Zaak C-406/02
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk België
„Niet-nakoming – Niet-overlegging van verslagen bedoeld in richtlijnen 76/464/EEG, 78/659/EEG en 80/68/EEG – Standaardisering en rationalisering van verslagen over toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied”
Samenvatting van het arrest
Beroep wegens niet-nakoming – Onderzoek van gegrondheid door Hof – In aanmerking te nemen situatie – Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
12 februari 2004(1)
„Niet-nakoming – Niet-overlegging van de verslagen betreffende richtlijnen 76/464/EEG, 78/659/EEG en 80/68/EEG – Standaardisering en rationalisering van de verslagen over toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied”
In zaak C-406/02,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Stromsky als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door E. Dominkovitz als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet binnen de gestelde termijn de verslagen over te leggen bedoeld in richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PB L 129, blz. 23), richtlijn 78/659/EEG van de Raad van 18 juli 1978 betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft teneinde geschikt te zijn voor het leven van vissen (PB 1980, L 222, blz. 1) en richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PB 1980, L 20, blz. 43), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied (PB L 377, blz. 48), de krachtens deze richtlijnen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),,
samengesteld als volgt: C. Gulmann, waarnemend voor de president van de Derde kamer, J.-P. Puissochet (rapporteur) en F. Macken, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 november 2002, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk België, door voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet binnen de gestelde termijnen de verslagen over te leggen bedoeld in richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PB L 129, blz. 23), richtlijn 78/659/EEG van de Raad van 18 juli 1978 betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft teneinde geschikt te zijn voor het leven van vissen (PB L 222, blz. 1) en richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PB 1980, L 20, blz. 43), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied (PB L 377, blz. 48), de krachtens deze richtlijnen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Het rechtskader
2 Richtlijn 91/692 strekt tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied. Zij heeft tot doel de bepalingen betreffende de door deze richtlijnen voorziene verslagen te harmoniseren en aan te vullen zodat deze per sector samenhangender en vollediger kunnen worden gemaakt. De richtlijn voorziet in een enkel verslag.
3 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 91/692 bepaalt dat de in bijlage I opgenomen bepalingen vervangen worden als volgt:
„Elke drie jaar lichten de lidstaten de Commissie in over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn in het kader van een verslag dat per sector wordt uitgebracht en dat ook de andere communautaire richtlijnen op dit gebied bestrijkt. Dit verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst of een schema, uitgewerkt door de Commissie volgens de procedure van artikel 6 van richtlijn 91/692/EEG [...] Zes maanden vóór de aanvang van de verslagperiode wordt de vragenlijst of het schema aan de lidstaten toegezonden. Het verslag wordt aan de Commissie voorgelegd binnen negen maanden na de periode van drie jaar waarop het betrekking heeft.”
Het eerste verslag bestrijkt de periode van 1993 tot en met 1995.
Binnen negen maanden na ontvangst van de verslagen van de lidstaten publiceert de Commissie een verslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn in de Gemeenschap.”
4 De richtlijnen waarop deze nieuwe bepalingen betrekking hebben, zijn met name:
– richtlijn 76/464;
– richtlijn 78/659;
– richtlijn 80/68.
5 De vragenlijsten aan de hand waarvan het verslag dient te worden opgesteld, zijn uitgewerkt door de Commissie, daarbij bijgestaan door een comité, en zijn zes maanden vóór de aanvang van de verslagperiode aan de lidstaten toegezonden bij beschikking 92/446/EEG van de Commissie van 27 juli 1992 inzake de vragenlijsten voor de richtlijnen voor de sector water (PB L 247, blz. 10).
De precontentieuze procedure
6 Aangezien de Commissie op 30 september 1996, de uiterste datum om aan de gestelde verplichtingen te voldoen, het in artikel 2, lid 1, van richtlijn 91/692 bedoelde verslag betreffende de jaren 1993 tot en met 1995 voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest nog niet had ontvangen, was zij van oordeel dat het Koninkrijk België de op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen.
7 Bijgevolg heeft de Commissie het Koninkrijk België bij brief van 30 juni 1998 in gebreke gesteld.
8 Bij brieven van 30 juli en 11 september 1998 heeft de Belgische permanente vertegenwoordiging de opmerkingen van het Waals Gewest en van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de Commissie toegezonden.
9 Op grond van deze opmerkingen heeft de Commissie haar bezwaren enkel ten aanzien van het laatstgenoemde gewest gehandhaafd.
10 Op 22 december 1998 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij het Koninkrijk België verzocht de nodige maatregelen te nemen om binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving ervan te voldoen aan de verplichtingen van de richtlijnen 76/464, 78/659 en 80/68, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/692 (hierna: „richtlijn 76/464”, „richtlijn 78/659” en „richtlijn 80/68”), en om haar met name voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de door deze richtlijnen vereiste gegevens te verstrekken.
11 Bij in een brief van 13 juni 2000 bevestigd faxbericht van 17 mei 2000 heeft het Koninkrijk België de Commissie een antwoord op het met redenen omkleed advies doen toekomen, waarin werd verklaard dat de maatregelen die nodig waren om de noodzakelijke gegevens voor het over te leggen verslag in te zamelen, vanaf 2001 in werking zouden treden.
12 Omdat zij van oordeel was dat deze termijn te lang was, heeft de Commissie bij brief van 10 juli 2000 de Belgische overheid verzocht alle passende maatregelen te nemen om binnen de kortst mogelijke termijn de voor de inzameling van de gevraagde gegevens noodzakelijke infrastructuur tot stand te brengen.
13 Bij in een brief van 20 juni 2001 bevestigd faxbericht van 19 juni 2001 heeft de Belgische overheid de Commissie nadere opmerkingen doen toekomen in antwoord op het met redenen omkleed advies.
14 Omdat deze nadere informatie naar haar oordeel niet volstond, heeft de Commissie besloten beroep in te stellen bij het Hof.
De niet-nakoming
15 De Commissie heeft afstand gedaan van haar verzoek betreffende de gegevens die dienden te worden medegedeeld krachtens richtlijn 80/68. Niettegenstaande de te late toezending, heeft zij erkend dat het Koninkrijk België toereikende gegevens had verstrekt.
16 Zij handhaaft evenwel haar standpunt dat het Koninkrijk België de krachtens de richtlijnen 76/464 en 78/659 vereiste gegevens niet binnen de gestelde termijn heeft overgelegd.
17 Als verweer voert het Koninkrijk België aan dat de onderscheiden richtlijnen welke in de door de Commissie gevorderde verslagen voorzagen, in zijn wetgeving zijn opgenomen, alsook dat op 17 januari 2003 de in de richtlijnen 76/464 en 78/659 bedoelde verslagen aan de Commissie zijn toegezonden voor de periodes 1993 tot en met 1995, 1996 tot en met 1998 en 1999 tot en met 2001.
18 Het Koninkrijk België betoogt dat het verslag dat is opgesteld voor de periode 1993 tot en met 1995, dat wil zeggen de periode waarvoor de te late toezending ten grondslag ligt aan de verweten niet-nakoming, in tegenstelling tot hetgeen de Commissie beweert, precieze gegevens bevat voor alle jaren waarvoor deze overeenkomstig richtlijn 91/692 moesten worden opgesteld.
19 Bovendien stelt de betrokken regering dat dit verslag alle beschikbare gegevens bevat, en dat de vragen waarop voor het jaar 1993 geen antwoord was gegeven, ook niet konden worden beantwoord omdat de vragenlijst nieuw was. Zij onderstreept in dit verband dat beschikking 95/337/EG van de Commissie van 25 juli 1995 tot wijziging van beschikking 92/446 (PB L 200, blz. 1) rekening houdt met de onmogelijkheid om op de vragenlijst te antwoorden voor investeringen op het gebied van waterzuiveringsinstallaties.
20 De omstandigheid, indien al bewezen, dat het overgelegde verslag als voldoende moet worden beschouwd, doet niet af aan de niet-nakoming, die uitsluitend betrekking heeft op de te late toezending van het verslag aan de Commissie door de Belgische regering.
21 De Belgische regering betwist niet dat dit verslag niet is toegezonden vóór 30 september 1996, de uiterste datum volgens de bepalingen van richtlijn 91/692, noch binnen de door het met redenen omkleed advies gestelde termijn.
22 Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van de niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie met name arrest van 5 juni 2003, Commissie/Griekenland, C-83/02, Jurispr. blz. I-5639, punt 10).
23 Derhalve is het Koninkrijk België, door voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet binnen de gestelde termijn het in artikel 2, lid 1, van richtlijn 91/692 bedoelde verslag aan de Commissie toe te zenden, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
Kosten
24 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet binnen de gestelde termijn het verslag bedoeld in artikel 2, lid 1, van richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied, aan de Commissie over te leggen, is het Koninkrijk België de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Gulmann
Puissochet
Macken
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 februari 2004.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy