Zaak C‑386/02
Josef Baldinger
tegen
Pensionsversicherungsanstalt der Arbeiter
(verzoek van het Arbeits‑ und Sozialgericht Wien om een prejudiciële beslissing)
„Vrij verkeer van personen – Schadeloosstelling van voormalige krijgsgevangenen – Voorwaarde van bezit van nationaliteit van betrokken lidstaat bij indiening van aanvraag tot schadeloosstelling”
Samenvatting van het arrest
Vrij verkeer van personen – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Gemeenschapsregeling – Materiële werkingssfeer – Schadeloosstelling van voormalige krijgsgevangenen – Daarvan uitgesloten
(Art. 39, lid 2, EG; verordeningen van de Raad nr. 1612/68, art. 7, lid 2, en nr. 1408/71, art. 4, lid 4)
Artikel 39, lid 2, EG, artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, en artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke de toekenning van een uitkering ten behoeve van voormalige krijgsgevangenen wordt geweigerd op grond dat de belanghebbende bij indiening van de aanvraag niet de nationaliteit bezit van de betrokken lidstaat, maar van een andere lidstaat.
Gezien de doelstelling en de toekenningsvoorwaarden ervan valt een dergelijke uitkering onder artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71, dat preciseert dat deze niet van toepassing is op „regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan”, zodat zij is uitgesloten van de materiële werkingssfeer van deze verordening.
Een dergelijke uitkering behoort evenmin tot de voordelen die de nationale werknemer in hoofdzaak worden toegekend op grond van zijn hoedanigheid van werknemer of ingezetene, en beantwoordt bijgevolg niet aan de wezenlijke kenmerken van „sociale voordelen” als bedoeld in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68.
Dezelfde conclusie geldt met betrekking tot artikel 39, lid 2, EG, dat ziet op de voorwaarden op het gebied van de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. Hieronder kunnen geen schadeloosstellingen vallen die worden toegekend wegens door de burgers in oorlogstijd voor hun land verrichte diensten, en waarvan het wezenlijke doel is, hen te begunstigen omdat zij voor dat land beproevingen hebben ondergaan.
(cf. punten 16, 18‑21 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
16 september 2004(1)
„Vrij verkeer van personen – Schadeloosstelling van voormalige krijgsgevangenen – Voorwaarde bezit van nationaliteit van betrokken lidstaat bij indiening van aanvraag schadeloosstelling”
In zaak C-386/02,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG,
ingediend door het Arbeits- und Sozialgericht Wien (Oostenrijk) bij beslissing van 22 oktober 2002, ingeschreven bij het Hof op 28 oktober 2002, in de procedure:
Josef Baldinger
tegen
Pensionsversicherungsanstalt der Arbeiter,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),,
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J.-P. Puissochet, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), R. Schintgen en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 november 2003,gelet op de opmerkingen van:
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door E. Riedl en G. Hesse als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Martin en H.-P. Kreppel als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 december 2003,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 39, lid 2, EG.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een beroep dat door J. Baldinger, verzoeker in het hoofdgeding, is ingesteld tegen de weigering van de Pensionsversicherungsanstalt der Arbeiter, verweerster in het hoofdgeding, om hem een in de Oostenrijkse wetgeving voorziene maandelijkse uitkering voor voormalige krijgsgevangenen toe te kennen.
Het rechtskader
De communautaire regelgeving
3 Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”), is ingevolge artikel 4, lid 4, daarvan niet van toepassing op „regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan”.
4 Artikel 7, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2), bepaalt:
„Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat mag op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.
Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.”
De Oostenrijkse regelgeving
5 § 1 van het Kriegsgefangenenentschädigungsgesetz (wet schadeloosstelling krijgsgevangenen, in de versie zoals bekendgemaakt in het BGBl I, nr. 40/2002; hierna: „KGEG”), luidt:
„De Oostenrijkse staatsburgers die
1. tijdens de Eerste of de Tweede Wereldoorlog krijgsgevangen waren, of
2. tijdens de Tweede Wereldoorlog of tijdens de bezetting van Oostenrijk door de geallieerden, door een vreemde mogendheid om politieke of militaire redenen zijn gearresteerd en gevangengenomen, of
3. zich wegens politieke vervolging of dreigende politieke vervolging in de zin van het Opferfürsorgegesetz, BGBl nr. 183/1947, buiten het grondgebied van de Republiek Oostenrijk bevonden en om de in punt 2 genoemde redenen door een vreemde mogendheid zijn gearresteerd en na aanvang van de Tweede Wereldoorlog zijn gevangengenomen,
hebben recht op een uitkering overeenkomstig het bepaalde in deze federale wet.”
6 § 4 KGEG bepaalt:
„(1) Rechthebbenden op grond van deze wet krijgen twaalf maal per jaar een uitkering ten belope van
14,53 EUR voor gevangenschap in de zin van lid 1 van ten minste drie maanden,
21,8 EUR voor gevangenschap in de zin van lid 1 van ten minste twee jaar,
29,07 EUR voor gevangenschap in de zin van lid 1 van ten minste vier jaar,
36,34 EUR voor gevangenschap in de zin van lid 1 van ten minste zes jaar.
(2) De uitkering op grond van lid 1 wordt bij de berekening van compensatietoelagen (Ausgleichszulagen) uit hoofde van de wettelijke sociale verzekering […] niet als inkomen beschouwd.”
7 § 11, lid 1, KGEG luidt:
„Voor beslechting van aangelegenheden op grond van deze wet zijn bevoegd:
1. voor pensioengerechtigden [...],
-de voor de betaling van het pensioen bevoegde socialezekerheidsinstelling met uitzondering van de Allgemeine Unfallversicherungsanstalt (algemeen bureau voor de ongevallenverzekeringen);
2. voor rechthebbenden op een rustpensioen, een overlevingspensioen, een premie bij vertrek, verzorgingsgeld, onderhoudsgeld of een emeritaatsinkomen […],
-het Bundespensionsamt (federaal bureau voor pensioenen);
[…]
7. voor rechthebbenden op pensioenen, aanvullende uitkeringen of compensaties op grond van het Kriegsopferversorgungsgesetz […], het Heeresversorgungsgesetz […], en voor rechthebbenden op bijstand op grond van het Verbrechensopfergesetz […],
-het Bundesamt für Soziales und Behindertenwesen (federale instelling inzake sociale- en gehandicaptenvraagstukken);
8. in alle overige gevallen, het Bundesamt für Soziales und Behindertenwesen.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
8 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Baldinger op 19 april 1927 in Oostenrijk als Oostenrijks onderdaan is geboren. Van januari 1945 tot mei 1945 heeft hij als soldaat bij de Duitse Wehrmacht aan de Tweede Wereldoorlog deelgenomen. Van 8 mei 1945 tot 27 december 1947 bevond hij zich in krijgsgevangenschap in de Unie der Socialistische Sovjetrepublieken.
9 Vervolgens heeft Baldinger in Oostenrijk gewerkt, welk land hij in 1954 heeft verlaten voor het zoeken van werk in Zweden, waar hij tot 1964 werkzaam was. Van 1964 tot 1965 was hij wederom in Oostenrijk werkzaam. In april 1965 is hij voorgoed naar Zweden geëmigreerd, waar hij beroepswerkzaamheden heeft uitgeoefend en in 1967 de Oostenrijkse nationaliteit voor de Zweedse heeft ingeruild.
10 Sedert 1 mei 1986 ontvangt Baldinger van verweerster in het hoofdgeding een pensioenuitkering wegens invaliditeit en ouderdom. De door Baldinger bij verweerster ingediende aanvraag voor een uitkering op grond van het KGEG werd bij beschikking van 1 maart 2002 afgewezen, waartegen bij de verwijzende rechterlijke instantie beroep is ingesteld.
11 Volgens deze rechterlijke instantie is de betrokken uitkering, die in 2000 in de Oostenrijkse wetgeving is ingevoerd, niet gekoppeld aan de hoedanigheid van werknemer van de rechthebbende noch aan de verwerving van daaruit afgeleide rechten, inzonderheid pensioenrechten. Verordening nr. 1408/71 is niet van toepassing op regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen en de gevolgen daarvan. Bij dergelijke regelingen wordt de uitkering toegekend ter schadeloosstelling van personen die zich hebben opgeofferd voor de bijzondere belangen van de staat die de uitkering toekent.
12 Baldinger, zo verklaart de verwijzende rechterlijke instantie, voldoet aan de materiële voorwaarden ter verkrijging van de betrokken uitkering. Deze wordt hem evenwel geweigerd op de enkele grond dat hij na zijn krijgsgevangenschap in een andere lidstaat van de Europese Unie werk heeft aanvaard en uiteindelijk de nationaliteit van die staat heeft verworven. De verwijzende rechter vraagt zich af of dit rechtsgevolg, dat kan worden beschouwd als een indirecte discriminatie wegens nationaliteit en wegens gebruikmaking van het recht op vrij verkeer van werknemers, in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht, te meer daar het berust op een wet die lange tijd na de toetreding van de Republiek Oostenrijk en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie is vastgesteld.
13 Derhalve heeft het Arbeits- und Sozialgericht Wien besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Moet artikel 48, lid 2, EG-Verdrag [thans, na wijziging, artikel 39, lid 2, EG], betreffende het vrije verkeer van werknemers, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een voor het eerst in 2000 bij wet ingevoerd recht op financiële schadeloosstelling voor personen die
1. tijdens de Eerste of de Tweede Wereldoorlog krijgsgevangen zijn geweest of
2. tijdens de Tweede Wereldoorlog of tijdens de bezetting van Oostenrijk door de geallieerden, door een vreemde mogendheid om politieke of militaire redenen zijn gearresteerd en gevangengenomen, of
3. zich wegens politieke vervolging of dreigende politieke vervolging buiten de Republiek Oostenrijk bevonden en om politieke of militaire redenen door een vreemde mogendheid zijn gearresteerd en na aanvang van de Tweede Wereldoorlog zijn gevangengenomen,
afhankelijk is van het bezit van de Oostenrijkse nationaliteit bij de indiening van de aanvraag?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
14 In dit verband zij er allereerst aan herinnerd, dat het niet aan het Hof staat om zich uit te spreken over de uitlegging van nationale bepalingen en dat het Hof in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de communautaire en de nationale rechterlijke instanties in beginsel acht moet slaan op de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vraag moet worden geplaatst (zie onder meer arrest van 29 april 2004, Pusa, C-224/02, Jurispr. blz. I-0000, punt 37).
15 Volgens de verwijzende rechterlijke instantie moet § 1 KGEG, voorzover dit betrekking heeft op de „Oostenrijkse staatsburger”, aldus worden uitgelegd dat de toekenning van de daarin voorziene uitkering aan voormalige krijgsgevangenen ervan afhangt of die staatsburger, op het tijdstip van de aanvraag van de uitkering, de Oostenrijkse nationaliteit bezit. De verwijzende rechterlijke instantie vraagt zich af of een dergelijke voorwaarde verenigbaar is met de bepalingen van gemeenschapsrecht inzake het vrije verkeer van werknemers.
16 Artikel 4 van verordening nr. 1408/71, dat de materiële werkingssfeer van deze verordening omschrijft, preciseert in lid 4 dat deze verordening niet van toepassing is op „regelingen betreffende prestaties aan slachtoffers van oorlogshandelingen of de gevolgen daarvan”.
17 Een uitkering als die in het hoofdgeding is niet gekoppeld aan de hoedanigheid van werknemer, maar wordt toegekend om aan voormalige krijgsgevangenen die aantonen dat zij een langdurige gevangenschap hebben ondergaan, blijk te geven van nationale erkentelijkheid wegens doorstane beproevingen. Zij wordt derhalve betaald als tegenprestatie voor aan hun land geleverde diensten.
18 Gezien deze doelstelling en deze toekenningsvoorwaarden valt een dergelijke uitkering onder artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71, zodat zij is uitgesloten van het materiële toepassingsgebied van deze verordening (zie in die zin arresten van 6 juli 1978, Gillard, 9/78, Jurispr. blz. 1661, punten 13‑15, en 31 mei 1979, Even, 207/78, Jurispr. blz. 2019, punten 12‑14).
19 Om dezelfde redenen behoort een dergelijke uitkering evenmin tot de voordelen die de nationale werknemer in hoofdzaak worden toegekend op grond van zijn hoedanigheid van werknemer of ingezetene, en beantwoordt zij bijgevolg niet aan de wezenlijke kenmerken van „sociale voordelen” als bedoeld in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 (arrest Even, reeds aangehaald, punten 20‑24).
20 Dezelfde conclusie geldt met betrekking tot artikel 39, lid 2, EG, dat ziet op de voorwaarden op het gebied van de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. Hieronder kunnen geen schadeloosstellingen vallen die worden toegekend wegens door de burgers in oorlogstijd voor hun land verrichte diensten en waarvan het wezenlijke doel is hen te begunstigen omdat zij voor dat land beproevingen hebben ondergaan.
21 Derhalve dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 39, lid 2, EG, artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1408/71 en artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke in omstandigheden als die van het hoofdgeding de toekenning van een uitkering ten behoeve van voormalige krijgsgevangenen wordt geweigerd op grond dat de belanghebbende bij indiening van de aanvraag niet de nationaliteit bezit van de betrokken lidstaat, maar van een andere lidstaat.
Kosten
22 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 39, lid 2, EG, artikel 4, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, en artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke in omstandigheden als die van het hoofdgeding de toekenning van een uitkering ten behoeve van voormalige krijgsgevangenen wordt geweigerd op grond dat de belanghebbende bij indiening van de aanvraag niet de nationaliteit bezit van de betrokken lidstaat, maar van een andere lidstaat.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy