, Jurispr. blz. I-7545, punt 13).
18 In casu is de richtlijn niet volledig omgezet binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, zodat het beroep van de Commissie gegrond moet worden geacht.
19 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het Groothertogdom Luxemburg, door enkel uitvoering te geven aan een deel van artikel 1 van richtlijn 98/81 en aan de bijlage IV en V bij richtlijn 90/219, in de uit richtlijn 98/81 voortvloeiende versie, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 2 van richtlijn 98/81 op hem rustende verplichtingen.
Kosten
20 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voorzover zulks is gevorderd. Aangezien het Groothertogdom Luxemburg in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door enkel uitvoering te geven aan een deel van artikel 1 van richtlijn 98/81/EG van de Raad van 26 oktober 1998 tot wijziging van richtlijn 90/219/EEG inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen, en aan de bijlagen IV en V bij richtlijn 90/219/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen, in de uit richtlijn 98/81 voortvloeiende versie, heeft het Groothertogdom Luxemburg niet voldaan aan de krachtens artikel 2 van richtlijn 98/81 op hem rustende verplichtingen.
2) Het Groothertogdom Luxemburg wordt in de kosten verwezen.
Schintgen
Skouris
Colneric
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 oktober 2003.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy