Zaak C‑409/02 P
Jan Pflugradt
tegen
Europese Centrale Bank
„Hogere voorziening – Personeel van Europese Centrale Bank – Contractuele arbeidsverhouding – Wijziging van in arbeidsovereenkomst genoemde bevoegdheden”
Samenvatting van het arrest
1. Ambtenaren – Personeelsleden van Europese Centrale Bank – Aard van arbeidsverhouding – Contractueel en niet statutair
2. Ambtenaren – Personeelsleden van Europese Centrale Bank – Organisatie van diensten – Omschrijving of heromschrijving van aan personeel toevertrouwde taken – Beoordelingsvrijheid van administratie – Grenzen – Dienstbelang – Eerbiediging van rang en indeling
1. De arbeidsverhouding tussen de Europese Centrale Bank en haar personeelsleden is contractueel en niet van statutaire aard. De arbeidsovereenkomst is echter aangegaan met een gemeenschapsorgaan dat een taak van algemeen belang vervult en ertoe gemachtigd is, de op zijn personeel toepasselijke bepalingen bij reglement vast te stellen. De wil van de partijen bij een dergelijke overeenkomst wordt dus noodzakelijkerwijs beperkt door allerhande verplichtingen die uit deze bijzondere opdracht voortvloeien en die zowel voor de bestuursorganen van de Bank als voor haar personeelsleden gelden.
(cf. punten 33‑34)
2. De gemeenschapsinstellingen beschikken over een ruime beoordelingsvrijheid om hun diensten te organiseren naar de eis van de taken die hun zijn toevertrouwd, en om voor de vervulling van die taken het hun ter beschikking staande personeel tewerk te stellen, met dien verstande evenwel dat deze tewerkstelling in het belang van de dienst moet zijn en dat de gelijkwaardigheid van de ambten moet worden geëerbiedigd. De Europese Centrale Bank beschikt op dezelfde wijze over een ruime beoordelingsvrijheid om haar diensten te organiseren naar de eis van de haar toevertrouwde taken en bijgevolg om, voor de vervulling daarvan, de taken die aan haar personeel worden toevertrouwd, te omschrijven of te heromschrijven, op voorwaarde dat zij deze beoordelingsvrijheid uitsluitend in het belang van de dienst gebruikt met eerbiediging van de rang en de indeling waarop ieder personeelslid krachtens de arbeidsvoorwaarden aanspraak kan maken.
(cf. punten 42‑43)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
14 oktober 2004(1)
„Hogere voorziening – Personeel van Europese Centrale Bank – Contractuele arbeidsverhouding – Wijziging van in arbeidsovereenkomst genoemde bevoegdheden”
In zaak C-409/02 P,betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie,ingesteld op 18 november 2002,
Jan Pflugradt, vertegenwoordigd door N. Pflüger, Rechtsanwalt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirant,
andere partij in de procedure:
Europese Centrale Bank, vertegenwoordigd door V. Saintot en T. Gilliams als gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, Rechtsanwalt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg, wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),,
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, A. Rosas, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), K. Lenaerts en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: M.-F. Contet, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 maart 2004,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 juli 2004,
het navolgende
Arrest
1 J. Pflugradt verzoekt om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 22 oktober 2002, Pflugradt/ECB (T-178/00 en T‑341/00, Jurispr. blz. II-4035; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van zijn beroepen tot nietigverklaring van twee handelingen (hierna: „bestreden handelingen”) van de Europese Centrale Bank (hierna: „ECB”), waarvan de eerste van 23 november 1999 dateert en een beoordeling inhoudt van de wijze waarop de betrokkene zijn taak vervult (hierna: „beoordelingsrapport voor 1999”), en de tweede van 28 juni 2000 dateert en de lijst van zijn belangrijkste bevoegdheden vaststelt (hierna: „nota van 28 juni 2000”).
Het rechtskader
2 Het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de ECB, gehecht aan het EG-Verdrag (hierna: „ESCB-statuten”), bevat met name de volgende bepalingen:
„Artikel 12
Verantwoordelijkheden van de besluitvormende organen
12.3 De Raad van bestuur neemt een Reglement van orde aan waarin de interne organisatie van de ECB en haar besluitvormende organen wordt geregeld.
[…]
Artikel 36
Personeel
36.1 De Raad van bestuur stelt op voorstel van de Directie de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de ECB vast.
36.2 Het Hof van Justitie is, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de arbeidsvoorwaarden, bevoegd ter zake van geschillen tussen de ECB en haar personeelsleden.”
3 Op basis van deze bepalingen heeft de Raad van bestuur bij besluit van 9 juni 1998, zoals gewijzigd op 31 maart 1999 (PB 1999, L 125, blz. 32), de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de ECB (hierna: „arbeidsvoorwaarden”) vastgesteld, waarin met name is bepaald:
„9. (a) De arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeelsleden wordt geregeld door in overeenstemming met de onderhavige arbeidsvoorwaarden gesloten arbeidsovereenkomsten. De personeelsverordeningen en ‑regelingen die door de directie worden vastgesteld, preciseren de modaliteiten van deze arbeidsvoorwaarden.
[…]
(c) De arbeidsvoorwaarden worden niet door enig specifiek nationaal recht beheerst. De ECB past toe: i) de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, ii) de algemene beginselen van gemeenschapsrecht (EG), iii) de regels in de aan de lidstaten gerichte verordeningen en richtlijnen (EG) betreffende het sociaal beleid. Telkens wanneer dit noodzakelijk is, worden die rechtsnormen door de ECB toegepast. Er zal naar behoren rekening worden gehouden met de aanbevelingen (EG) op het gebied van het sociaal beleid. Voor de uitlegging van de in de onderhavige arbeidsvoorwaarden opgenomen rechten en verplichtingen, houdt de ECB naar behoren rekening met de in de verordeningen, voorschriften en rechtspraak neergelegde beginselen die van toepassing zijn op het personeel van de gemeenschapsinstellingen.
10. (a) De arbeidsovereenkomsten tussen de ECB en haar personeelsleden hebben de vorm van aanstellingsbrieven die door de personeelsleden worden medeondertekend. De aanstellingsbrieven bevatten de elementen van de overeenkomst als gepreciseerd bij richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 [...]
[…]
42. Na uitputting van alle beschikbare interne procedures is het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevoegd om uitspraak te doen in elk geschil tussen de ECB en een personeelslid of gewezen personeelslid op wie de onderhavige arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn.
Deze bevoegdheid is beperkt tot een toetsing van de wettigheid van de maatregel of het besluit, behalve indien het geschil van geldelijke aard is, in welk geval het Hof van Justitie over volledige rechtsmacht beschikt.”
4 Op basis van artikel 12.3 van de ESCB-statuten heeft de Raad van bestuur het Reglement van orde van de ECB vastgesteld, gewijzigd op 22 april 1999 (PB L 125, blz. 34), dat onder meer bepaalt:
„Artikel 11
Personeel van de ECB
11.1 Elk personeelslid van de ECB wordt op de hoogte gebracht van zijn/haar plaats in de structuur van de ECB, de door hem/haar te volgen rapportageprocedure en zijn/haar taken.
[…]
Artikel 21
Arbeidsvoorwaarden
21.1 De arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeel wordt bepaald door de arbeidsvoorwaarden en de personeelsverordeningen en -regelingen.
21.2 De arbeidsvoorwaarden worden op voorstel van de directie door de Raad van bestuur goedgekeurd en aangepast. Uit hoofde van de in dit Reglement van orde vastgelegde procedure wordt de Algemene Raad geraadpleegd.
21.3 De arbeidsvoorwaarden worden ten uitvoer gelegd door middel van personeelsverordeningen en -regelingen, welke door de directie worden goedgekeurd en aangepast.”
De aan het geding ten grondslag liggende feiten
5 Pflugradt is sinds 1 juli 1998 in dienst van de ECB. Hij was aangesteld bij het directoraat-generaal „Informatiesystemen” (hierna: „DG IS”), waar hij sinds zijn aanwerving de functie van „coördinator UNIX-specialisten” bekleedde.
6 Op 9 oktober 1998 heeft rekwirant ingestemd met een document getiteld „UNIX co-ordinator responsabilities”, dat een lijst bevatte van de met zijn functie verbonden taken. Daartoe behoorde het opstellen van de beoordelingsrapporten van de leden van het UNIX-team.
7 Op 13 oktober 1998 heeft de ECB rekwirant een brief gezonden houdende aanstelling met terugwerkende kracht tot 1 juli 1998.
8 Op 14 oktober 1999 heeft de directeur-generaal van DG IS rekwirant meegedeeld dat hij niet bevoegd was om de beoordelingsrapporten van de leden van het UNIX-team op te stellen.
9 Op 23 november 1999 had rekwirant een beoordelingsgesprek met zijn afdelingshoofd. Deze heeft zijn oordeel vastgelegd in het beoordelingsrapport voor 1999, dat in zaak T-178/00 de voor het Gerecht bestreden handeling vormde.
10 Op 12 januari 2000 heeft rekwirant verschillende opmerkingen gemaakt over zijn beoordeling en erop gewezen, dat hij zich „het recht voorbehield een onredelijke beoordeling te verwerpen”.
11 Op 10 maart 2000 heeft rekwirant ingevolge artikel 41 van de arbeidsvoorwaarden verzocht om administratieve herziening („administrative review”) van het beoordelingsrapport voor 1999, op grond dat het uitging van onjuiste feiten en bijgevolg inbreuk maakte op zijn contractuele rechten. Hij heeft tevens verzocht om een nieuwe beoordelingsprocedure voor 1999 door andere, onbevooroordeelde personen.
12 Op 10 april 2000 heeft de directeur-generaal van DG IS de stelling van rekwirant dat het beoordelingsrapport voor 1999 op onjuiste feiten berustte, en zijn verzoek om een nieuwe beoordelingsprocedure, afgewezen.
13 Op 9 mei 2000 heeft rekwirant bij de president van de ECB een klacht („grievance procedure”) ingediend, die in wezen berustte op de in de procedure van administratieve herziening aangevoerde gronden.
14 Op 8 juni 2000 heeft de president van de ECB deze klacht afgewezen.
15 Bij nota van 28 juni 2000 heeft de directeur-generaal van DG IS rekwirant een lijst met diens belangrijkste bevoegdheden overhandigd, waarbij hij opmerkte dat deze lijst de basis zou zijn voor zijn jaarlijkse beoordeling. Tegen dit document is beroep ingesteld bij het Gerecht in zaak T-341/00.
Het bestreden arrest
16 Na voeging van de twee zaken (T-178/00 en T-341/00) heeft het Gerecht, wat het beroep in zaak T-178/00 betreft, geoordeeld dat Pflugradt nietigverklaring van het beoordelingsrapport voor 1999 vorderde voorzover enerzijds hem daarbij de bevoegdheid om de leden van het UNIX-team te beoordelen werd ontnomen en anderzijds dat rapport verscheidene onjuiste beoordelingen bevatte.
17 Het Gerecht heeft deze vorderingen afgewezen op grond van de in de punten 49 en 53 van het bestreden arrest uiteengezette overweging dat, hoewel de arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeel van contractuele aard is en de verbindendheid van overeenkomsten eraan in de weg staat dat de ECB als werkgever de wijze van uitvoering van arbeidsovereenkomsten zonder instemming van de betrokken personeelsleden wijzigt, dit beginsel alleen voor de wezenlijke bestanddelen van de arbeidsovereenkomst geldt.
18 In dit verband heeft het Gerecht in punt 54 van hetzelfde arrest geoordeeld:
„Evenals elke andere instelling of onderneming beschikt de ECB immers over beleidsvrijheid bij de organisatie van haar diensten en haar personeelsbeleid. Als gemeenschapsinstelling beschikt zij zelfs over een ruime beoordelingsvrijheid bij de organisatie van haar diensten en de tewerkstelling van haar personeel voor de vervulling van haar taken van algemeen belang (zie, naar analogie, arresten Hof van 21 juni 1984, Lux/Rekenkamer, 69/83, Jurispr. blz. 2447, punt 17, en 12 november 1996, Ojha/Commissie, C-294/95 P, Jurispr. blz. I-5863, punt 40; arresten Gerecht van 6 november 1991, Von Bonkewitz-Lindner/Parlement, T‑33/90, Jurispr. blz. II-1251, punt 88, en 9 juni 1998, Hick/ESC, T-176/97, JurAmbt. blz. I-A-281 en II-845, punt 36). De ECB kan bijgevolg in de loop der tijd de arbeidsverhouding met haar personeelsleden in het belang van de dienst bijstellen, om te komen tot een efficiënte werkorganisatie en een coherente taakverdeling tussen de personeelsleden en om zich aan te passen aan veranderende behoeften. Een personeelslid dat is aangesteld voor onbepaalde tijd in een functie die eventueel kan duren tot hij 65 wordt, kan redelijkerwijs niet verwachten dat alle aspecten van de interne organisatie zijn gehele loopbaan lang ongewijzigd blijven of dat hij deze gehele loopbaan de bevoegdheden behoudt die hem bij zijn aanwerving zijn toegekend.”
19 In de punten 58 tot en met 60 van het bestreden arrest overweegt het Gerecht het volgende:
„58 Vaststaat dat verzoeker ondanks de wijziging van zijn bevoegdheden nog steeds de functie bekleedt van,coördinator UNIX-specialisten’, in de categorie,professionals’ en rang G, en de bijpassende bezoldiging heeft behouden.
59 Blijkens de functieomschrijving van 5 oktober 1998 is de functie van coördinator UNIX-specialisten hoofdzakelijk van technische aard en zijn de personeels- en beheerstaken van ondergeschikt belang. Het enkele feit dat hem de beoordeling van de leden van het UNIX-team is ontnomen, heeft dus niet tot gevolg dat verzoekers bevoegdheden als geheel duidelijk tot onder het niveau dat met zijn functie overeenstemt, zijn teruggebracht. Vaststaat dat verzoeker nooit gelegenheid heeft gehad de leden van het UNIX-team te beoordelen, aangezien deze verantwoordelijkheid hem is ontnomen nog voordat de ECB met de eerste jaarlijkse beoordeling van haar personeel was begonnen. Deze wijziging is dan ook geen achteruitgang van de functie van verzoeker en kan bijgevolg niet worden beschouwd als een aantasting van een hoofdbestanddeel van de arbeidsovereenkomst.
60 De grieven van verzoeker zijn dus ongegrond. Dit middel moet bijgevolg worden afgewezen.”
20 Bovendien heeft het Gerecht het middel inzake de beoordelingen in het beoordelingsrapport voor 1999 afgewezen op grond van de in de punten 68 tot en met 71 van het bestreden arrest geformuleerde overwegingen:
„68 Hoewel verzoeker aanvoert dat het beoordelingsrapport voor 1999 berust op onjuiste feiten, beoogt hij in werkelijkheid de geldigheid te betwisten van de beoordeling door zijn meerderen van zijn werk in 1999.
69 Het staat evenwel niet aan het Gerecht om zijn oordeel in de plaats te stellen van dat van degenen die verzoekers werk moeten beoordelen. Evenals de andere instellingen en organen van de Gemeenschap beschikt de ECB over een ruime bevoegdheid voor de beoordeling van het werk van haar personeel. De wettigheidstoetsing door het Gerecht van de beoordeling in het jaarlijkse beoordelingsrapport van een personeelslid van de ECB heeft alleen betrekking op eventuele vormgebreken, kennelijke feitelijke dwalingen in de beoordeling en een eventueel misbruik van bevoegdheid (zie, naar analogie, arrest Gerecht van 24 januari 1991, Latham/Commissie, T-63/89, Jurispr. blz. II-19, punt 19).
70 Aangezien verzoeker in casu dergelijke omstandigheden niet heeft aangetoond, kunnen zijn grieven niet worden aanvaard.
71 Overigens is de motivering van het beoordelingsrapport voor 1999 voldoende duidelijk om te voldoen aan de vereisten van artikel 253 EG, dat krachtens artikel 34.2 van de ESCB-statuten van toepassing is op de besluiten van de ECB.”
21 Het Gerecht heeft, wat het beroep in zaak T-341/00 betreft, geoordeeld dat Pflugradt nietigverklaring vorderde van de nota van 28 juni 2000, waarbij volgens hem de ECB zijn bevoegdheden had gewijzigd.
22 In de punten 81 en 82 van het bestreden arrest heeft het Gerecht erkend dat deze nota een bezwarend besluit vormt, en het beroep derhalve ontvankelijk verklaard.
23 Ten gronde heeft het Gerecht deze vorderingen afgewezen en in de punten 89 en 90 van dat arrest geoordeeld:
„89 In de eerste plaats kan verzoeker, zoals hiervóór in zaak T-178/00 in punt 54 is geoordeeld, redelijkerwijs niet verwachten dat hij tot aan de pensioenleeftijd bepaalde specifieke taken behoudt die hem bij zijn aanwerving mogelijk door de ECB zijn toebedeeld. De aanspraken die verzoeker ontleent aan het feit dat hij exclusieve bevoegdheden zou hebben, moeten bijgevolg worden afgewezen.
90 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of de ECB de grenzen van haar organisatiebevoegdheid kennelijk heeft overschreden door verzoekers bevoegdheden eenzijdig te wijzigen, is niet betwist dat deze wijzigingen in het belang van de dienst hebben plaatsgevonden. Voorts heeft verzoeker zijn betoog niet onderbouwd met nauwkeurige gegevens die overtuigend aantonen, dat deze wijzigingen de hoofdbestanddelen van zijn arbeidsovereenkomst aantasten door zijn bevoegdheden in hun geheel duidelijk terug te brengen tot onder het niveau van die welke met zijn functie overeenstemmen, waardoor zijn functie achteruit gaat. Integendeel, verzoeker heeft inzake de UNIX-systemen en de coördinatie van UNIX-specialisten zijn wezenlijke bevoegdheden behouden. Verzoekers grieven dat zijn functie achteruit is gegaan, moeten bijgevolg worden afgewezen.”
De conclusies van partijen
24 Pflugradt concludeert dat het het Hof behage:
– het bestreden arrest te vernietigen;
– het beoordelingsrapport voor 1999 nietig te verklaren;
– nietig te verklaren de nota van 28 juni 2000 voorzover daarbij de bevoegdheden van rekwirant worden gewijzigd;
– de ECB te verwijzen in de kosten.
25 De ECB concludeert dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening af te wijzen;
– Pflugradt te verwijzen in de kosten.
De hogere voorziening
26 Uit de vele argumenten van Pflugradt kan worden gedistilleerd dat hij het Gerecht verwijt dat het van onjuiste rechtsopvattingen blijk heeft gegeven, middelen, argumenten en bewijsmateriaal verkeerd heeft opgevat, de regels van het bewijsrecht heeft geschonden en zijn arrest op tegenstrijdige motieven heeft gebaseerd.
27 Deze grieven dienen te worden ingedeeld in drie groepen middelen, betreffende respectievelijk de contractuele aard van de arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeel, de onjuiste toepassing van de beginselen die het communautaire ambtenarenrecht beheersen, en de feiten die aan het beoordelingsrapport voor 1999 ten grondslag hebben gelegen.
De middelen inzake de contractuele aard van de arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeel
28 Pflugradt stelt dat, aangezien de rechtsverhouding tussen de ECB en haar personeel contractueel is – zoals is bepaald in artikel 9, sub a, eerste volzin, van de arbeidsvoorwaarden, vastgesteld krachtens artikel 36.1 van de ESCB-statuten – het Gerecht van een verkeerde rechtsopvatting blijk heeft gegeven door zich op de rechtspraak betreffende de in artikel 283 EG bedoelde regels inzake de tewerkstelling van de ambtenaren en de andere personeelsleden te baseren om de omvang van de organisatiebevoegdheid van de ECB af te bakenen.
29 Vooraf zij eraan herinnerd dat de bevoegdheid van het Hof om uitspraak te doen in elk geschil tussen de ECB en haar personeelsleden overeenkomstig artikel 36.2 van de ESCB-statuten en artikel 42 van de arbeidsvoorwaarden beperkt is tot de toetsing van de wettigheid van de maatregel of het besluit, behalve indien het geschil van geldelijke aard is.
30 Vaststaat in casu dat het door Pflugradt aan het Gerecht voorgelegde geschil niet van geldelijke aard is. Bijgevolg mocht het zich alleen over de wettigheid van de bestreden handelingen uitspreken, met andere woorden controleren of de opstellers ervan de op hen rustende wettelijke verplichtingen zijn nagekomen, en mocht het zich niet uitspreken over de vraag of de door de ECB genomen maatregelen in overeenstemming zijn met de betrokken arbeidsovereenkomst en met de wijze van uitvoering ervan.
31 In dit verband zij opgemerkt dat de arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeelsleden wordt geregeld door de arbeidsvoorwaarden, die zijn vastgesteld door de Raad van bestuur, op voorstel van de Directie, op grond van artikel 36.1 van de ESCB-statuten. Artikel 9, sub a, ervan bepaalt dat „[d]e arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeelsleden wordt geregeld door in overeenstemming met de onderhavige arbeidsvoorwaarden gesloten arbeidsovereenkomsten”. Artikel 10, sub a, van diezelfde voorwaarden bepaalt dat „[d]e arbeidsovereenkomsten tussen de ECB en haar personeelsleden […] de vorm [hebben] van aanstellingsbrieven die door de personeelsleden worden medeondertekend”.
32 Vaststaat dat deze bepalingen analoog zijn met die van het personeelsreglement van de Europese Investeringsbank (hierna: „EIB”), waaruit het Hof heeft afgeleid dat de regeling die voor de arbeidsverhouding tussen de EIB en haar personeel geldt, van contractuele aard is en dus is gebaseerd op het beginsel dat de individuele overeenkomsten tussen de EIB en elk van haar personeelsleden op wilsovereenstemming berusten (arresten van 15 juni 1976, Mills/EIB, 110/75, Jurispr. blz. 955, punt 22, en 2 oktober 2001, EIB/Hautem, C‑449/99 P, Jurispr. blz. I-6733, punt 93).
33 Bijgevolg is de arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeelsleden contractueel en niet van statutaire aard.
34 De betrokken overeenkomst is echter aangegaan met een gemeenschapsorgaan, dat een taak van algemeen belang vervult en ertoe gemachtigd is, de op zijn personeel toepasselijke bepalingen bij reglement vast te stellen. De wil van de partijen bij een dergelijke overeenkomst wordt dus noodzakelijkerwijs beperkt door allerhande verplichtingen die uit deze bijzondere opdracht voortvloeien en die zowel voor de bestuursorganen van de ECB als voor haar personeelsleden gelden. Het lijdt geen twijfel dat de arbeidsvoorwaarden erop gericht zijn deze verplichtingen na te komen en de ECB in staat te stellen te beschikken over „de diensten van personeel dat vanuit een oogpunt van onafhankelijkheid, bekwaamheid, efficiëntie en integriteit aan de hoogste eisen voldoet […]”, overeenkomstig de derde overweging van de considerans van deze arbeidsvoorwaarden.
35 De arbeidsovereenkomsten worden volgens artikel 9, sub a, van de arbeidsvoorwaarden in overeenstemming daarmee gesloten. Wanneer een personeelslid de in artikel 10, sub a, van deze voorwaarden bedoelde aanstellingsbrief ondertekent, stemt hij bijgevolg met deze arbeidsvoorwaarden in zonder dat hij over enig bestanddeel ervan individueel kan onderhandelen. De wilsovereenstemming wordt aldus ten dele beperkt tot de aanvaarding van de in deze arbeidsvoorwaarden vastgestelde rechten en verplichtingen. Verder zij eraan herinnerd dat, wat de uitlegging van deze rechten en verplichtingen betreft, artikel 9, sub c, van de arbeidsvoorwaarden bepaalt dat de ECB naar behoren rekening houdt met de in de verordeningen, voorschriften en rechtspraak neergelegde beginselen die van toepassing zijn op het personeel van de gemeenschapsinstellingen.
36 Weliswaar kunnen de arbeidsovereenkomsten van de personeelsleden van de ECB andere elementen bevatten waarmee het betrokken personeelslid na besprekingen heeft ingestemd, zoals de wezenlijke kenmerken van de hem opgelegde taken. Toch staan dergelijke elementen op zich niet eraan in de weg dat de bestuursorganen van de ECB gebruik maken van de beoordelingsvrijheid waarover zij beschikken voor de uitvoering van de maatregelen ter nakoming van de verplichtingen van algemeen belang die voortvloeien uit de aan de ECB opgelegde bijzondere taak. Deze organen kunnen dus verplicht zijn, in het belang van de dienst en meer bepaald om de dienst in staat te stellen zich aan nieuwe behoeften aan te passen, unilaterale beslissingen of maatregelen te nemen die met name de wijze van uitvoering van de arbeidsovereenkomsten kunnen wijzigen.
37 Bijgevolg bevinden de bestuursorganen van de ECB zich bij de gebruikmaking van deze vrijheid geenszins in een andere situatie dan de bestuursorganen van de andere gemeenschapsorganen en ‑instellingen in hun verhouding tot hun personeelsleden.
38 In deze omstandigheden heeft het Gerecht, dat zich strikt aan de hem opgelegde toetsing van de wettigheid van de bestreden handelingen heeft gehouden, deze wettigheid terecht getoetst tegen de achtergrond van de beginselen die van toepassing zijn op alle personeelsleden van de andere gemeenschapsorganen en ‑instellingen. Bijgevolg is het Gerecht niet voorbijgegaan aan de contractuele aard van de situatie van de personeelsleden van de ECB. Bovendien heeft het Gerecht niet van een verkeerde rechtsopvatting blijk gegeven door in punt 59 van zijn arrest te oordelen dat de wijziging van de betrokken bevoegdheden geen wezenlijk bestanddeel van de arbeidsovereenkomst aantastte.
39 Aldus heeft het Gerecht door het desbetreffende betoog van de hand te wijzen, anders dan Pflugradt stelt, noch het „beginsel van het institutionele evenwicht” noch „de regels van het bewijsrecht” geschonden, en evenmin de argumenten van rekwirant verkeerd opgevat.
40 Derhalve dienen de middelen betreffende de contractuele aard van de arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeel te worden afgewezen.
De middelen inzake de toepassing van de beginselen betreffende de tewerkstelling van het personeel
41 Pflugradt stelt dat het Gerecht niet alleen de beginselen inzake de tewerkstelling van het personeel ten onrechte op de personeelsleden van de ECB heeft toegepast, gelet op het communautaire ambtenarenrecht, maar bovendien deze beginselen heeft geschonden.
42 In dat verband zij eraan herinnerd dat in de rechtspraak van het Hof de gemeenschapsinstellingen een ruime beoordelingsvrijheid is toegekend om hun diensten te organiseren naar de eis van de taken die hun zijn toevertrouwd, en om voor de vervulling van die taken het hun ter beschikking staande personeel tewerk te stellen, met dien verstande evenwel dat deze tewerkstelling in het belang van de dienst moet zijn en de gelijkwaardigheid van de ambten moet worden geëerbiedigd (arrest Lux/Rekenkamer, reeds aangehaald, punt 17; arrest van 23 maart 1988, Hecq/Commissie, 19/87, Jurispr. blz. 1681, punt 6, en arrest Ojha/Commissie, reeds aangehaald, punt 40).
43 Om de in punt 34 van het onderhavige arrest genoemde redenen moet de ECB op dezelfde wijze over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken om haar diensten te organiseren naar de eis van de haar toevertrouwde taken en bijgevolg om, voor de vervulling daarvan, de taken die aan haar personeel worden toevertrouwd, te omschrijven of te heromschrijven, op voorwaarde dat zij deze beoordelingsvrijheid uitsluitend in het belang van de dienst gebruikt met eerbiediging van de rang en de indeling waarop ieder personeelslid krachtens de arbeidsvoorwaarden aanspraak kan maken.
44 Door in punt 58 van het bestreden arrest op te merken dat niet werd betwist dat Pflugradt ondanks de wijzigingen van zijn bevoegdheden zijn functie van „coördinator UNIX-specialisten” in de categorie „professionals”, rang G en de bijpassende bezoldiging had behouden, heeft het Gerecht alleen vastgesteld, zonder van een verkeerde rechtsopvatting blijk te geven, dat bij de heromschrijving van de taken van de betrokkene de rang en indeling waarop hij tot op dat ogenblik recht had, waren geëerbiedigd.
45 Dienaangaande kon Pflugradt zich voor het Gerecht niet met succes beroepen op de onwettigheid van de jegens hemzelf en de andere personeelsleden van de ECB genomen individuele beslissingen tot indeling, aangezien de bestreden handelingen in ieder geval geen verband houden met deze beslissingen. Derhalve kan rekwirant zich er niet over beklagen dat het Gerecht heeft nagelaten uitspraak te doen op deze exceptie van onwettigheid, en kan hij zich in het kader daarvan evenmin beroepen op schending van de bewijsregels.
46 Verder betoogt Pflugradt dat, aangezien de ECB zich niet op het belang van de dienst heeft beroepen, het Gerecht in punt 90 van het bestreden arrest niet zonder voorbij te gaan aan de regels inzake de bewijslast kon oordelen dat rekwirant niet had betwist dat zijn overeenkomst was gewijzigd in het belang van de dienst.
47 Opgemerkt zij evenwel dat het Gerecht hiermee alleen heeft vastgesteld dat de partijen geen tegenspraak hadden gevoerd omtrent de vraag of de bestreden handelingen in het belang van de dienst waren verricht. Aangezien Pflugradt de wettigheid van deze handelingen betwistte, moest hij, en niet de ECB, voor het Gerecht aantonen dat deze handelingen niet voldeden aan de wettigheidsvoorwaarden en met name dat zij niet in het belang van de dienst waren verricht. Daar rekwirant dit niet heeft gedaan, kan hij niet op goede gronden stellen dat het Gerecht aldus de regels inzake de bewijslast heeft geschonden.
48 Pflugradt verwijt het Gerecht ook dat het de punten 59 en 60 van het bestreden arrest op tegenstrijdige motieven heeft gebaseerd. Dienaangaande zij opgemerkt dat het Gerecht in punt 59 heeft geoordeeld dat de wijziging die bij het beoordelingsrapport voor 1999 in de taken van Pflugradt was aangebracht, niet op een wezenlijk bestanddeel van de arbeidsovereenkomst betrekking had, daar het ging om de beoordeling van de leden van het „UNIX-team”. Hoewel deze omstandigheid naar het oordeel van het Gerecht voldoende was om te concluderen dat dit rapport niet onwettig was door het feit dat deze taak aan rekwirant was ontnomen, heeft het daarom nog niet de mogelijkheid willen uitsluiten te aanvaarden dat een taakontneming in het belang van de dienst is indien zij op een ander bestanddeel van de overeenkomst slaat. Bijgevolg heeft het Gerecht, door in punt 90 van het bestreden arrest te oordelen dat de nota van 28 juni 2000 wettig en met name in het belang van de dienst is, dat arrest geenszins op tegenstrijdige motieven gebaseerd.
49 Derhalve dienen ook de middelen inzake de toepassing van de beginselen betreffende de tewerkstelling van de personeelsleden te worden afgewezen.
De middelen inzake de feiten die aan het beoordelingsrapport voor 1999 ten grondslag hebben gelegen
50 Pflugradt stelt dat, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, hij niet het oordeel heeft betwist dat de ECB in zijn beoordelingsrapport voor 1999 over hem heeft uitgebracht, doch de feiten waarop deze beoordeling is gebaseerd.
51 In punt 68 van het bestreden arrest heeft het Gerecht inderdaad geoordeeld dat, hoewel rekwirant stelt dat het beoordelingsrapport voor 1999 op materieel onjuiste feiten is gebaseerd, hij in werkelijkheid de geldigheid van het oordeel van zijn hiërarchieke meerderen over zijn taakvervulling in de loop van dat jaar beoogt te betwisten.
52 Deze analyse, hoe dubbelzinnig zij ook is, kan echter, anders dan rekwirant aanvoert, niet worden aangemerkt als een verkeerde opvatting van zijn argumenten of als een schending van de bewijsregels. Wanneer rekwirant de feiten waarop een beoordeling berust, in twijfel trekt, beoogt hij noodzakelijkerwijs de geldigheid van die beoordeling te betwisten.
53 Na in punt 69 van het bestreden arrest eraan te hebben herinnerd dat zijn toetsing alleen op eventuele vormgebreken, kennelijke feitelijke dwalingen in deze beoordeling en een eventueel misbruik van bevoegdheid betrekking kan hebben, heeft het Gerecht in punt 70 van dat arrest geoordeeld dat rekwirant geen dergelijke omstandigheden had aangetoond. Door te oordelen dat geen kennelijke feitelijke dwalingen waren bewezen, heeft het Gerecht, anders dan rekwirant stelt, uitspraak gedaan over het middel inzake de materiële onjuistheid van de feiten, die door rekwirant moest worden aangetoond. Bijgevolg is het Gerecht niet zonder meer uitgegaan van de rechtmatigheid van deze beoordeling en heeft het evenmin de bewijsregels geschonden.
54 Verder heeft het Gerecht niet van een verkeerde rechtsopvatting blijk gegeven door te oordelen dat het zijn beoordeling niet in de plaats mag stellen van die van degenen die met de beoordeling van de taakvervulling van rekwirant zijn belast (arresten van 17 maart 1971, Marcato/Commissie, 29/70, Jurispr. blz. 243, punt 7, en 5 mei 1983, Ditterich/Commissie, 207/81, Jurispr. blz. 1359, punt 13).
55 Ten slotte is het middel waarmee Pflugradt de feitelijke gegevens waarop het beoordelingsrapport voor 1999 is gebaseerd, voor het Hof beoogt aan te vechten, niet-ontvankelijk in het kader van de onderhavige hogere voorziening. Uit artikel 225 EG en artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie volgt immers dat de hogere voorziening tot rechtsvragen beperkt is (zie met name arrest van 29 april 2004, Parlement/Ripa di Meana e.a., C-470/00 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 40).
56 Derhalve dienen ook de middelen inzake de feiten die aan het beoordelingsrapport voor 1999 ten grondslag hebben gelegen, te worden afgewezen.
57 Gelet op een en ander dient de hogere voorziening van Pflugradt in haar geheel te worden afgewezen.
Kosten
58 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van hetzelfde reglement op de procedure in hogere voorziening van toepassing is, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dat is gevorderd. Volgens artikel 70 van dit reglement blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste. Ingevolge artikel 122, tweede alinea, van dit reglement is artikel 70 evenwel niet van toepassing in hogere voorzieningen die door de ambtenaren of andere personeelsleden van de instellingen worden ingesteld. Aangezien rekwirant in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van de ECB te worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Pflugradt wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
1 – Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy